Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32024R1054

Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1054 van de Commissie van 10 april 2024 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gebruik in diervoeder en in drinkwater voor alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, en voor gebruik in drinkwater voor alle pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, siervogels en speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae (vergunninghouder: Biochem Zusatzstoffe Handels- und Produktionsges. mbH), en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 wat de voorwaarden voor de verlening van de vergunning voor dat preparaat betreft

C/2024/2286

PB L, 2024/1054, 11.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1054/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1054/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2024/1054

11.4.2024

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/1054 VAN DE COMMISSIE

van 10 april 2024

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gebruik in diervoeder en in drinkwater voor alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, en voor gebruik in drinkwater voor alle pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, siervogels en speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae (vergunninghouder: Biochem Zusatzstoffe Handels- und Produktionsges. mbH), en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 wat de voorwaarden voor de verlening van de vergunning voor dat preparaat betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2, en artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de redenen en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 van de Commissie (2) is voor een preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 (voorheen taxonomisch geïdentificeerd als Bacillus coagulans DSM 32016) voor een periode van tien jaar een vergunning verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gebruik in diervoeder voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden en siervogels.

(3)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 werd een eerste aanvraag ingediend voor de wijziging van de voorwaarden van de vergunning voor het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gebruik in diervoeder voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden en siervogels, waarbij werd verzocht de taxonomisch identificatie van de stam aan te passen en het gelijktijdige gebruik van dat preparaat in combinatie met een aantal andere coccidiostatica, naast halofuginone en diclazuril, toe te staan. Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 werd een tweede aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor nieuwe toepassingen van datzelfde preparaat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gebruik in diervoeder en drinkwater voor alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- en fokdoeleinden, voor de erkenning dat het gebruik van dat preparaat verenigbaar is met een aantal coccidiostatica, en voor gebruik in drinkwater voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, alle pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden en voor siervogels. Bij beide aanvragen werd verzocht om het toevoegingsmiddel in de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “darmflorastabilisatoren” in te delen. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de tweede aanvraag voor de verlening van een vergunning voor nieuwe toepassingen gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 26 september 2023 (3) geconcludeerd dat het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden veilig is voor de doelsoort, de consument en voor het milieu. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 niet irriterend is voor de huid en de ogen maar wel een inhalatieallergeen is. De EFSA kon geen conclusies trekken over de vraag of dat preparaat sensibilisering van de huid zou kunnen veroorzaken. De EFSA heeft geconcludeerd dat het preparaat geacht wordt werkzaam te zijn in diervoeder voor pluimvee opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, en in drinkwater voor pluimveesoorten opgefokt voor mestdoeleinden, pluimvee opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, siervogels en speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae. De EFSA heeft daarnaast aangegeven dat het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 verenigbaar is met de coccidiostatica halofuginone, diclazuril, monensin-natrium, robenidinehydrochloride, salinomycine-natrium, een combinatie van monensin-natrium en nicarbazin, maar niet met narasin of een combinatie van narasin en nicarbazin, terwijl er geen conclusies konden worden getrokken over de vraag of het verenigbaar is met decoquinaat, lasalocid-A-natrium, semduramicin-natrium, nicarbazin of amproliumhydrochloride. Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen achtte de EFSA niet nodig.

(5)

Overeenkomstig artikel 5, lid 4, punt a), van Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie (4) was het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium van oordeel dat de conclusies en aanbevelingen van de vorige beoordeling betreffende hetzelfde toevoegingsmiddel wat de analysemethoden betreft, van toepassing zijn op de huidige aanvragen.

(6)

De aanvrager heeft op 23 januari 2024 de aanvraag ingetrokken wat betreft de erkenning van de verenigbaarheid van het gebruik van het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 met de volgende coccidiostatica: narasin, een combinatie van narasin en nicarbazin, decoquinaat, lasalocid-A-natrium, semduramicin-natrium, nicarbazin en amproliumhydrochloride.

