EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 6.9.2023
COM(2023) 526 final
2023/0318(NLE)
Voorstel voor een
AANBEVELING VAN DE RAAD
betreffende een blauwdruk om de respons op verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang op Unieniveau te coördineren
(Voor de EER relevante tekst)
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
In de huidige geopolitieke context, die wordt gekenmerkt door toenemende instabiliteit, met name als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de steeds complexere veiligheidsbedreigingen, en door de effecten van klimaatverandering, zoals een toename van buitengewone klimaatgebeurtenissen of waterschaarste, moet de Unie waakzaam blijven en zich voortdurend aanpassen. Burgers, ondernemingen en autoriteiten in de Unie zijn aangewezen op kritieke infrastructuur vanwege de essentiële diensten die worden geleverd door de entiteiten die deze infrastructuur exploiteren. Die diensten zijn van cruciaal belang voor de instandhouding van vitale maatschappelijke functies, economische activiteiten, de volksgezondheid en openbare veiligheid of het milieu, en moeten ongehinderd op de interne markt worden verleend. Gezien het belang van deze essentiële diensten voor de interne markt en bijgevolg de noodzaak om de kritieke infrastructuur weerbaarder te maken en, meer in het algemeen, om de weerbaarheid van kritieke entiteiten die deze diensten verlenen te garanderen, moet de Unie maatregelen nemen om deze weerbaarheid te vergroten en verstoringen bij de levering van dergelijke essentiële diensten te beperken. Dergelijke verstoringen kunnen anders ernstige gevolgen hebben voor de burgers in de Unie, onze economieën en het vertrouwen in onze democratische stelsels en kunnen invloed hebben op de soepele werking van de interne markt, met name gezien de toenemende onderlinge afhankelijkheid tussen sectoren en over de grenzen heen.
De Unie heeft al verscheidene maatregelen genomen om de bescherming van kritieke infrastructuur te verbeteren, met name wat grensoverschrijdende infrastructuur betreft, en om de weerbaarheid van kritieke entiteiten te vergroten, teneinde de gevolgen van verstoringen van de essentiële diensten die zij op de interne markt verlenen, te voorkomen of te beperken.
Richtlijn 2008/114/EG inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren en de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren (“ECI-richtlijn”) was het eerste rechtsinstrument waarbij een EU-brede procedure voor het identificeren en aanmerken van Europese kritieke infrastructuren werd vastgesteld, alsook een gemeenschappelijke EU-aanpak voor het beoordelen van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren tegen – zowel opzettelijk als onopzettelijk – door de mens veroorzaakte dreigingen en tegen natuurrampen te verbeteren. De richtlijn was echter alleen gericht op de energie- en de transportsector en de bescherming van kritieke infrastructuur en voorzag niet in bredere maatregelen om de weerbaarheid van de entiteiten die deze infrastructuur exploiteren te vergroten.
Omdat de activiteiten op de interne markt in toenemende mate onderling verbonden en grensoverschrijdend van aard zijn, was het nodig om meer dan twee sectoren te bestrijken en verder te gaan dan beschermingsmaatregelen voor individuele voorzieningen. Daarom is in 2022 Richtlijn (EU) 2022/2557 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten (“CER-richtlijn”) aangenomen, samen met Richtlijn (EU) 2022/2555 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie (“NIS 2-richtlijn”). Het doel is om te zorgen voor een omvattende aanpak wat het niveau van fysieke en digitale weerbaarheid van kritieke entiteiten betreft. De CER-richtlijn is op 16 januari 2023 in werking getreden en is bedoeld om de lidstaten te helpen de weerbaarheid van kritieke entiteiten over de hele linie te vergroten en tegelijkertijd de coördinatie op Unieniveau te versterken. Vanaf 18 oktober 2024 zal deze richtlijn de ECI-richtlijn vervangen en op die datum moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om aan de CER-richtlijn te voldoen. De CER-richtlijn is van toepassing op elf sectoren. De richtlijn verbreedt de focus: van de bescherming van kritieke infrastructuur naar de weerbaarheid – voor, tijdens en na een incident – van kritieke entiteiten die de kritieke infrastructuur exploiteren. De NIS 2-richtlijn is ook op 16 januari 2023 in werking getreden en zorgt voor een modernisering van het bestaande rechtskader met het oog op aanpassing aan de toenemende digitalisering en de veranderende dreigingen op het gebied van cyberbeveiliging. De NIS 2-richtlijn zorgt er daarnaast voor dat het toepassingsgebied van de voorschriften voor cyberbeveiliging wordt uitgebreid naar nieuwe sectoren en entiteiten en dat publieke en private entiteiten, bevoegde autoriteiten en de Unie weerbaarder worden en dat hun responscapaciteit bij incidenten verbetert.
De CER-richtlijn bevat bepalingen over de melding van incidenten door de kritieke entiteit aan de nationale bevoegde autoriteit, de melding door de nationale bevoegde autoriteit aan andere (mogelijk) getroffen lidstaten en de melding aan de Commissie als het incident gevolgen heeft voor zes of meer lidstaten. De CER-richtlijn bevat bepaalde verplichtingen met betrekking tot de melding van incidenten die aanzienlijke gevolgen hebben of kunnen hebben voor kritieke entiteiten en de continuïteit van de verlening van essentiële diensten aan of in een of meer andere lidstaten.
Zoals aangetoond door de sabotage van de Nord Stream-gaspijpleidingen in september 2022, is de veiligheidscontext waarin kritieke infrastructuur functioneert, sterk veranderd en zijn er dringend aanvullende maatregelen op Unieniveau nodig om de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te vergroten, niet alleen wat paraatheid betreft, maar ook met het oog op een gecoördineerde respons.
