Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document JOL_2011_052_R_0001_01

2011/116/EU: Besluit van de Raad van 13 december 2010 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van het Protocol bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de visserijzone van de Federale Staten van Micronesia
Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en financiële tegenprestaties als bedoeld in de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de visserijzone van de Federale Staten van Micronesia

OJ L 52, 25.2.2011, p. 1–32 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

25.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 52/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 13 december 2010

betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van het Protocol bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de visserijzone van de Federale Staten van Micronesia

(2011/116/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, juncto artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 april 2006 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 805/2006 betreffende de sluiting van een partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de visserijzone van de Federale Staten van Micronesia (1) (hierna „de partnerschapsovereenkomst”) vastgesteld.

(2)

Een protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en financiële tegenprestaties als bedoeld in de partnerschapsovereenkomst (hierna „het vorige protocol”) was gehecht aan de partnerschapsovereenkomst. Het vorige protocol is op 25 februari 2010 verstreken.

(3)

De Unie en de Federale Staten van Micronesia (hierna „Micronesia”) hebben vervolgens onderhandeld over een nieuw protocol (hierna „het protocol”) bij de partnerschapsovereenkomst waarbij aan EU-vaartuigen vangstmogelijkheden worden toegekend in de wateren waarover Micronesia de soevereiniteit of de jurisdictie voor visserijaangelegenheden bezit.

(4)

Na afloop van die onderhandelingen is op 7 mei 2010 het protocol bij de partnerschapsovereenkomst geparafeerd.

(5)

Overeenkomstig artikel 15 van het protocol dient het vanaf de datum van ondertekening ervan voorlopig te worden toegepast.

(6)

Gelet op het feit dat het vorige protocol reeds is verstreken, is het van essentieel belang dat het protocol zo spoedig mogelijk wordt toegepast, teneinde de snelle hervatting van de visserijactiviteiten van EU-vaartuigen te verzekeren.

(7)

Het protocol dient te worden ondertekend en voorlopig te worden toegepast in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De ondertekening van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en financiële tegenprestaties als bedoeld in de partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de visserijzone van de Federale Staten van Micronesia (hierna „het protocol”) wordt namens de Unie goedgekeurd, onder voorbehoud van de sluiting van het protocol.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om namens de Unie het Protocol te ondertekenen, onder voorbehoud van de sluiting ervan.

Artikel 3

In afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan, wordt het protocol overeenkomstig artikel 15 ervan voorlopig toegepast vanaf de datum van de ondertekening ervan (2).

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 13 december 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

K. PEETERS


(1)  PB L 151 van 6.6.2006, blz. 1.

(2)  De datum van ondertekening van het protocol zal door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad worden bekendgemaakt.


PROTOCOL

tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en financiële tegenprestaties als bedoeld in de Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de visserijzone van de Federale Staten van Micronesia

Artikel 1

Geldigheidsduur en vangstmogelijkheden

1.   Op grond van artikel 6 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij verlenen de FSM jaarlijkse vangstmogelijkheden aan EU-vaartuigen voor de tonijnvisserij in overeenstemming met titel 24 van het Wetboek van de FSM en binnen de grenzen die zijn vastgesteld in het kader van de instandhoudings- en beheersmaatregelen (CMM — conservation and management measures) van de Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (WCPFC — Western and Central Pacific Fisheries Commission), en met name CMM 2008-01.

2.   Voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit protocol voorzien de vangstmogelijkheden als bedoeld in artikel 5 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij in de afgifte van jaarlijkse vismachtigingen om in de EEZ van de FSM te vissen voor 6 ringzegenvaartuigen en 12 beugvisserijvaartuigen.

3.   De leden 1 en 2 zijn van toepassing onverminderd de artikelen 5, 6, 8 en 10 van dit protocol.

Artikel 2

Financiële tegenprestatie — Betalingswijze

1.   De in artikel 7 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij bedoelde financiële tegenprestatie wordt voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde periode vastgesteld op 559 000 EUR per jaar.

2.   Deze financiële tegenprestatie omvat:

a)

een jaarlijks bedrag van 520 000 EUR voor de toegang tot de EEZ van de FSM, wat overeenkomt met een referentiehoeveelheid van 8 000 ton per jaar minus 111 800 EUR, en

b)

een specifiek bedrag van 150 800 EUR per jaar voor de ondersteuning en tenuitvoerlegging van het sectorale visserijbeleid van de FSM.

3.   Lid 1 van dit artikel is van toepassing onverminderd de artikelen 4, 5 en 6 van dit protocol en de artikelen 13 en 14 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij.

4.   Indien de totale hoeveelheid door EU-vaartuigen in de EEZ van de FSM gevangen tonijn meer dan 8 000 ton per jaar bedraagt, wordt het totale bedrag van de jaarlijkse financiële tegenprestatie met 65 EUR per extra ton gevangen tonijn verhoogd. Het door de Europese Unie te betalen jaarlijkse totaalbedrag mag evenwel niet meer bedragen dan het dubbele van het in lid 2, onder a), genoemde bedrag van de financiële tegenprestatie. Indien de vangsten van de EU-vaartuigen meer bedragen dan het dubbele van de in lid 2, onder a), genoemde hoeveelheid, plegen beide partijen zo spoedig mogelijk overleg om het voor de extra hoeveelheid verschuldigde bedrag vast te stellen.

5.   Voor het eerste jaar gebeurt de betaling uiterlijk 45 dagen na de inwerkingtreding van het protocol bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij, en voor de volgende jaren uiterlijk op de verjaardatum van het protocol.

6.   De beslissing over de bestemming van de in artikel 2, lid 2, onder a), gespecificeerde financiële tegenprestatie valt onder de exclusieve bevoegdheid van de FSM.

7.   Het bedrag van de financiële tegenprestatie wordt overgemaakt op de rekening van de regering van de FSM bij de Bank of FSM Micronesia in Honolulu, Hawaï. Bankgegevens:

Bank of FSM Micronesia, Honolulu Hawaï

ABA-nummer 1213-02373

Rekeningnummer 08-18-5018

Rekeninghouder: Regering van de FSM.

8.   Ten bewijze van de betalingen worden kopieën van betalingen of elektronische overschrijvingen aan de nationale autoriteit voor het beheer van de oceanische rijkdommen (National Oceanic Resource Management Authority — NORMA) van de FSM toegezonden.

Artikel 3

Bevordering van een verantwoorde visserij in de wateren van de FSM

1.   Uiterlijk drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit protocol komen de Europese Unie en de FSM in de gemengde commissie als bedoeld in artikel 9 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij een meerjarig sectoraal programma en de daarbij horende uitvoeringsbepalingen overeen, die met name het volgende omvatten:

a)

jaarlijkse en meerjarige richtsnoeren voor het gebruik van de in artikel 2, lid 2, onder b), bedoelde financiële tegenprestatie voor de jaarlijks uit te voeren initiatieven;

b)

de doelstellingen die op meerjarige en jaarbasis moeten worden bereikt om op termijn een duurzame en verantwoorde visserij tot stand te brengen en te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de prioriteiten in de nationale beleidslijnen van de FSM op het gebied van visserij en andere gebieden die met de bevordering van een duurzame en verantwoorde visserij in verband staan of deze kunnen beïnvloeden;

c)

criteria en procedures voor de jaarlijkse beoordeling van de resultaten.

2.   Voorstellen tot wijziging van het meerjarige sectorale programma moeten in het gemengde comité door beide partijen worden goedgekeurd.

