Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025PC0986

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten

COM/2025/986 final

Brussel, 10.12.2025

COM(2025) 986 final

2025/0394(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

In het rapport “The future of European competitiveness” (De toekomst van het Europese concurrentievermogen) wordt benadrukt dat de transitie naar een koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie van cruciaal belang is voor het verzekeren van de economische welvaart, de veerkracht en het concurrentievermogen van de EU op de lange termijn 1 . Met het EU-kompas voor concurrentievermogen 2 presenteerde de Commissie haar strategie voor de komende vijf jaar voor het ontsluiten van het volledige potentieel van deze transitie 3 . 

De wetgeving van de Unie moet haar beleidsdoelstellingen op efficiënte, doeltreffende en transparante wijze verwezenlijken. Het kompas voor concurrentievermogen bevordert verantwoord wetgeven en kondigt ongekende inspanningen aan om de wetgeving te vereenvoudigen en zo het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven nieuw leven in te blazen. Bovendien heeft de Commissie sindsdien de doelstellingen verscherpt om de administratieve kosten voor bedrijven (samen met overheidsinstanties) en kleine en middelgrote ondernemingen met respectievelijk 25 % en 35 % te verminderen 4 .

Er bestaat nu een solide corpus aan Uniewetgeving inzake milieu. De Commissie neemt haar plicht om die wetgeving doeltreffend te beheren serieus en zet fors in op de evaluatie 5 van de toepassing ervan om te waarborgen dat ze de beoogde resultaten oplevert en dat knelpunten in een vroeg stadium worden aangepakt. Bovendien heeft de Commissie toegezegd tijdens haar huidige ambtstermijn alle EU-wetgeving aan een stresstest te onderwerpen. De inhoud van dit voorstel (en andere voorstellen in het omnibuspakket) geeft de eerste resultaten weer van de lopende stresstests van de Commissie op het gebied van milieu 6 op basis van uitgebreide samenwerking met belanghebbenden via politieke vergaderingen, rondetafelgesprekken, uitvoeringsdialogen, verzoeken om input en de inbreng van belanghebbenden, waaronder het maatschappelijk middenveld, bedrijven en bedrijfsverenigingen, denktanks en overheidsinstanties. Het omnibuspakket heeft betrekking op wetgeving in verband met de circulaire economie, de exploitatie van industriële installaties, het beheer van geospatiale gegevens en milieuvergunningen.

Bovengenoemde wetgeving is van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de verbintenis van de Unie tot een eerlijke groene en digitale transitie, en met name de overgang naar een circulaire economie. Het is belangrijk dat die wetgeving goed functioneert, de troeven van de Unie, zoals de eengemaakte markt, aanboort en onnodige kosten voor bedrijven, overheidsinstanties en burgers voorkomt.

Dit specifieke voorstel voor een richtlijn heeft tot doel gerichte herzieningen door te voeren van de volgende instrumenten:

Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen 7 ;

Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij 8 ;

Richtlijn (EU) 2015/2193 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties 9 ;

Richtlijn (EU) 2024/1785 tot wijziging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen 10 . 

Dit voorstel omvat beperkte en gerichte wijzigingen van de bovengenoemde richtlijnen op milieugebied. Verdere mogelijke wijzigingen van die richtlijnen vallen volledig buiten het toepassingsgebied van dit voorstel. De noodzaak van dergelijke wijzigingen kan zo nodig worden beoordeeld in het kader van verdere stresstests van de EU-milieuwetgeving die in de [overkoepelende mededeling] en in het werkprogramma van de Commissie voor 2026 zijn aangekondigd. De Commissie zal constructief samenwerken met de medewetgevers om ervoor te zorgen dat het wetgevingsproces met betrekking tot dit voorstel het voornaamste doel ervan integraal behoudt en er niets aan wijzigt.

Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen

Intrekking van de SCIP-databank

SCIP is de databank voor informatie over zorgwekkende stoffen in voorwerpen als zodanig of in complexe objecten (producten) vastgesteld uit hoofde van de kaderrichtlijn afvalstoffen 11 .

De SCIP-kennisgevingsverplichting voor bedrijven is vanaf januari 2021 van toepassing is en heeft als doel afvalverwerkers en recyclers te helpen gevaarlijke stoffen in producten aan het eind van hun levensduur op een veilige manier te beheren. De verplichting is van toepassing op een onderneming die een voorwerp produceert, monteert, invoert of distribueert dat zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s) bevat die in de (door het Europees Agentschap voor chemische stoffen beheerde) lijst van stoffen die in aanmerking komen zijn opgenomen in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent. In deze gevallen moet de onderneming hiervan een kennisgeving indienen in de SCIP-databank. De gegevens hebben betrekking op het concentratiebereik en de locatie van de in het voorwerp aanwezige stoffen die in de lijst van stoffen die in aanmerking komen zijn opgenomen, en informatie die het veilige gebruik van het voorwerp mogelijk maakt. De informatie in de SCIP-databank wordt openbaar gemaakt, met name voor afvalverwerkers en consumenten.

Talrijke belanghebbenden hebben hun zorgen geuit over het nut en de doeltreffendheid van de SCIP-databank voor afvalverwerkers en consumenten. Zij merken op dat er relatief weinig gebruik van de databank wordt gemaakt, met een laag aantal online treffers. Dit houdt wellicht verband met de gegevens die voor de meeste mensen te complex zijn om betekenis te hebben, en het beeld dat zij weinig meerwaarde hebben ten aanzien van andere middelen van informatievoorziening (zoals etiketten). De gegevens worden ook gezien als overlappend met artikel 33, lid 1, van de Reach-verordening inzake verplichtingen, waardoor zij zorgen voor onevenredige lasten zonder voordeel te bieden, vooral voor ruimtevaartproducten en transacties tussen ondernemingen. Het gebruik van digitale productpaspoorten en in de toekomst uitgebreidere productetiketten zal de toekomstige meerwaarde van de databank nog verder beperken.

Rapportage in verband met uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

Producenten zijn verplicht verslag uit te brengen over het volume of de hoeveelheid van de producten die ze voor het eerst op de markt van een lidstaat aanbieden, met name om de hoogte van de EPR-bijdragen die door de producent moeten worden betaald teneinde de kosten van het afvalbeheer van hun producten te dekken, te bepalen. In de afvalwetgeving die in richtlijnen is vastgelegd, hebben lidstaten de bevoegdheid behouden om de rapportagefrequentie te bepalen. Dit heeft geleid tot een gebrek aan afstemming wat betreft de rapportageperioden voor EPR tussen de lidstaten.

Het voorstel voorziet in een geharmoniseerde rapportagefrequentie in alle relevante wetgeving om de administratieve lasten te verminderen en een negatieve invloed op de werking van de interne markt te voorkomen, in het bijzonder voor producenten die producten in meerdere lidstaten verkopen en voor kmo’s.

Vaststelling van indicatoren om de uitvoering van afvalpreventiemaatregelen te meten

Vanwege een gebrek aan verplichte toepassingsmaatregelen wordt voorgesteld de bevoegdheid van de Commissie in het kader van Richtlijn 2009/98/EG om een uitvoeringshandeling vast te stellen ter vaststelling van indicatoren voor het meten van de algemene vooruitgang bij de uitvoering van afvalpreventiemaatregelen te schrappen.

Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij 

Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (de herziene IED) 12 heeft betrekking op ruim 75 000 grote industriële installaties en intensieve veehouderijen, waarbij de herziene richtlijn een groter toepassingsgebied krijgt om meer installaties te omvatten, zoals de grootschalige productie van batterijen en mijnbouw.

De IED verplicht exploitanten voor elke installatie binnen het toepassingsgebied van hoofdstuk II van de IED een milieubeheersysteem (“MBS”) te hebben. Artikel 14 bis, lid 1, voorziet in een aantal voorschriften waaraan het MBS moet voldoen, en teneinde dergelijke voorschriften te vereenvoudigen en de eraan verbonden administratieve lasten te verminderen en tegelijkertijd hoge normen te handhaven ten aanzien van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, worden de volgende wijzigingen van dit artikel voorgesteld:

a)Toestaan dat verschillende installaties in dezelfde lidstaat, die onder controle staan van dezelfde exploitant of behoren tot hetzelfde bedrijf, onder één milieubeheersysteem vallen.

b)Overgaan tot de intrekking van de vereiste tot opname in het MBS van een inventarisatie van de gevaarlijke chemische stoffen die in de installatie aanwezig zijn of daaruit worden uitgestoten, een chemische risicobeoordeling van de gevolgen van dergelijke stoffen voor de menselijke gezondheid en het milieu, en een analyse van de mogelijkheden om ze door veiliger alternatieven te vervangen of het gebruik of de emissies ervan te verminderen.

c)Overgaan tot de intrekking van de bevoegdheid van de Commissie om een uitvoeringshandeling vast te stellen inzake de informatie uit het MBS die relevant is voor bekendmaking.

d)Overgaan tot de intrekking van de auditvereiste voor het MBS. Het milieueffect hiervan zal verwaarloosbaar zijn aangezien andere milieubeheersysteemregelingen zoals EMAS of ISO 14001 al bepalingen bevatten met betrekking tot regelmatige interne en externe audits. Belanghebbenden hadden gewezen op een gebrek aan auditcapaciteit waardoor naleving bemoeilijkt kan worden.

e)Overgaan tot de intrekking van de vereiste om indicatieve transformatieplannen te ontwikkelen die in het MBS moeten worden opgenomen.

f)Exploitanten meer tijd geven voor het opzetten en het uitvoeren van het MBS overeenkomstig het herziene artikel 14 bis door een dergelijke termijn van 2027 tot 2030 uit te stellen.

In bijlage I bij de IDE staat activiteit 2.2 in de Engelse versie vermeld als “Production of pig iron or steel (primary or secondary fusion) including continuous casting, with a capacity exceeding 2,5 tonnes per hour” (De productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 t per uur). Ruwijzer wordt geproduceerd via het conventionele proces waarbij ijzererts wordt gesmolten in een hoogoven. Recentere en innovatievere ijzerertsverwerkingstechnieken leveren geen ruwijzer als zodanig op, maar leiden tot een tussenproduct gebruikt voor de productie van staal. Er zijn zorgen geuit over de vraag of deze andere processen vallen onder activiteit 2.2 van de IED. Door het woord “pig” in deze activiteit in de Engelse tekst te verwijderen zou de activiteit worden afgestemd op dezelfde activiteit in het kader van het EU-emissiehandelssysteem (ETS, bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG) en zouden aldus de synergieën tussen de IED en het ETS worden vereenvoudigd door een verduidelijking van het toepassingsgebied van de activiteit in het kader van de IED. Dit zou leiden tot een eenvoudigere vergunningverlening voor nieuwe en schonere technieken die de stappen in het conventionele ijzer- en staalproductieproces naar verwachting zullen vervangen, zoals installaties voor directe reductie.

Richtlijn 2010/75/EU voorziet thans in een vrijstelling voor biologische varkenshouderijen van het toepassingsgebied van de richtlijn industriële emissies, terwijl biologische pluimveehouderijen binnen dat toepassingsgebied vallen. De richtlijn stelt ook omrekenfactoren vast voor het berekenen van het niveau van de grootvee-eenheid (GVE) van installaties, onder meer voor de categorie “Biggen ≤ 20 kg” waarvoor een omrekenfactor van 0,027 is vastgesteld. Er zijn zorgen geuit over het feit dat biologische pluimveehouderijen binnen het toepassingsgebied vallen en dat niet-gespeende biggen bij de zeugen worden gerekend. Het is passend om biologische pluimveehouderijen van de toepassing van de richtlijn vrij te stellen, met het oog op een coherente benadering voor de biologische veehouderijsector, en aangezien zij reeds aan specifieke wetgeving onderworpen zijn. Aangezien niet-gespeende biggen slechts lage emissies veroorzaken, is het passend om de omrekenfactor voor het berekenen van het VSE-niveau van een installatie aan te passen, zodat niet-gespeende biggen niet worden meegeteld voor de berekening van de capaciteit van de installatie.

Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij en Richtlijn (EU) 2015/2193 van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties

Om het traject naar de decarbonisatie van industriële processen te vereenvoudigen moet worden ingezet op het gebruik van oxyfuelverbranding, waarbij met zuurstof verrijkte verbrandingslucht het afvangen van kooldioxide vergemakkelijkt. Het gebruik van met zuurstof verrijkte verbrandingslucht werd echter niet overwogen op het moment dat grenswaarden voor emissies van verontreinigende stoffen werden vastgesteld in de richtlijn industriële emissies en in de richtlijn middelgrote stookinstallaties (MCPD); terwijl een dergelijke technologie nu kan worden gebruikt om koolstofafvang te vergemakkelijken. Er zijn zorgen geuit over de mogelijkheid dat de IED en de MCPD de decarbonisatie hinderen in verband met het gebruik van oxyfuelverbranding. De Commissie stelt voor de bevoegde autoriteiten flexibiliteit te verlenen om de naleving van de emissiegrenswaarden te beoordelen met het oog op een vlottere vergunningverlening voor installaties die gebruikmaken van oxyfuelverbranding en die onder de IED en de MCPD vallen.

Om de transitie naar schone energie en koolstofarme technologieën te vereenvoudigen, moet de inzet van industriële processen op basis van waterstof worden ondersteund, aangezien de verbranding van waterstof geen CO2 oplevert. Wanneer het waterstofgehalte van de brandstof echter toeneemt, nemen de NOx-emissies ook toe, terwijl de drempelwaarden voor NOx-emissies die thans in de IED en de MCPD zijn bepaald nog geen rekening houden met deze toename in het gebruik van waterstof en het ontstaan van NOx dat optreedt. Belanghebbenden gaven aan dat de richtlijnen mogelijk een rem zetten op de decarbonisatie wat betreft het gebruik van waterstof als brandstof. Het invoeren van een specifieke vrijstelling van de naleving van bepaalde emissiegrenswaarden voor stookinstallaties die met gas met meer dan 20 % (v/v) waterstof worden gevoed, in combinatie met vrijwaringsmaatregelen, zou de vergunningverlening voor MCP- en IED-installaties die gebruikmaken van waterstofverbranding versoepelen, terwijl tegelijkertijd een hoog niveau van milieubescherming wordt gehandhaafd.

Teneinde de administratieve lasten als gevolg van onnodige rapportagevereisten die voortvloeien uit Richtlijn (EU) 2015/2193 met betrekking tot emissies van SO2, NOx, stof en CO uit bepaalde recente noodaggregaten te verminderen, is het passend een drempelwaarde vast te stellen voor een minimumaantal bedrijfsuren voor dergelijke aggregaten, waaronder de frequentie van periodieke metingen zou worden verlaagd. Het gaat om de noodaggregaten die een nominaal thermisch ingangsvermogen hebben gelijk aan of groter dan 20 MW, en die voldoen aan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn op niet voor de weg bestemde mobiele machines in de categorie NRG ten aanzien van de fase V-beheersingsmaatregelen, bepaald in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628 13 .

Richtlijn (EU) 2024/1785 tot wijziging van Richtlijnen 2010/75/EU en 1999/31/EG

Drie bepalingen in Richtlijn (EU) 2024/1785 maken het noodzakelijk om in juli 2026 te beginnen met de herziening van alle IED-vergunningen (aangezien dit de uiterste termijn is voor de omzetting van die richtlijn en er geen overgangsbepalingen van toepassing zijn).

   Op grond van het herziene artikel 14, lid 1, punt a ter), van de IED zijn de lidstaten verplicht ervoor te zorgen dat de vergunning het voorschrift omvat inzake de beoordeling van de noodzaakt van het voorkomen of verminderen van de emissies van gevaarlijke stoffen. Dit is een nieuw voorschrift uit hoofde van de herziene IED.

   Het herziene artikel 16, lid 2, van de IED schrijft voor dat monitoring ten minste eenmaal om de vier jaar voor grondwater en ten minste eenmaal om de negen jaar voor de bodem plaatsvindt, wat neerkomt op hogere frequenties(de huidige frequenties zijn vastgesteld op vijf jaar voor grondwater en tien jaar voor de bodem).

   Het herziene artikel 16, lid 3, van de IED vereist dat bij de kwaliteitscontrole van laboratoria die de monitoring uitvoeren, de CEN-normen worden gebruikt of, indien er geen CEN-normen bestaan, de ISO-normen, dan wel nationale of internationale normen die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit waarborgen. Dit is een nieuw voorschrift uit hoofde van de herziene IED.

Er zijn zorgen geuit over het ontbreken van overgangsbepalingen voor de toepassing van het herziene artikel 14, lid 1, punt a ter), artikel 16, lid 2, en artikel 16, lid 3, van de IED. De Commissie stelt voor om overgangsbepalingen op te nemen in Richtlijn 2010/75/EU, zodat de toepassing van de bovengenoemde artikelen vanaf juli 2026 gefaseerd kan worden ingevoerd.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Dit voorstel maakt deel uit van een pakket maatregelen dat voornamelijk is gericht op het verminderen van administratieve rompslomp voor marktdeelnemers. Het sluit volledig aan bij de beleidsmaatregelen van de Commissie inzake betere regelgeving en bij de doelstellingen van het kompas voor concurrentievermogen om het concurrentievermogen en de economische veerkracht van de EU te versterken. De met deze maatregelen ingevoerde rationalisering zal geen invloed hebben op de verwezenlijking van de doelstellingen op het betrokken beleidsterrein, noch op de grondgedachte van de wetgevingshandelingen.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van het voorstel is artikel 192, lid 1, VWEU. Dit weerspiegelt de onderliggende rechtsgrondslagen van de richtlijnen die het voorstel beoogt te herzien.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Afvalstoffenrichtlijn: Afval is een product dat de nationale grenzen kan overschrijden, wat almaar vaker zal gebeuren naarmate de totstandbrenging van een circulaire economie vordert. Er zijn in de hele Unie gemeenschappelijke regels en benaderingen nodig om ervoor te zorgen dat afval op uniforme wijze wordt beheerd en dat materialen op eenzelfde manier worden hergebruikt en gerecycled, zodat de markten efficiënt kunnen functioneren. Wijzigingen van de regels in verband met afvalstoffen moeten daarom ook op het niveau van de Unie worden aangepakt.

Richtlijn industriële emissies en richtlijn middelgrote stookinstallaties: Er zijn afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de bodem en een gemeenschappelijke geïntegreerde aanpak is nodig om te voorkomen dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere of van de ene lidstaat naar de andere wordt overgeheveld. Dit kan niet aan de lidstaten worden overgelaten, omdat dat tot onaanvaardbare verschillen zou leiden. Een dergelijke aanpak draagt eveneens bij aan het scheppen van gelijke mededingingsvoorwaarden in de Unie door de eisen op het gebied van milieuprestaties voor industriële installaties en eerlijke concurrentie bij de exploitatie van industriële installaties te harmoniseren. Wijzigingen van de bestaande regels kunnen daarom uitsluitend op EU-niveau worden doorgevoerd.

Evenredigheid

In het geval van de wetgeving op het gebied van circulaire economie zou het voorstel voorzien in alternatieve middelen voor de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen die gericht zijn op een passend beheer van afvalproducten aan het einde van hun nuttige levensduur. Die komen tegemoet aan de bezorgdheid van betrokkenen die in verschillende lidstaten actief zijn.

Ten aanzien van wetgeving inzake industriële emissies zijn de voorgestelde wijzigingen beperkt in aantal en afgebakend wat het toepassingsgebied betreft, en daarom gaan ze niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken. De herziene voorschriften voor het opzetten van milieubeheersystemen door exploitanten van industriële installaties zijn een betere afspiegeling van wat de bestaande systemen op reeds bieden, van de bedrijfspraktijken van ondernemingen en van de aspecten die nuttig blijven in verband met de exploitatie van installaties. De wijzigingen betreffende oxyverbranding en het gebruik van waterstof als brandstof zijn gericht op het vereenvoudigen van de decarbonisatie van industriële processen en zijn ingebed in kleine technische wijzigingen in de wettelijke bepalingen, terwijl belangrijke decarbonisatie-initiatieven mogelijk worden gemaakt. De voorgestelde kleine wijziging in bijlage I bij de IED zou voor een grotere samenhang tussen de wetgeving inzake industriële emissies en het EU-emissiehandelssysteem zorgen, waardoor de vergunningverlening voor nieuwe en schonere technieken wordt vereenvoudigd. De voorgestelde wijziging in bijlage III bij de MCPD vermindert de administratieve lasten die voortkomen uit een onnodig hoge rapportagefrequentie voor het incidentele gebruik van bepaalde recente noodaggregaten. Al deze wijzigingen worden daarom geacht in verhouding te staan tot de te bereiken doelstellingen.

Keuze van het instrument

Een voorstel voor een richtlijn is het passende instrument, aangezien de onderliggende wetgeving die met dit voorstel wordt gewijzigd eveneens uit richtlijnen bestaat.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Onlangs heeft de wetgever herzieningen van de richtlijnen betreffende afvalstoffen en industriële emissies goedgekeurd op basis van voorstellen van de Commissie die werden ondersteund door effectbeoordelingen. In dit stadium kan er geen evaluatie worden uitgevoerd omdat er te weinig tijd is verstreken en er te weinig praktische ervaring is opgedaan Een evaluatie van de richtlijn ter voorkoming van schade als gevolg van bepaalde kunststofproducten is aan de gang en zal naar verwachting in 2027 worden afgerond.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft uitvoerig overleg gepleegd met belanghebbenden, het maatschappelijk middenveld, overheidsinstanties en bedrijven, de lidstaten en leden van het Europees Parlement, onder meer via haar uitvoeringsdialogen, rondetafelgesprekken met belanghebbenden en talrijke vergaderingen (3). Het werkdocument van de diensten van de Commissie bij dit voorstel bevat meer informatie over de verschillende raadplegingsactiviteiten die aan de voorbereiding van dit voorstel voorafgingen.

De belangrijkste raadplegingsactiviteiten worden hieronder samengevat.

Ter voorbereiding van dit omnibusvoorstel zijn de volgende raadplegingsactiviteiten uitgevoerd:

een online webinar over milieuverslaglegging (uitgevoerd door de consultant) op 13 februari 2025 en een online-enquête bij de deelnemers aan het bovengenoemde webinar die ermee hadden ingestemd dat er hiervoor contact met hen zou worden opgenomen;

een verzoek om input 14 voor de milieuomnibus, dat van 22 juli 2025 tot en met 10 september 2025 openstond voor feedback;

een rondetafelconferentie op hoog niveau over de vereenvoudiging van de milieuwetgeving op 2 oktober 2025.

De meer algemene raadplegingen over de vereenvoudiging van de milieuwetgeving konden op heel wat belangstelling rekenen, ook van het bredere publiek.

De bovengenoemde onlineworkshop, die op 13 februari 2025 plaatsvond, telde 500 inschrijvingen en meer dan 300 actieve deelnemers 15 . De gerichte vervolgraadpleging leverde meer dan 500 bijdragen op, waaronder heel wat specifieke suggesties. Verschillende van de voorgestelde vereenvoudigingen in de omnibus komen terug in de ontvangen bijdragen.