In deze context is op 8 december 2022 op voorstel van de Commissie een aanbeveling van de Raad aangenomen betreffende een Uniebrede gecoördineerde aanpak om de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te versterken (“aanbeveling betreffende de weerbaarheid van kritieke infrastructuur”). In die aanbeveling wordt onder andere gewezen op de noodzaak om op Unieniveau te zorgen voor een gecoördineerde en doeltreffende respons op huidige en toekomstige risico’s voor de verlening van essentiële diensten. Meer in het bijzonder verzocht de Raad de Commissie een blauwdruk op te stellen “voor een gecoördineerde respons op verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang”. In de aanbeveling wordt vermeld dat de blauwdruk coherent moet zijn met het EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen, rekening moet houden met Aanbeveling (EU) 2017/1584 van de Commissie inzake een gecoördineerde respons op grootschalige cyberincidenten en -crises (“cyberblauwdruk”) en de geïntegreerde EU-regeling politieke crisisrespons (“IPCR-regeling”) moet eerbiedigen.
Dit voorstel bevat een aanvullende aanbeveling van de Raad met een dergelijke blauwdruk. Het voorstel heeft tot doel het huidige rechtskader aan te vullen door een beschrijving te geven van hoe, aan de hand van bestaande regelingen op Unieniveau, op het niveau van de Unie gecoördineerd zou moeten worden gereageerd bij verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang. In concreto wordt in het voorstel een beschrijving gegeven van het toepassingsgebied en de doelstellingen van de blauwdruk, en van de actoren, de processen en de bestaande instrumenten die kunnen worden gebruikt om op Unieniveau gecoördineerd te reageren op een verstorend incident in kritieke infrastructuur met aanzienlijke grensoverschrijdende gevolgen. Voorts bevat het voorstel een beschrijving van de manieren waarop de lidstaten en de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie in dergelijke situaties kunnen samenwerken.
•Samenhang met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad is in overeenstemming met en vormt een aanvulling op het huidige rechtskader inzake de bescherming van kritieke infrastructuur en de weerbaarheid van kritieke entiteiten – respectievelijk de ECI-richtlijn en de CER-richtlijn, alsook de aanbeveling betreffende de weerbaarheid van kritieke infrastructuur – aangezien het tot doel heeft op een complementaire manier te zorgen voor coördinatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Unie in het kader van een respons op incidenten die leiden tot de verstoring van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang en de verlening van essentiële diensten. Het voorstel gaat uit van bestaande structuren en mechanismen op Unieniveau, waaronder die welke bij de CER-richtlijn zijn ingesteld, namelijk de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en de Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten, een groep die bij de CER-richtlijn is ingesteld om de Commissie te ondersteunen en de samenwerking tussen de lidstaten en de informatie-uitwisseling over aangelegenheden in verband met de CER-richtlijn te faciliteren.
Dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad is in overeenstemming met en vormt een aanvulling op het EU-kader voor cyberbeveiliging zoals vastgelegd in de NIS 2-richtlijn.
Het huidige voorstel heeft tot doel om op het gebied van de weerbaarheid van kritieke entiteiten en de bescherming van kritieke infrastructuur een blauwdruk voor kritieke infrastructuur voor te stellen die vergelijkbaar is met de cyberblauwdruk.
In deel I, punt 4 b), van de bijlage wordt toegelicht wat de verbanden zijn met de cyberblauwdruk, die van toepassing is op grootschalige cyberbeveiligingsincidenten die verstoringen veroorzaken die te groot zijn om door een getroffen lidstaat alleen te worden verholpen of die zodanig verstrekkende en significante technische of politieke gevolgen hebben voor twee of meer lidstaten of EU-instellingen dat tijdige coördinatie en respons op het politieke niveau van de Unie vereist zijn. In de NIS 2-richtlijn wordt een incident gedefinieerd als “een gebeurtenis die de beschikbaarheid, authenticiteit, integriteit of vertrouwelijkheid van opgeslagen, verzonden of verwerkte gegevens of van de diensten die worden aangeboden door of toegankelijk zijn via netwerk- en informatiesystemen, in gevaar brengt” (“cyberincident”).
Bevoegde autoriteiten in het kader van de CER-richtlijn en in het kader van de NIS 2-richtlijn zijn verplicht om samen te werken en informatie uit te wisselen over cyberbeveiligingsincidenten en incidenten die kritieke entiteiten treffen, ook met betrekking tot maatregelen die in dat verband zijn genomen. In situaties waarin dezelfde entiteit wordt getroffen door een significant incident in kritieke infrastructuur en een grootschalig cyberbeveiligingsincident, moeten de relevante actoren hun respons op elkaar afstemmen.
Het voorstel is in overeenstemming met het EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen, dat van toepassing is in geval van hybride incidenten. In deel I, punt 4 b), van de bijlage worden de verbanden met dat EU-protocol toegelicht, onder meer waar het erom gaat te bepalen welk instrument van toepassing is als zich in kritieke infrastructuur een significant incident met een hybride dimensie voordoet.
Het voorstel is in overeenstemming met andere bestaande crisisbeheersingsmechanismen op Unieniveau, zoals de IPCR-regelingen van de Raad, het interne crisiscoördinatieproces van de Commissie, ARGUS en het Uniemechanisme voor civiele bescherming (“UCPM”), ondersteund door het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (“ERCC”) en het crisisresponsmechanisme van de Europese Dienst voor extern optreden.
Het voorstel is in overeenstemming met andere desbetreffende sectorale wetgeving, meer bepaald met daarin opgenomen specifieke maatregelen die bepaalde aspecten van de respons op verstoringen door in de betrokken sectoren actieve entiteiten regelen.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”), dat betrekking heeft op de onderlinge aanpassing van de wetgevingen ter verbetering van de interne markt, en op artikel 292 VWEU, waarin de regels voor het vaststellen van aanbevelingen zijn vastgelegd.