3.   Met het oog op de tenuitvoerlegging van het meerjarige programma wijzen de FSM in voorkomend geval jaarlijks een extra bedrag toe aan de in artikel 2, lid 2, onder b), bedoelde financiële tegenprestatie. Deze toewijzing dient te worden gemeld aan de Europese Unie. De FSM stellen de Europese Commissie uiterlijk 45 dagen vóór de verjaardatum van het protocol, in kennis van de nieuwe toewijzing.

4.   Wanneer de jaarlijkse beoordeling van de resultaten van de tenuitvoerlegging van het meerjarige sectorale programma zulks rechtvaardigt, kan de Europese Commissie verzoeken het in artikel 2, lid 2, onder b), van dit protocol vastgestelde deel van de financiële tegenprestatie te verlagen om het daadwerkelijk voor de tenuitvoerlegging van het programma toegewezen bedrag aan te passen aan die resultaten.

Artikel 4

Wetenschappelijke samenwerking voor een verantwoorde visserij

1.   Beide partijen verbinden zich tot het bevorderen van een verantwoorde visserij in de EEZ van de FSM zonder onderscheid te maken tussen de verschillende vloten die in deze wateren vissen.

2.   Gedurende de door dit protocol bestreken periode garanderen de Europese Unie en de FSM een duurzaam gebruik van de visbestanden in de EEZ van de FSM.

3.   De partijen verbinden zich ertoe de subregionale samenwerking op het gebied van verantwoorde visserij te bevorderen, met name in het kader van de WCPFC en iedere andere betrokken subregionale of internationale organisatie.

4.   Overeenkomstig artikel 4 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij, artikel 4, lid 1, van dit protocol en in het licht van het beste beschikbare wetenschappelijke advies plegen de partijen overleg in de gemengde commissie als bedoeld in artikel 9 van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij en stellen waar nodig maatregelen vast ten aanzien van de activiteiten van op grond van het protocol visgerechtigde EU-vaartuigen waaraan overeenkomstig de bijlage een vismachtiging is afgegeven, met het oog op een duurzaam beheer van de in de EEZ van de FSM beviste bestanden.

Artikel 5

Aanpassing van de vangstmogelijkheden in onderlinge overeenstemming

De in artikel 1 van dit protocol bedoelde vangstmogelijkheden kunnen in onderlinge overeenstemming worden aangepast, mits de door de WCPFC vastgestelde aanbevelingen bevestigen dat deze aanpassing het duurzame beheer van de visbestanden van de FSM ten goede zal komen. De in artikel 2, lid 2, onder a), bedoelde financiële tegenprestatie wordt dan evenredig en pro rata temporis aangepast.

Artikel 6

Nieuwe vangstmogelijkheden

1.   Indien EU-vaartuigen belangstelling hebben voor andere dan in artikel 1 van dit protocol bedoelde vangstmogelijkheden, dienen de FSM hiervan in kennis te worden gesteld in de vorm van een blijk van belangstelling of een verzoek. Een dergelijk verzoek wordt slechts ingewilligd overeenkomstig de wet- en regelgeving van de FSM en kan aanleiding geven tot een nieuwe overeenkomst.

2.   De partijen mogen gezamenlijke experimentele visserijsurveys in de EEZ van de FSM verrichten voor zover deze in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving van de FSM. Met het oog hierop en onder voorbehoud van een wetenschappelijke beoordeling plegen zij overleg op verzoek van één van de partijen en bepalen zij per geval de nieuwe bestanden, voorwaarden en andere parameters.

3.   De partijen oefenen experimentele visserijactiviteiten uit in onderling overleg, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de FSM. Machtigingen voor experimentele visserij worden afgegeven voor testdoeleinden en de looptijd en begindatum ervan worden in onderlinge overeenstemming door beide partijen vastgesteld.

4.   Wanneer de partijen vaststellen dat de experimentele surveys positieve resultaten hebben opgeleverd zonder aantasting van de ecosystemen en met instandhouding van de levende mariene rijkdommen, kunnen na overleg tussen beide partijen nieuwe vangstmogelijkheden aan EU-vaartuigen worden toegekend.

Artikel 7

Voorwaarden voor de uitoefening van de visserij — exclusiviteitsclausule

1.   EU-vaartuigen mogen slechts visserijactiviteiten uitoefenen in de EEZ van de FSM als zij in het bezit zijn van een geldige vismachtiging die door de NORMA van de FSM in het kader van dit protocol is afgegeven.

2.   Voor visserijcategorieën die niet onder het van kracht zijnde protocol vallen, en voor de experimentele visserij kan de NORMA van de FSM vismachtigingen afgeven aan EU-vaartuigen. Deze machtigingen worden evenwel slechts in onderling overleg en in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de FSM afgegeven.

Artikel 8

Opschorting en herziening van de betaling van de financiële tegenprestatie

1.   De in artikel 2, lid 2, onder a) en b), bedoelde financiële tegenprestatie wordt opgeschort of herzien wanneer:

a)

abnormale omstandigheden, met uitzondering van natuurverschijnselen, de visserij in de EEZ van de FSM onmogelijk maken, of

b)

één van de partijen na ingrijpende wijzigingen in de beleidslijnen die tot de sluiting van dit protocol hebben geleid, om herziening van deze bepalingen verzoekt met het oog op een eventuele wijziging daarvan, of

c)

de Europese Unie in de FSM een inbreuk vaststelt op essentiële en fundamentele aspecten van de mensenrechten zoals verankerd in artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou.

2.   De Europese Unie behoudt zich het recht voor om de betaling van het in artikel 2, lid 2, onder b), van dit protocol bedoelde specifieke bedrag geheel of gedeeltelijk op te schorten wanneer:

a)

de resultaten na de evaluatie in de gemengde commissie niet in overeenstemming met de programmering blijken te zijn, of

b)

de FSM hun verplichtingen ten aanzien van dit specifieke bedrag niet zijn nagekomen.

3.   De betaling van de financiële tegenprestatie wordt hervat zodra de situatie, zoals die was vóór de vorengenoemde omstandigheden, weer is hersteld en na overleg en overeenstemming tussen beide partijen, die bevestigen dat normale visserijactiviteiten opnieuw mogelijk zijn.

Artikel 9

Opschorting en wederafgifte van de vismachtiging

De FSM behouden zich het recht voor om de in artikel 1, lid 2, van dit protocol bedoelde vismachtigingen op te schorten wanneer:

a)

een bepaald vaartuig een ernstige inbreuk op de wet- en regelgeving van de FSM heeft begaan, of

b)

door de reder geen gevolg is gegeven aan een rechterlijk bevel met betrekking tot de inbreuk van een bepaald vaartuig. Zodra gevolg is gegeven aan het rechterlijk bevel, wordt de vismachtiging voor het vaartuig opnieuw afgegeven voor de resterende geldigheidsduur ervan.

Artikel 10

Opschorting van de toepassing van het protocol

1.   De toepassing van dit protocol wordt op initiatief van één van beide partijen opgeschort wanneer:

a)

abnormale omstandigheden, met uitzondering van natuurverschijnselen, de visserij in de EEZ van de FSM onmogelijk maken, of

b)

de Europese Unie de in artikel 2, lid 2, onder a), van dit protocol bedoelde betalingen niet verricht om redenen die niet in artikel 8 van dit protocol worden genoemd, of

c)

er een geschil tussen de partijen ontstaat inzake de interpretatie of de toepassing van dit protocol, of

d)

één van de partijen de in dit protocol vastgelegde bepalingen niet naleeft, of

e)

één van de partijen na ingrijpende wijzigingen in de beleidslijnen die tot de sluiting van dit protocol hebben geleid, om herziening van deze bepalingen verzoekt met het oog op een eventuele wijziging daarvan, of

f)

één van de partijen een inbreuk vaststelt op essentiële en fundamentele aspecten van de mensenrechten zoals verankerd in artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou.