Het verzoek om input over de vereenvoudiging op het gebied van trok de meeste aandacht. De Commissie publiceerde een verzoek om input over het milieugerelateerde vereenvoudigingspakket op de website “Geef uw mening”: Administratieve vereenvoudiging op het vlak van milieuwetgeving . De feedbackperiode liep van 22 juli 2025 tot en met 10 september 2025. Alle feedback staat gepubliceerd op de website “Geef uw mening”.

Er waren 190 998 reacties op het verzoek om input, waarvan er 189 751 (99,3 %) afkomstig waren van burgers. 1 247 (0,7 %) reacties waren afkomstig van organisaties, waaronder bedrijven en bedrijfsverenigingen, (milieugerelateerde en andere) niet-gouvernementele organisaties, overheidsinstanties en academici. Er werden 622 bijlagen, voornamelijk standpuntnota’s, bij die bijdragen gevoegd, vaak met specifieke suggesties erin.

Vanuit de bedrijfswereld is er steun voor minder omslachtige regelgeving die bedrijven flexibiliteit biedt om zowel groei als duurzame productie te realiseren. Er heerst een perceptie dat de administratieve verplichtingen te prescriptief zijn en geen meerwaarde bieden.

Vanuit het maatschappelijk middenveld is er steun voor een vereenvoudiging die de bescherming van het milieu en de sociale normen in de hand werkt en deregulering voorkomt, bijvoorbeeld door overbodigheden te schrappen en al te gedetailleerde regelgeving te vermijden. De bezorgdheid bestaat evenwel dat inspanningen om de regelgeving te vereenvoudigen de milieubescherming zouden kunnen ondermijnen. De burgers drongen er bij de EU op aan te focussen op de handhaving van bestaande wetgeving in plaats van nieuwe vereenvoudigingen door te voeren.

Het is nuttig op te merken dat de Commissie raadplegingen heeft georganiseerd en een effectbeoordeling heeft opgezet ter ondersteuning van de gerichte herziening van de verordening inzake de registratie, beoordeling en autorisatie van chemische stoffen, die naar verwachting een sterke vereenvoudigingscomponent zal bevatten. Evenzo werkt de Commissie momenteel aan een effectbeoordeling met het oog op de voorbereiding van de wetgeving op het gebied van circulaire economie in 2026. Die beoordeling zal berusten op lopende raadplegingsactiviteiten die ook gericht zijn op de vereenvoudiging van bestaande wetgeving (met betrekking tot afval en circulaire economie).

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Zoals hierboven vermeld heeft de Commissie een externe dienstverlener aangesteld om expertise aan te dragen in verband met dit voorstel. De contractant heeft met name het gekende milieuwetgevingscorpus doorgelicht om de rapportage- en andere administratieve verplichtingen en het potentieel om die verplichtingen te vereenvoudigen in kaart te brengen. Daarnaast heeft de contractant hulp geboden bij het kwantificeren van de kostenbesparingen als gevolg van mogelijke maatregelen om de in het omnibuspakket opgenomen bepalingen te vereenvoudigen. Alle door de contractant verstrekte informatie wordt gepubliceerd.

Effectbeoordeling

Er is geen effectbeoordeling opgesteld, voornamelijk omdat de voorgestelde wijzigingen erg specifiek zijn en er weinig keuzemogelijkheden zijn om de onderliggende problemen op te lossen. Dit voorstel gaat wel vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie. Dat werkdocument rechtvaardigt de verschillende elementen van het voorstel en bevat waar mogelijk kwantitatieve informatie over de verwachte effecten. Het omvat ook de door de Commissie ontvangen standpunten en input van belanghebbenden.

De samenhang van dit voorstel met de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit en de klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030 en 2040 is beoordeeld. Het voorstel strookt met deze doelstellingen en waarborgt dat vooruitgang wordt geboekt op het gebied van aanpassing.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

In het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) zorgt de Commissie ervoor dat haar wetgeving geschikt is voor het beoogde doel, op de behoeften van belanghebbenden is toegesneden en de doelstellingen ervan worden bereikt met zo beperkt mogelijke lasten. Dit voorstel maakt derhalve deel uit van en strookt volledig met het Refit-programma voor zover het beoogt sommige administratieve procedures en onnodige kosten voor bedrijven te verminderen.

De besparingen in verband met de wijzigingen van de verordeningen worden geraamd aan de hand van de standaardmethode voor kostenramingen en omvatten 100 miljoen EUR voor de richtlijn inzake industriële emissies, en 225 miljoen EUR voor de kaderrichtlijn afvalstoffen.

Grondrechten

Er worden geen negatieve effecten verwacht.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Niet van toepassing.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Gezien de zeer specifieke aard van de gerichte wijzigingen is er geen behoefte aan uitvoeringsplannen als leidraad voor de omzetting en de toepassing van de nieuwe bepalingen. De bestaande bepalingen inzake monitoring en rapportage in de onderliggende richtlijnen zullen blijven gelden.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Gezien de zeer specifieke aard van de gerichte wijzigingen is het niet nodig de lidstaten toelichtende stukken te laten voorleggen met betrekking tot de omzetting ervan.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 bevat de wijziging van Richtlijn 2008/98/EG.

Artikel 2 bevat de wijziging van Richtlijn 2010/75/EU.

Artikel 3 bevat de wijziging van Richtlijn (EU) 2015/2193.

Artikel 4 bevat de wijziging van Richtlijn (EU) 2024/1785.

2025/0394 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 16 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s 17 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)In de politieke beleidslijnen voor de ambtsperiode 2024-2029 van de Commissie 18 wordt gewezen op het doel om het concurrentievermogen te versterken, de wetgeving te vereenvoudigen, consolideren en codificeren om eventuele overlappingen en tegenstrijdigheden weg te werken, terwijl tegelijkertijd hoge normen worden gehandhaafd en wordt gestreefd naar de doelstellingen van de Europese Green Deal 19 .

(2)Als reactie op het rapport-Draghi uit 2024 20 , dat wijst op regelgevingsbelemmeringen en de administratieve lasten als een van de grootste uitdagingen, vooral voor kmo’s, stelt het kompas voor concurrentievermogen 21 een aantal horizontale katalysatoren vast die het concurrentievermogen ten goede moeten komen, waaronder het vereenvoudigen van het regelgevingsklimaat, het verminderen van de lasten en het bevorderen van snelheid en flexibiliteit.

(3)In haar mededeling van 11 februari 2025 met als titel “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging” 22 , tekende de Europese Commissie een visie uit voor een uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda die in de praktijk snelle en tastbare verbeteringen oplevert voor mensen en bedrijven. Dat vereist meer dan een incrementele benadering en de Unie moet voortvarend handelen om die doelstelling te behalen. De Commissie, het Europees Parlement, de Raad, de autoriteiten van de lidstaten op alle niveaus en de belanghebbenden moeten samenwerken om de regelgeving van de Unie, de lidstaten en de regio’s te stroomlijnen en te vereenvoudigen en het beleid doeltreffender uit te voeren.

(4)In het kader van de toezegging van de Commissie om de rapportagelast en de nalevingskosten te verminderen, de interoperabiliteit te bevorderen en het concurrentievermogen te vergroten, moeten enkele bepalingen in de Richtlijnen 2008/98/EG 23 , 2010/75/EU 24 , (EU) 2015/2193 25 en (EU) 2024/1785 26 van het Europees Parlement en de Raad worden gewijzigd, zonder afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan duurzame financiering gehandhaafd blijven 27 .

(5)De databank die is opgezet op grond van artikel 9, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG met de in artikel 33, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad 28 bedoelde informatie was bedoeld om de transparantie te verbeteren en uitgebreide toegang tot informatie over gevaarlijke stoffen in producten te bieden. Er wordt erkend dat de complexiteit van het kennisgevingsproces een aanzienlijke last oplegt aan belanghebbenden uit de sector, wat leidt tot onevenredig hoge kosten, met name wat betreft noodzakelijke IT‑investeringen. In combinatie met een laag percentage wat betreft de toegang door potentiële gebruikers en de beperkte bruikbaarheid van de informatie als gevolg van de huidige structuur van de databank, naast een lage mate van naleving en handhaving, bestaat de opvatting dat de databank in haar huidige vorm niet aan de beoogde doelstellingen beantwoordt. Daarom mag de verplichting voor leveranciers om gegevens in de databank in te voeren niet in stand worden gehouden. Reeds gerapporteerde gegevens moeten door het Europees Agentschap voor chemische stoffen onderhouden blijven worden.

(6)De bevoegdheid van de Commissie in het kader van Richtlijn 2008/98/EG om een uitvoeringshandeling vast te stellen teneinde indicatoren vast te stellen om de algehele voortgang met de uitvoering van de afvalpreventiemaatregelen te meten, heeft minder nut door het ontbreken van een verplichte vereiste voor de toepassing door de lidstaten. Bovendien hebben sommige lidstaten nationale indicatoren voor de monitoring van afvalpreventie ontwikkeld en heeft het Europees Milieuagentschap op basis van bestaande gegevens een kader voor monitoring van op afvalpreventie ontwikkeld. Die bevoegdheid wordt daarom overbodig geacht en moet worden geschrapt.

(7)Om de voorschriften voor exploitanten en bedrijven te vereenvoudigen, de administratieve lasten voortvloeiend uit het opzetten van het milieubeheersysteem (“MBS”) op grond van artikel 14 bis van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad 29 te verminderen, en tegelijkertijd hoge normen ten aanzien van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu te handhaven, is het passend om onder bepaalde omstandigheden toe te staan dat verschillende installaties onder één MBS vallen. Wanneer in een lidstaat twee of meer installaties onder controle staan van dezelfde exploitant, of wanneer de installaties onder controle staan van verschillende exploitanten maar tot hetzelfde bedrijf behoren dat is gevormd in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat, kunnen die installaties onder één MBS vallen.

(8)Om te zorgen voor een grotere consistentie met bestaande MBS-regelingen zoals EMAS of ISO 14001, die op het niveau van de inrichting of de onderneming kunnen worden uitgevoerd, moeten exploitanten in staat zijn het organisatieniveau van het MBS op de aard, schaal en complexiteit van hun installaties (niveau van de installatie, inrichting of onderneming) af te stemmen.

(9)Om de voorschriften voor exploitanten te vereenvoudigen en hun administratieve lasten te verminderen, moeten de in artikel 14 bis van Richtlijn 2010/75/EU vastgestelde voorschriften voor exploitanten om, als onderdeel van het MBS van de installatie, te voorzien in een inventarisatie van de gevaarlijke chemische stoffen die in de installatie aanwezig zijn of daaruit worden uitgestoten, een risicobeoordeling van de gevolgen van die stoffen voor de menselijke gezondheid en voor het milieu, alsmede een analyse van de mogelijkheden om ze door veiliger alternatieven te vervangen of het gebruik of de emissies ervan te verminderen, worden geschrapt, onverminderd eventuele vergelijkbare voorschriften voor een inventarisatie van chemische stoffen uit hoofde van andere wetgeving van de Unie.

(10)In het licht van artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Protocol (nr. 2) betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, moet de in artikel 14 bis, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU vastgestelde vereiste voor de Commissie om uiterlijk op 31 december 2025 een uitvoeringshandeling vast te stellen om te verduidelijken welke informatie in een MBS relevant is voor bekendmaking, worden geschrapt, onverminderd de verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat de relevante informatie die in het MBS is vermeld en die is opgenomen in artikel 14 bis, lid 2, van die richtlijn kosteloos op het internet ter beschikking wordt gesteld, zonder de toegang te beperken tot geregistreerde gebruikers; in lijn met het recht van het publiek op toegang tot milieu-informatie waarover overheidsinstanties beschikken of die voor hen wordt beheerd, zowel op verzoek als via actieve verspreiding.