De keuze van artikel 114 VWEU als materiële rechtsgrondslag wordt gerechtvaardigd door het feit dat de voorgestelde aanbeveling van de Raad tot doel heeft te zorgen voor een gecoördineerde respons in geval van verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang. Dergelijke verstoringen treffen meerdere lidstaten en kunnen een invloed hebben op de werking van de interne markt vanwege de steeds groter wordende onderlinge afhankelijkheid van infrastructuur en sectoren in een EU-economie die in toenemende mate wordt gekenmerkt door onderlinge afhankelijkheid. Een verbeterde respons op verstoringen zal op haar beurt voorkomen dat de werking van de interne markt wordt verstoord, wat van groot belang is aangezien deze kritieke infrastructuur en de essentiële diensten die zij levert, cruciaal zijn voor de instandhouding van vitale maatschappelijke functies, economische activiteiten, de volksgezondheid, de openbare veiligheid of het milieu.
Het voorstel zou een aanvulling vormen op de ECI- en CER-richtlijnen, die eveneens gebaseerd zijn op artikel 114 VWEU. De aanbeveling betreffende de weerbaarheid van kritieke infrastructuur is, net als de nu voorgestelde aanbeveling, ook gebaseerd op de artikelen 114 en 292 VWEU.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
De verantwoordelijkheid voor de respons op verstoringen van kritieke infrastructuur of van de diensten die worden verleend door de kritieke entiteiten die deze kritieke infrastructuur exploiteren, ligt in de eerste plaats bij de lidstaten, maar ook voor de Unie is een belangrijke rol weggelegd in geval van een verstoring van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang, aangezien die verstoring gevolgen kan hebben voor meerdere of zelfs alle economische sectoren op de eengemaakte markt, voor de veiligheid en voor de internationale betrekkingen van de Unie. Om de werking van de interne markt veilig te stellen, is coördinatie op Unieniveau in geval van verstoringen van kritieke infrastructuur met een aanzienlijk grensoverschrijdend effect niet alleen passend maar ook noodzakelijk, aangezien een dergelijke gecoördineerde respons op Unieniveau de respons van de lidstaten op de verstoring zal ondersteunen doordat samen aan situationeel bewustzijn wordt gewerkt, de publieke communicatie wordt gecoördineerd en de gevolgen van de verstoring voor de interne markt worden beperkt.
•Evenredigheid
Dit voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel van artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Noch de inhoud noch de vorm van dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad gaat verder dan wat nodig is om de doelstellingen ervan te verwezenlijken. De voorgestelde maatregelen zijn evenredig aan de nagestreefde doelstellingen, die erop gericht zijn een gecoördineerde respons op Unieniveau te garanderen in geval van verstoringen van kritieke infrastructuur of van de diensten die worden verleend door de kritieke entiteiten die deze kritieke infrastructuur exploiteren, en die van aanzienlijk grensoverschrijdend belang zijn. Deze voorgestelde gecoördineerde respons is evenredig aan de prerogatieven en verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het nationale recht. Incidenten die kritieke infrastructuur of de verlening van essentiële diensten door kritieke entiteiten verstoren, blijven vaak onder de drempel voor significante incidenten in kritieke infrastructuur en kunnen doeltreffend op nationaal niveau worden aangepakt. Daarom is het gebruik van het mechanisme waarin dit voorstel voorziet, beperkt tot ernstige verstoringen van aanzienlijk grensoverschrijdend belang die meerdere lidstaten treffen.
•Keuze van het instrument
Om de bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken, voorziet het VWEU, met name in artikel 292, in de vaststelling door de Raad van aanbevelingen op basis van een voorstel van de Commissie. Overeenkomstig artikel 288 VWEU zijn aanbevelingen niet bindend. Een aanbeveling van de Raad is in dit geval een geschikt instrument, omdat daarmee wordt aangegeven dat de lidstaten zich committeren aan de daarin opgenomen maatregelen en een stevige basis wordt gelegd voor samenwerking op het gebied van gecoördineerde respons in geval van aanzienlijke verstoringen van kritieke infrastructuur. Op die manier zou de voorgestelde aanbeveling een aanvulling vormen op het bindende rechtskader (met name de CER-richtlijn) en op de eerder aangenomen aanbeveling betreffende de weerbaarheid van kritieke infrastructuur, waarin om dergelijke aanvullende maatregelen wordt gevraagd, met volledige inachtneming van de verantwoordelijkheden van de lidstaten op het betrokken gebied.
3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Raadpleging van belanghebbenden
Bij de opstelling van dit voorstel zijn de lidstaten en de instellingen en agentschappen van de Unie geraadpleegd. Ook is rekening gehouden met de standpunten van de deskundigen van de lidstaten die tijdens de workshop van 24 april 2023 naar voren zijn gebracht en die na de workshop schriftelijk zijn ingediend.
Er bestond een algemene consensus over het nut van meer coördinatie bij de respons op Unieniveau op verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang in de huidige dreigingscontext, met dien verstande dat de bevoegdheid van de lidstaten op dit gebied en de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie in acht worden genomen. Er bestond ook consensus over de noodzaak om overlapping van instrumenten te voorkomen en goed gebruik te maken van op Unieniveau bestaande mechanismen op het gebied van coördinatie, informatie-uitwisseling en respons.