2.   De toepassing van het protocol kan op initiatief van een partij worden opgeschort wanneer het geschil tussen de partijen als ernstig wordt beschouwd en het overleg tussen beide partijen niet tot een minnelijke schikking heeft geleid.

3.   De toepassing van het protocol kan slechts worden opgeschort indien de betrokken partij haar voornemen hiertoe schriftelijk en ten minste drie maanden vóór de datum waarop de opschorting van kracht wordt, kenbaar maakt.

4.   In geval van schorsing van de toepassing blijven de partijen in onderling overleg streven naar een minnelijke schikking van hun geschil. Wanneer zij hierin slagen, wordt de toepassing van het protocol hervat en wordt het bedrag van de financiële tegenprestatie evenredig verlaagd pro rata temporis, afhankelijk van de duur van de periode waarin de toepassing van het protocol is opgeschort.

Artikel 11

Nationale wet- en regelgeving

1.   De activiteiten van EU-vissersvaartuigen die in de EEZ van de FSM actief zijn, vallen onder de in de FSM geldende wet- en regelgeving, tenzij anders is bepaald in de overeenkomst of in dit protocol en de bijbehorende bijlage en aanhangsels.

2.   De FSM stellen de Europese Commissie in kennis van alle nieuwe wetgeving of wijzigingen in bestaande wetgeving op het gebied van het visserijbeleid, en dit uiterlijk 3 maanden vóór de inwerkingtreding daarvan.

Artikel 12

Intrekking van het vorige protocol

Het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie voor de partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Federale Staten van Micronesia inzake de visserij in de Federale Staten van Micronesia, dat op 26 februari 2007 in werking is getreden, wordt ingetrokken en vervangen door het onderhavige protocol en de bijbehorende bijlagen.

Artikel 13

Looptijd

Dit protocol en de bijlagen daarbij zijn van toepassing voor een periode van vijf jaar, tenzij zij overeenkomstig artikel 14 van dit protocol worden opgezegd.

Artikel 14

Opzegging

1.   In geval van opzegging van het protocol stelt de betrokken partij de andere partij ten minste zes maanden vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt, schriftelijk in kennis van haar voornemen om het protocol op te zeggen. De verzending van de in het voorgaande lid bedoelde kennisgeving geeft aanleiding tot het aanvatten van raadplegingen tussen partijen.

2.   De in artikel 2 van dit protocol bedoelde financiële tegenprestatie voor het jaar waarin de opzegging van kracht wordt, wordt evenredig en pro rata temporis verlaagd.

Artikel 15

Voorlopige toepassing

Dit protocol is voorlopig van toepassing vanaf de datum van ondertekening.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit protocol en de bijlage daarbij treden in werking op de datum waarop de partijen elkaar ervan in kennis stellen van de voltooiing van de hiertoe noodzakelijke procedures.

BIJLAGE

VOORWAARDEN VOOR DE UITOEFENING VAN DE VISSERIJ DOOR EU-VAARTUIGEN IN DE VISSERIJZONE VAN DE FSM

HOOFDSTUK I

BEHEERSMAATREGELEN

AFDELING 1

Afgifte van vismachtigingen (vergunningen)

1.

Alleen visgerechtigde vaartuigen komen in aanmerking voor een vismachtiging om in de exclusieve economische zone (EEZ) van de Federale Staten van Micronesia (EEZ van de FSM) te vissen.

2.

Een vaartuig wordt slechts gemachtigd indien de reder en de kapitein alle voorafgaande verplichtingen in verband met visserijactiviteiten in de Federale Staten van Micronesia (FSM) uit hoofde van de overeenkomst zijn nagekomen. Het vaartuig zelf moet geregistreerd zijn in het regionaal FFA-register van vissersvaartuigen en het WCPFC-register van vissersvaartuigen.

3.

Alle EU-vaartuigen waarvoor een vismachtiging wordt aangevraagd, moeten zijn vertegenwoordigd door een in de FSM verblijvende agent. De naam, het adres en de contactgegevens van deze vertegenwoordiger worden in de vismachtigingsaanvraag vermeld.

4.

De Europese Commissie dient ten minste 30 dagen vóór het begin van de aangevraagde geldigheidstermijn van de vismachtiging bij de directeur (Executive Director) van de nationale autoriteit voor het beheer van de oceanische rijkdommen (National Oceanic Resource Management Authority, NORMA FSM), per e-mail (norma@mail.fm) een aanvraag in voor elk vaartuig dat in het kader van de overeenkomst de visserij wenst te beoefenen, en bezorgt een kopie daarvan aan de delegatie van de Europese Unie voor de FSM (hierna „de delegatie” genoemd).

5.

Aanvragen worden bij de directeur ingediend op het formulier volgens het model in aanhangsel 1a voor een eerste vismachtigingsaanvraag en volgens het model in aanhangsel 1b voor de verlenging van een vismachtiging.

6.

De NORMA van de FSM neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in het kader van de vismachtigingsaanvraag ontvangen gegevens vertrouwelijk worden behandeld. Deze gegevens worden uitsluitend in het kader van de tenuitvoerlegging van de overeenkomst gebruikt.

7.

Elke vismachtigingsaanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens en documenten:

a)

de betaling of het bewijs van betaling van de visrechten voor de geldigheidsduur van de vismachtiging;

b)

een door de vlaggenstaat voor eensluidend gewaarmerkte kopie van de meetbrief waarop in BRT of BT de tonnage van het vaartuig is aangegeven;

c)

een recente, gecertificeerde kleurenfoto van ten minste 15 × 10 cm met een zijaanzicht van het vaartuig in de huidige staat;

d)

elk ander document of attest dat op grond van de bijzondere bepalingen voor het betrokken vaartuigtype in het kader van dit protocol vereist is;

e)

een bewijs van registratie in het regionaal FFA-register van vaartuigen en het WCPFC-register van vissersvaartuigen;

f)

een kopie van het verzekeringsbewijs in het Engels voor de hele looptijd van de vismachtiging;

g)

een bewijs van betaling van de aanvraagkosten ten belope van 460 EUR per vaartuig;

h)

een waarnemersbijdrage van 1 500 EUR per vaartuig.

8.

Alle bedragen worden overgemaakt op de rekening van de regering van de FSM bij de Bank of FSM Micronesia in Honolulu, Hawaï:

Bank of FSM Micronesia, Honolulu Hawaï

ABA-nummer 1213-02373

Rekeningnummer 08-18-5018

Rekeninghouder: Regering van de FSM.

9.

De rechten omvatten alle nationale en lokale belastingen, met uitzondering van havenbelastingen, kosten voor dienstverlening en rechten voor overlading.

10.

De vismachtigingen voor alle vaartuigen worden uiterlijk 30 werkdagen na de datum waarop de directeur alle in hoofdstuk I, afdeling 1, punt 7, van deze bijlage bedoelde documenten ontvangt, aan de reders afgegeven in elektronische en papieren versie (met een elektronische kopie aan de Europese Commissie en de delegatie). De elektronische kopie wordt na ontvangst ervan alsnog vervangen door een papieren versie.

11.

De vismachtiging wordt afgegeven voor een bepaald vaartuig en is niet overdraagbaar.

12.

Wanneer wordt geconstateerd dat er sprake is van overmacht, kan de vismachtiging van een bepaald vaartuig op verzoek van de Europese Unie voor de resterende geldigheidsduur ervan worden vervangen door een nieuwe vismachtiging op naam van een ander vaartuig met vergelijkbare kenmerken, zonder dat hiervoor nieuwe visrechten hoeven te worden betaald. De totale vangst van beide vaartuigen wordt in aanmerking genomen bij de bepaling van de eventueel door de Europese Unie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van het protocol op basis van de vangsten van de Europese Unie te verrichten aanvullende betalingen.