(11)Om de vereisten voor exploitanten te vereenvoudigen en hun administratieve lasten te verminderen, moet de vereiste in artikel 14 bis, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU met betrekking tot een audit van het MBS worden geschrapt, aangezien andere EMS-regelingen zoals EMAS of ISO 14001 al bepalingen bevatten ten aanzien van regelmatige interne en externe audits.

(12)Om de vereisten voor exploitanten te vereenvoudigen en hun administratieve lasten te verminderen, moet de in artikel 14 bis, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU vastgelegde vereiste dat exploitanten uiterlijk in 2027 een MBS opzetten en uitvoeren tot 2030 worden uitgesteld. Een dergelijk MBS moet overeenkomstig het herziene artikel 14 bis worden opgezet.

(13)Met het oog op het vereenvoudigen van vereisten en het verminderen van administratieve lasten voortvloeiend uit de uitvoering van Richtlijn 2010/75/EU moet de in artikel 27 quinquies van die richtlijn vastgestelde vereiste dat de lidstaten eisen dat exploitanten uiterlijk op 30 juni 2030 een indicatief transformatieplan in hun MBS opnemen, worden geschrapt. Verwijzingen naar transformatieplannen en naar artikel 27 quinquies die aanwezig zijn in artikel 14 bis, lid 2, punt f), en artikelen 27 sexies en 76 van Richtlijn 2010/75/EU moeten dienovereenkomstig worden geschrapt.

(14)Ter vereenvoudiging van de synergetische uitvoering van Richtlijn 2010/75/EU en Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 30 is het passend om het toepassingsgebied van de in punt 2.2 van bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU bedoelde activiteiten ten aanzien van de productie van ijzer af te stemmen op het toepassingsgebied van dergelijke activiteiten krachtens bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad 31 , door in de Engelse taalversie het woord “pig” uit de beschrijving van deze activiteiten te verwijderen.

(15)Biologische varkenshouderijen vallen op dit moment niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij, terwijl biologische pluimveehouderijen wel onder het toepassingsgebied vallen. Met het oog op een coherente benadering voor de biologische veehouderijsector, en aangezien de biologische pluimveehouderijsector al onderworpen is aan specifieke wetgeving, is het passend om biologische pluimveehouderijen uit het toepassingsgebied van de richtlijn te verwijderen.

(16)Onder de huidige regels worden bij het berekenen van de capaciteit van veeteeltinstallaties niet-gespeende biggen bij de zeugen meegerekend. Aangezien niet-gespeende biggen slechts lage emissies veroorzaken, is het passend om de omrekenfactor voor het berekenen van het VSE-niveau van een installatie aan te passen, zodat niet-gespeende biggen niet worden meegeteld voor de berekening van de capaciteit van de installatie.

(17)Om de transitie naar schone energie en koolstofarme technologieën te vereenvoudigen, moet de inzet van industriële processen op basis van waterstof worden ondersteund, aangezien het verbranden van waterstof geen CO2 oplevert. Wanneer het waterstofgehalte van de brandstof echter toeneemt, nemen de NOx-emissies ook toe, terwijl de drempelwaarden voor NOx-emissies die thans in bijlage V bij Richtlijn 2010/75/EU en bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad 32 zijn bepaald geen rekening houden met een dergelijke toename in het gebruik van waterstof. Daarom mogen, teneinde het gebruik van waterstof als brandstof te vereenvoudigen, de in deel 1, punt 6, en in deel 2, punt 6, van bijlage V bij Richtlijn 2010/75/EU alsmede in bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193 vastgestelde emissiegrenswaarden niet van toepassing zijn op stookinstallaties die met gas met meer dan 20 % (v/v) waterstof worden gevoed. Voor dergelijke installaties moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de totale belasting van NOx die uiteindelijk gedurende een jaar in de lucht vrijkomt niet groter wordt dan wanneer de emissies uit de betrokken installatie zouden blijven voldoen aan de voor NOx vastgestelde emissiegrenswaarden voor de verbranding van aardgas, onverminderd strengere maatregelen die op grond van artikel 18 van Richtlijn 2010/75/EU en artikel 6, lid 9, van Richtlijn (EU) 2015/2193 vereist zijn. In dergelijke gevallen moeten de monitoring en de beoordeling van de naleving overeenkomstig worden aangepast.

(18)Om de decarbonisatie van industriële processen te vereenvoudigen is het passend om het gebruik van oxyfuelverbranding mogelijk te maken, waarbij met zuurstof verrijkte verbrandingslucht de afvang van kooldioxide vergemakkelijkt. Hoe hoger het zuurstofgehalte in de ingebrachte lucht die voor verbranding wordt gebruikt, hoe lager het benodigde volume lucht; en daarom zou de concentratie van verontreinigende stoffen toenemen, zelfs indien de hoeveelheid van de verontreinigende stof (in massa) niet hoger is dan voor verbranding met lucht. Toestaan van het gebruik van oxyfuelverbranding krachtens Richtlijn 2010/75/EU en Richtlijn (EU) 2015/2193 vereist dan ook dat de bevoegde autoriteiten flexibiliteit krijgen om de naleving van de in artikel 30 van Richtlijn 2010/75/EU en artikel 6 van Richtlijn (EU) 2015/2193 bedoelde emissiegrenswaarden te beoordelen.

(19)Krachtens Richtlijn (EU) 2015/2193 mogen de lidstaten bepaalde bestaande of nieuwe middelgrote stookinstallaties die slechts af en toe tijdens noodsituaties en stroomstoringen als noodaggregaten worden gebruikt en niet meer dan een beperkt aantal uur per jaar in bedrijf zijn, vrijstellen van de naleving van de desbetreffende emissiegrenswaarden. Onder die omstandigheden zijn dergelijke noodaggregaten nog steeds onderworpen aan periodieke metingen ten aanzien van hun uitstoot van SO2, NOx, stof en CO, zelfs indien dergelijke metingen niet worden gebruikt om de naleving van de desbetreffende emissiegrenswaarden te beoordelen. Bovendien is er wat de frequentie van dergelijke metingen betreft geen verschil tussen recentere (en dus energie-efficiëntere) en oudere noodaggregaten. Met het oog op vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten die voortvloeien uit de huidige rapportageverplichtingen op grond van Richtlijn (EU) 2015/2193 met betrekking tot SO2-, NOx-, stof- en CO-emissies uit recente noodaggregaten die een nominaal thermisch ingangsvermogen hebben gelijk aan of groter dan 20 MW, is het passend om een specifieke drempelwaarde vast te stellen voor een minimaal aantal bedrijfsuren voor hun gebruik, waaronder de frequentie van periodieke metingen zou worden verlaagd. De recentere noodaggregaten zijn de aggregaten die voldoen aan de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn op niet voor de weg bestemde mobiele machines in de categorie NRG ten aanzien van de fase V-beheersingsmaatregelen, als bepaald in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628 33 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines. Voor die noodaggregaten moet de periodieke meting plaatsvinden nadat er 1 500 bedrijfsuren zijn verstreken, of ten minste elke vijf jaar.

(20)Om de lidstaten, bevoegde autoriteiten en exploitanten tijd te geven aan de nieuwe of herziene bepalingen te voldoen en duidelijkheid te geven over de vraag wanneer de nieuwe of herziene bepalingen van toepassing zijn, en dus hun uitvoering te vereenvoudigen; moeten de overgangsbepalingen die thans in Richtlijn (EU) 2024/1785 zijn bepaald te worden aangepast zodat ze ook betrekking hebben op artikel 14, lid 1, punt a ter), en artikel 16, leden 2 en 3, van Richtlijn 2010/75/EU. Met het oog op de samenhang, helderheid en rechtszekerheid moeten de in Richtlijn (EU) 2024/1785 vastgestelde overgangsbepalingen uit die richtlijn worden geschrapt en aan artikel 82 van Richtlijn 2010/75/EU worden toegevoegd.

(21)De Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(22)Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

(23)

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2008/98/EG 

Richtlijn 2008/98/EG wordt als volgt gewijzigd: 

1.in artikel 8 bis, lid 1, wordt punt c) vervangen door:

“c) dat er een verslagleggingssysteem wordt opgezet om gegevens te verzamelen over de producten die in de lidstaat in de handel worden gebracht door producenten van producten waarop uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing is, evenals gegevens over de inzameling en verwerking van van die producten afkomstig afval, waar van toepassing met vermelding van de materiaalstromen, alsook andere gegevens die relevant zijn voor de toepassing van punt b), en dat de producenten of, indien aangewezen door de producent, de door de producent gemachtigde vertegenwoordiger voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, in overeenstemming met de vereisten van de eerste zin van dit punt, met een maximale frequentie van eenmaal om de twaalf maanden, voor elk volledig voorafgaand kalenderjaar verplicht zijn te rapporteren;”; 

2.artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: 

a)lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i) punt i) wordt vervangen door:

“i) zij bevorderen de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten, onverminderd de geharmoniseerde wettelijke vereisten betreffende die materialen en producten die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld;”;

ii) het volgende punt i bis) wordt ingevoegd:

“i bis)    zij zorgen ervoor dat elke leverancier van een voorwerp als gedefinieerd in artikel 3, punt 33, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad* met ingang van 5 januari 2021 tot en met [de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de informatie krachtens artikel 33, lid 1, van die verordening doet toekomen aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen;”; 

b)lid 2 wordt vervangen door: 

“2. Het Europees Agentschap voor chemische stoffen onderhoudt de gegevens die het uit hoofde van lid 1, punt i bis), moet ontvangen.”; 

c)lid 7 wordt vervangen door: 

“7. De Commissie stelt uiterlijk op 31 maart 2019 een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van een gemeenschappelijke methode voor de verslaglegging over hergebruik van producten. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”; 

3.in artikel 37 wordt lid 6 vervangen door: 

“6. Met het oog op de monitoring van de uitvoering van deze richtlijn evalueert de Commissie de overeenkomstig dit artikel ter beschikking gestelde informatie.”.

“* Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1907/oj).”.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2010/75/EU

Richtlijn 2010/75/EU wordt als volgt gewijzigd:

1    artikel 14 bis wordt vervangen door:

“Artikel 14 bis

Milieubeheersysteem

1.Wanneer in dezelfde lidstaat twee of meer installaties onder controle staan van dezelfde exploitant, of wanneer twee of meer installaties onder controle staan van verschillende exploitanten maar tot hetzelfde bedrijf behoren dat is gevormd in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat, kunnen die installaties onder één MBS vallen. Het MBS moet voldoen aan de relevante BBT-conclusies die bepalen welke aspecten in het MBS aan bod moeten komen.

2.Het MBS bevat ten minste het volgende:

a)    milieubeleidsdoelstellingen voor de continue verbetering van de milieuprestaties en de veiligheid van de betrokken installaties, die maatregelen omvatten om:

i)    het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen,

ii)    het gebruik van hulpbronnen en energie en hergebruik van water te optimaliseren,

iii)    het gebruik of emissies van gevaarlijke stoffen te voorkomen of te verminderen;

b)    doelstellingen en prestatie-indicatoren met betrekking tot belangrijke milieuaspecten, waarbij rekening wordt gehouden met in de desbetreffende BBT-conclusies vastgestelde benchmarks;

c)    voor installaties in eigendom van ondernemingen waarvoor de verplichting geldt om een energieaudit uit te voeren of een energiebeheersysteem toe te passen op grond van artikel 8 van Richtlijn 2012/27/EU*, opneming van de resultaten van die audit of van de toepassing van het energiebeheersysteem op grond van artikel 8 van en bijlage VI bij die richtlijn en van de maatregelen om de aanbevelingen van die audit of dat energiebeheersysteem uit te voeren;

d)    de maatregelen die zijn genomen om de milieudoelstellingen te verwezenlijken en risico’s voor de menselijke gezondheid of het milieu te voorkomen, met inbegrip van corrigerende en preventieve maatregelen waar nodig.