Sommige lidstaten stonden weliswaar positief tegenover een uitbreiding van het toepassingsgebied van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur, maar andere vonden dat de in de CER-richtlijn vastgestelde drempel van zes of meer lidstaten voor de identificatie van kritieke entiteiten van bijzonder Europees belang volstond en dat het niet nodig was een tweede soort incident in het toepassingsgebied op te nemen. Enkele lidstaten merkten op dat het belangrijk is om, in voorkomend geval, exploitanten van kritieke infrastructuur die essentiële diensten verlenen, bij een en ander te betrekken vanwege hun deskundigheid en het belang om rekening te houden met de cyberdimensie.
•Artikelsgewijze toelichting
Het voorstel voor een aanbeveling van de Raad bestaat uit een hoofdgedeelte en een bijlage.
Het hoofdgedeelte bestaat uit de volgende elf punten:
In punt 1 wordt uiteengezet dat er behoefte bestaat aan nauwere samenwerking bij de respons op significante incidenten in kritieke infrastructuur overeenkomstig de blauwdruk voor kritieke infrastructuur die in dit voorstel voor een aanbeveling en de desbetreffende delen van de bijlage is opgenomen.
In punt 2 wordt het toepassingsgebied van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur toegelicht, met verwijzing naar twee soorten verstorende incidenten die de toepassing van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur in werking zouden stellen: het incident heeft ofwel een aanzienlijk verstorend effect op de verlening van essentiële diensten aan of in zes of meer lidstaten; of het heeft een aanzienlijk verstorend effect in twee of meer lidstaten en de daarin vermelde relevante actoren zijn het eens over de noodzaak van coördinatie op Unieniveau vanwege de significante impact van het incident.
Punt 3 gaat over de relevante actoren die bij de blauwdruk voor kritieke infrastructuur moeten worden betrokken en het niveau waarop de blauwdruk voor kritieke infrastructuur zal worden uitgevoerd (operationeel, strategisch/politiek). Dit wordt nader toegelicht in de bijlage bij de aanbeveling.
In punt 4 wordt aanbevolen de blauwdruk voor kritieke infrastructuur toe te passen in samenhang met andere relevante instrumenten, zoals beschreven in de bijlage.
In punt 5 wordt de lidstaten aanbevolen om op nationaal niveau doeltreffend te reageren op aanzienlijke verstoringen van kritieke infrastructuur.
In punt 6 wordt aanbevolen dat de relevante actoren contactpunten oprichten of aanwijzen die ondersteuning moeten bieden bij het gebruik van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur. Waar mogelijk moeten dit dezelfde contactpunten zijn als die in het kader van de CER-richtlijn.
Punt 7 betreft de informatiestroom in geval van een significant incident in kritieke infrastructuur.
In punt 8 wordt uiteengezet hoe de uitwisseling van informatie moet plaatsvinden.
In punt 9 wordt aanbevolen om de werking van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur door middel van oefeningen te testen.
In punt 10 wordt aanbevolen om de opgedane ervaringen te bespreken in de Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten, die een verslag met aanbevelingen moet opstellen. Dit verslag moet worden goedgekeurd door de Commissie.
In punt 11 wordt de lidstaten aanbevolen het verslag in de Raad te bespreken.
De bijlage geeft een beschrijving van de doelstellingen, de beginselen, de belangrijkste actoren, de wisselwerking met bestaande crisisresponsmechanismen en de werking van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur met de twee methoden voor samenwerking – informatie-uitwisseling en respons.
2023/0318 (NLE)
Voorstel voor een
AANBEVELING VAN DE RAAD
betreffende een blauwdruk om de respons op verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang op Unieniveau te coördineren
(Voor de EER relevante tekst)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 114 en 292,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Voor een soepele werking is het van fundamenteel belang dat de interne markt en de samenleving in het algemeen een beroep kunnen doen op weerbare kritieke infrastructuur en weerbare kritieke entiteiten die diensten verlenen die essentieel zijn voor de instandhouding van vitale maatschappelijke functies, economische activiteiten, de volksgezondheid, de openbare veiligheid of het milieu.
(2)Gezien de veranderende risico’s en de toenemende onderlinge afhankelijkheid tussen infrastructuur en sectoren en, in ruimere zin, de interconnecties over sectoren en grenzen heen, is het nodig om de bescherming van kritieke infrastructuur en de weerbaarheid van kritieke entiteiten die deze infrastructuur exploiteren, omvattend en gecoördineerd aan te pakken en te verbeteren.
(3)Een incident dat kritieke infrastructuur verstoort en daardoor de verlening van essentiële diensten onmogelijk maakt of ernstig belemmert, kan aanzienlijke grensoverschrijdende gevolgen hebben en de interne markt negatief beïnvloeden. Teneinde een gerichte, evenredige en doeltreffende aanpak te garanderen, zouden maatregelen moeten worden genomen om met name significante incidenten in kritieke infrastructuur in de zin van deze aanbeveling aan te pakken, zoals situaties waarin de door het incident veroorzaakte verstoring van lange duur is of aanzienlijke cascade-effecten in een of meer sectoren of lidstaten kan hebben.
(4)Een gecoördineerde respons op significante incidenten in kritieke infrastructuur is van essentieel belang om grote verstoringen van de interne markt te voorkomen en ervoor te zorgen dat de verlening van de essentiële diensten zo snel mogelijk wordt hervat, aangezien dergelijke incidenten ernstige gevolgen kunnen hebben voor de economie en de burgers in de Unie. Een tijdige en doeltreffende respons op dergelijke incidenten op Unieniveau vereist snelle en doeltreffende samenwerking tussen alle relevante actoren en op Unieniveau ondersteunde gecoördineerde maatregelen. Een dergelijke respons staat of valt met het bestaan van vooraf vastgestelde en, voor zover mogelijk, goed ingeoefende samenwerkingsprocedures en -mechanismen met duidelijk vastgestelde rollen en verantwoordelijkheden voor de belangrijkste actoren op nationaal en Unieniveau.