13.

De reder van het eerste vaartuig zendt de te annuleren vismachtiging via de delegatie terug aan de directeur.

14.

De nieuwe vismachtiging gaat in op de datum van afgifte ervan door de directeur en is geldig voor de resterende geldigheidsduur van de eerste vismachtiging. De delegatie wordt van de nieuwe vismachtiging in kennis gesteld.

15.

De vismachtiging moet te allen tijde aan boord worden gehouden, duidelijk zichtbaar in de stuurhut, onverminderd hoofdstuk V, afdeling 3, punt 1, van deze bijlage. Gedurende een redelijke periode na de afgifte van de vismachtiging, die niet meer dan 45 dagen mag bedragen, en in afwachting van de ontvangst van de originele vismachtiging geldt een elektronisch ontvangen document of een ander door de directeur erkend document als een geldig document en als toereikend bewijs ten behoeve van controle, toezicht en handhaving in verband met de overeenkomst. Het elektronisch ontvangen formulier wordt na ontvangst ervan alsnog vervangen door de papieren versie.

16.

De twee partijen komen overeen de invoering van een vismachtigingssysteem te bevorderen dat uitsluitend is gebaseerd op elektronische uitwisseling van alle hierboven genoemde gegevens en documenten. De twee partijen komen overeen ervoor te zorgen dat de papieren vismachtiging snel wordt vervangen door een elektronisch equivalent zoals de lijst van de in punt 1 van deze afdeling bedoelde vaartuigen die in de EEZ van de FSM mogen vissen.

AFDELING 2

Voorwaarden betreffende de vismachtiging — visrechten en voorschotten

1.

De vismachtigingen zijn één jaar geldig. De geldigheidsduur kan worden verlengd. Vismachtigingen kunnen slechts worden verlengd binnen de grenzen van de in het protocol vastgestelde beschikbare vangstmogelijkheden.

2.

De rechten bedragen 35 EUR per ton in de EEZ van de FSM gevangen vis.

3.

De vismachtigingen worden afgegeven na overmaking van de volgende forfaitaire bedragen op de in hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 8, van deze bijlage vermelde rekening:

a)

15 000 EUR per vaartuig voor de tonijnvisserij met de zegen, wat overeenkomt met de visrechten voor een vangst van 428 ton tonijn en tonijnachtigen per jaar. Voor het eerste toepassingsjaar van dit protocol is het voorschot dat de reders van EU-vaartuigen reeds hebben betaald in het kader van het vorige protocol van toepassing, en

b)

4 200 EUR per vaartuig voor de visserij met de drijvende beug, wat overeenkomt met de visrechten voor een vangst van 120 ton tonijn en tonijnachtigen per jaar.

4.

Uiterlijk op 30 juni van elk jaar stelt de Europese Commissie op basis van de door de reders opgestelde vangstaangiften de eindafrekening van de voor een bepaald visseizoen verschuldigde rechten vast voor de vangsten van het voorgaande jaar. De gegevens moeten zijn bevestigd door de voor de verificatie van vangstgegevens bevoegde wetenschappelijke instellingen van de Europese Unie, zoals het Institut de recherche pour le développement (IRD), het Instituto Español de Oceanografia (IEO) of het Instituto de Investigação das Pescas e do Mar (IPIMAR).

5.

De door de Europese Commissie vastgestelde afrekening wordt ter controle en goedkeuring toegezonden aan de directeur.

De NORMA van de FSM kan bezwaar aantekenen tegen de afrekening tot 30 dagen na ontvangst daarvan en bij onenigheid de gemengde commissie bijeenroepen.

Indien binnen 30 dagen na ontvangst van de afrekening geen bezwaar wordt aangetekend, wordt de afrekening geacht door de NORMA van de FSM te zijn aanvaard.

6.

De eindafrekening wordt onverwijld en gelijktijdig meegedeeld aan de directeur en de delegatie en, via de nationale overheden, aan de reders.

7.

Eventuele aanvullende betalingen worden uiterlijk vijfenveertig (45) dagen na de kennisgeving van de bevestigde eindafrekening door de reders aan de FSM overgemaakt op de in hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 8, van deze bijlage vermelde rekening.

8.

Als het bedrag van de eindafrekening kleiner is dan het in punt 3 van deze afdeling bedoelde voorschot, wordt het verschil echter niet aan de reder terugbetaald.

HOOFDSTUK II

VISSERIJZONES EN VISSERIJACTIVITEITEN

AFDELING 1

Visserijzones

1.

De in artikel 1 van het protocol bedoelde vaartuigen mogen visserijactiviteiten uitoefenen in de EEZ van de FSM, met uitzondering van de territoriale wateren en de banken die zijn aangegeven op de volgende kaarten: DMAHTC NO. 81019 (2e uitgave van maart 1945; herzien op 17 juli 1972, gecorrigeerd bij NM 3/78 van 21 juni 1978), DMAHTC NO. 81023 (3e uitgave van 7 augustus 1976) en DMAHATC NO. 81002 (4e uitgave van 26 januari 1980, gecorrigeerd bij NM 4/48). De directeur stelt de Europese Commissie ten minste twee maanden van tevoren in kennis van elke eventuele wijziging van deze gesloten gebieden.

2.

In geen geval zijn visserijactiviteiten toegestaan binnen 2 zeemijlen van door de regering van de FSM of enige andere natuurlijke of rechtspersoon beheerde geankerde visaantrekkende voorzieningen, waarvan de ligging aan de hand van de geografische coördinaten wordt meegedeeld, noch binnen 1 zeemijl van de onderwaterriffen die zijn aangegeven op de in lid 1 hierboven vermelde kaarten.

AFDELING 2

Visserijactiviteiten

1.

Ringzegenvaartuigen of beugvisserijvaartuigen mogen uitsluitend op tonijn en tonijnachtigen vissen. Alle incidentele bijvangsten van vis van andere soorten moeten worden gemeld aan de NORMA van de FSM.

2.

De visserijactiviteiten van EU-vaartuigen worden uitgeoefend in overeenstemming met de voorschriften in het kader van de instandhoudings- en beheersmaatregelen van de WCPFC, waaronder CMM-2008-01.

3.

Bodem- of koraalvisserij is in de EEZ van de FSM niet toegestaan.

4.

EU-vaartuigen moeten al hun vistuig vastsjorren wanneer zij zich in de binnenwateren van een staat, in de territoriale wateren of binnen 1 zeemijl van onderwaterriffen begeven.

5.

EU-vaartuigen zorgen ervoor dat hun visserijactiviteiten de traditionele plaatselijke visserij niet verstoren en laten alle schildpadden, zeezoogdieren, zeevogels en rifvissen op zodanige wijze vrij dat deze bijvangsten optimale overlevingskansen hebben.

6.

EU-vaartuigen en hun kapiteins en exploitanten zorgen ervoor dat hun visserijactiviteiten de activiteiten van andere vissersvaartuigen niet verstoren en het vistuig van andere vissersvaartuigen niet belemmeren.

HOOFDSTUK III

MONITORING

AFDELING 1

Regeling inzake de vangstregistratie

1.

De kapiteins van vaartuigen registreren in hun logboek de in aanhangsels 2a en 2b vermelde gegevens. Vaartuigen met een lengte van meer dan 24 meter kunnen vangst/logboekgegevens met ingang van 1 januari 2010 elektronisch indienen; voor vaartuigen met een lengte van meer dan 12 meter wordt de elektronische indiening geleidelijk ingevoerd vanaf 2012. De partijen komen overeen de invoering van een systeem voor vangstgegevens te bevorderen dat uitsluitend is gebaseerd op elektronische uitwisseling van alle hierboven beschreven gegevens. Beide partijen komen overeen ervoor te zorgen dat de papieren versies van de logboeken snel worden vervangen door elektronische versies.