(7)

Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003. Het gebruik van dat preparaat moet daarom worden toegestaan voor gebruik in diervoeder en in drinkwater voor alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, evenals voor gebruik in drinkwater voor alle pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, siervogels en speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae. Het is passend om aan te geven dat het gebruik van dat preparaat verenigbaar is met de coccidiostatica halofuginone, diclazuril, monensin-natrium, robenidinehydrochloride, salinomycine-natrium en een combinatie van monensin-natrium met nicarbazin. Daarnaast is de Commissie van oordeel dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel te voorkomen.

(8)

De Commissie is ook van oordeel dat het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 nog steeds aan de voorwaarden van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 voldoet wanneer de voorwaarden van die vergunning zoals vastgelegd in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 worden gewijzigd door te specificeren dat het preparaat niet alleen verenigbaar is met de coccidiostatica halofuginone en diclazuril maar ook met monensin-natrium, robenidinehydrochloride, salinomycine-natrium en met een combinatie van monensin-natrium en nicarbazin. Aangezien het kan zijn dat die coccidiostatica niet voor alle in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 vermelde diersoorten en -categorieën als toevoegingsmiddel voor diervoeding zijn toegestaan, mag het gelijktijdige gebruik ervan met het preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 bovendien alleen mogelijk zijn als aan de desbetreffende voorwaarden voor de verlening van een vergunning als toevoegingsmiddel wordt voldaan. Voorts is de Commissie van oordeel dat de taxonomische identificatie van de stam in het preparaat waarvoor bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 een vergunning is verleend, moet worden aangepast en dat ook de bepaling inzake passende beschermende maatregelen ter voorkoming van ongunstige gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel moet worden geactualiseerd.

(9)

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 toegelaten preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbenden in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de gewijzigde voorwaarden van die vergunning te voldoen.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlening van een vergunning

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning verleend voor gebruik in diervoeder en drinkwater voor alle pluimveesoorten opgefokt voor leg- of fokdoeleinden, en ook voor gebruik in drinkwater voor alle pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden, siervogels en voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

“Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 van de Commissie van 24 november 2020 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden en siervogels (vergunninghouder Biochem Zusatzstoffe Handels- und Produktionsges. mbH)”.

2)

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de kolom “Toevoegingsmiddel” wordt de vermelding “Bacillus coagulans DSM 32016” vervangen door “Weizmannia faecalis DSM 32016”;

b)

in de kolom “Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode” en in de afdelingen “Samenstelling van het toevoegingsmiddel” en “Karakterisering van de werkzame stof” van die kolom wordt de vermelding “Bacillus coagulans DSM 32016” vervangen door “Weizmannia faecalis DSM 32016”;

c)

in de kolom “Andere bepalingen” worden de punten 2 en 3 worden vervangen door:

“2.

Het toevoegingsmiddel mag overeenkomstig de respectieve voorwaarden voor de verlening van een vergunning als toevoegingsmiddel voor diervoeding gelijktijdig met de volgende coccidiostatica worden gebruikt: halofuginone, diclazuril, monensin-natrium, robenidinehydrochloride, salinomycine-natrium en een combinatie van monensin-natrium en nicarbazin.

3.

De exploitanten van diervoederbedrijven moeten operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels om met de mogelijke risico’s bij gebruik ervan om te gaan. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen en de huid worden gebruikt.”.

Artikel 3

Overgangsmaatregelen

1.   Het in de bijlage gespecificeerde preparaat en de voormengsels die dat preparaat bevatten, die bestemd zijn voor gebruik in diervoeder voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden en siervogels, en die vóór 1 november 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 1 mei 2024 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

2.   Mengvoeders en voedermiddelen die het in de bijlage gespecificeerde preparaat bevatten, die bestemd zijn voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden en siervogels, en die vóór 1 mei 2025 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 1 mei 2024 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 april 2024.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1831/oj.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1755 van de Commissie van 24 november 2020 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Bacillus coagulans DSM 32016 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor speenvarkens en gespeende biggen van de familie Suidae, mestpluimvee en siervogels (vergunninghouder Biochem Zusatzstoffe Handels- und Produktionsges. mbH) (PB L 395 van 25.11.2020, blz. 5, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1755/oj).

(3)   EFSA Journal 2023;21(11):8355.

(4)  Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie van 4 maart 2005 tot vaststelling van gedetailleerde voorschriften voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de verplichtingen en taken van het communautaire referentielaboratorium betreffende vergunningsaanvragen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 59 van 5.3.2005, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/378/oj).


BIJLAGE

DEEL I

Identificatie-nummer van het toevoegings-middel voor diervoeding

Naam van de vergunning-houder

Toevoegings-middel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analyse-methode

Diersoort of -categorie

Maxi-mum-leeftijd

Mini-mum-gehalte

Maxi-mum-gehalte

Mini-mum-gehalte

Maxi-mum-gehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunnings-periode

kve/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

kve/l drinkwater

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren.

4b1900

Biochem Zusatzstoffe Handels- und Produktionsges. mbH

Weizmannia faecalis DSM 32016

Samenstelling van het toevoegings-middel

Preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 met ten minste 2 × 1010 kve/g toevoegings-middel.

Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Weizmannia faecalis DSM 32016.

Analysemethode  (1)

Identificatie: DNA-sequentie-methoden of pulsed-field-gelelektroforese (PFGE) — CEN/TS 17697.

Kwantificering in het toevoegings-middel voor diervoeding, de voormengsels, mengvoeders en in water: spreidplaat-methode op MRS-agar (op basis van de EN 15787-methode)

Alle pluimvee-soorten opgefokt voor legdoel-einden

Alle pluimvee-soorten opgefokt voor fokdoel-einden

1 × 109

5 × 108

1.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en het voormengsel moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

2.

Het toevoegingsmiddel mag via het drinkwater worden toegediend.

3.

Het toevoegingsmiddel mag overeenkomstig de respectieve voorwaarden voor de verlening van een vergunning als toevoegingsmiddel voor diervoeding gelijktijdig met de volgende coccidiostatica worden gebruikt: halofuginone, diclazuril, monensin-natrium, robenidine-hydrochloride, salinomycine-natrium en een combinatie van monensin-natrium en nicarbazin.

4.

De exploitanten van diervoederbedrijven moeten operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels om met de mogelijke risico’s bij gebruik ervan om te gaan. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen en de huid worden gebruikt.

1 mei 2034

DEEL II

Identificatie-nummer van het toevoegings-middel voor diervoeding

Naam van de vergunning-houder

Toevoegings-middel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analyse-methode

Diersoort of -categorie

Maxi-mum-leeftijd

Mini-mum-gehalte

Maxi-mum-gehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunnings-periode

kve/l drinkwater

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren.

4b1900

Biochem Zusatzstoffe Handels- und Produktionsges. mbH

Weizmannia faecalis DSM 32016

Samenstelling van het toevoegings-middel

Preparaat van Weizmannia faecalis DSM 32016 met ten minste 2 × 1010 kve/g toevoegings-middel.

Vaste vorm

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Weizmannia faecalis DSM 32016.

Analysemethode  (2)

Identificatie: DNA-sequentie-methoden of pulsed-field-gelelektroforese (PFGE) — CEN/TS 17697.

Kwantificering in het toevoegings-middel voor diervoeding, de voormengsels, mengvoeders en in water: spreidplaat-methode op MRS-agar (op basis van de EN 15787-methode).

Alle pluimvee-soorten gehouden voor mestdoel-einden

Speen-varkens en gespeende biggen van de familie Suidae

Siervogels

5 × 108

1.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en het voormengsel moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

2.

Het toevoegingsmiddel mag via het drinkwater worden toegediend.

3.

Het toevoegingsmiddel mag overeenkomstig de respectieve voorwaarden voor de verlening van een vergunning als toevoegingsmiddel voor diervoeding gelijktijdig met de volgende coccidiostatica worden gebruikt: halofuginone, diclazuril, monensin-natrium, robenidinehydrochloride, salinomycine-natrium en een combinatie van monensin-natrium en nicarbazin.

4.

De exploitanten van diervoederbedrijven moeten operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor de gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels om met de mogelijke risico’s bij gebruik ervan om te gaan. Indien die risico’s met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen voor de luchtwegen en de huid worden gebruikt.

1 mei 2034


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en.

(2)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/1054/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top