(5)Hoewel de verantwoordelijkheid voor de respons op significante incidenten in kritieke infrastructuur in de eerste plaats berust bij de lidstaten en bij de entiteiten die kritieke infrastructuur exploiteren en essentiële diensten verlenen, is meer coördinatie op Unieniveau passend waar het gaat om verstoringen van aanzienlijk grensoverschrijdend belang. Een tijdige en doeltreffende respons hangt niet alleen af van de inzet van nationale mechanismen door de lidstaten, maar ook van op Unieniveau ondersteunde gecoördineerde maatregelen, onder meer in de vorm van snelle en doeltreffende samenwerking op dit gebied.
(6)De bescherming van Europese kritieke infrastructuur is momenteel geregeld in Richtlijn 2008/114/EG van de Raad, die echter slechts betrekking heeft op twee sectoren, namelijk vervoer en energie. In die richtlijn wordt een procedure vastgesteld voor de identificatie van Europese kritieke infrastructuur en de aanmerking van infrastructuur als Europese kritieke infrastructuur, en wordt een gemeenschappelijke aanpak vastgesteld voor de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren. Zij vormt de centrale pijler van het Europees programma voor de bescherming van kritieke infrastructuur (“EPCIP”), dat in 2006 door de Commissie is aangenomen en waarin een Europees kader voor de bescherming van kritieke infrastructuur tegen alle risico’s is vastgesteld.
(7)Om verder te gaan dan de bescherming van kritieke infrastructuur en, in ruimere zin, te zorgen voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten die deze infrastructuur exploiteren en essentiële diensten op de interne markt verlenen, zal Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad met ingang van 18 oktober 2024 Richtlijn 2008/114/EG vervangen. Richtlijn (EU) 2022/2557 heeft betrekking op elf sectoren en voorziet in weerbaarheidsbevorderende verplichtingen voor de lidstaten en de kritieke entiteiten, in samenwerking tussen de lidstaten en met de Commissie, in steun van de Commissie aan de nationale autoriteiten en de kritieke entiteiten en in steun van de lidstaten aan de kritieke entiteiten.
(8)Naar aanleiding van de sabotage van de Nord Stream-gaspijpleidingen is er behoefte aan meer maatregelen op Unieniveau om de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te vergroten. Daarom heeft de Raad op voorstel van de Commissie een aanbeveling aangenomen betreffende een Uniebrede gecoördineerde aanpak om de weerbaarheid van kritieke infrastructuur te versterken (“Aanbeveling 2023/C 20/01”), die erop is gericht de paraatheid, de respons en de internationale samenwerking op dit gebied te verbeteren. In die aanbeveling wordt met name gewezen op de noodzaak om op Unieniveau te zorgen voor een gecoördineerde en doeltreffende respons op risico’s voor de verlening van essentiële diensten.
(9)Daarom moet het bestaande rechtskader worden aangevuld met een aanbeveling van de Raad waarin een blauwdruk wordt vastgesteld voor een gecoördineerde respons op verstoringen van kritieke infrastructuur van aanzienlijk grensoverschrijdend belang (“de blauwdruk voor kritieke infrastructuur”), waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande regelingen op Unieniveau.
Deze aanbeveling zou moeten worden afgestemd op Aanbeveling 2023/C 20/01 om consistentie te waarborgen en overlapping te voorkomen. Daarom zou deze aanbeveling geen betrekking mogen hebben op de andere elementen van de levenscyclus van crisisbeheersing, namelijk preventie, paraatheid en herstel.
(11)Deze aanbeveling zou een aanvulling moeten vormen op Richtlijn (EU) 2022/2557, met name op het gebied van gecoördineerde respons, en zou moeten worden uitgevoerd in samenhang met die richtlijn en alle andere toepasselijke regels van het Unierecht. Daarom zou deze aanbeveling ook moeten steunen op en, voor zover mogelijk, gebruik moeten maken van de begrippen, instrumenten en processen van die richtlijn, zoals de Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten, die optreedt binnen de grenzen van haar in die richtlijn vastgestelde taken, en contactpunten. Bovendien zou het begrip “kritieke infrastructuur” in deze aanbeveling op dezelfde manier moeten worden opgevat als in overweging 7 van Aanbeveling 2023/C 20/01, namelijk als relevante kritieke infrastructuur die door een lidstaat op nationaal niveau is geïdentificeerd of die overeenkomstig Richtlijn 2008/114/EG als Europese kritieke infrastructuur is aangemerkt, alsmede als kritieke entiteiten die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/2557 moeten worden geïdentificeerd. Om te zorgen voor consistentie met Richtlijn (EU) 2022/2557, zouden de begrippen die in deze aanbeveling worden gebruikt, daarom in de zin van die richtlijn moeten worden geïnterpreteerd. Onder het begrip weerbaarheid, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van die richtlijn, moet bijvoorbeeld ook worden verstaan het vermogen van een kritieke infrastructuur om gebeurtenissen die de verlening van essentiële diensten (d.w.z. diensten die van cruciaal belang zijn om vitale maatschappelijke en economische functies, de openbare veiligheid en beveiliging, de volksgezondheid of het milieu in stand te houden) op de interne markt aanzienlijk verstoren of kunnen verstoren, te voorkomen, te beperken en te beheersen, en om bescherming te bieden en bestand te zijn tegen, te reageren op, of zich aan te passen aan en te herstellen van die gebeurtenissen.