2.

Indien een vaartuig op een bepaalde dag geen vistuig heeft uitgezet, of indien er bij het uitzetten niets is gevangen, vermeldt de kapitein van het vaartuig deze informatie ook op het logboekformulier voor die dag. Indien een vaartuig op een bepaalde dag (tot middernacht plaatselijke tijd) geen visserijactiviteiten verricht, moet dit voor de betrokken dag in het logboek van het vaartuig worden vermeld.

3.

Tijdstip en datum van het binnenvaren en verlaten van de EEZ van de FSM worden onmiddellijk na het binnenvaren en verlaten van de EEZ van de FSM in het logboek geregistreerd.

4.

Voor incidentele bijvangsten van andere soorten dan tonijn registreren EU-vaartuigen per gevangen soort de grootte en de hoeveelheid, uitgedrukt in gewicht of aantal, zoals aangegeven in het logboek, zowel voor aan boord gehouden als voor teruggegooide exemplaren.

5.

De logboeken worden dagelijks leesbaar ingevuld en door de kapitein van het vaartuig ondertekend.

AFDELING 2

Regeling inzake de vangstaangiften

1.

Met het oog op de toepassing van deze bijlage wordt onder de duur van een visreis van een EU-vaartuig het volgende verstaan:

a)

de periode tussen het binnenvaren en het verlaten van de EEZ van de FSM, of

b)

de periode tussen het binnenvaren van de EEZ van de FSM en het overladen, of

c)

de periode tussen het binnenvaren van de EEZ van de FSM en het aanlanden in een haven van de FSM.

2.

Alle EU-vaartuigen die in het kader van de overeenkomst in de EEZ van de FSM mogen vissen, geven hun vangsten in de EEZ van de FSM als volgt aan bij de directeur:

a)

alle ondertekende logboekformulieren worden binnen 5 dagen na elke aanlanding of overlading via het Centrum voor visserijmonitoring van de vlaggenlidstaat elektronisch toegezonden aan het Centrum voor visserijtoezicht van de FSM en de Europese Commissie,

b)

de kapiteins van vaartuigen doen de directeur en de Europese Commissie wekelijks een vangstaangifte toekomen met de in aanhangsel 3, deel 3, vermelde gegevens. Wekelijkse berichten betreffende de positie en de vangst worden aan boord gehouden tot de aanlandingen of overladingen zijn beëindigd.

3.

Binnenvaren en verlaten van de zone:

a)

EU-vaartuigen stellen de directeur ten minste 24 uur van tevoren in kennis van hun voornemen om de EEZ van de FSM binnen te varen en melden hem onverwijld wanneer zij deze verlaten. Zodra het vaartuig de EEZ van de FSM binnenvaart, stelt de kapitein de directeur daarvan per fax of e-mail volgens het model in aanhangsel 3 of per radio in kennis.

b)

Wanneer het vaartuig zijn vertrek meldt, deelt het tevens zijn positie en de aan boord gehouden gevangen hoeveelheden en soorten mee volgens het model in aanhangsel 3. Deze kennisgevingen gebeuren bij voorkeur per fax, maar voor vaartuigen die niet over een fax beschikken, zijn kennisgevingen per e-mail of radio toegestaan.

4.

Vaartuigen die hun aanwezigheid niet bij de directeur hebben gemeld en toch op de uitoefening van visserijactiviteiten worden betrapt, worden beschouwd als vaartuigen zonder vismachtiging.

5.

Faxnummer, telefoonnummer en e-mailadres van de NORMA van de FSM worden aan de vaartuigen meegedeeld bij de afgifte van de vismachtiging.

6.

Ieder vaartuig van de Europese Unie stelt de logboeken en vangstaangiften onverwijld voor controle ter beschikking van door de NORMA van de FSM erkende handhavingsambtenaren en andere personen en instanties.

AFDELING 3

Monitoringsysteem voor vaartuigen

1.

Alle EU-vaartuigen moeten bij het vissen in de EEZ van de FSM voldoen aan de momenteel in de EEZ van de FSM geldende voorschriften van het monitoringsysteem voor vaartuigen (vessel monitoring system — VMS) van de FFA. Elk EU-vaartuig moet een door de FFA goedgekeurde mobiele transmissie-eenheid (mobile transmission unit — MTU) aan boord hebben, deze onderhouden en te allen tijde operationeel houden. De exploitant verbindt zich ertoe de MTU na installatie niet te manipuleren, noch van het vaartuig te verwijderen of te laten verwijderen, behalve indien nodig voor onderhoud of reparatie. De exploitant van ieder vaartuig is verantwoordelijk voor de aanschaf, het onderhoud en de operationele kosten van de MTU, en werkt volledig samen met de NORMA van de FSM bij het gebruik ervan.

2.

Onverminderd het bepaalde in punt 1 kunnen de partijen alternatieve VMS-opties in overweging nemen die verenigbaar zijn met het VMS van de WCPFC.

AFDELING 4

Aanlanding

1.

EU-vaartuigen die hun vangsten in de havens van de FSM willen aanlanden, doen dat in een door de FSM aangewezen haven. Aanhangsel 4 bevat een lijst van aangewezen havens.

2.

De reders van dergelijke vaartuigen stellen de directeur en het FMC van de vlaggenlidstaat minstens 48 uur van tevoren in kennis van de volgende gegevens volgens het model in aanhangsel 3, deel 4. Vindt de aanlanding plaats in een haven buiten de EEZ van de FSM, dan gebeurt de kennisgeving (volgens dezelfde voorwaarden) aan de havenstaat van aanlanding en het FMC van de vlaggenlidstaat.

3.

Kapiteins van EU-vaartuigen die hun vangst in een haven van de FSM aanlanden, moeten de controle op deze verrichtingen door inspecteurs van de FSM toestaan en vergemakkelijken. Na de controle wordt aan de kapitein van het vaartuig een attest afgegeven.

4.

EU-vaartuigen lossen in geen enkele haven vis of bijvangsten en schenken geen vis of bijvangsten aan personen of instanties zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit in de betrokken staat van de FSM en voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de NORMA van de FSM.

AFDELING 5

Overlading

1.

EU-vaartuigen die hun vangsten in de wateren van de FSM willen overladen, doen dat in een aangewezen haven van de FSM. Aanhangsel 4 bevat een lijst van aangewezen havens.

2.

De reders van die vaartuigen stellen de directeur ten minste 48 uur van tevoren in kennis van de volgende gegevens.

3.

Het overladen staat gelijk aan het einde van een visreis. De vaartuigen moeten derhalve hun vangstaangiften bij de directeur indienen en meedelen of zij voornemens zijn door te gaan met vissen, dan wel de EEZ van de FSM te verlaten.

4.

EU-vaartuigen die in de EEZ van de FSM vissen, mogen onder geen beding hun vangsten op zee overladen.

5.

Overladen op een andere dan hierboven beschreven wijze is niet toegestaan in de EEZ van de FSM. Overtredingen worden bestraft met de sancties waarin de wet- en regelgeving van de FSM voorzien.

6.

Kapiteins van EU-vaartuigen die hun vangst in een haven van de FSM overladen, moeten de controle op deze verrichtingen door inspecteurs van de FSM toestaan en vergemakkelijken. Na de controle wordt aan de kapitein van het vaartuig een attest afgegeven.

7.

EU-vaartuigen lossen in geen enkele haven vis of bijvangsten en schenken geen vis of bijvangsten aan personen of instanties zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit in de betrokken staat van de FSM en voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de NORMA van de FSM.