3.De mate van gedetailleerdheid van het MBS strookt met de aard, omvang en complexiteit van de betrokken installaties en alle mogelijke milieueffecten ervan.

Als elementen die in het MBS moeten worden opgenomen, met inbegrip van doelstellingen, prestatie-indicatoren of maatregelen, al overeenkomstig andere relevante wetgeving van de Unie zijn ontwikkeld en aan dit artikel voldoen, volstaat een verwijzing in het MBS naar de desbetreffende documenten.

4.De lidstaten zorgen ervoor dat de relevante informatie die is beschreven in het MBS en opgesomd in lid 2 kosteloos op het internet beschikbaar wordt gesteld, zonder de toegang te beperken tot geregistreerde gebruikers.

Informatie kan worden geanonimiseerd of indien dat niet mogelijk is, achterwege worden gelaten bij publicatie op het internet, indien de openbaarmaking van de informatie een van de in artikel 4, lid 2, punten a) tot en met h), van Richtlijn 2003/4/EG** genoemde belangen zou schaden. 

Uiterlijk op 1 juli 2030 zet de exploitant het MBS op en voert het uit overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, met uitzondering van installaties als bedoeld in artikel 82.

Het MBS wordt periodiek geëvalueerd om ervoor te zorgen dat het nog steeds geschikt, adequaat en doeltreffend is.”.

(*) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/27/oj ).

(**) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/4/oj ).

2)    artikel 27 quinquies wordt geschrapt;

3)    artikel 27 sexies wordt als volgt gewijzigd:

a)    in lid 1, eerste alinea, wordt de inleidende zin vervangen door:

“Onverminderd artikel 18 kan de bevoegde autoriteit, in het geval van ingrijpende industriële transformatie van de installatie, de termijn waarbinnen de installatie aan de in artikel 21, lid 3, bedoelde geactualiseerde vergunningsvoorwaarden moet voldoen, verlengen tot maximaal acht jaar, op voorwaarde dat:”;

b)    in lid 2, eerste alinea, wordt de inleidende zin vervangen door:

“Onverminderd de artikelen 18 en 22 kan de bevoegde autoriteit, in het geval van een ingrijpende industriële transformatie waarbij een installatie wordt gesloten en vervangen door een nieuwe installatie die voltooid moet zijn binnen acht jaar na de bekendmaking van besluiten over BBT-conclusies, overeenkomstig artikel 13, lid 5, met betrekking tot de hoofdactiviteit van de bestaande installatie, ontheffing verlenen van de verplichting om de vergunning te actualiseren overeenkomstig artikel 21, lid 3, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:”;

4)    artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

i)    in lid 2 wordt de eerste zin vervangen door:

“De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen als bedoeld in artikel 48, lid 5, en artikel 74 vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf 1 augustus 2024.”; 

ii)    in lid 3 wordt de eerste zin vervangen door:

“De in artikel 48, lid 5, en artikel 74 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken.”;

iii)    in lid 6 wordt de eerste zin vervangen door:

“Een op grond van artikel 48, lid 5, of artikel 74 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken.”;

5    aan artikel 82 worden de volgende leden 10 tot en met 16 toegevoegd:

10.    Ten aanzien van de installaties die de in bijlage I genoemde activiteiten verrichten, passen de lidstaten artikel 14, lid 1, tweede alinea, punten a bis), b ter) en h), en artikel 15, leden 4 en 6, toe binnen vier jaar na de bekendmaking van besluiten over BBT-conclusies die zijn gepubliceerd na 1 juli 2026 in verband met de hoofdactiviteit van een installatie overeenkomstig artikel 13, lid 5.

Installaties waarvoor voor het eerst een vergunning is verleend na de publicatie van besluiten over BBT-conclusies die zijn gepubliceerd na 1 juli 2026 in verband met de hoofdactiviteit van een installatie overeenkomstig artikel 13, lid 5, passen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde bepalingen toe vanaf de datum van bekendmaking van de BBT-conclusies.

11.    Ten aanzien van installaties die de in bijlage I bedoelde activiteiten verrichten en die vóór 4 augustus 2024 onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die in bedrijf zijn en vóór 1 juli 2026 een vergunning hebben, zijn artikel 14, lid 1, tweede alinea, punten a), b), a ter), b bis), en d), artikel 15, leden 1 en 5, artikel 15 bis en artikel 16, leden 2, 3 en 4, van toepassing wanneer de vergunning wordt verleend of geactualiseerd overeenkomstig artikel 20, lid 2, of artikel 21, lid 5, of geactualiseerd binnen vier jaar na de bekendmaking van besluiten over BBT-conclusies die zijn gepubliceerd na 1 juli 2026 overeenkomstig artikel 13, lid 5, in verband met de hoofdactiviteit van een installatie, of uiterlijk op 1 september 2036, naargelang welke datum eerder valt.

Ten aanzien van installaties die de in bijlage I bedoelde activiteiten uitvoeren en die vóór 4 augustus 2024 onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en waarvoor de exploitanten vóór 1 juli 2026 een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, mits die installaties uiterlijk op 1 juli 2027 in bedrijf worden gesteld, zijn artikel 14, lid 1, tweede alinea, punten a), b), a ter), b bis), en d), artikel 15, leden 1 en 5, artikel 15 bis, artikel 16, leden 2, 3, en 4, van toepassing wanneer de vergunning wordt verleend of wanneer de vergunning wordt geactualiseerd overeenkomstig artikel 20, lid 2, of artikel 21, lid 5, of wordt bijgewerkt binnen 4 jaar na de bekendmaking van besluiten over BBT-conclusies die zijn bekendgemaakt na 1 juli 2026, overeenkomstig artikel 13, lid 5, betreffende de hoofdactiviteit van een installatie, of uiterlijk op 1 september 2036, naargelang welke datum eerder valt.

Ten aanzien van installaties die de in bijlage I bedoelde activiteiten uitvoeren en die vóór 4 augustus 2024 onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, is artikel 15, lid 3, van toepassing wanneer de vergunning wordt geactualiseerd binnen vier jaar na de bekendmaking van, of verleend daarna, besluiten over BBT-conclusies die zijn gepubliceerd na 1 juli 2026 overeenkomstig artikel 13, lid 5, in verband met de hoofdactiviteit van een installatie, of wanneer de vergunning wordt geactualiseerd overeenkomstig artikel 21, lid 5, of uiterlijk op 1 september 2036, naargelang welke datum eerder valt.

Tot de in de eerste, tweede en derde alinea bedoelde toepassingsdatum moeten de in die alinea’s bedoelde installaties, die vallen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn in de versie die van kracht is op 3 augustus 2024, voldoen aan die versie.

12.    Ten aanzien van installaties die vóór 4 augustus 2024 niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die de in bijlage I, punt 2.3, aa), bedoelde activiteiten verrichten en textielvezels of textiel afwerken als bedoeld in punt 6.2 van die bijlage, die in bedrijf zijn vóór 1 juli 2026, passen de lidstaten, met uitzondering van artikel 14, lid 1, tweede alinea, punten a bis), b ter) en h), artikel 15, leden 4 en 6, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, toe binnen vier jaar na 1 juli 2026.

13.    Ten aanzien van installaties die vóór 4 augustus 2024 niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die de in bijlage I, punt 1.4, punt 2.3, b), punt 2.3, ba), punt 2.7 en punt 3.6 bedoelde activiteiten verrichten, passen de lidstaten, met uitzondering van artikel 14, lid 1, tweede alinea, punten a bis), b bis) en h), en artikel 15, leden 4 en 6, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, toe binnen vier jaar na de bekendmaking van besluiten over de BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5, in verband met de hoofdactiviteit van een installatie, of uiterlijk op 1 september 2034, naargelang welke datum eerder valt.

Tot de in de eerste alinea bedoelde toepassingsdatum moeten de in die alinea bedoelde installaties, die vallen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn in de versie die van kracht is op 3 augustus 2024, voldoen aan die versie.

Ten aanzien van installaties waarvoor voor het eerst een vergunning is verleend na de publicatie van besluiten over BBT-conclusies die zijn gepubliceerd na 1 juli 2026 in verband met de hoofdactiviteit van een installatie overeenkomstig artikel 13, lid 5, gelden de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor het verlenen van hun vergunningen vanaf de datum van bekendmaking van de BBT-conclusies.

14.    Ten aanzien van installaties die de in bijlage I bis bedoelde activiteiten verrichten, passen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, toe binnen:

a)    vier jaar na de inwerkingtreding van de in artikel 70 decies, lid 2, bedoelde uitvoeringshandeling, indien de installatie een capaciteit heeft van 600 VSE of meer;

b)    vijf jaar na de inwerkingtreding van de in artikel 70 decies, lid 2, bedoelde uitvoeringshandeling, indien de installatie een capaciteit heeft van 400 VSE of meer;

c)    zes jaar na de inwerkingtreding van de in artikel 70 decies, lid 2, bedoelde uitvoeringshandeling, voor alle andere installaties die onder bijlage I bis vallen.

Tot de in de eerste alinea bedoelde toepassingsdatum moeten de in die alinea bedoelde installaties, die vallen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn in de versie die van kracht is op 3 augustus 2024, voldoen aan die versie.

15.    Afwijkingen die door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 15, lid 5, zijn verleend vóór 1 juli 2026 blijven geldig totdat de bevoegde autoriteit opnieuw beoordeelt of de afwijking gerechtvaardigd is krachtens artikel 15, lid 5. De herbeoordeling vindt plaats vier jaar na 1 juli 2026 of als onderdeel van de toetsing van de vergunningsvoorwaarden op grond van artikel 21, naargelang welke datum eerder valt.

16.    Afwijkingen voor het testen en het gebruik van technieken in opkomst die door de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 15, lid 7, van deze richtlijn in de versie die van kracht is op 3 augustus 2024, zijn verleend vóór 1 juli 2026 blijven geldig tot het einde van de periode vermeld in het besluit dat de afwijking verleent. Na de vermelde periode wordt het testen van de techniek beëindigd of haalt de activiteit ten minste de BBT-GEN’s.”;

6) de bijlagen I, I bis en V worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 3

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2015/2193

De bijlagen II en III bij Richtlijn (EU) 2015/2193 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 4

Wijziging van Richtlijn (EU) 2024/1785

In Richtlijn (EU) 2024/1785 wordt artikel 3 geschrapt.

Artikel 5

Omzetting

1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL EN DIGITAAL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF3

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief3

1.2.Betrokken beleidsterreinen3

1.3.Doelstellingen3

1.3.1.Algemene doelstellingen3

1.3.2.Specifieke doelstellingen3

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen4

1.3.4.Prestatie-indicatoren4

1.4.Het voorstel/initiatief betreft:5

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief5

1.5.1.Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief5

1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.5

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan5

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten6

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking6

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief7

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting7

2.BEHEERSMAATREGELEN9

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen9

2.2.Beheers- en controlesystemen9

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie9

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken9

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).9

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden9

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF10

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven10

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten12

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten12

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting12

3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten17

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten22

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten24

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting24

3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten24

3.2.3.3.Totaal kredieten24

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften25

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting25

3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten26

3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften26

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen28

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader28

3.2.7.Bijdragen van derden29

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten29

4.Digitale dimensies29

4.1.Voorschriften met digitale relevantie30

4.2.Gegevens31

4.3.Digitale oplossingen32

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling33

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering35

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten.

1.2.Betrokken beleidsterreinen 

Milieu

Europese Green Deal

1.3.Doelstellingen

1.3.1.Algemene doelstellingen

De door dit wetgevingsvoorstel nagestreefde algemene doelstellingen zijn:

— het vereenvoudigen en verhelderen van bepaalde elementen van Richtlijn 2008/98/EG ter verlichting van de lasten voor producenten ten aanzien van de rapportagefrequentie aan bevoegde autoriteiten en meldingen inzake zeer zorgwekkende stoffen. Door het verminderen van de administratieve lasten en kosten voor naleving in verband met rapportage- en meldingsvereisten, wil dit voorstel de proportionaliteit van het kader verzekeren;

— het vereenvoudigen van bepaalden elementen van Richtlijn 2010/75/EU, Richtlijn (EU) 2015/2193 en Richtlijn (EU) 2024/1785 met het oog op het verminderen van de administratieve lasten in verband met de uitvoering hiervan, terwijl rechtszekerheid en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu worden behouden.

1.3.2.Specifieke doelstellingen

De specifieke doelstellingen van de in dit voorstel opgenomen wijzigingen van Richtlijn 2008/98/EG moeten de volgende resultaten opleveren:

De rapportagefrequentie in verband met uitgebreide producentenverantwoordelijkheid beperken

Het intrekken van de verplichting om zeer zorgwekkende stoffen in producten aan de SCIP-databank te melden

Het schrappen van de bevoegdheid om EU-indicatoren vast te stellen voor het meten van de uitvoering van afvalpreventiemaatregelen

De specifieke doelstellingen van de in dit voorstel opgenomen wijzigingen van Richtlijn 2010/75/EU zijn:

Vereenvoudiging van MBS-vereisten: een MBS wordt opgesteld op het niveau van de onderneming binnen dezelfde lidstaat. Er komt een extra termijn van drie jaar voor het opzetten van een MBS, de inhoud ervan wordt vereenvoudigd (geen verplichte inventarisatie van chemische stoffen en risicobeoordeling) en de verplichting van onafhankelijke audits wordt ingetrokken, omdat systemen als EMAS en ISO 14001 doorgaans al audits omvatten.

De verplichting om indicatieve transformatieplannen op te stellen, zou worden ingetrokken.

Enkele wijzigingen van de overgangsbepalingen van de herziene IED bieden de lidstaten, bevoegde autoriteiten en exploitanten meer tijd om aan sommige van de nieuwe of herziene bepalingen te voldoen en verschaffen tegelijkertijd duidelijkheid over wanneer die bepalingen van toepassing zijn.

Verdere gerichte wijzigingen van de IED en de MCPD vergemakkelijken de vergunningverlening van koolstofarme projecten die gebruikmaken van oxyfuelverbranding of verbranding op basis van waterstof; en versoepelen de monitoringeisen voor noodaggregaten ter ondersteuning van grote datacentra.

1.3.3.Verwachte resultaten en gevolgen

Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.

Het voorstel voorziet in een geharmoniseerde rapportagefrequentie binnen de relevante wetgeving op basis van Richtlijn 2008/98/EG om de administratieve lasten te verminderen en negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt te voorkomen, met name voor producenten die hun producten in meerdere lidstaten verkopen en voor kmo’s.

De SCIP-databank beantwoordt in haar huidige vorm niet aan de beoogde doelstellingen. Daarom mag de verplichting voor leveranciers om gegevens in de databank in te voeren niet in stand worden gehouden. Reeds gerapporteerde gegevens moeten door het Europees Agentschap voor chemische stoffen onderhouden blijven worden. Dit verlicht de enorme administratieve lasten voor leveranciers van producten. Over het geheel genomen worden de vermeden kosten voor de bedrijfswereld geraamd op 225 miljoen EUR per jaar, maar deze kunnen in de toekomst hoger zijn. Bovendien bedragen de kosten voor het ECHA voor het beheer van de SCIP-databank al verscheidene miljoenen euro’s, en deze nemen waarschijnlijk nog toe.

Door het schrappen van de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen teneinde indicatoren vast te stellen om de algehele voortgang met de uitvoering van de afvalpreventiemaatregelen te meten, ontstaat er door deze rationalisering van rapportage voor overheden een kostenbesparing en wordt mogelijk dubbele rapportage voorkomen.

Wijzigingen in Richtlijn 2010/75/EU, Richtlijn (EU) 2015/2193 en Richtlijn (EU) 2024/1785 verminderen de administratieve lasten in verband met de uitvoering ervan, en verminderen daardoor de hieraan gerelateerde kosten voor zowel exploitanten als lidstaten, terwijl rechtszekerheid en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu worden behouden.

1.3.4.Prestatie-indicatoren

Vermeld de indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten

Voor het toezicht op de vorderingen van de specifieke doelstellingen van het voorstel verkent de Commissie de mogelijkheid voor het organiseren van uitwisselingen met lidstaten in verschillende vormen, onder meer via bestaande fora.

1.4.Het voorstel/initiatief betreft: 

 een nieuwe actie 

 een nieuwe actie na een proefproject/voorbereidende actie 34  

 de verlenging van een bestaande actie 

 de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie

1.5.Motivering van het voorstel/initiatief 

1.5.1.    Behoeften waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief 

n.v.t.

1.5.2.    Toegevoegde waarde van de deelname van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van het optreden van de EU” verstaan de waarde die het optreden van de Unie oplevert boven op de waarde die door een optreden van alleen de lidstaten zou zijn gecreëerd.

Een geharmoniseerde rapportagefrequentie binnen de relevante wetgeving op EU-niveau verhoogt de effectiviteit, vermindert de administratieve lasten en voorkomt negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt, met name voor producenten die hun producten in meerdere lidstaten verkopen, en voor kmo’s. De intrekking van de SCIP-databank vermindert de administratieve lasten in verband met meldingsverplichtingen in de hele Unie. Het gebruik van digitale productpaspoorten en in de toekomst uitgebreidere productetiketten zal de beschikbaarheid van gegevens op nuttige en geharmoniseerde wijze verder vergemakkelijken.

Vanwege een gebrek aan verplichte toepassingsvoorschriften wordt voorgesteld om de bevoegdheid voor het vaststellen van uitvoeringshandelingen voor indicatoren voor het meten van de algemene vooruitgang bij de uitvoering van afvalpreventiemaatregelen te schrappen.

Met betrekking tot de wijzigingen van Richtlijn 2010/75/EU, Richtlijn (EU) 2015/2193 en Richtlijn (EU) 2024/1785 zal de toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de EU een gelijk speelveld op het grondgebied van de EU waarborgen, rechtszekerheid bieden voor de lidstaten en exploitanten, en de samenhang met andere EU-wetgeving bevorderen.

1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

n.v.t.

[…]

1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarig financieel kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten

n.v.t.

1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking

n.v.t.

1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief

 beperkte geldigheidsduur

   van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

   financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.

 onbeperkte geldigheidsduur

uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.7.Wijzen van uitvoering van de begroting 35

 Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken toe te vertrouwen aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke)

de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds

de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen

publiekrechtelijke organen

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties

organen waaraan of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling

in een lidstaat gevestigde organen die onder het privaatrecht van een lidstaat of onder het Unierecht vallen en die in aanmerking komen om overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving te worden belast met de uitvoering van middelen van de Unie of begrotingsgaranties, voor zover dergelijke organen onder zeggenschap staan van publiekrechtelijke organen of privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, en beschikken over voldoende financiële garanties in de vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid van de controlerende organen of gelijkwaardige financiële garanties, die voor elke actie beperkt kunnen blijven tot het maximumbedrag van de steun van de Unie.

Opmerkingen

n.v.t.

2.BEHEERSMAATREGELEN 

2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen 

[…] n.v.t.

2.2.Beheers- en controlesystemen 

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde wijzen van uitvoering van de begroting, uitvoeringsmechanismen voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

[…] n.v.t.

2.2.2.Informatie over de vastgestelde risico’s en het systeem of de systemen voor interne controle die zijn opgezet om die risico’s te beperken

n.v.t.2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding tussen de controlekosten en de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting). 

[…] n.v.t.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 

[…] n.v.t.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 

3.1.Rubrieken van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven 

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer

GK/NGK 36 .

van EVA-landen 37

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten 38

van andere derde landen

andere bestemmings¬ontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Begrotingsonderdeel

Soort uitgave

Bijdrage

Nummer

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten

van andere derde landen

andere bestemmings¬ontvangsten

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

[XX.YY.YY.YY]

GK/NGK

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

JA/NEE

3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten 

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.1.1.Kredieten uit goedgekeurde begroting

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 39

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 40

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten 

Vastleggingen

4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

 

 

 

 

 

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 41  

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

Vastleggingen

=1a+1b +3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

voor DG <…….>

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

 

 

 

 

 

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 42  

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

voor DG <…….>

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten 

Vastleggingen

4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 
(referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000



Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 43

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.1.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 44

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 45

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten 

Vastleggingen

4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Rubriek van het meerjarig financieel kader

Nummer

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 46

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

Beleidskredieten

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1a)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2a)

 

 

 

 

0,000

Begrotingsonderdeel

Vastleggingen

(1b)

 

 

 

 

0,000

Betalingen

(2b)

 

 

 

 

0,000

Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten 47

Begrotingsonderdeel

 

3)

 

 

 

 

0,000

TOTAAL kredieten

voor DG <…….>

Vastleggingen

=1a+1b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

=2a+2b+3

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL beleidskredieten 

Vastleggingen

4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten

6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK <….>

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)

Vastleggingen

4)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Betalingen

5)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)

6)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder de rubrieken 1 tot en met 6

Vastleggingen

=4+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader (referentiebedrag)

Betalingen

=5+6

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000



Rubriek van het meerjarig financieel kader

7

“Administratieve uitgaven” 48

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

DG: <…….>

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

 Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL DG <…….>

Kredieten

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

 

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7

Vastleggingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

van het meerjarig financieel kader 

Betalingen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.2.Geraamde output, gefinancierd uit beleidskredieten (niet invullen voor gedecentraliseerde agentschappen)

Vastleggingskredieten, in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Vermeld doelstellingen en outputs

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Vul zoveel jaren in als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)

TOTAAL

OUTPUTS

Soort 49

Gem. kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Aantal

Kosten

Totaal aantal

Totale kosten

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 50

- Output

- Output

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1

SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…

- Output

Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2

TOTAAL

3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.3.1. Kredieten uit goedgekeurde begroting

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.3.2.Kredieten uit externe bestemmingsontvangsten

EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.3.3.Totaal kredieten

TOTAAL 
GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

Personele middelen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Andere administratieve uitgaven

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

3.2.4.Geraamde personeelsbehoeften 

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven

3.2.4.1.Gefinancierd uit goedgekeurde begroting

Raming in voltijdequivalenten (vte’s) 51

GOEDGEKEURDE KREDIETEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in vte’s)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning 
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

3.2.4.2.Gefinancierd uit externe bestemmingsontvangsten

EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in voltijdequivalenten)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning 
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

3.2.4.3.Totale personeelsbehoeften

TOTAAL GOEDGEKEURDE KREDIETEN + EXTERNE BESTEMMINGSONTVANGSTEN

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

2024

2025

2026

2027

 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

20 01 02 01 (centrale diensten en vertegenwoordigingen van de Commissie)

0

0

0

0

20 01 02 03 (EU-delegaties)

0

0

0

0

01 01 01 01 (onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 11 (eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden)

0

0

0

0

• Extern personeel (in voltijdequivalenten)

20 02 01 (AC, END van de “totale financiële middelen”)

0

0

0

0

20 02 03 (AC, AL, END en JPD in de EU-delegaties)

0

0

0

0

Admin. ondersteuning
[XX.01.YY.YY]

- centrale diensten

0

0

0

0

- EU-delegaties

0

0

0

0

01 01 01 02 (AC, END – onderzoek onder contract)

0

0

0

0

01 01 01 12 (AC, END – eigen onderzoek)

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – rubriek 7

0

0

0

0

Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) – buiten rubriek 7

0

0

0

0

TOTAAL

0

0

0

0

[Gezien de algemene krapte in rubriek 7, zowel wat het personeelsbestand als het niveau van de kredieten betreft, zullen de benodigde personele middelen worden gedekt door personeel van het DG dat reeds voor het beheer van de actie is toegewezen en/of binnen het DG of andere diensten van de Commissie is herverdeeld.]

Aantal personeelsleden dat nodig is voor de uitvoering van het voorstel (in vte’s):

Uit te voeren door bestaand personeel van de diensten van de Commissie

Uitzonderlijk aanvullend personeel*

Te financieren uit rubriek 7 of onderzoek

Te financieren uit BA-onderdeel

Te financieren uit vergoedingen

Personeelsformatieposten

n.v.t.

Extern personeel (AC, END, INT)

*

Beschrijving van de uit te voeren taken door:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

Extern personeel

3.2.5.Overzicht van het geschatte effect op met digitale technologie samenhangende investeringen

Verplicht: in onderstaande tabel moet de beste schatting worden gegeven van de met digitale technologie samenhangende investeringen die uit het voorstel/initiatief voortvloeien.

De kredieten onder rubriek 7 moeten in uitzonderlijke gevallen in het desbetreffende onderdeel worden opgenomen, indien vereist voor de uitvoering van het voorstel/initiatief.

De kredieten onder de rubrieken 1 t/m 6 moeten worden weergegeven als “IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s”. Deze uitgaven betreffen het operationele budget dat gebruikt moet worden voor hergebruik, koop of ontwikkeling van IT-platforms of tools die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het initiatief, alsook daarmee verband houdende investeringen (bv. licenties, studies, gegevensopslag enz.). De in deze tabel vermelde informatie moet in overeenstemming zijn met de gegevens in deel 4, “Digitale dimensies”.

TOTAAL Digitale en IT-kredieten

Jaar

Jaar

Jaar

Jaar

TOTAAL MFK 2021-2027

2024

2025

2026

2027

RUBRIEK 7

IT-uitgaven (algemeen) 

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Buiten RUBRIEK 7

IT-beleidsuitgaven inzake operationele programma’s

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

Subtotaal buiten RUBRIEK 7

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

 

TOTAAL

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

3.2.6.Verenigbaarheid met het huidige meerjarig financieel kader 

Het voorstel/initiatief:

   kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK)

   vereist een beroep op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening

   vereist een herziening van het MFK

3.2.7.Bijdragen van derden 

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Totaal

Medefinancieringsbron 

TOTAAL medegefinancierde kredieten

 
3.3.    Geraamde gevolgen voor de ontvangsten 

   Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

   voor overige ontvangsten

   geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven

in miljoenen euro’s (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten

Gevolgen van het voorstel/initiatief 52

Jaar 2024

Jaar 2025

Jaar 2026

Jaar 2027

Artikel ………….

Vermeld voor de toegewezen ontvangsten de betrokken begrotingsonderdelen voor uitgaven.

Andere opmerkingen (bv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

4.Digitale dimensies

4.1.Voorschriften met digitale relevantie

Verwijzing naar voorschrift

Beschrijving van voorschrift

Betrokken actoren

Processen op hoog niveau

Categorie

Art. 1, lid 3 [art. 37, lid 6, Richtlijn 2008/98/EG]

Digitale rapportage aan de Commissie gehandhaafd voor toezicht op uitvoering; Commissie evalueert elektronisch doorgegeven informatie.

Lidstaten; Europese Commissie

Monitoring en evaluatie

Gegevens

Art. 1, lid 2 [art. 9, lid 2, Richtlijn 2008/98/EG]

Beëindiging van SCIP-databank. Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) bewaart reeds gerapporteerde gegevens elektronisch.

ECHA; Marktdeelnemers; Commissie

Onderhoud databank

Digitale oplossing; Gegevens

Art. 2, lid 1 [art. 14 bis, Richtlijn 2010/75/EU]

De informatie in het milieubeheersysteem (MBS) wordt online beschikbaar gesteld, kosteloos en zonder toegangsbeperking.

Exploitanten; Lidstaten; Publiek

Bekendmaking en transparantie

Digitale overheidsdienst

Art. 2, lid 1 [art. 14 bis, Richtlijn 2010/75/EU]

Harmonisatie van MBS op het niveau van de installatie, inrichting of de onderneming, waarbij wordt gezorgd voor digitale toegankelijkheid en afstemming op kaders zoals EMAS of ISO 14001.

Exploitanten; Bevoegde autoriteiten

Milieubeheer

Procesdigitalisering; Gegevens

4.2.Gegevens

Soort data

Verwijzing naar voorschrift(en)

Standaard en/of specificatie (indien van toepassing)

Milieubeheergegevens

Art. 2, lid 1 [art. 14 bis, Richtlijn 2010/75/EU]

ISO 14001; Digitale EMAS-formats

Afstemming op Europese datastrategie

Leg uit hoe het voorschrift is of de voorschriften zijn afgestemd op de Europese datastrategie

Het voorstel bevordert de interoperabiliteit en het hergebruik van milieu- en industriële gegevens, in lijn met de doelstellingen van de Europese datastrategie omtrent het delen en hergebruiken van gegevens in de publieke sector.

Afstemming op het eenmaligheidsbeginsel

Leg uit hoe het eenmaligheidsbeginsel is overwogen en hoe de mogelijkheid om bestaande gegevens te hergebruiken is onderzocht

De vereenvoudiging van rapportageverplichtingen en de intrekking van overbodige databanken (bv. SCIP) komen voort uit het eenmaligheidsbeginsel door het voorkomen van het dubbel indienen van gegevens en het bevorderen van het hergebruik van bestaande informatie.

Licht toe hoe nieuw gecreëerde gegevens vindbaar, toegankelijk, interoperabel en herbruikbaar zijn en voldoen aan hoogwaardige normen

De informatie in het milieubeheersysteem (MBS) wordt online beschikbaar gesteld, kosteloos en zonder toegangsbeperking. Auditmechanismen zijn gepland onder bestaande kaders (EMAS, ISO 14001 en CEN).

Datastromen

Soort data

Verwijzing naar voorschrift(en)

Actor die de gegevens verstrekt

Actor die de gegevens ontvangt

Aanleiding voor uitwisseling van data

Frequentie

Gegevens MBS

Art. 2, lid 1 [art. 14 bis, lid 2]

Exploitanten

Publiek / bevoegde autoriteiten

Publicatieverplichting

Continu

4.3.Digitale oplossingen

Digitale oplossing

Verwijzing naar voorschrift(en)

Belangrijkste vereiste functies

Bevoegde instantie

Hoe wordt gezorgd voor toegankelijkheid?

Hoe wordt herbruikbaarheid in aanmerking genomen?

Gebruik van AI-technologieën

Archief SCIP-databank

Art. 1, lid 2 [art. 9, lid 2, Richtlijn 2008/98/EG]

Bewaring en onderhoud van bestaande ingediende gegevens; beveiligde en openbare toegang

ECHA

Openbare onlinetoegang behouden, geen nieuwe inbreng vereist

Aantal

Publicatie MBS

Art. 2, lid 1 [art. 14 bis, lid 2, Richtlijn 2010/75/EU]

Digitale toegang tot MBS-gegevens, geharmoniseerd met EMAS- of ISO 14001-structuren.

Exploitanten; Bevoegde autoriteiten

Gratis online beschikbaar, herbruikbaar gegevensformaat

Nee

Leg voor elke digitale oplossing uit op welke wijze de digitale oplossing voldoet aan de vereisten en verplichtingen van het cyberbeveiligingskader van de EU en andere toepasselijke digitale beleidsmaatregelen en wetgevingshandelingen (zoals eIDAS, één digitale toegangspoort enz.).

Archief SCIP-databank

Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)

Zo is gezorgd voor afstemming

AI-verordening

Niet van toepassing.

EU-kader voor cyberbeveiliging

Beheerd door standaardregels EC.

eIDAS

Niet van toepassing.

Eén digitale toegangspoort en IMI

Niet van toepassing.

Andere beleidsmaatregelen

-

Publicatie MBS

Digitale en/of sectorale beleidsmaatregelen (indien van toepassing)

Zo is gezorgd voor afstemming

AI-verordening

Niet van toepassing.

EU-kader voor cyberbeveiliging

Beheerd door standaardregels EC.

eIDAS

Niet van toepassing.

Eén digitale toegangspoort en IMI

Niet van toepassing.

Andere beleidsmaatregelen

-

4.4.Interoperabiliteitsbeoordeling

Digitale overheidsdienst of categorie

Beschrijving

Verwijzing naar voorschrift(en)

Interoperabele Europa-oplossing(en)

[NIET VAN TOEPASSING]

Andere interoperabiliteitsoplossing(en)

Publicatie MBS

Online verspreiding van MBS-gegevens, geharmoniseerd met EMAS- of ISO-formats.

Art. 2, lid 1 [art. 14 bis, lid 2, Richtlijn 2010/75/EU]

//

Interoperabiliteitskader EMAS-verordening

Beoordeel het effect van het voorschrift of de voorschriften op de grensoverschrijdende interoperabiliteit

Publicatie MBS

Beoordeling

Maatregelen

Mogelijke resterende belemmeringen

De afstemming op bestaand digitaal en sectoraal beleid beoordelen

Vermeld het toepasselijke digitale en sectorale beleid dat is vastgesteld.

Online openbare beschikbaarheid van gespecificeerde informatie in het MBS is verplicht (art. 2, lid 1 [art. 14 bis, Richtlijn 2010/75/EU]). De regels van de richtlijn open data zijn van toepassing.

-

De organisatorische maatregelen voor een vlotte grensoverschrijdende verlening van digitale overheidsdiensten beoordelen

Vermeld de geplande governancemaatregelen.

Exploitanten zetten een MBS op en voeren het uit (art. 2, lid 1 [art. 14 bis van Richtlijn 2010/75/EU]; De lidstaten zorgen ervoor dat de relevante informatie in het MBS, zoals vermeld in art. 2, lid 1 [art. 14 bis, lid 2, Richtlijn 2010/75/EU], kosteloos via het internet ter beschikking wordt gesteld, zonder de toegang te beperken tot geregistreerde gebruikers (art. 2, lid 1 [art. 14 bis van Richtlijn 2010/75/EU]).

Verschillen kunnen ontstaan door beperkingen op het gebied van natuurlijke hulpbronnen; ongelijk toezicht op publicatieverplichtingen.

Beoordelen van de maatregelen die zijn genomen om te zorgen voor een gedeeld begrip van de gegevens

Geef een lijst met dergelijke maatregelen.

 Publiceer de MBS-informatie-elementen zoals vermeld in artikel 2, lid 1 [art. 14 bis, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU]).

-

Beoordelen van het gebruik van gezamenlijk overeengekomen open technische specificaties en normen

Geef een lijst met dergelijke maatregelen.

Online verspreiding van MBS-gegevens, geharmoniseerd met EMAS- of ISO-formats.

Potentiële heterogeniteit van publicatieformats als gevolg van de afwezigheid van verplichte normen.

4.5.Maatregelen ter ondersteuning van de digitale uitvoering

Omschrijving

Verwijzing naar voorschrift(en)

De rol van de Commissie

Te betrekken actoren

Verwacht tijdschema

-

-

-

-

-

(1)    COM(2025) 420 final van 7 juli 2025, Evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid 2025 — Uitvoering voor welvaart en veiligheid.
(2)    COM(2025) 30 final van 29 januari 2025, Het EU-kompas voor concurrentievermogen.
(3)    Aangekondigd door voorzitter Von der Leyen in haar politieke beleidslijnen 2024-2029De keuze van Europa”.
(4)    COM(2025) 47 final van 11 februari 2025, Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging.
(5)    COM(2025) 420 final van 7 juli 2025, Evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid 2025 — Uitvoering voor welvaart en veiligheid.
(6)    Aangekondigd door voorzitter Von der Leyen in haar politieke beleidslijnen 2024-2029De keuze van Europa”.
(7)    Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen; PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.
(8)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024; PB L, 2024/1785, 15.7.2024.
(9)    Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties; PB L 313 van 28.11.2015.
(10)    Richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging); PB L, 2024/1785, 15.7.2024.
(11)    Artikel 9, lid 1, punt i), en artikel 9, lid 2, van de kaderrichtlijn afvalstoffen, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/851, draagt het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) op een databank van zeer zorgwekkende stoffen op te zetten. De artikelen bevatten een verwijzing naar artikel 33, lid 1, van de Reach-verordening.
(12)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2024/1785; PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.
(13)    Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG; ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1628/2022-07-17 .
(14)     Administratieve vereenvoudiging op het vlak van milieuwetgeving .
(15)     Milieurapportage en vereenvoudiging — Trinomics .
(16)    PB C van , blz. .
(17)    PB C van , blz. .
(18)    De keuze van Europa — Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2024-2029, Ursula von der Leyen.
(19)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, “De Europese Green Deal”, COM/2019/640 final van 11 december 2019.
(20)    Draghi, M. (2024), The future of European competitiveness (De toekomst van het Europese concurrentievermogen). Beschikbaar op: Rapport-Draghi over het Europese concurrentievermogen.
(21)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 29 januari 2025, Het EU-kompas voor concurrentievermogen, COM(2025) 30 final.
(22)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 11 februari 2025, “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging”, COM/2025/47 final.
(23)    Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/98/oj).
(24)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/75/oj).
(25)    Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/2193/oj).
(26)    Richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen (PB L, 2024/1785, 15.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1785/oj).
(27)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 8 maart 2018, “Actieplan: duurzame groei financieren”, COM/2018/097 final.
(28)    Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1907/oj ).
(29)    Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/75/oj ).
(30)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj ).
(31)    Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj ).
(32)    Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/2193/oj ). 
(33)    Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG; ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1628/2022-07-17 .
(34)    In de zin van artikel 58, lid 2, punt a) of b), van het Financieel Reglement.
(35)    Nadere gegevens over de wijzen van uitvoering van de begroting en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BUDGpedia: https://myintracomm.ec.europa.eu/corp/budget/financial-rules/budget-implementation/Pages/implementation-methods.aspx .
(36)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(37)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(38)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaten van de Westelijke Balkan.
(39)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(40)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(41)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(42)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(43)    De nodige kredieten dienen te worden bepaald met behulp van de jaarcijfers van de gemiddelde kosten die op de betreffende website van BUDGpedia beschikbaar zijn.
(44)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(45)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(46)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(47)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma’s en/of acties van de EU (vroegere “BA”-onderdelen), onderzoek onder contract, eigen onderzoek.
(48)    The necessary appropriations should be determined using the annual average cost figures available on the appropriate BUDGpedia webpage.
(49)    Outputs zijn de te verstrekken producten en diensten (bv. aantal gefinancierde studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen enz.).
(50)    Zoals beschreven in punt 1.3.2 “Specifieke doelstellingen”
(51)    Gelieve hieronder te vermelden hoeveel vte’s binnen het aangegeven aantal al aan het beheer van de actie zijn toegewezen en/of binnen uw DG is herverdeeld en wat uw netto behoeften zijn.
(52)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
Top

Brussel, 10.12.2025

COM(2025) 986 final

BIJLAGE

bij de

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten















BIJLAGE I

1.(heeft geen betrekking op het Nederlands)

2.In bijlage I bis bij Richtlijn 2010/75/EU

1.wordt punt 2 als volgt aangevuld met een derde zin:

2.“Veehouderijactiviteiten die plaatsvinden met inachtneming van voorschriften inzake biologische productie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/848, worden uitgesloten.”

3.In de eerste zin van punt 3 worden de woorden “en houderijen voor leghennen of andere pluimveecategorieën” ingevoegd na “met uitzondering van varkenshouderijen”.

4.In de rubriek betreffende het VSE-niveau van een installatie wordt “Biggen ≤ 20 kg … 0,027” vervangen door “Gespeende varkens ≤ 20 kg … 0,027”.

5.

6.Bijlage V bij Richtlijn 2010/75/EU wordt als volgt gewijzigd: 

a)in deel 1 wordt punt 6 als volgt gewijzigd:

in de tabel, tweede kolom, wordt aan de tweede, derde, vijfde en zesde rij een voetnoot (5) toegevoegd:

 

NOx

CO

Met aardgas gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren

100

100

Met hoogovengas, cokesovengas of gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren

200(4) (5)

__

Met andere gassen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren

200(4) (5)

__

Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met aardgas worden gestookt (1)

50(2) (3)

100

Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met andere gassen worden gestookt

120(5)

__

Gasmotoren

100(5)

100

Die voetnoot luidt als volgt:

“(5) De emissiegrenswaarde is niet van toepassing op stookinstallaties die met gas met meer dan 20 % (v/v) waterstof worden gevoed. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de totale belasting van NOx die uiteindelijk gedurende een jaar in de lucht vrijkomt niet groter wordt dan wanneer de emissies uit de betrokken installatie zouden blijven voldoen aan de emissiegrenswaarden voor NOx die voor de verbranding van aardgas in dit punt zijn vastgesteld, onverminderd strengere maatregelen die op grond van artikel 18 vereist zijn.”;

b)in punt 6 van deel 2 wordt de volgende alinea aan het eind van dat punt toegevoegd: 

“De emissiegrenswaarde is niet van toepassing op stookinstallaties die met gas met meer dan 20 % (v/v) waterstof worden gevoed. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat de totale belasting van NOx die uiteindelijk gedurende een jaar in de lucht vrijkomt niet groter wordt dan wanneer de emissies uit de betrokken installatie zouden blijven voldoen aan de emissiegrenswaarden voor NOx die in dit punt zijn vastgesteld, onverminderd strengere maatregelen die op grond van artikel 18 vereist zijn.”;

c)aan deel 4 worden de volgende punten 3 tot en met 5 toegevoegd:

“3. De resultaten van de metingen worden gestandaardiseerd op het gestandaardiseerde O2-gehalte vermeld in deel 1 en deel 2 door de volgende formule toe te passen:

4. Wanneer brandstof in een met zuurstof verrijkte atmosfeer wordt verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde autoriteit vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt. Worden de emissies van verontreinigende stoffen verminderd door behandeling van het afgas, dan geschiedt standaardisering voor de in punt 3 vermelde zuurstofgehaltes enkel en alleen indien het over dezelfde periode als voor de betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte.

5. In het geval dat omgevingslucht volledig door zuurstof wordt vervangen, worden de in artikel 30 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien de emissies niet hoger zijn dan de emissies uit de verbranding van de betreffende brandstof bij het gestandaardiseerde O2-gehalte.”.

Top

Brussel, 10.12.2025

COM(2025) 986 final

BIJLAGE

bij de

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van de Richtlijnen 2008/98/EG, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten


Bijlage II

1.Bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193 wordt als volgt gewijzigd:

a)in deel 1, tabellen 1, 2 en 3, wordt, ten aanzien van de emissiegrenswaarden voor de emissie van NOx wanneer andere gasvormige brandstoffen dan aardgas worden gebruikt, de volgende voetnoot toegevoegd na de in de zevende kolom met betrekking tot die verontreinigende stof vermelde getallen:

“(*) De emissiegrenswaarde is niet van toepassing op stookinstallaties die met gas met meer dan 20 % (v/v) waterstof worden gevoed. De lidstaten zorgen ervoor dat de totale belasting van NOx die uiteindelijk gedurende een jaar in de lucht vrijkomt niet groter wordt dan wanneer de emissies van de betrokken installatie zouden blijven voldoen aan de emissiegrenswaarden voor NOx die in deel 1 van bijlage II voor de verbranding van aardgas zijn vastgesteld, onverminderd strengere maatregelen die op grond van artikel 6, lid 9, vereist zijn.”;

b)in deel 2, tabellen 1 en 2, wordt, ten aanzien van de emissiegrenswaarden voor de emissie van NOx wanneer andere gasvormige brandstoffen dan aardgas worden gebruikt, de volgende voetnoot toegevoegd na de in de zesde kolom met betrekking tot die verontreinigende stof vermelde getallen:

“(*) De emissiegrenswaarde is niet van toepassing op stookinstallaties die met gas met meer dan 20 % (v/v) waterstof worden gevoed. De lidstaten zorgen ervoor dat de totale belasting van NOx die uiteindelijk gedurende een jaar in de lucht vrijkomt niet groter wordt dan wanneer de emissies van de betrokken installatie zouden blijven voldoen aan de emissiegrenswaarden voor NOx die in deel 2 van bijlage II voor de verbranding van aardgas zijn vastgesteld, onverminderd strengere maatregelen die op grond van artikel 6, lid 9, vereist zijn.”;

2.bijlage III bij Richtlijn (EU) 2015/2193 wordt als volgt gewijzigd:

c)in deel 1, punt 2, wordt het tweede streepje vervangen door de volgende twee streepjes:

“— drie maal het aantal maximale gemiddelde jaarlijkse bedrijfsuren, zoals van toepassing op grond van artikel 6, lid 3, of artikel 6, lid 8, voor middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van 20 MW of meer die voldoen aan de voorschriften van toepassing op “categorie NRG” ten aanzien van fase V-beheersingsmaatregelen krachtens Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad 1 ,

— het aantal maximale gemiddelde jaarlijkse bedrijfsuren, zoals van toepassing op grond van artikel 6, lid 3, of artikel 6, lid 8, voor middelgrote stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW die niet voldoen aan de voorschriften van toepassing op “categorie NRG” ten aanzien van fase V-beheersingsmaatregelen krachtens Verordening (EU) 2016/1628.”;

d)in deel 2 worden de volgende punten 4, 5 en 6 toegevoegd:

“4. De resultaten van de metingen worden gestandaardiseerd op het gestandaardiseerde O2-gehalte vermeld in bijlage II door de volgende formule toe te passen:

 

5. Wanneer brandstof in een met zuurstof verrijkte atmosfeer wordt verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde autoriteit vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het specifieke geval weerspiegelt. Worden de emissies van verontreinigende stoffen verminderd door behandeling van het afgas, dan geschiedt standaardisering voor de in de eerste alinea vermelde zuurstofgehaltes enkel en alleen indien het over dezelfde periode als voor de betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte.

6. In het geval dat omgevingslucht volledig door zuurstof wordt vervangen, worden de in artikel 6 bedoelde emissiegrenswaarden geacht te zijn nageleefd, indien de emissies niet hoger zijn dan de emissies uit de verbranding van de betreffende brandstof bij het gestandaardiseerde O2-gehalte.”.

(1)    Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG.
Top