(12)Bovendien moet het begrip “aanzienlijk verstorend effect” worden begrepen in het licht van de criteria van artikel 7, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2557, die verwijzen naar: i) het aantal gebruikers dat afhankelijk is van de door de betrokken entiteit verleende essentiële dienst; ii) de mate waarin andere in de bijlage bij de richtlijn beschreven sectoren en deelsectoren afhankelijk zijn van de betrokken essentiële dienst; iii) de ernst en duur van de gevolgen die incidenten kunnen hebben voor economische en maatschappelijke activiteiten, het milieu, de openbare veiligheid en beveiliging, of de volksgezondheid; iv) het marktaandeel van de entiteit op de markt voor de betrokken essentiële diensten; v) het geografische gebied dat door een incident kan worden getroffen, met inbegrip van eventuele grensoverschrijdende gevolgen, rekening houdend met de kwetsbaarheid die samenhangt met de mate van isolatie van bepaalde soorten geografische gebieden, zoals insulaire regio’s, afgelegen regio’s of bergachtige gebieden; vi) het belang van de entiteit voor de instandhouding van de essentiële dienst op een voldoende niveau, rekening houdend met de beschikbare alternatieven voor het verlenen van die essentiële dienst.
(13)In het belang van de efficiëntie en doeltreffendheid zou de blauwdruk voor kritieke infrastructuur volledig coherent en interoperabel moeten zijn met het herziene operationele EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen, rekening moeten houden met de bestaande blauwdruk voor een gecoördineerde respons op grootschalige grensoverschrijdende cyberincidenten en -crises, die is vastgesteld bij Aanbeveling (EU) 2017/1584 van de Commissie (“cyberblauwdruk”), en met het mandaat van het Europees netwerk van verbindingsorganisaties voor cybercrises (“EU-CyCLONe”), dat is vastgesteld bij Richtlijn (EU) 2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad, en overlapping van structuren en activiteiten moeten voorkomen. Voorts zou de blauwdruk volledig in overeenstemming moeten zijn met de regelingen van de Raad inzake de geïntegreerde EU-regeling politieke crisisrespons (“IPCR”) voor de coördinatie van de respons.
(14)In bredere zin is deze aanbeveling consistent met en complementair aan de reeds bestaande crisisbeheersingsmechanismen van de Unie, met name de IPCR-regelingen van de Raad, het interne crisiscoördinatieproces ARGUS van de Commissie en het Uniemechanisme voor civiele bescherming (“UCPM”), ondersteund door het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (“ERCC”), het crisisresponsmechanisme van de Europese Dienst voor extern optreden (“EDEO”) en het noodinstrument voor de eengemaakte markt, die alle een rol kunnen spelen bij de respons op een ernstige verstoring van de werking van kritieke infrastructuur.
(15)Bij de respons op een significant incident in kritieke infrastructuur kan gebruik worden gemaakt van de bovengenoemde instrumenten of mechanismen op Unieniveau, overeenkomstig de toepasselijke voorschriften en procedures, die deze aanbeveling zou moeten aanvullen zonder er afbreuk aan te doen. De IPCR-regelingen van de Raad blijven, bijvoorbeeld, het belangrijkste instrument voor de coördinatie van de respons tussen de lidstaten op het politieke Unieniveau. De interne coördinatie binnen de Commissie vindt plaats in het kader van het sectoroverschrijdende crisiscoördinatieproces ARGUS. Als de crisis een externe dimensie heeft of raakt aan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (“GVDB”), dan kan het Crisisresponsmechanisme van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) worden geactiveerd. Overeenkomstig Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (“UCPM”) wordt de operationele respons in het kader van het UCPM bij door de natuur of door de mens veroorzaakte rampen of dreigende rampen binnen en buiten de Unie (met inbegrip van rampen met gevolgen voor kritieke infrastructuur) georganiseerd door het ERCC, het 24/7 operationele centrum van de Commissie voor het beheer van crisisrespons. In dergelijke gevallen kan het ERCC zorgen voor vroegtijdige waarschuwing, melding en analyse, en ondersteunt het de uitwisseling van informatie en, in geval van activering van het UCPM door een lidstaat, de inzet van operationele bijstand en deskundigen in getroffen gebieden. Bovendien kan het ERCC de sectorale en sectoroverschrijdende coördinatie vergemakkelijken, zowel op EU-niveau als tussen de EU en de betrokken nationale autoriteiten, met inbegrip van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor civiele bescherming en de weerbaarheid van kritieke infrastructuur.
(16)De in deze aanbeveling vastgelegde processen zouden, in voorkomend geval, in aanmerking moeten worden genomen ingeval die andere instrumenten of mechanismen worden gebruikt, en deze aanbeveling zou ook de maatregelen moeten beschrijven die op Unieniveau kunnen worden genomen met betrekking tot gedeeld situationeel bewustzijn, gecoördineerde publieke communicatie en doeltreffende respons buiten het kader van die crisiscoördinatiemechanismen van de Unie, ingeval ze niet worden gebruikt.
(17)Teneinde de respons op significante incidenten in kritieke infrastructuur beter te coördineren, zou de samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen, agentschappen, organen en instanties van de Unie moeten worden versterkt door middel van bestaande regelingen, overeenkomstig het kader van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur. De blauwdruk voor kritieke infrastructuur zou daarom van toepassing moeten zijn wanneer de drempel van zes of meer lidstaten die in Richtlijn (EU) 2022/2557 is vastgesteld voor de identificatie van kritieke entiteiten van bijzonder Europees belang, is bereikt, alsook wanneer incidenten plaatsvinden die een kleiner aantal lidstaten treffen, aangezien dergelijke incidenten vanwege grensoverschrijdende cascade-effecten verstrekkende gevolgen kunnen hebben en coördinatie van de respons op Unieniveau daarom nuttig zou zijn.