HOOFDSTUK IV

WAARNEMERS

1.

Bij de indiening van een vismachtigingsaanvraag maakt ieder EU-vaartuig de in hoofdstuk I, afdeling 1, punt 7, onder h), vastgestelde bijdrage voor het waarnemersprogramma over op de in hoofdstuk I, afdeling 1, punt 8, van deze bijlage vermelde rekening.

2.

EU-vaartuigen die op grond van de overeenkomst in de EEZ van de FSM mogen vissen, nemen waarnemers aan boord overeenkomstig de onderstaande bepalingen:

A.

voor ringzegenvaartuigen:

EU-ringzegenvaartuigen hebben tijdens hun visserijactiviteiten in de EEZ van de FSM te allen tijde een waarnemer aan boord die is aangewezen in het kader van het waarnemersprogramma van de FSM of het regionaal waarnemersprogramma van de WCPFC (WCPFC ROP);

B.

voor beugvisserijvaartuigen:

a)

de directeur stelt ieder jaar de inhoud van het waarnemersprogramma vast op basis van het aantal vaartuigen dat in de EEZ van de FSM mag vissen, en van de toestand van de bestanden waarop deze vaartuigen vissen. Hij/zij bepaalt voorts welk aantal of percentage vaartuigen een waarnemer aan boord moet nemen;

b)

de directeur stelt een lijst van vaartuigen vast die zijn aangewezen om een waarnemer aan boord te nemen en een lijst van waarnemers die zijn aangewezen om aan boord te gaan. Deze lijsten worden regelmatig bijgewerkt. Zij worden meteen na de opstelling ervan en vervolgens, rekening houdend met de eventuele bijwerking ervan, elke drie maanden aan de Europese Commissie meegedeeld;

c)

bij de afgifte van de vismachtiging of uiterlijk vijftien (15) dagen vóór de datum waarop de waarnemer aan boord moet gaan, stelt de directeur de betrokken reder of diens vertegenwoordiger in kennis van zijn voornemen om een aangewezen waarnemer aan boord van het betrokken vaartuig te laten gaan, wiens naam zo spoedig mogelijk wordt meegedeeld;

d)

hoelang de waarnemer aan boord dient te blijven, wordt vastgesteld door de directeur, maar in het algemeen zal dit niet langer zijn dan nodig is voor de uitvoering van zijn taak. De directeur deelt dit aan de betrokken reder of diens vertegenwoordiger mee wanneer de naam van de waarnemer wordt meegedeeld.

3.

Onder voorbehoud van het bepaalde in punt 2A van dit hoofdstuk, meldt de betrokken reder 10 dagen vóór de geplande datum voor het aan boord nemen van de waarnemer bij het begin van de visreis de data en de havens van de FSM die voor het aan boord nemen van de waarnemer zijn vastgesteld.

4.

Indien de waarnemer in een ander land aan boord wordt genomen, zijn de reiskosten van de waarnemer voor rekening van de reder. Als een vaartuig met een waarnemer van de FSM aan boord de EEZ van de FSM verlaat, wordt alles in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat de waarnemer zo spoedig mogelijk naar de FSM kan terugkeren; de kosten hiervan zijn voor rekening van de reder.

5.

Indien de waarnemer zich binnen zes (6) uur na het afgesproken tijdstip nog niet op de afgesproken plaats heeft gemeld, wordt de reder automatisch ontheven van zijn plicht hem aan boord te nemen.

6.

De waarnemer wordt aan boord als een officier behandeld. Hij verricht de volgende taken:

a)

hij observeert de visserijactiviteiten van de vaartuigen;

b)

hij controleert de positie van de vaartuigen die bij visserijactiviteiten betrokken zijn;

c)

hij verricht bemonsteringsactiviteiten voor biologische doeleinden in het kader van wetenschappelijke programma’s;

d)

hij noteert welk vistuig wordt gebruikt;

e)

hij verifieert de in het logboek geregistreerde gegevens over de vangsten in de EEZ van de FSM;

f)

hij verifieert de percentages van de bijvangsten en schat de hoeveelheden teruggegooide verkoopbare vis, schaaldieren, koppotigen en zeezoogdieren;

g)

hij deelt eenmaal per week per radio de visserijgegevens mee, waaronder de aan boord aanwezige hoeveelheden hoofd- en bijvangst.

7.

De kapitein van een aangewezen vaartuig dat in de EEZ van de FSM actief is, verleent gemachtigde waarnemers toestemming om aan boord te komen en neemt binnen de grenzen van zijn bevoegdheid de nodige maatregelen om de fysieke veiligheid en het welzijn van de waarnemer bij de uitoefening van zijn taken te garanderen:

a)

de kapitein verleent gemachtigde waarnemers toestemming en bijstand om voor wetenschappelijke, controle- en andere doeleinden aan boord van het vaartuig te gaan;

b)

de kapitein verleent de waarnemer volledige toegang tot en laat hem gebruik maken van alle voorzieningen en apparatuur aan boord die de waarnemer nodig acht voor de uitvoering van zijn taken;

c)

waarnemers hebben vrije toegang tot de brug, de vis aan boord en alle delen van het vaartuig die kunnen worden gebruikt om vis te bewaren, te verwerken, te wegen en op te slaan;

d)

waarnemers mogen een redelijk aantal monsters nemen en hebben volledige toegang tot de documenten van het vaartuig, met inbegrip van de logboeken, vangstaangiften en andere bewijsstukken om deze te controleren en te kopiëren, en

e)

waarnemers mogen alle overige informatie verzamelen die verband houdt met de visserij in de EEZ van de FSM.

8.

Tijdens zijn verblijf aan boord:

a)

zorgt de waarnemer ervoor dat zijn aanwezigheid aan boord de normale activiteiten van het vaartuig niet hindert, en

b)

gaat de waarnemer zorgvuldig om met de goederen en de installaties aan boord van het vaartuig, en neemt hij de vertrouwelijkheid van alle aan het vaartuig toebehorende documenten in acht.

9.

Aan het einde van de waarnemingsperiode stelt de waarnemer, na een debriefing, een activiteitenverslag op dat hij ondertekent in aanwezigheid van de kapitein, die er nuttig geachte opmerkingen aan kan toevoegen en daarbij zijn handtekening plaatst. De waarnemer verstrekt bij het verlaten van het vaartuig een kopie van het verslag aan de kapitein en aan de delegatie.

10.

De reder zorgt, op zijn kosten, voor kost en logies van de waarnemers, onder dezelfde voorwaarden als voor de officieren.

11.

Het salaris en de sociale premies voor de waarnemer zijn voor rekening van de NORMA van de FSM wanneer het vaartuig in de EEZ van de FSM actief is.

HOOFDSTUK V

CONTROLE EN HANDHAVING

AFDELING 1

Identificatie van het vaartuig

1.

Voor visserijdoeleinden en omwille van de veiligheid van de zeevaart dient elk vaartuig overeenkomstig de „Standard Specifications for the Marking and Identification of Fishing Vessels” van de Voedsel- en landbouworganisatie (Food and Agricultural Organisation — FAO) gemerkt en geïdentificeerd te zijn.

2.

De letter(s) van de haven of het district waarin het vaartuig is geregistreerd, en het nummer (of de nummers) waaronder het vaartuig is geregistreerd, moeten in een kleur die contrasteert met de ondergrond, aan weerszijden van de boeg zo hoog mogelijk boven de waterlijn zijn geschilderd of worden getoond, ten einde vanaf zee en vanuit de lucht duidelijk zichtbaar te zijn. De naam van het vaartuig en de haven van registratie moet ook op de boeg en de achtersteven van het vaartuig zijn geschilderd.

3.

De FSM en de Europese Unie kunnen zo nodig verlangen dat de internationale radioroepnaam (international radio call sign — IRCS), het IMO-nummer (Internationale Maritieme Organisatie) of de externe registratieletters en -nummers zodanig op het dak van het stuurhuis worden geschilderd dat zij, in een kleur die contrasteert met de ondergrond, vanuit de lucht duidelijk zichtbaar zijn:

a)

de contrasterende kleuren zijn wit en zwart, en

b)

de externe registratieletters en -cijfers die op de romp van het vaartuig zijn geschilderd of worden getoond, mogen niet verwijderbaar zijn en mogen niet worden uitgewist, worden gewijzigd, onleesbaar worden gelaten, worden bedekt of aan het gezicht worden onttrokken.

4.

Vaartuigen die hun naam en radioroepnaam of -signaal niet overeenkomstig de voorschriften kenbaar maken, kunnen voor verder onderzoek naar een haven in de FSM worden geëscorteerd.

5.

De exploitant van het vaartuig zorgt ervoor dat de internationale nood- en oproepfrequentie 2 182 kHz (HF) en/of de internationale veiligheids- en oproepfrequentie 156,8 MHz (kanaal 16, VHF-FM) doorlopend wordt bewaakt om communicatie met de beheers-, toezicht- en handhavingsautoriteiten van de FSM op visserijgebied te vergemakkelijken.

6.

De exploitant van het vaartuig zorgt ervoor dat een recent en bijgewerkt exemplaar van het internationale seinboek (INTERCO) te allen tijde aan boord beschikbaar is.

AFDELING 2

Ccommunicatie met controlevaartuigen van de Federale Staten van Micronesia

1.

De communicatie tussen de vaartuigen met een vismachtiging en de controlevaartuigen van de regering verloopt door middel van de volgende internationale signalen:

Internationaal signaal — Betekenis:

L

Stop onmiddellijk

SQ3

Stop of vertraag, ik wil aan boord komen

QN

Gelieve langszij te komen aan stuurboordzijde

QN1

Gelieve langszij te komen aan bakboordzijde

TD2

Bent u een vissersvaartuig?

C

Ja

N

Neen

QR

Wij kunnen niet langszij komen

QP

Wij zullen langszij komen

2.

De FSM verstrekken de Europese Commissie een lijst van alle controlevaartuigen die voor visserijcontroledoeleinden worden ingezet. Deze lijst bevat alle details van deze vaartuigen, met name: naam, vlag, type, foto, externe identificatietekens, IRCS en communicatiecapaciteit.

3.

Controlevaartuigen zijn duidelijk gemarkeerd en identificeerbaar als overheidsvaartuigen.

AFDELING 3

Lijst van vaartuigen

De Europese Commissie houdt een lijst bij van vaartuigen waaraan een vismachtiging is afgegeven in het kader van dit protocol. Deze lijst wordt meteen na de vaststelling ervan en vervolgens na elke bijwerking ervan meegedeeld aan de voor de visserijcontrole bevoegde autoriteiten van de FSM.

AFDELING 4

Geldende wetten en procedures

Het vaartuig en de exploitant ervan leven de bepalingen van deze bijlage en de wet- en regelgeving van de FSM en de afzonderlijke staten van de FSM stipt na. Zij leven ook de internationale verdragen, overeenkomsten en visserijbeheersovereenkomsten waarbij zowel de FSM als de Europese Unie partij zijn, na. Niet-naleving van de bepalingen van deze bijlage en van de wet- en regelgeving van de FSM en de afzonderlijke staten kan aanleiding geven tot aanzienlijke boetes of andere civiel- of strafrechtelijke sancties.

AFDELING 5

Controleprocedures

1.

Kapiteins van EU-vaartuigen die in de EEZ van de FSM vissen, moeten te allen tijde binnen de EEZ, de territoriale wateren of de binnenwateren van één van de FSM, iedere met de inspectie en controle van de visserij belaste ambtenaar van de FSM het aan boord gaan toestaan en vergemakkelijken, en hem bijstaan bij het vervullen van zijn taken.

2.

Met het oog op veilige controleprocedures dient het aan boord gaan te worden voorafgegaan door een kennisgeving aan het vaartuig met vermelding van de identiteit van het inspectieplatform en de naam van de inspecteur.

3.

Handhavingsambtenaren hebben volledige toegang tot de documenten van het vaartuig, met inbegrip van de logboeken, vangstaangiften, documenten en elektronische apparatuur voor het registreren en opslaan van gegevens, en de kapitein van het vaartuig geeft bevoegde ambtenaren inzage in alle door de NORMA van de FSM afgegeven vismachtigingen of andere in het kader van de overeenkomst vereiste documenten.

4.

De kapitein geeft onmiddellijk gevolg aan iedere redelijke instructie van bevoegde ambtenaren, vergemakkelijkt het veilig aan boord gaan en de controle van het vaartuig, het vistuig, de apparatuur, de logboeken, de vis en de visproducten.

5.

De kapitein en de leden van de bemanning vallen de bevoegde ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn taken niet aan, verzetten zich niet, belemmeren of hinderen hem niet, weigeren niet hem aan boord te laten, intimideren hem niet en mengen zich niet in zijn werkzaamheden.

6.

Deze ambtenaren mogen niet langer aan boord blijven dan voor de uitoefening van hun taken nodig is.

7.

Wanneer de bepalingen van dit hoofdstuk niet worden nageleefd, behoudt de regering van de FSM zich het recht voor om de vismachtiging van het betrokken vaartuig op te schorten totdat de formaliteiten zijn vervuld, en de sanctie toe te passen waarin de geldende wet- en regelgeving van de FSM voorzien. De Europese Commissie wordt hiervan in kennis gesteld.

8.

Na de controle wordt aan de kapitein van het vaartuig een attest afgegeven.

9.

De FSM zorgen ervoor dat al het personeel dat rechtstreeks bij de controle van vissersvaartuigen in het kader van deze overeenkomst is betrokken, over de noodzakelijke vaardigheden beschikt om een visserijcontrole uit te voeren, en vertrouwd zijn met de betrokken visserijtakken. Tijdens de controle aan boord van de vissersvaartuigen waarop deze overeenkomst van toepassing is, zorgen de visserij-inspecteurs van de FSM ervoor dat de bemanning, het vaartuig en de lading worden behandeld met volledige eerbiediging van de internationale bepalingen van de aanhoudings- en inspectieprocedures van de WCPFC.

AFDELING 6

Aanhoudingsprocedure

1.   Aanhouding van vissersvaartuigen

a)

Wanneer een EU-vaartuig in de EEZ van de FSM wordt aangehouden of een sanctie op een dergelijk vaartuig wordt toegepast, stelt de directeur de delegatie daarvan binnen 24 uur in kennis.

b)

De delegatie ontvangt tegelijk een beknopt verslag over de omstandigheden van en de redenen voor de aanhouding.

2.   Proces-verbaal van de aanhouding

a)

De kapitein van het vaartuig ondertekent het proces-verbaal waarin de geconstateerde feiten door de inspecteur zijn opgetekend.

b)

Deze ondertekening heeft geen consequenties ten aanzien van de rechten en de middelen die de kapitein te zijner verdediging kan doen gelden met betrekking tot de vermoedelijke overtreding die hem ten laste wordt gelegd.

c)

De kapitein brengt zijn vaartuig naar de door de inspecteur opgegeven haven. Indien het een lichte overtreding betreft, kan de directeur het aangehouden vaartuig toestaan zijn visserijactiviteiten voort te zetten.

3.   Overlegvergadering bij aanhouding

a)

Voordat ten aanzien van de kapitein, de bemanning van het vaartuig, de lading of de uitrusting van het vaartuig maatregelen in overweging worden genomen — tenzij het maatregelen betreft om bewijsmateriaal over de vermoedelijke overtreding veilig te stellen — wordt één werkdag na ontvangst van de hierboven bedoelde gegevens een overlegvergadering gehouden tussen de delegatie en de directeur, eventueel in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de betrokken vlaggenlidstaten.

b)

Tijdens deze vergadering verstrekken de partijen elkaar alle documenten of inlichtingen die de omstandigheden van de geconstateerde feiten kunnen helpen ophelderen. De reder of diens vertegenwoordiger wordt in kennis gesteld van de resultaten van het overleg en van de maatregelen die uit de aanhouding van het vaartuig kunnen voortvloeien.

4.   Afwikkeling van de aanhouding

a)

Voordat een gerechtelijke procedure wordt ingeleid, wordt ernaar gestreefd de vermoedelijke overtreding via een schikkingsprocedure af te handelen. Deze procedure moet uiterlijk binnen vier (4) werkdagen na de aanhouding zijn afgewikkeld.

b)

Bij een minnelijke schikking wordt het bedrag van de boete vastgesteld overeenkomstig de wet- en regelgeving van de FSM.

c)

Als de zaak niet via een minnelijke schikking kan worden afgehandeld en door een bevoegde rechterlijke instantie in behandeling moet worden genomen, stelt de reder op de in hoofdstuk I, afdeling 1, punt 8, van deze bijlage vermelde rekening een bankgarantie die wordt vastgesteld met inachtneming van de met de aanhouding gepaard gaande kosten, de boetesom en de vergoedingen die moeten worden betaald door degenen die verantwoordelijk zijn voor de overtreding.

d)

De bankgarantie wordt niet vrijgegeven voordat de gerechtelijke procedure is voltooid. Zij wordt vrijgegeven zodra de procedure is beëindigd zonder veroordeling. Als bij veroordeling de boete kleiner is dan de gestelde bankgarantie, wordt het saldo na de uitspraak vrijgegeven door de voor de juridische procedure verantwoordelijke gerechtelijke instantie.

e)

Het vaartuig wordt vrijgegeven en de bemanning wordt gemachtigd de haven te verlaten:

1)

zodra aan de bij de minnelijke schikking vastgestelde verplichtingen is voldaan, of

2)

zodra, in afwachting van de voltooiing van de gerechtelijke procedure, een bankgarantie als bedoeld in punt 4, onder c), is gesteld en deze door de bevoegde gerechtelijke instantie is aanvaard.

HOOFDSTUK VI

VERANTWOORDELIJKHEID VOOR HET MILIEU

1.

De vaartuigen van de Europese Unie erkennen dat het kwetsbare (mariene) milieu in de lagunes en atollen van de FSM moet worden beschermd en zij lossen derhalve geen stoffen die de kwaliteit van de mariene hulpbronnen zouden kunnen schaden of nadelig zouden kunnen beïnvloeden.

2.

Indien tijdens een visreis in de EEZ van de FSM bunkering of overlading van een in de internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee (IMDG-code) (International Maritime Dangerous Goods — IMDG) opgenomen product plaatsvindt, wordt dit door de EU-vaartuigen gemeld overeenkomstig het model in aanhangsel 3, deel 5.

HOOFDSTUK VII

AANMONSTERING VAN ZEELIEDEN

1.

Elk EU-vaartuig dat vist in het kader van de overeenkomst, verbindt zich ertoe ten minste één (1) onderdaan van de FSM als bemanningslid aan boord te nemen.

2.

De reders kiezen de op hun vaartuigen aan te monsteren zeelui vrij uit op basis van een door de directeur overgelegde lijst.

3.

De reder of diens vertegenwoordiger deelt aan de directeur de namen van de op het betrokken vaartuig aangemonsterde zeelui van de FSM mee, met vermelding van hun inschrijving op de bemanningslijst.

4.

De verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over de fundamentele beginselen en rechten op het werk is van rechtswege van toepassing op zeelieden die zijn aangemonsterd op EU-vaartuigen. Het gaat daarbij met name om de vrijheid van vereniging, de effectieve erkenning van het recht op collectieve onderhandeling van werknemers en de bestrijding van discriminatie op het gebied van werk en beroep.

5.

De arbeidsovereenkomsten van de zeelieden van de FSM, waarvan de ondertekenende partijen een afschrift ontvangen, worden gesloten tussen de vertegenwoordiger(s) van de reders en de zeelieden en/of hun vakverenigingen of vertegenwoordigers, in overleg met de directeur. Deze overeenkomsten garanderen de zeelieden de aansluiting bij de socialezekerheidsregeling die op hen van toepassing is, met inbegrip van een overlijdens-, ziekte- en ongevallenverzekering.

6.

Het loon van de zeelieden van de FSM komt ten laste van de reder. Het loon wordt vóór de afgifte van de vismachtigingen vastgesteld in onderling overleg tussen de reders of hun vertegenwoordigers enerzijds en de directeur anderzijds. De bezoldigingsvoorwaarden van de zeelieden van de FSM mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan die welke worden toegepast voor bemanningen van de FSM, en mogen in geen geval ongunstiger zijn dan de IAO-normen.

7.

Alle op de vaartuigen van de Europese Unie aangemonsterde zeelieden moeten zich daags vóór de afgesproken datum van aanmonstering melden bij de kapitein van het aangewezen vaartuig. Indien de zeeman zich niet op de voor de aanmonstering afgesproken datum en tijd meldt, wordt de reder automatisch ontheven van zijn plicht die zeeman aan te monsteren.

HOOFDSTUK VIII

AANSPRAKELIJKHEID VAN DE EXPLOITANT

1.

De exploitant ziet erop toe dat zijn vaartuig zeewaardig is en adequate reddings- en overlevingsmiddelen voor alle passagiers en bemanningsleden aan boord heeft.

2.

Ter bescherming van de FSM, de staten van de FSM en de onderdanen en inwoners daarvan, zorgt de exploitant voor een adequate en volledige verzekering van het vaartuig door middel van een internationale verzekeraar die de NORMA aanvaardbaar acht voor de EEZ van de FSM, met inbegrip van lagunes en atollen, de territoriale wateren en onderwaterriffen, gestaafd door het in hoofdstuk I, afdeling 1, punt 7, onder f), van deze bijlage bedoelde verzekeringsbewijs.

3.

Indien een vaartuig van de Europese Unie betrokken raakt bij een maritiem ongeval of incident in de EEZ van de FSM (met inbegrip van de binnenwateren en de territoriale wateren) met enige vorm van schade aan milieu, goederen of personen tot gevolg, delen het vaartuig en de exploitant dit onverwijld mee aan de NORMA van de FSM en aan het secretariaat van het ministerie van Vervoer, communicatie en infrastructuur van de FSM.

Aanhangsels

1.

Aanvraagformulieren voor de vismachtiging

a.

Registratie- en vismachtigingsaanvraag

b.

Aanvraag om verlenging van de vismachtiging

2.

Vangstaangifteformulieren

a.

Logboekformulier voor de ringzegenvisserij

b.

Logboekformulier voor de beugvisserij

3.

Mededelingen

4.

Lijst van aangewezen havens in de FSM

Aanhangsel 1a

Image

Image

Image

Image

Aanhangsel 1b

Image

Image

Aanhangsel 2a

Image

Image

Aanhangsel 2b

Image

Image

Aanhangsel 3

Image

Image

Image

Image

Aanhangsel 4

AANGEWEZEN HAVENS

1.

Tomil Harbor in de staat Yap

2.

Weno Anchorage in de staat Chuuk

3.

Mesenieng Harbour in de staat Pohnpei

4.

Okat Harbour in de staat Kosrae


Top