(18)Hoewel een samenwerkingskader op Unieniveau voor een gecoördineerde respons op significante incidenten in kritieke infrastructuur noodzakelijk wordt geacht, zou daarvoor niet geput mogen worden uit de middelen waarmee de kritieke entiteiten en bevoegde autoriteiten de incidenten aanpakken – wat de prioriteit moet blijven.
(19)De relevante actoren die bij de uitvoering van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur betrokken zijn, zouden duidelijk moeten worden geïdentificeerd, zodat er een duidelijk en volledig overzicht is van de instellingen, organen, instanties, agentschappen en autoriteiten die een respons zouden kunnen bieden op een significant incident in kritieke infrastructuur.
(20)De verantwoordelijkheid voor de respons op incidenten in kritieke infrastructuur, met inbegrip van significante incidenten, ligt in de eerste plaats bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Deze aanbeveling mag geen afbreuk doen aan de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de nationale veiligheid en defensie te waarborgen of aan hun bevoegdheid om andere essentiële overheidstaken te waarborgen, met name met betrekking tot de openbare veiligheid, territoriale integriteit en handhaving van de openbare orde, overeenkomstig het Unierecht. Voorts mag deze aanbeveling geen afbreuk doen aan nationale processen, zoals de communicatie en het contact tussen exploitanten van kritieke infrastructuur en de bevoegde nationale autoriteiten. Deze aanbeveling zou van toepassing moeten zijn zonder afbreuk te doen aan relevante bilaterale of multilaterale regelingen die tussen lidstaten zijn gesloten.
(21)Het aanwijzen of oprichten van contactpunten door de relevante actoren is essentieel voor een tijdige en doeltreffende samenwerking in het kader van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur. Om de samenhang te waarborgen, zouden de lidstaten de mogelijkheid moeten overwegen om de centrale contactpunten die in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2557 aangewezen of opgericht moeten worden, ook als contactpunten voor het onderhavige kader te laten fungeren.
(22)Met het oog op de doeltreffendheid zouden het testen en inoefenen van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur, alsmede het rapporteren en bespreken van de lessen die uit de toepassing ervan kunnen worden getrokken, een essentieel onderdeel moeten vormen van de inspanningen om de paraatheid voor significante incidenten in kritieke infrastructuur op een hoog niveau te houden en om een snelle en goed gecoördineerde respons te bieden waarbij de relevante actoren worden betrokken.
(23)Gezien de structuur van het crisiscoördinatiemechanisme IPCR van de Raad en meer in het algemeen rekening houdend met de mogelijke activering van de reeds op Unieniveau bestaande crisiscoördinatiemechanismen, zou de blauwdruk voor kritieke infrastructuur twee vormen van samenwerking moeten omvatten om een respons te bieden op een significant incident in kritieke infrastructuur. De eerste moet bestaan uit de uitwisseling van informatie met alle relevante actoren, coördinatie van publieke communicatie en coördinatie via reeds bestaande mechanismen zoals de IPCR-regelingen in de Raad, de ARGUS-coördinatie binnen de Commissie, ondersteund door het ERCC als 24/7 operationeel contactpunt, of het crisisresponsmechanisme van de EDEO, ingeval van die mechanismen gebruik wordt gemaakt. De tweede moet verdere responsmaatregelen omvatten afhankelijk van de omvang van het incident. Deze samenwerking zou betrokkenheid op operationeel en strategisch/politiek niveau moeten behelzen, overeenkomstig de niveaus in Aanbeveling (EU) 2017/1584 en het EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen, met het oog op een doeltreffende en efficiënte coördinatie van de acties en een doeltreffende en efficiënte respons op het significante incident in kritieke infrastructuur. Om een doeltreffende samenwerking te waarborgen, zou in de blauwdruk voor kritieke infrastructuur moeten worden beschreven hoe wordt gezorgd voor een gedeeld situationeel bewustzijn van de relevante actoren, voor gecoördineerde publieke communicatie en voor een doeltreffende respons, op basis van de beginselen van evenredigheid, subsidiariteit, vertrouwelijkheid van informatie en complementariteit.
(24)De uitwisseling van informatie op grond van deze aanbeveling zou moeten plaatsvinden zonder afbreuk te doen aan de nationale veiligheid of de veiligheids- en commerciële belangen van entiteiten die kritieke infrastructuur exploiteren. Daarom zou bij de toegang tot en de uitwisseling en behandeling van gevoelige informatie voorzichtigheid moeten worden betracht en zou er bijzonder moeten worden gelet op de transmissiekanalen en de opslagcapaciteit die worden gebruikt,
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
(1)De lidstaten, de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de Europese Dienst voor extern optreden (“EDEO”) en de betrokken organen, instanties en agentschappen van de Unie zouden in het kader van de in deze aanbeveling opgenomen blauwdruk voor kritieke infrastructuur moeten samenwerken om de in deel I, afdeling 1, van de bijlage opgenomen doelstellingen te verwezenlijken en, rekening houdend met de in deel I, afdeling 2, van de bijlage opgenomen beginselen, een gecoördineerde respons te bieden op significante incidenten in kritieke infrastructuur.
(2)De lidstaten, de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de EDEO en de betrokken organen, instanties en agentschappen van de Unie zouden de blauwdruk voor kritieke infrastructuur zonder onnodige vertraging moeten toepassen telkens wanneer zich een significant incident in kritieke infrastructuur voordoet, d.w.z. een incident waarbij kritieke infrastructuur betrokken is en dat een van de volgende gevolgen heeft:
(a)een aanzienlijk verstorend effect op de verlening van essentiële diensten aan of in zes of meer lidstaten, met inbegrip van een effect op een kritieke entiteit van bijzonder Europees belang in de zin van artikel 17 van Richtlijn (EU) 2022/2557 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten; of
(b)een aanzienlijk verstorend effect op de verlening van essentiële diensten in twee of meer lidstaten, waarbij de lidstaat die het roterende voorzitterschap van de Raad bekleedt, in overeenstemming met die andere lidstaten en in overleg met de Commissie, oordeelt dat tijdige coördinatie bij de respons op Unieniveau vereist is vanwege de verstrekkende en aanzienlijke technisch of politiek relevante gevolgen van het incident.
(3)De actoren die overeenkomstig deel I, afdeling 3, van de bijlage op operationeel en strategisch/politiek niveau geïdentificeerd zijn en relevant zijn in het kader van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur, zouden moeten streven naar complementaire interactie en samenwerking. Zij zouden moeten zorgen voor adequate en tijdige uitwisseling van informatie, coördinatie van publieke communicatie en gecoördineerde respons zoals beschreven in deel II van de bijlage.
(4)De blauwdruk voor kritieke infrastructuur zou moeten worden toegepast met inachtneming van en in samenhang met andere relevante instrumenten, overeenkomstig deel I, afdeling 4, van de bijlage. Indien een incident gevolgen heeft voor zowel de fysieke aspecten als de cyberbeveiliging van kritieke infrastructuur, zou moet worden gezorgd voor synergieën met relevante processen die in het kader van de cyberblauwdruk zijn opgezet.
(5)De lidstaten zouden ervoor moeten zorgen dat zij op nationaal niveau en in overeenstemming met het Unierecht een doeltreffende respons bieden op verstoringen van kritieke infrastructuur als gevolg van significante incidenten in kritieke infrastructuur.
(6)De lidstaten, de Raad, de EDEO, het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (“Europol”) en andere relevante agentschappen van de Unie zouden, evenals de Commissie, een contactpunt moeten aanwijzen of oprichten voor aangelegenheden die verband houden met de blauwdruk voor kritieke infrastructuur. De contactpunten zouden ondersteuning moeten bieden bij de toepassing van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur door de nodige informatie te verstrekken en coördinatiemaatregelen te vergemakkelijken in geval van een significant incident in kritieke infrastructuur. Indien mogelijk zouden deze contactpunten bij de lidstaten dezelfde moeten zijn als de op grond van artikel 9, lid 2, van Richtlijn (EU) 2022/2557 aan te wijzen of op te richten centrale contactpunten. Wat de Commissie betreft, zorgt het ERCC 24/7 voor operationeel contact en operationele capaciteit en voor realtime coördinatie, monitoring en ondersteuning bij de respons op noodsituaties op Unieniveau en staat het ten dienste van de lidstaten en de Commissie als het operationele centrum voor crisisrespons ter bevordering van een sectoroverschrijdende aanpak van rampenbeheersing.
(7)De lidstaat die het roterende voorzitterschap van de Raad bekleedt, zou in overleg met de getroffen lidstaten alle relevante actoren via de in punt 6 bedoelde contactpunten in kennis moeten stellen van het significante incident in kritieke infrastructuur en de toepassing van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur. De uitwisseling van informatie over een significant incident in kritieke infrastructuur zou moeten plaatsvinden via passende communicatiekanalen, waaronder, voor zover van toepassing en passend, het platform voor de geïntegreerde EU-regeling politieke crisisrespons (“IPCR”) en het ERCC via het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (“Cecis”), een online waarschuwings- en meldingsapplicatie voor real-time informatie-uitwisseling.
(8)Indien nodig zou een aantal transmissiekanalen beveiligd moeten zijn, teneinde de nationale veiligheid of de veiligheids- en commerciële belangen van de betrokken entiteiten niet in gevaar te brengen. De in deel II, afdeling 1, van de bijlage bij deze aanbeveling beschreven informatie-uitwisseling zou moeten plaatsvinden zonder de nationale veiligheid of de veiligheids- en commerciële belangen van kritieke entiteiten in gevaar te brengen en overeenkomstig het Unierecht, met name Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad. Met name bij de toegang tot en de uitwisseling en behandeling van gevoelige informatie zou voorzichtigheid moeten worden betracht. Voor de behandeling en de uitwisseling van gerubriceerde informatie zouden de beschikbare officieel erkende instrumenten moeten worden gebruikt en zouden adequate beveiligingsmaatregelen in acht moeten worden genomen.
(9)De relevante actoren zouden regelmatig de werking van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur en hun gecoördineerde respons op een significant incident in kritieke infrastructuur op nationaal, regionaal en Unieniveau moeten inoefenen en testen, bijvoorbeeld in het kader van oefeningen. Bij dergelijke oefeningen en tests kunnen, in voorkomend geval, ook entiteiten uit de particuliere sector worden betrokken. Een oefening op Unieniveau waarbij fysieke en cyberaspecten aan bod komen, zou uiterlijk op [de datum van goedkeuring van deze aanbeveling + twaalf maanden] moeten plaatsvinden.
(10)Wanneer bij een significant incident in kritieke infrastructuur gebruik is gemaakt van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur, zou de in artikel 19 van Richtlijn (EU) 2022/2557 bedoelde Groep voor de weerbaarheid van kritieke entiteiten tijdig met de relevante actoren moeten bespreken welke lacunes en verbeterpunten aan het licht zijn gekomen, en vervolgens een verslag moeten opstellen met aanbevelingen ter verbetering. De relevante actoren die bij de toepassing van de blauwdruk voor kritieke infrastructuur betrokken zijn, zouden ondersteuning moeten verlenen bij het opstellen van dat verslag. Dit verslag moet worden goedgekeurd door de Commissie.
(11)De lidstaten zouden het in punt 10 bedoelde verslag moeten bespreken in de desbetreffende voorbereidende instanties van de Raad of in de Raad.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter