EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018PC0631

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad, Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad Een bijdrage van de Europese Commissie aan de bijeenkomst van leiders in Salzburg op 19–20 september 2018

COM/2018/631 final

Brussel, 12.9.2018

COM(2018) 631 final

2018/0330(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de Europese grens- en kustwacht
en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad, Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad




FMT:ItalicEen bijdrage van de Europese Commissie aan de bijeenkomst van leiders in Salzburg op 19–20 september 2018


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht, die in een recordtijd is vastgesteld na de migratiecrisis van 2015, is op 6 oktober 2016 in werking getreden 1 . Er moet evenwel nog meer worden gedaan om de buitengrenzen van de EU doeltreffend te controleren en de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren als onderdeel van een alomvattende aanpak van migratie. In dit verband heeft de Europese grens- en kustwacht in zijn huidige vorm voor verbeteringen gezorgd. Het is echter noodzakelijk dat de Europese grens- en kustwacht volledig beantwoordt aan de ambities en behoeften van de Europese Unie om de buitengrenzen doeltreffend te beschermen en voorbereidingen te treffen voor de uitdagingen van de toekomst op het gebied van migratie. De Europese grens- en kustwacht moet een concreet voorbeeld van Europese solidariteit vormen, waar nodig operationeel inzetbaar zijn en de bescherming van de gemeenschappelijke buitengrenzen van de Unie versterken.

De Commissie heeft haar visie 2 voor een versterkte en volledig operationele Europese grens- en kustwacht reeds uiteengezet om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de burgers omtrent de beveiliging en de veiligheid van de Unie. Voor het volgende meerjarig financieel kader 2021-2027 heeft de Commissie voorgesteld een permanent korps van 10 000 grenswachters op te richten en de middelen voor migratie en grensbeheer bijna te verdrievoudigen tot 34,9 miljard EUR, ten opzichte van bijna 13 miljard EUR voor de huidige periode, teneinde op een gerichte manier te reageren op de grotere uitdagingen op het gebied van migratie, mobiliteit en veiligheid. Hierdoor zal de Europese grens- en kustwacht de EU-grenzen beter kunnen beheren en zal een doeltreffender migratiebeleid kunnen worden gevoerd.

Daarnaast heeft de Commissie voorgesteld financiële steun te verlenen voor uitrusting en opleiding van de nationale component van de Europese grens- en kustwacht in de lidstaten, om hen in staat te stellen hun operationele capaciteit uit te breiden, de bestaande instrumenten te versterken en EU-brede informatiesystemen voor grenzen, migratiebeheer en veiligheid te ontwikkelen. In dit verband heeft de Commissie op 12 juni 2018 het Fonds voor asiel en migratie, het Instrument voor grensbeheer en het Fonds voor interne veiligheid voorgesteld, die in totaal over 20,9 miljard EUR beschikken.

De Europese Raad heeft in zijn conclusies van juni 2018 bevestigd dat de buitengrenzen van de EU doeltreffender moeten worden gecontroleerd door de ondersteunende rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, ook wat betreft de samenwerking met derde landen, verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat. De grondbeginselen waarover overeenstemming is bereikt in de conclusies van de Europese Raad zijn ook verder onderschreven door de lidstaten in verschillende fora 3 , waarbij wordt benadrukt dat de instrumenten voor Europese solidariteit moeten worden versterkt, onder meer door de buitengrenzen doeltreffend te beheren met een versterkte Europese grens- en kustwacht en een doeltreffender en samenhangender Europees terugkeerbeleid tot stand te brengen op basis van meer solidariteit en wederzijds vertrouwen.

Voorts wordt in de resolutie van het Europees Parlement van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de werking van het Schengengebied benadrukt dat de volwaardige strategie voor een Europees geïntegreerd grensbeheer snel moet worden ingevoerd, zoals de instellingen onderling hebben afgesproken, evenals de technische en operationele strategie van het Europees Grens- en kustwachtagentschap en de daarbij aansluitende nationale strategieën van de lidstaten. Het Europees Parlement heeft tevens zijn bezorgdheid geuit over de inconsistenties in de uitvoering van de strategie voor een Europees geïntegreerd grensbeheer in de lidstaten en heeft benadrukt dat de volledige uitvoering van deze strategie in alle lidstaten van essentieel belang is voor de goede werking van het Schengengebied.

De Commissie geeft gehoor aan deze oproepen, en recenter aan die van de Europese Raad, door een aantal wijzigingen in de structuur van de Europese grens- en kustwacht voor te stellen, met name de oprichting van een eigen operationele tak binnen het Agentschap: een uit 10 000 operationele personeelsleden bestaand permanent korps van de Europese grens- en kustwacht, met uitvoerende bevoegdheden voor al zijn activiteiten om de lidstaten doeltreffend te ondersteunen op het terrein. Het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht zal niet alleen een kwantitatieve, maar ook een kwalitatieve verandering met zich meebrengen aangezien het voor een onmiddellijk beschikbare en betrouwbare oplossing zorgt. Het zal de EU als geheel de nodige capaciteiten verschaffen om de buitengrenzen van de EU te beschermen, secundaire bewegingen te voorkomen en ervoor te zorgen dat irreguliere migranten daadwerkelijk terugkeren.

Doordat de technische uitrusting aanzienlijk wordt uitgebreid, het statutaire personeel uitvoerende bevoegdheden krijgt en de slagkracht in derde landen verder wordt versterkt, zal het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht voor een ommekeer zorgen wat betreft de kwaliteit en doeltreffendheid van de manier waarop de EU als geheel haar gemeenschappelijke grenzen beschermt en migratiestromen beheert. Door nieuwe normen te stellen en onder de grenswachters een Europese cultuur uit te dragen, zal de Europese grens- en kustwacht ook een blauwdruk vormen voor de manier waarop EU-grensbeheer moet worden uitgevoerd.

De werking van de Europese grens- en kustwacht en – nog belangrijker – de manier waarop strategische prioriteiten voor het Europees geïntegreerd grensbeheer worden vastgesteld, moeten bijgevolg worden aangepast. Derhalve heeft het voorstel tot doel de politieke sturing van het Europees geïntegreerd grensbeheer te structuren door een beleidscyclus van Europese en nationale strategieën voor geïntegreerd grensbeheer op gang te brengen. De coördinatie van de planningsprocessen van het Europees geïntegreerd grensbeheer zal worden verbeterd om grensoperaties beter voor te bereiden, de reactie op hogere impactniveaus te bepalen en met name de mogelijke interventie van het permanente korps en andere capaciteiten van het Agentschap ter ondersteuning van de lidstaten te omschrijven. Het voorstel zal ook tot een betere voorbereiding van de capaciteiten van de Europese grens- en kustwacht leiden omdat opleiding en onderwijs, de aankoop van uitrusting op korte en langere termijn, alsook onderzoek en ontwikkeling worden gecoördineerd.

Het zal tevens voor betere mogelijkheden tot informatie-uitwisseling zorgen en ondersteuning bieden aan de lidstaten op het gebied van terugkeer. Voorts wordt het voorstel samen met een herziening van de terugkeerrichtlijn gepresenteerd, die tot doel heeft de lidstaten te helpen terugkeeroperaties doeltreffender te maken en een doeltreffender en samenhangender Europees terugkeerbeleid tot stand te brengen. In de herschikking van de terugkeerrichtlijn wordt voorgesteld duidelijker en doeltreffender procedures voor de afgifte van terugkeerbesluiten en de behandeling van beroepen in te voeren, voor samenhang en synergieën tussen asiel- en terugkeerprocedures te zorgen en doeltreffender gebruik te maken van bewaring om terugkeer te vergemakkelijken. In dit verband houden de voorgestelde wijzigingen van de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht een verdere uitbreiding in van de reikwijdte van de operationele bijstand die het Agentschap aan de lidstaten zal verlenen.

Deze wijzigingen zorgen ook voor een nauwere samenwerking tussen het Agentschap en het Asielagentschap van de EU wat betreft de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, met name in hotspots en gecontroleerde centra. De Commissie komt tegemoet aan de behoefte om voor synergieën tussen asiel- en terugkeerprocedures te zorgen door coördinatie tussen de bevoegde nationale autoriteiten en de relevante agentschappen van de Unie tot stand te brengen en het gemeenschappelijk terugkeerbeleid doeltreffender te maken als een cruciaal onderdeel van duurzaam migratiebeheer.

Ook de samenwerking met derde landen is een wezenlijk kenmerk van het Europese geïntegreerde grensbeheer. Dit voorstel voorziet in de versterking van de samenwerking tussen het Agentschap en derde landen met als doel de Europese normen inzake grensbeheer en terugkeer uit te dragen, informatie en risicoanalyses uit te wisselen, de uitvoering van terugkeeroperaties te vergemakkelijken om de doeltreffendheid ervan te verhogen, en derde landen te ondersteunen op het gebied van grensbeheer en migratie. Hierbij gaat het ook om de inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht wanneer dergelijke ondersteuning nodig is om de buitengrenzen te beschermen en het migratiebeleid van de Unie doeltreffend te beheren.

Een volledig operationele Europese grens- en kustwacht moet ook alle bestaande operationele instrumenten stroomlijnen en gebruiken. De Commissie stelt voor om het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) op te nemen in het voorstel voor de Europese grens- en kustwacht, teneinde de werking van Eurosur te verbeteren en het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot het merendeel van de componenten van het geïntegreerd grensbeheer. Dit houdt in dat er wordt voorzien in een betere opsporing van, anticipatie op en reactie op crisissituaties aan de buitengrenzen van de EU en in derde landen.

De bovengenoemde elementen zullen het geïntegreerd grensbeheer versterken, aangezien de Europese grens- en kustwacht hierdoor als een echte grenspolitie kan optreden om de bescherming van de buitengrenzen van de EU te waarborgen, migratiestromen doeltreffend te beheren en ertoe bij te dragen dat een hoog veiligheidsniveau in de Unie wordt gegarandeerd - een cruciale voorwaarde voor de instandhouding van de Schengenzone.

Redenen om de werking van de Europese grens- en kustwacht te verbeteren

De verplichte snel inzetbare pool van 1 500 grenswachters was een van de nieuwigheden in de verordening van 2016. Hoewel de pool met succes is opgericht, kan deze alleen worden ingezet voor snelle grensinterventies, een zeer specifiek type interventie waarmee noodsituaties worden aangepakt. Voor operationele ondersteuning van lidstaten in de voorste linie in het kader van regelmatige gezamenlijke operaties – het meest gebruikelijke type – blijft het Agentschap volledig aangewezen op de vrijwillige pooling van personele en technische middelen van de lidstaten.

Tijdens de migratiecrisis zijn de operationele behoeften van het Agentschap om ondersteuning te bieden aan lidstaten in de voorste linie verviervoudigd: van operaties waarvoor 52 359 mandagen nodig waren in 2014 naar 189 705 mandagen in 2017. Hoewel de druk aan de buitengrenzen is afgenomen ten opzichte van 2015 en er aanzienlijk minder migranten irregulier binnenkomen via de routes door het centrale en oostelijke Middellandse Zeegebied, zijn deze positieve resultaten nog steeds in hoge mate te danken aan de toegenomen operationele activiteiten van het Agentschap.

De vrijwillige toezeggingen van de lidstaten volstaan echter vaak niet om te voorzien in de operationele behoeften aan personele en technische middelen van het Agentschap.

Om voor een afdoende en duurzame bescherming van de buitengrenzen te zorgen, moeten er voortdurend aanzienlijke inspanningen worden geleverd. Gezien de geopolitieke ontwikkelingen in een aantal strategische regio’s in de wereld en de mondiale demografische trends, zal het Europees Grens- en kustwachtagentschap naar verwachting steeds meer EU-lidstaten met migratiedruk helpen omgaan, onder meer door de ondersteuning van daadwerkelijke terugkeer en samenwerking met derde landen.

Hoewel de lidstaten deze trend grotendeels hadden verwacht en extra grenswachters en deskundigen ter beschikking van het Agentschap hebben gesteld, hadden de aanhoudende tekorten helaas nog steeds ernstige gevolgen voor de meeste gezamenlijke operaties van het Agentschap in de periode 2015-2018, waardoor de ondersteuning van het Agentschap vaak ten dele ondoeltreffend is gebleken, zoals de Commissie herhaaldelijk heeft aangegeven 4 . Met de jaarlijkse toezeggingsronde van 2018 tussen het Europees Grens- en kustwachtagentschap en de lidstaten kan slechts 49 % van de grenswachters en 45 % van de uitrusting worden gedekt ten opzichte van de behoeften van het Agentschap voor de activiteiten aan de landgrenzen. Voor operaties aan de zeegrenzen is weliswaar 96 % van de grenswachters gedekt, maar slechts 60 % van de technische middelen 5 . Deze permanente tekortkoming van het huidige poolingmechanisme doet afbreuk aan het vermogen van de EU om onze buitengrenzen te beveiligen en dit moet worden verholpen, zoals de JBZ-Raad meermaals heeft erkend 6 .

Voorts zeggen de lidstaten hun bijdragen doorgaans alleen toe voor concrete locaties en concrete periodes in het kader van het huidige poolingmechanisme, waardoor het Agentschap weinig speelruimte heeft om deskundigen en/of technische middelen indien nodig snel over te plaatsen naar andere operationele gebieden. Het Agentschap kampt ook met ontoereikende toezeggingen voor bepaalde maanden in het hoogseizoen en overmatige toezeggingen voor maanden in het laagseizoen. Dit alles is problematisch omdat het Agentschap niet in staat is het operationele personeel over te plaatsen overeenkomstig de vastgestelde behoeften.

Het Agentschap tracht de ontoereikende bijdragen van de lidstaten en het gebrek aan speelruimte bij overplaatsingen te compenseren door eigen capaciteiten te ontwikkelen en te gebruiken, met name door "gedetacheerde teamleden" te poolen en in te zetten als een eigen bijdrage aan de operationele activiteiten. Deze vrijwillige en aanvullende regeling is echter verre van voldoende gebleken opdat het Agentschap er de belangrijkste voordelen van zou kunnen benutten, namelijk de voorzienbaarheid op lange termijn wat inzet betreft en de speelruimte bij overplaatsingen. Hoewel gedetacheerde teamleden voor een jaar of langer ter beschikking kunnen worden gesteld aan het Agentschap, worden de meeste slechts voor de in de verordening vastgestelde minimumperiode van drie maanden gedetacheerd.

De bij de operaties van het Agentschap opgedane ervaring toont aan dat het Agentschap duidelijk behoefte heeft aan permanent, volledig opgeleid personeel dat altijd en overal kan worden ingezet. De ervaring leert ook dat de detacheringen van de lidstaten ongelijk zijn en er een gebrek aan gemeenschappelijke opleiding, voldoende talenkennis en een gemeenschappelijke operationele cultuur is, hetgeen bij elkaar genomen een belemmering vormt voor de samenwerking op het terrein. Volledig opgeleid personeel met dezelfde professionele houding zou een echte meerwaarde bieden.

Tot slot heeft het Agentschap, naast de aanhoudende tekorten in de pooling van personele middelen, ook regelmatig te kampen met aanzienlijke tekorten aan bijdragen van de lidstaten voor technische uitrusting. Aangezien het moeilijk lijkt om een verplicht poolingmechanisme op te zetten op basis van de gelijke deelname van alle lidstaten, bestaat de enige haalbare oplossing erin de eigen technische capaciteiten van het Agentschap verder uit te breiden door de nodige middelen aan te schaffen, rekening houdend met het ambitieuze budget dat hiertoe is uitgetrokken in het voorstel van de Commissie voor het volgende meerjarig financieel kader. Door dit proces zal van het operationele personeel ook worden verwacht dat zij al deze technische middelen onderhouden en bedienen, en er moet rekening worden gehouden met deze behoefte in de langetermijnoplossing.

De rol van de Unie bij de ondersteuning van de lidstaten op het gebied van terugkeer moest worden versterkt als een cruciaal element om de migratiesituatie in de EU-lidstaten te helpen aanpakken. De terugkeerpercentages in de EU van de afgelopen jaren tonen aan dat er uitdagingen blijven bestaan in verband met de doeltreffende uitvoering van terugkeeroperaties. Uit statistieken van Eurostat blijkt dat het terugkeerpercentage in de hele EU is gedaald van 45,8 % in 2016 naar slechts 36,6 % in 2017. Samen met de voorgestelde herschikking van de terugkeerrichtlijn, waarin wordt voorgesteld duidelijker en doeltreffender procedures voor de afgifte van terugkeerbesluiten en de behandeling van beroepen in te voeren en doeltreffender gebruik te maken van bewaring om terugkeer te vergemakkelijken, is dit voorstel bedoeld om het huidige algemene kader voor het terugkeerbeleid te versterken.

Om de ondersteuning die het Agentschap aan de lidstaten biedt verder op te voeren en nieuwe activiteiten op het gebied van terugkeer te ontwikkelen, ook ten aanzien van derde landen, ligt het voor de hand dat er meer operationeel personeel ter beschikking moet worden gesteld om de inspanningen van het Agentschap op dit vlak te ondersteunen, met name in het licht van het aanzienlijke budget dat is uitgetrokken om de activiteiten van het Agentschap inzake terugkeer te dekken. Een dergelijk uitgebreid mandaat inzake terugkeer moet aan toereikende capaciteiten en personele middelen worden gekoppeld, ook rekening houdend met het reeds stijgende aantal terugkeeroperaties dat operationeel is ondersteund door het Europees Grens- en kustwachtagentschap: in 2018 zijn sinds 3 augustus 192 operaties georganiseerd of gecoördineerd door het Agentschap, ten opzichte van 90 operaties in dezelfde periode in 2016 en 194 in 2017 7 .

De ervaringen van de afgelopen twee jaar hebben meer dan ooit aangetoond dat het van belang is om actie te ondernemen in derde landen, onder meer door operationele en technische ondersteuning te verlenen. De Commissie heeft namens de Unie onderhandelingen gevoerd over statusovereenkomsten met bepaalde buurlanden zodat het Agentschap operationeel personeel kan inzetten in die landen. De onderhandelingen met de landen van de Westelijke Balkan zijn afgerond of bijna afgerond, en deze overeenkomsten zouden in de toekomst kunnen worden uitgebreid tot voorbij de buurlanden en zonder territoriale beperkingen, op voorwaarde dat dergelijke steun aan derde landen bijdraagt tot de bescherming van de EU-buitengrenzen. Er zal aanzienlijk meer operationeel personeel van het permanente korps nodig zijn voor dergelijke operationele inzet en om dergelijke activiteiten op het terrein in derde landen, ook inzake terugkeer, te ondersteunen.

Doelstellingen van de Europese grens- en kustwacht

Alle bovengenoemde elementen tonen aan dat een permanente en betrouwbare oplossing cruciaal is om ervoor te zorgen dat het Agentschap over de nodige capaciteiten beschikt om de buitengrenzen van de EU te beschermen en doeltreffende ondersteuning te bieden op het gebied van terugkeer.

In de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht van 2016 worden de beginselen van het Europees geïntegreerd grensbeheer en een definitie van de Europese grens- en kustwacht vastgesteld, maar er wordt voornamelijk ingegaan op de rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap. In de Eurosur-verordening van 2013 is een kader vastgesteld voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten en het Agentschap, maar dit kader is momenteel beperkt tot de bewaking van zee- en landgrenzen. Het voorstel voegt de twee verordeningen samen en combineert daardoor de taken van het Agentschap en de rol die de autoriteiten van de lidstaten moeten spelen bij de werking van de Europese grens- en kustwacht.

Daarom stelt de Commissie voor het uit 10 000 operationele personeelsleden bestaande permanente korps van de Europese grens- en kustwacht tegen 2020 op te richten om het Agentschap te voorzien van een eigen doeltreffende en efficiënte operationele tak. Dit voorstel strekt ertoe de huidige vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, tegemoet te komen aan de huidige behoeften en ervoor te zorgen dat de EU op strategisch vlak klaar is voor de uitdagingen van de toekomst. Het is met name van essentieel belang dat het permanente korps snel de volle capaciteit van 10 000 operationele personeelsleden bereikt tegen 2020 zodat het Agentschap op de huidige situatie kan reageren. In dit verband moeten de voorbereidende acties, met inbegrip van alle logistieke en administratieve voorbereidingen voor aanwervingen en detacheringen, plaatsvinden zodra een politiek akkoord over het voorstel is bereikt.

De oprichting van het permanente korps moet in een goed functionerende Europese grens- en kustwacht worden geïntegreerd, in het kader waarvan er een goede coördinatie tot stand wordt gebracht tussen de lidstaten, de Unie en de EU-agentschappen, met name het Europees Grens- en kustwachtagentschap, en naar gemeenschappelijke en gedeelde beleidsdoelstellingen wordt toegewerkt. Deze coördinatie zal voor de capaciteit zorgen om informatie en analyses te delen, het reactievermogen te coördineren en het vermogen om op korte, middellange en lange termijn te anticiperen op crisissituaties aan de buitengrenzen en het nodige reactievermogen gezamenlijk te ontwikkelen.

Voor de omvang van dit permanente korps van de Europese grens- en kustwacht is grotendeels voortgebouwd op de huidige aanwijzingen wat betreft de inzet in het kader van de bestaande poolingmechanismen, die evenwel vrijwillig van aard zijn, met uitzondering van de snel inzetbare pool. Overeenkomstig het besluit van de raad van bestuur beschikt het Agentschap voor zijn operationele activiteiten over een totaal van 5 000 grenswachters. In werkelijkheid zijn er echter meer dan 7 000 teamleden van de Europese grens- en kustwacht geregistreerd in het OPERA-systeem van het Agentschap. Deze capaciteiten worden aangevuld met 1 500 grenswachters die zijn aangewezen voor de snel inzetbare pool. Op het gebied van terugkeer beschikt het Agentschap momenteel over drie pools, die uit respectievelijk 600 begeleiders voor terugkeer, 50 deskundigen inzake terugkeer en 40 toezichthouders voor gedwongen terugkeer moeten bestaan overeenkomstig het besluit van de raad van bestuur. De voorgestelde omvang van een permanent korps van 10 000 personeelsleden is bedoeld om het Agentschap in staat te stellen om niet alleen de huidige tekorten op te vullen, maar ook de steun aan lidstaten in de voorste linie in kritieke operationele gebieden op te voeren, meer gebieden in de EU-lidstaten en derde landen te dekken en de terugkeer aanzienlijk te intensiveren.

Het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht moet uit drie categorieën van operationeel personeel bestaan: 1) personeelsleden in dienst van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (categorie 1), 2) personeelsleden die door de lidstaten verplicht voor lange tijd bij het Agentschap worden gedetacheerd (categorie 2) en 3) personeelsleden die verplicht ter beschikking worden gesteld door de lidstaten voor inzet op korte termijn (categorie 3).

Het essentiële kenmerk van deze nieuwe aanpak houdt in dat het statutaire personeel van het Agentschap wordt opgenomen in het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, met alle nodige bevoegdheden om taken uit te voeren die verband houden met grenscontroles en terugkeer, ook die waarvoor uitvoerende bevoegdheden nodig zijn. In artikel 77, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie maatregelen vaststelt voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen. Dit vormt de rechtsgrondslag om rechtshandhavingsbevoegdheden toe te kennen aan gemachtigden die namens de Unie optreden wanneer zij de taken uitvoeren die verband houden met de invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen. Dergelijke bevoegdheden en taken moeten echter duidelijk worden omschreven zodat deze in overeenstemming zijn met de doelstelling om een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen in te voeren. Daarom maakt de lijst van dergelijke taken deel uit van het voorstel. Het personeel van categorie 1 van het Agentschap zal een nieuw type EU-personeel binnen het Agentschap vormen, waaraan uitvoerende bevoegdheden worden toegekend, waaronder het gebruik van geweld, wanneer zij worden ingezet als teamleden uit het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. De Commissie beschouwt deze regeling als een cruciaal onderdeel van haar herziene voorstel dat een aanzienlijke impact zal hebben op de versterking van het mandaat van het Agentschap met het oog op de doeltreffende controle van de buitengrenzen van de Unie.

Het tweede kernelement van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht is het feit dat de kortetermijn- en langetermijnbijdragen van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht verplicht worden, hetgeen de enige oplossing is om te waarborgen dat de nodige bijdragen voor de activiteiten van het Agentschap beschikbaar zijn in de geest van solidariteit en verantwoordelijkheid voor de goede werking van het Schengengebied. De afzonderlijke bijdragen van de lidstaten zijn vastgesteld op basis van de verdeelsleutel die is overeengekomen tijdens de onderhandelingen in 2016 over de snel inzetbare pool en die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1624.

Het is mogelijk dat deze verplichte bijdrage een echte uitdaging vormt voor de lidstaten waarvan de nationale capaciteiten zijn overbelast door nationale taken. Daarom voorziet het voorstel in een systeem voor financiële steun om de langetermijnontwikkeling van personele middelen te ondersteunen en veilig te stellen door de lidstaten in staat te stellen extra personeel aan te werven en op te leiden, teneinde de nodige flexibiliteit te bieden met het oog op de verplichte pooling die is vastgesteld in het kader van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, met behoud van voldoende eigen nationale capaciteiten.

De modulaire samenstelling van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, met drie categorieën van operationeel personeel, zal de nodige flexibiliteit bieden om de activiteiten van het Agentschap af te stemmen op de operationele behoeften. Hoewel het statutaire operationele personeel van het Agentschap (categorie 1) altijd de belangrijkste bouwsteen voor de inzet uit het permanente korps zal vormen, kan de inzet van operationeel personeel van categorie 2 en in het bijzonder categorie 3 worden aangepast binnen de bestaande mechanismen.

Tot slot bieden het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en het operationele personeel een geïntegreerde oplossing voor het hele spectrum aan teams die door het Agentschap worden ingezet: grensbeheerteams, terugkeerteams en ondersteuningsteams voor migratiebeheer met een gemengde samenstelling. Daarom worden alle bestaande poolingmechanismen geïntegreerd in dit voorstel: het huidige mechanisme voor jaarlijkse toezeggingen voor activiteiten aan de buitengrenzen, de verplichte snel inzetbare pool voor snelle grensinterventies en twee pools van deskundigen inzake terugkeer en begeleiders voor terugkeer. De pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer moet bij wijze van uitzondering een afzonderlijke regeling blijven, omdat de taken en deskundigheid van deze pool een specifiek karakter hebben en de toezichtsfuncties onafhankelijk moeten worden uitgevoerd.

Het voorstel heeft tot doel de politieke sturing van het Europees geïntegreerd grensbeheer te structuren door een beleidscyclus van Europese en nationale strategieën voor geïntegreerd grensbeheer op gang te brengen.

Het voorstel zal de mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing van de Europese grens- en kustwacht versterken om het reactievermogen te verbeteren in geval van een crisis, maar ook om situaties waarin de werking van het Schengengebied in het gedrang komt, beter aan te pakken.

In deze processen zal anticiperen van cruciaal belang zijn. Het voorstel heeft tot doel de coördinatie van de planningsprocessen van het Europees geïntegreerd grensbeheer te verbeteren om grensoperaties beter voor te bereiden, de reactie op hogere impactniveaus te bepalen en met name de mogelijke interventie van het permanente korps en andere capaciteiten van het Agentschap ter ondersteuning van de lidstaten te omschrijven. Het voorstel zal ook tot een betere voorbereiding van de capaciteiten van de Europese grens- en kustwacht leiden omdat opleiding en onderwijs, de aankoop van uitrusting op korte en langere termijn, alsook onderzoek en ontwikkeling worden gecoördineerd.

Het zal tevens voor betere mogelijkheden tot informatie-uitwisseling zorgen en ondersteuning bieden aan de lidstaten op het gebied van terugkeer. Om de lidstaten beter te helpen, voorziet dit voorstel in de uitbreiding van de taken van het Agentschap tot technische en operationele bijstand bij de uitvoering van terugkeerprocedures, onder meer het opstellen van terugkeerbesluiten, andere activiteiten voorafgaand aan terugkeer en bijstand bij de ontwikkeling en toepassing van de systemen voor terugkeerbeheer en informatie-uitwisseling. 

In het voorstel wordt toegelicht welke rol de lidstaten en het Agentschap respectievelijk zullen spelen bij de werking van de Europese grens- en kustwacht, onder meer bij de samenwerking met derden en derde landen. Op het gebied van terugkeer zal het Agentschap bijstand kunnen verlenen bij terugkeeractiviteiten van derde landen, onder meer door gemengde terugkeeroperaties te organiseren waaraan een of meer lidstaten deelnemen. Met name de werking van Eurosur zal verder worden verbeterd door de kwaliteit van de uitgewisselde gegevens te verhogen en de beveiliging en het reactievermogen van de systemen op te voeren. Om de verschillende componenten van geïntegreerd grensbeheer beter te ondersteunen, zal het toepassingsgebied van Eurosur evolueren van grensbewaking naar grenscontrole, met inbegrip van verslaglegging over secundaire bewegingen en luchtgrenzen. Eurosur zal worden gebruikt voor grensoperaties en geïntegreerde planning. Eurosur zal ook voor een betere operationele samenwerking en informatie-uitwisseling tussen derde landen en derden zorgen.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel vormt een aanvulling op de voorstellen van de Commissie van 12 juni 2018 tot oprichting van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer en het Fonds voor asiel en migratie in het kader van het volgende meerjarig financieel kader met het oog op de versterking van de financiering voor de nationale componenten van de Europese grens- en kustwacht. Al deze voorstellen van de Commissie zijn bedoeld om gezamenlijk voor een volledig geïntegreerd EU-grensbeheerssysteem te zorgen dat wordt toegepast door een sterke en volledig operationele Europese grens- en kustwacht, bestaande uit het Europese Grens- en kustwachtagentschap en de nationale autoriteiten die in de lidstaten belast zijn met het beheer van grenzen en terugkeer.

Om ervoor te zorgen dat het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht doeltreffend kan worden ingezet vanaf 1 januari 2020, moeten zo spoedig mogelijk bepaalde besluiten en uitvoerende maatregelen worden genomen. In afwijking van de normale termijn die is vastgesteld in de verordening moet de raad van bestuur met name binnen zes weken na de inwerkingtreding van de verordening een besluit aannemen over de profielen van het permanente korps van het Agentschap en moeten de lidstaten binnen twaalf weken na de inwerkingtreding van de verordening het operationele personeel voor het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht benoemen.

Met het oog op de continuïteit van de steun voor de operationele activiteiten die worden georganiseerd door het Agentschap, moet tegelijkertijd alle inzet, ook vanuit de snel inzetbare pool, tot 31 december 2019 worden gepland en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 20, 30 en 31 van Verordening (EU) 2016/1624 en de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen die in 2018 zijn gevoerd. Deze bepalingen mogen pas met ingang van 1 januari 2020 worden ingetrokken.

Dit voorstel bouwt voort op het bestaande beleid en de bestaande toolbox voor grensbeheer, met name de bij Verordening (EU) 2016/1624 opgerichte Europese grens- en kustwacht. In de afgelopen twee jaar heeft het operationeel maken van de Europese grens- en kustwacht ertoe geleid dat de eerste cycli van kwetsbaarheidsbeoordelingen zijn doorlopen en de snel inzetbare pools zijn opgericht om op noodsituaties te reageren. Met het uit 10 000 operationele personeelsleden bestaande permanente korps van de Europese grens- en kustwacht zullen de capaciteiten van het Agentschap, en derhalve van de Unie, verder worden uitgebreid om doeltreffend op huidige of toekomstige dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen te reageren door middel van de proactieve versterking, beoordeling en coördinatie van de acties van de lidstaten en met derde landen aan de buitengrenzen en de verhoging van het terugkeerpercentage.

In het voorstel wordt het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) in het rechtsinstrument tot oprichting van de Europese grens- en kustwacht geïntegreerd, waardoor een geest van samenwerking, informatie-uitwisseling en coördinatie van de inspanningen van de lidstaten en het Europees grens- en kustwachtagentschap, alsmede de nationale autoriteiten en agentschappen van de Unie, verder worden bevorderd door middel van concrete verbintenissen. Ook wordt voortgebouwd op Verordening (EU) nr. 656/2014 8 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door Frontex.

In het voorstel wordt de verhouding tussen de door het Agentschap uitgevoerde kwetsbaarheidsbeoordelingen en het bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 9 opgerichte Schengenevaluatiemechanisme toegelicht met het oog op maximale synergieën tussen deze twee mechanismen, die van essentieel belang zijn voor de Europese kwaliteitscontrole van de werking van het Schengengebied.

Dit voorstel bouwt voort op en houdt een ontwikkeling in van deze bestaande beleidsbepalingen en brengt deze samen in de Europese grens- en kustwacht, waardoor een geïntegreerd beheersysteem voor de buitengrenzen op Unieniveau tot stand komt, zoals voorgeschreven in artikel 77, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Dit voorstel sluit aan op het brede langetermijnbeleid inzake beter migratiebeheer dat de Commissie heeft uiteengezet in de Europese migratieagenda, waarin de politieke beleidslijnen van voorzitter Juncker werden uitgewerkt tot een reeks samenhangende en elkaar onderling versterkende maatregelen. Deze maatregelen werden gebaseerd op vier pijlers: de stimulansen voor irreguliere migratie reduceren, de buitengrenzen beveiligen en levens redden, een sterk asielbeleid voeren en een nieuw beleid inzake legale migratie ontwikkelen. Met dit voorstel wordt verder uitvoering gegeven aan de Europese migratieagenda, meer bepaald wat betreft de doelstelling om de buitengrenzen te beveiligen, aangezien de Europese grens- en kustwacht het Europees geïntegreerd grensbeheer zal uitvoeren. Bovendien speelt het in op het verzoek van de Europese Raad om de ondersteunende rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, ook wat betreft de samenwerking met derde landen, verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat, teneinde de EU-buitengrenzen doeltreffend te controleren en de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit wetgevingsvoorstel is gebaseerd op artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 79, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

In artikel 77, lid 1, onder b) en d), is bepaald dat de Unie een beleid ontwikkelt dat tot doel heeft te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen en voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen. In artikel 77, lid 2, onder b) en d), is bepaald dat het Europees Parlement en de Raad hiertoe volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vaststellen voor de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen en voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen.

Overeenkomstig artikel 79, lid 2, onder c), kunnen het Europees Parlement en de Raad maatregelen vaststellen op het gebied van irreguliere immigratie en illegaal verblijf, met inbegrip van verwijdering en repatriëring van illegaal verblijvende personen.

Subsidiariteit

Het doel van dit voorstel is een Europees geïntegreerd beheer van de buitengrenzen van de EU, teneinde een doeltreffend beheer van migratie en een hoog niveau van veiligheid in de Unie te waarborgen en het vrije verkeer van personen in de Unie in stand te houden. Als er irreguliere migratie plaatsvindt over de buitengrenzen van een van de lidstaten in het Schengengebied, ondervinden ook alle andere lidstaten hier de gevolgen van. Een gebied zonder binnengrenzen kan slechts bestaan als de buitengrenzen effectief worden beveiligd en beschermd.

Aangezien de bewaking van de buitengrenzen van de Unie een gemeenschappelijk en gedeeld belang is dat overeenkomstig strenge uniforme Unienormen moet worden behartigd, kunnen de doelstellingen van dit voorstel niet voldoende door de individuele lidstaten worden bereikt maar beter door de Unie worden verwezenlijkt. De Unie kan daarom maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd.

Evenredigheid

Het voorstel moet een antwoord bieden op de nieuwe uitdagingen en politieke situatie waarmee de Unie wordt geconfronteerd op het gebied van migratiebeheer en interne veiligheid. Het versterkt een toolbox van capaciteiten waarover de Europese grens- en kustwacht beschikt, met name door het uit 10 000 personeelsleden bestaande permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op te richten om uitdagingen op het gebied van EU-grensbeheer en terugkeer grondig aan te pakken. Het voorstel waarborgt dat de regels inzake geïntegreerd grensbeheer door de lidstaten volledig en correct worden uitgevoerd in overeenstemming met één samenhangende cyclus voor meerjarig strategisch beleid, dat passende maatregelen worden getroffen om crisissituaties te voorkomen en in een vroeg stadium aan de buitengrenzen in te grijpen indien een dergelijke situatie zich voordoet, en dat slechts als een situatie alsnog kritiek wordt, op Unieniveau spoedmaatregelen worden getroffen voor rechtstreekse interventie op het terrein. Met het oog op de doelstellingen en overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

Keuze van het instrument

Zoals toegelicht in hoofdstuk 1 vormen de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de vaststelling van de nodige begeleidende maatregelen nieuwe essentiële elementen die een aanzienlijke impact op de werking van de Europese grens- en kustwacht hebben. Gezien het belang van deze veranderingen is het noodzakelijk om Verordening (EU) 2016/1624 betreffende de Europese grens- en kustwacht te wijzigen. Het biedt ook een kans om het gewijzigde Eurosur-systeem beter te integreren in de Europese grens- en kustwacht door de gewijzigde elementen van Verordening (EU) nr. 1052/2013 tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) op te nemen in de nieuwe verordening overeenkomstig de conclusie van de evaluatie van de Eurosur-verordening.

Alleen met een verordening kan immers de uniformiteit worden verkregen die vereist is om het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen te verzekeren en ervoor te zorgen dat het Agentschap een doeltreffende rol speelt op het gebied van terugkeer. Aangezien de Europese grens- en kustwacht en Eurosur bij een verordening zijn opgericht, is hetzelfde rechtsinstrument bovendien ook de juiste keuze voor dit voorstel tot wijziging en samenvoeging van de twee verordeningen.

Grondrechten

Dit voorstel is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Alle activiteiten van de Europese grens- en kustwacht, zowel met betrekking tot het Europees Grens- en kustwachtagentschap als de met grensbeheer en terugkeer belaste autoriteiten van de lidstaten, moeten plaatsvinden met volledige eerbiediging van de grondrechten als vervat in het Handvest, waaronder het recht op asiel (artikel 18), bescherming tegen refoulement (artikel 19), de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven (artikel 7), de bescherming van persoonsgegevens (artikel 8) en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47). Het voorstel houdt ten volle rekening met de rechten van het kind en de speciale behoeften van personen in een kwetsbare situatie.

Dit voorstel voldoet derhalve aan de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

3.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De EU-bijdrage voor het Europees Grens- en kustwachtagentschap maakt reeds deel uit van de Uniebegroting overeenkomstig het financieel memorandum bij het voorstel van de Commissie voor een verordening tot oprichting van de Europese grens- en kustwacht. Daarnaast is er in extra middelen voor het Agentschap voorzien in het financieel memorandum bij de voorstellen van de Commissie voor Etias en het pakket interoperabiliteit.

Om het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op te richten, de eigen uitrusting voor het Agentschap aan te schaffen en andere nieuwe of aangepaste taken in dit voorstel adequaat uit te voeren, moet de bestaande EU-bijdrage voor 2019 en 2020 in het kader van het huidige meerjarig financieel kader worden aangevuld met een bedrag van 577,5 miljoen EUR, waarvoor mogelijk gebruik moet worden gemaakt van speciale instrumenten waarin de MFK-verordening voorziet. Voor de periode 2021-2027 is er een EU-bijdrage van in totaal 11 270 miljoen EUR nodig om de aangepaste taken en functies van het Agentschap te dekken, grotendeels in verband met de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de aanschaf van eigen uitrusting voor het Agentschap. Deze bedragen zullen worden aangevuld met de overeenkomstige bijdrage van de met de Schengenruimte geassocieerde landen.

De gevraagde EU-bijdrage voor de periode 2021-2027 kan worden gefinancierd binnen de maxima die zijn vastgesteld in het MFK-voorstel van 2 mei 2018.

Wat de personele middelen betreft, werd verwacht dat het Agentschap tegen 2020 1 000 personeelsleden in dienst zou hebben. Om het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op te richten, zullen extra posten worden toegewezen aan het Agentschap: te beginnen met 750 posten in 2019 en 3 000 posten tegen 2025. Deze extra posten zullen voor de ene helft door tijdelijke functionarissen en voor de andere helft door arbeidscontractanten worden bezet. De nieuwe posten zullen hoofdzakelijk worden gebruikt om operationele personeelsleden van categorie 1 van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht aan te werven en op te leiden. Tot deze categorie behoren echter ook personeelsleden die zullen worden ingezet om de centrale Etias-eenheid op te zetten en te bemannen.

In het kader van het bovengenoemde aantal van 3 000 posten kan het Agentschap bovendien tot 4 % van de totale grootte van het permanente korps gebruiken om personeel aan te werven ter ondersteuning van de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht (aanwerving, dagelijks beheer, operationele planning, enzovoort), de bemanning van operationele antennes, de aanschaf van de uitrusting van het Agentschap, andere nieuwe taken die verband houden met de werking van de Europese grens- en kustwacht, met inbegrip van Eurosur, het versterkte mandaat inzake terugkeer en de overname van FADO.

Bovenop het budget van het Agentschap zal steun uit de fondsen op het gebied van migratie en grensbeheer worden uitgetrokken voor de uitvoering van het uitgebreide Eurosur-systeem aan de zijde van de lidstaten. Dit zal gebeuren via de bestaande middelen uit het Fonds voor interne veiligheid – Grenzen en visa in 2020 (52,5 miljoen EUR) en het toekomstige Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (647,5 miljoen EUR) in de periode 2021-2027, waarbij 10 % van deze middelen voor Eurosur is bestemd. De desbetreffende acties zullen in gedeeld of direct beheer worden uitgevoerd.

De herziene financiële kaderregeling voor gedecentraliseerde agentschappen, met inbegrip van verscherpte regels inzake de governance van deze agentschappen op het gebied van fraude, onregelmatigheden, belangenconflicten en interne controle, vormt een aanvulling op de regels in dit voorstel.

4.Voorbereidingsproces en raadpleging van belanghebbenden

In 2017 heeft de Commissie vijf voortgangsverslagen voorgelegd aan de Europese Raad, het Europees Parlement en de Raad, waarin een balans wordt opgemaakt van de vooruitgang die is geboekt met het operationeel maken van de Europese grens- en kustwacht en waarin de geconstateerde tekortkomingen worden geanalyseerd. Op deze verslagen volgden vaak besprekingen in de Raad en presentaties in de relevante commissies van het Europees Parlement.

In haar mededeling van februari 10 heeft de Commissie prioriteiten gesteld en meerdere opties gepresenteerd voor het toekomstige meerjarig financieel kader van de Unie, waarbij een sterke en volledig operationele Europese grens- en kustwacht de spil is van een volledig geïntegreerd EU-grensbeheerssysteem. In haar mededeling van 2 mei 2018 11 bij het voorstel voor het volgende meerjarig financieel kader heeft de Commissie nogmaals aangegeven dat zij naar deze doelstelling zal blijven streven en heeft zij voorgesteld een permanent korps van ongeveer 10 000 grenswachters op te richten.

Op 5 juli heeft de raad van bestuur van het Agentschap een informele workshop georganiseerd om het toekomstige rechtskader van het Agentschap te bespreken en de notulen van de vergadering zijn samen met de afzonderlijke standpunten van acht lidstaten aan de Commissie voorgelegd. Voorts is het nieuwe mandaat van het Agentschap op 9 juli besproken tijdens de vergadering van het Strategisch Comité immigratie, grenzen en asiel, waar de vertegenwoordigers van de lidstaten hun voorlopige standpunten over de ideeën in het MFK-voorstel kenbaar hebben gemaakt. De Commissie heeft een algemene evaluatie van Eurosur uitgevoerd overeenkomstig artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1052/2013. Het verslag van deze evaluatie is bij dit voorstel gevoegd. In het evaluatieverslag wordt geconcludeerd dat de doelstellingen van het Eurosur-kader zijn verwezenlijkt, maar dat de werking van Eurosur kan worden verbeterd door van een technisch informatiesysteem naar een governancekader voor informatie-uitwisseling en samenwerking te evolueren. In de follow-upfase zijn raadplegingen gehouden met de deskundigengroep inzake Eurosur, die door het Agentschap is opgericht en wordt beheerd om de tenuitvoerlegging van Eurosur te ondersteunen, alsook met een specifieke deskundigengroep inzake Eurosur, die door de Commissie is opgericht om het evaluatieproces te bespreken en op te volgen en om te overleggen over mogelijke wijzigingen van de bestaande verordening. Op 6 en 7 februari 2018 heeft de Commissie een specifieke workshop gehouden om de technologische en industriële aspecten van Eurosur te bespreken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, onderzoekers en overheidsdeskundigen uit de lidstaten, EU-instellingen en -agentschappen. Om een analyse te kunnen maken van de kosten en baten van de diverse veranderingen waarin het voorstel voorziet, heeft de Commissie een studie besteld om na te gaan welke effecten de verschillende opties met betrekking tot mogelijke ontwikkelingen van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) zouden hebben.

Rekening houdend met de oproep van de Europese Raad van 28 juni 2018 om de ondersteunende rol van het Agentschap verder te versterken door middel van een ruimer mandaat, en aangezien binnen een passende termijn moet worden ingegaan op deze oproep, is besloten om geen effectbeoordeling uit te voeren.

5.Artikelsgewijze toelichting

Het voorstel (artikel 8) voorziet in de invoering van een cyclus voor meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer als een manier om ervoor te zorgen dat de Europese grens- en kustwacht het Europees geïntegreerd grensbeheer doeltreffend uitvoert. De meerjarige cyclus zal een interoperabel, uniform en continu proces omvatten, dat voorziet in strategische richtsnoeren voor alle relevante actoren die actief zijn op het gebied van grensbeheer en terugkeer op Unieniveau en in de lidstaten, zodat deze actoren het Europees geïntegreerd grensbeheer op coherente, geïntegreerde en methodologische wijze kunnen uitvoeren. De cyclus zal van start gaan met politieke sturing van het Europees geïntegreerd grensbeheer in de vorm van een gedelegeerde handeling van de Commissie, die vervolgens zal worden uitgevoerd aan de hand van de technische en operationele strategie van het Europees Grens- en kustwachtagentschap en de nationale strategieën van de lidstaten. Met het oog op de voorbereiding van de volgende cyclus zal de uitvoering van deze drie fasen worden geëvalueerd.

De belangrijkste elementen van het voorstel tot oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, samen met verbeteringen van andere cruciale capaciteiten (zie met name artikel 5, lid 2, de artikelen 55 tot en met 60 en de artikelen 63 en 64):

De essentiële elementen in verband met het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden uiteengezet in hoofdstuk 1, met name wat betreft de samenstelling, de grootte, de reikwijdte van de activiteiten, het verplichte karakter en de toepassing van uitvoerende bevoegdheden.

Om ervoor te zorgen dat het permanente korps uit verschillende personeelscategorieën kan worden samengesteld, introduceert het voorstel het concept van operationeel personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, zijnde grenswachters, begeleiders voor terugkeer, deskundigen inzake terugkeer en andere relevante personeelsleden. Ze zullen in drie soorten teams inzetbaar zijn: grensbeheer, terugkeer en ondersteuning van migratiebeheer.

De individuele bijdragen van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden vastgesteld overeenkomstig de bijlagen IV en V. De uitsplitsing van deze individuele bijdragen is gebaseerd op de verdeelsleutel die is overeengekomen voor de snel inzetbare pool en is opgenomen in bijlage I bij de huidige verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht.

De Commissie zal een tussentijdse evaluatie uitvoeren van de werking en samenstelling van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. Op basis van de tussentijdse evaluatie kan de Commissie overwegen de relevante bijlagen te wijzigen.

De teams die worden ingezet uit het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, moeten specifieke opleidingen en een uniform krijgen zodat zij een gemeenschappelijke professionele cultuur uitdragen.

Met het oog op de inzet van teams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op het grondgebied van derde landen, moet het Agentschap de capaciteiten voor eigen commando- en controlestructuren ontwikkelen.

Om de aanhoudende tekorten bij de vrijwillige pooling van technische uitrusting van de lidstaten te verhelpen, met name wat groot materieel betreft, moet het Agentschap over eigen uitrusting beschikken, dat zal worden ingezet voor gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere operationele activiteiten. Hoewel het sinds 2011 wettelijk mogelijk is voor het Agentschap om eigen technische uitrusting aan te schaffen of te leasen, was deze mogelijkheid aanzienlijk beperkt door het gebrek aan budgettaire middelen. Door de vaststelling van de verordening van 2016 kreeg het Agentschap een specifiek budget van 40 miljoen EUR om kleine en middelgrote uitrusting aan te schaffen en het Agentschap maakt steeds meer gebruik van deze mogelijkheden. Als een logisch gevolg van deze ontwikkelingen en om de ambities waar te maken die aan de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht ten grondslag liggen, heeft de Commissie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 een aanzienlijk bedrag uitgetrokken dat het Agentschap in staat moet stellen om met het oog op de operationele behoeften het nodige lucht-, zee- en landmaterieel te verwerven, te onderhouden en in te zetten.

Hoewel de verwerving van het nodige materieel, en met name het grote materieel, een werk van lange adem kan zijn, zou uiteindelijk bij operaties in de eerste plaats de eigen uitrusting van het Agentschap moeten worden ingezet, aangevuld met bijdragen van de lidstaten waarop in uitzonderlijke omstandigheden beroep zou worden gedaan. De uitrusting van het Agentschap moet hoofdzakelijk worden bediend door de technici van het Agentschap die deel uitmaken van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. Om ervoor te zorgen dat de voorgestelde financiële middelen voor de eigen uitrusting van het Agentschap doeltreffend worden gebruikt, wordt het proces gebaseerd op een meerjarige strategie die in een zo vroeg mogelijk stadium wordt vastgesteld door de raad van bestuur en vergezeld gaat van een actieplan.

Om de werkzaamheden van het Agentschap te vergemakkelijken in de lidstaten waar operationele activiteiten aan de buitengrenzen en in verband met terugkeer worden verricht, krijgt het Agentschap de mogelijkheid om in die lidstaten steunpunten op te zetten voor de periode waarin de operationele activiteiten plaatsvinden. Deze steunpunten zullen als contactpunt fungeren tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaten, in coördinatie, communicatie en logistieke steun voorzien en ervoor zorgen dat alle processen met betrekking tot deze operationele activiteiten vlot verlopen. De steunpunten zullen worden opgezet in de buurt van de gebieden waar operationele activiteiten plaatsvinden.

Het voorstel (artikelen 9 en 67) voorziet in een kader voor de geïntegreerde planning van de Europese grens- en kustwacht. De verschillende planningsprocessen van de grenswachters en de voor terugkeer bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap voor de korte, middellange en lange termijn zullen in deze planning worden geïntegreerd. De geïntegreerde planning zal de cyclus voor meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer volgen.

Het voorstel voorziet in een standaardmethodologie voor planning met betrekking tot scenario’s die zijn vastgesteld door het Agentschap. In deze op risicoanalyse gebaseerde scenario’s, die zullen worden goedgekeurd door de raad van bestuur van het Agentschap, zal rekening worden gehouden met de geopolitieke context.

In het voorstel wordt de planning van de capaciteitsontwikkeling voor de Europese grens- en kustwacht geïntroduceerd. De in dit voorstel vastgestelde planning van de capaciteitsontwikkeling is een mechanisme waarmee wordt beoogd de langetermijnplannen van de lidstaten en het Agentschap te vergelijken en op één lijn te brengen, teneinde de mogelijkheden op het gebied van opleiding en onderwijs, technische en operationele normalisatie, gezamenlijke aanbesteding van uitrusting, en onderzoek en ontwikkeling in kaart te brengen. Het Agentschap zal nieuwe capaciteiten krijgen om tegemoet te komen aan de individuele behoeften van de lidstaten. Het zal tevens een cruciale rol spelen bij de coördinatie van de capaciteitsontwikkeling voor de gehele Europese grens- en kustwacht.

De processen voor de planning van de capaciteitsontwikkeling zullen leiden tot een competentieroutekaart voor de Europese grens- en kustwacht, die door de raad van bestuur van het Agentschap zal worden goedgekeurd en als bijlage bij de technische en operationele strategie voor geïntegreerd grensbeheer zal worden gevoegd. Deze competentieroutekaart zal strategische sturing geven aan de capaciteitsontwikkeling van de Europese grens- en kustwacht. Aan de hand van de competentieroutekaart zullen aanbestedingsplannen en technologieroutekaarten worden opgesteld. Deze aanbestedingsplannen zullen de lidstaten en het Agentschap helpen bij de aanschaf en leasing van technische uitrusting 12 en de technologieroutekaarten zullen het Agentschap helpen om belangrijke onderzoeksthema’s 13 te identificeren en zullen in aanmerking worden genomen voor de programmering van de EU-instrumenten die operationele en onderzoeksactiviteiten op het gebied van geïntegreerd grensbeheer en terugkeer ondersteunen.

Het voorstel zorgt voor een versterking van de bestaande vereisten voor noodplanning op het niveau van de lidstaten als onderdeel van het algemene proces voor geïntegreerde planning. De noodplanning heeft betrekking op alle maatregelen en middelen die nodig zijn om de capaciteit te versterken, met inbegrip van logistiek en steun wanneer er sprake is van hogere impactniveaus aan de buitengrenzen, en de capaciteit waarmee de inzet van door het Europees Grens- en kustwachtagentschap gecoördineerde aanvullende capaciteiten wordt ondersteund. Deze plannen moeten onderworpen blijven aan het mechanisme voor kwaliteitscontrole, als onderdeel van het kwetsbaarheidsbeoordelingsmechanisme.

Op korte termijn zal de coördinatie van de operationele planning tussen de lidstaten onderling en met het Agentschap plaatsvinden in het kader van Eurosur overeenkomstig de planningsprocessen voor gezamenlijke grensoperaties die zijn vastgesteld door het Agentschap 14 .

In het voorstel (vanaf artikel 18) is bepaald dat Eurosur wordt opgenomen in de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht als een noodzakelijk element van de werking van de Europese grens- en kustwacht.

Eurosur zal zich ontwikkelen tot een governancekader voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de met grensbeheer belaste nationale autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap, zal voortbouwen op de verschillende informatiesystemen die worden gebruikt door de lidstaten en het Agentschap en zal de rol en bevoegdheden van de nationale coördinatiecentra uitbreiden.

Het voorstel vereenvoudigt de bestaande elementen van de huidige Eurosur-verordening en verbetert het reactievermogen van Eurosur. Een aantal technische delen van de huidige Eurosur-verordening zullen in uitvoeringshandelingen worden opgenomen om meer duidelijkheid te scheppen over de technische uitvoering en te voorzien in meer flexibiliteit en mogelijke operationele updates, waarbij het bindende karakter van deze delen behouden blijft.

Het voorstel breidt het huidige toepassingsgebied van Eurosur uit van de bewaking van land- en zeegrenzen tot grenscontrole (door toevoeging van controles aan grensdoorlaatposten en bewaking van luchtgrenzen, waarover momenteel op vrijwillige basis wordt gerapporteerd door de lidstaten) om een volledig situationeel bewustzijn aan de buitengrenzen te verkrijgen en het gamma van reactievermogens uit te breiden. Het Agentschap zal nieuwe vormen van onderlinge samenwerking tussen instanties ontwikkelen met de autoriteiten van de luchtvaartsector om de nieuwe dreigingen die uitgaan van luchtvaartuigen en drones beter op te sporen en aan te pakken.

Het voorstel versterkt het situationeel bewustzijn, de risicoanalyse, de preventie en het reactievermogen van de Europese grens- en kustwacht op de volgende gebieden:

Om de risicoanalysefunctie van de Europese grens- en kustwacht te versterken, zullen de verschillende informatiebronnen en methodologieën en de grenssegmenten en impactniveaus van Eurosur worden afgestemd op die welke het Agentschap en de lidstaten gebruiken volgens de gemeenschappelijke geïntegreerde risicobeoordelingsmethode (CIRAM) van het netwerk voor risicobeoordeling van Frontex (FRAN) en die welke voortvloeien uit de kwetsbaarheidsbeoordelingen (artikel 31).

Het voorstel bouwt voort op Eurosur en verbetert het situationeel bewustzijn van de Europese grens- en kustwacht (artikel 29). Het voegt het huidige gemeenschappelijke inlichtingenbeeld van de situatie in het gebied vóór de grens, in het kader waarvan informatie over het gebied vóór de grens wordt verzameld, samen met het Europese situatiebeeld, dat in de huidige verordening overeenkomt met binnen het Schengengebied verzamelde informatie. Secundaire bewegingen maken nu deel uit van de situatiebeelden om de migratiesituatie aan de EU-buitengrenzen op zowel strategisch als tactisch niveau te beoordelen. De lidstaten en het Agentschap zullen nu hun voordeel doen met deze informatie en hier rechtstreeks aan bijdragen in Eurosur via de nationale coördinatiecentra.

Het mechanisme van Fusion Services van Eurosur wordt formeel ingesteld (artikel 29) ter vervanging van de "gemeenschappelijke inzet van bewakingsinstrumenten" waarnaar wordt verwezen in de huidige Eurosur-verordening. Door middel van de Fusion Services van Eurosur voorziet het Agentschap de nationale coördinatiecentra en zichzelf van relevante informatie over de buitengrenzen. De Fusion Services van Eurosur zullen nog steeds worden verleend door middel van samenwerking tussen het Agentschap en derde partijen. Het Agentschap zal gebruik blijven maken van de satellietdiensten voor aardobservatie in het kader van het ruimtevaartprogramma Copernicus om het gebied vóór de grens te monitoren, maar zal samen met andere EU-agentschappen en internationale partners nieuwe Fusion Services van Eurosur ontwikkelen om het nieuwe toepassingsgebied van Eurosur te dekken. Dergelijke onderlinge samenwerking tussen instanties moet bijvoorbeeld op het gebied van de bewaking van luchtgrenzen tot stand worden gebracht tussen het Agentschap, de netwerkbeheerder van het Europees netwerk voor luchtverkeersbeheer (Eurocontrol) en het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA).

In het voorstel (artikel 30) is bepaald dat het Europees Grens- en kustwachtagentschap om de twee jaar een strategische risicoanalyse voor het Europees geïntegreerd grensbeheer moet opstellen om inzichten en analyses op lange termijn te verkrijgen voor de komende jaren. Deze analyse zal als uitgangspunt dienen voor de Commissie om de cyclus voor meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer op gang te brengen. De strategische risicoanalyse zal bijdragen tot de scenario’s op hoog niveau die als basis zullen dienen voor de geïntegreerde planning.

Aangezien de kwetsbaarheidsbeoordelingen en het bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 opgerichte Schengenevaluatiemechanisme twee aanvullende mechanismen zijn om de Europese kwaliteitscontrole van de goede werking van het Schengengebied te waarborgen, moeten de Commissie en het Europees Grens- en kustwachtagentschap duidelijke regelingen voor de regelmatige uitwisseling van informatie over de resultaten daarvan vaststellen met het oog op maximale synergieën tussen deze mechanismen (artikel 34).

Met het oog op een betere aanpak van crisissituaties waarin de situatie op het niveau van het grenssegment van dien aard is dat de werking van het Schengengebied in het gedrang komt, wordt een vierde, "kritiek" impactniveau gecreëerd in Eurosur. Het "kritieke" impactniveau zal automatisch een reactie van het permanente korps van het Europees Grens- en kustwachtagentschap op gang brengen (artikelen 35, 36 en 42).

Wat ondersteuningsteams voor migratiebeheer betreft, stelt de Commissie nieuwe bepalingen voor (in artikel 41) om voor samenhang te zorgen met haar gewijzigde voorstel voor een verordening inzake het Asielagentschap van de Europese Unie, dat samen met dit voorstel wordt gepresenteerd. De Commissie stelt voor het toepassingsgebied met betrekking tot de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer te verruimen – de inzet ervan gebeurt op verzoek van de betrokken lidstaat, maar is niet meer beperkt tot onevenredig grote uitdagingen op het gebied van migratie. De Commissie zal instaan voor de coördinatie op het terrein, zoals reeds is bepaald in de huidige verordening, alsook voor de coördinatie van de verzoeken van de lidstaten en de beoordeling van de behoeften. Dit zal zorgen voor samenhang tussen de verschillende acties van de relevante EU-agentschappen en voor synergieën tussen de middelen van de agentschappen en de lidstaten.

Voortbouwend op de huidige bepalingen consolideert het voorstel (artikel 42) de rol van de uitvoerend directeur om concrete operationele activiteiten van het Agentschap voor te stellen aan de betrokken lidstaat indien de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling of de risicoanalyse dit rechtvaardigen, of indien voor één of meer grenssegmenten een kritiek impactniveau is vastgesteld. Indien er voor dergelijke voorgestelde acties onvoldoende wordt samengewerkt, moet de Commissie in kennis worden gesteld, teneinde na te gaan en te besluiten of verdere maatregelen moeten worden genomen overeenkomstig artikel 43 om de situatie aan de EU-buitengrenzen die dringend optreden vereist, aan te pakken.

Het voorstel verbetert de informatie-uitwisseling en samenwerking binnen de Europese grens- en kustwacht (zie hoofdzakelijk artikel 12):

In de uitvoeringshandelingen wordt nader gespecificeerd welke soort informatie in het kader van Eurosur moet worden verstrekt, maar ook welke entiteiten verantwoordelijk zijn voor het verzamelen, verwerken, archiveren en doorzenden van specifieke informatie, de maximumtermijnen voor de verslaglegging en de beginselen inzake gegevensbeveiliging en -bescherming (zie bijv. artikel 25).

Zowel de technische status van de netwerken en systemen als de kwaliteit van de door de lidstaten gerapporteerde informatie zal het Agentschap in realtime monitoren en het zal deze met de gebruikers delen. Dit is een essentieel element van de betrouwbaarheid van het Eurosur-kader (artikel 24).

Het communicatienetwerk is ontwikkeld in het kader van de huidige Eurosur-verordening en is in staat gerubriceerde EU-informatie uit te wisselen tussen de lidstaten en het Agentschap. Dit communicatienetwerk wordt nu gebruikt (artikel 14 en 15) voor alle informatie-uitwisselingen tussen de verschillende componenten van de Europese grens- en kustwacht en het rubriceringniveau ervan is verhoogd van RESTREINT UE/EU RESTRICTED naar CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL om de informatiebeveiliging te verbeteren en het vertrouwen van de actoren te vergroten.

Het Agentschap zal technische normen ontwikkelen om de informatie-uitwisseling te verbeteren en tegelijkertijd wordt de informatieborging versterkt via de nationale coördinatiecentra (artikel 16).

Het voorstel verbetert de respons van de EU op het gebied van terugkeer met betrekking tot de volgende aspecten (zie artikel 49 en volgende).  

Dit voorstel breidt het mandaat van het Agentschap verder uit tot het verlenen van technische en operationele bijstand aan de lidstaten in het kader van terugkeerprocedures, onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten om terugkeerbesluiten uit te vaardigen, met inbegrip van het voorbereiden van terugkeerbesluiten, de identificatie van onderdanen van derde landen en andere activiteiten van de lidstaten voorafgaand aan terugkeer of in verband met terugkeer.

Om de lidstaten verder bij te staan, is het Agentschap tevens belast met:

de ontwikkeling van een referentiemodel voor een casemanagementsysteem voor terugkeer dat voorschrijft hoe de nationale terugkeerbeheersystemen moeten worden gestructureerd;

de ondersteuning van de ontwikkeling van hun nationale systemen of het in overeenstemming brengen van deze systemen met het model;

het opzetten van een centraal systeem en een communicatie-infrastructuur met/tussen nationale terugkeerbeheersystemen en het centrale systeem voor de verwerking van alle informatie en gegevens die het Agentschap nodig heeft om technische en operationele bijstand te verlenen overeenkomstig de verordening.

Nauwere samenwerking met derde landen: bijstand verlenen in het kader van de terugkeeractiviteiten van en in derde landen, onder meer door het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in te zetten in derde landen en door nauwer samen te werken met de autoriteiten van derde landen op het gebied van terugkeer, ook wat het verkrijgen van reisdocumenten betreft.

Versterking van het mandaat van het Agentschap om persoonsgegevens te verwerken in verband met zijn activiteiten op het gebied van terugkeer en de informatie-uitwisseling met derde landen en internationale organisaties met betrekking tot terugkeeractiviteiten.

Het voorstel verbetert de externe dimensie van de Europese grens- en kustwacht (zie de artikelen 72 tot en met 79):

De Europese grens- en kustwacht zal in staat worden gesteld om in derde landen in te grijpen zonder beperkingen ten aanzien van aangrenzende derde landen, ook op het gebied van terugkeer zoals hierboven aangegeven.

In het voorstel wordt beschreven onder welke voorwaarden het Agentschap technische en operationele bijstand zal verlenen aan derde landen. De operaties van het Agentschap kunnen aan om het even welke grens van het betrokken derde land plaatsvinden, in voorkomend geval met instemming van de lidstaat/lidstaten die aan het operationele gebied grenst/grenzen.

Het voorstel verbetert de informatie-uitwisseling met derde landen in het kader van Eurosur via de nationale coördinatiecentra, waarbij tegelijk de historische banden tussen de lidstaten en derde landen in stand worden gehouden. In de bepalingen zal worden gespecificeerd onder welke voorwaarden gegevens zullen worden uitgewisseld met, en Fusion Services van Eurosur kunnen worden verleend aan, de autoriteiten van derde landen.

Overeenkomstig het voorstel van de Commissie voor de oprichting van een Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (herschikking) wordt de rol van de immigratieverbindingsfunctionaris voor informatie-uitwisseling en samenwerking erkend. Naast het Europese netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen worden de verbanden met de nationale coördinatiecentra en het Agentschap formeel vastgesteld.

De rol van de Commissie met betrekking tot samenwerking met derde landen wordt verduidelijkt: de Commissie ondersteunt de lidstaten en het Agentschap op het gebied van de samenwerking met derde landen door modelbepalingen op te stellen en na te gaan of de relevante bepalingen van de bilaterale en multilaterale overeenkomsten en werkafspraken in overeenstemming zijn met de verordening.

Tot slot stelt de Commissie, voortbouwend op de conclusies van de Raad van 27 maart 2017, voor om het FADO-systeem (False and Authentic Documents Online - Fraudedocumenten en Authentieke Documenten Online) te integreren in het kader voor de Europese grens- en kustwacht. FADO is een Europees beeldsysteem dat is ontworpen om informatie over authentieke en valse documenten uit te wisselen tussen de lidstaten en wordt momenteel beheerd door het secretariaat-generaal van de Raad. Een dergelijk gemeenschappelijk en gedeeld beeldsysteem van de Unie is een zeer nuttig instrument in de strijd tegen documentfraude, aangezien het de opsporing van valse documenten gemakkelijker maakt. Door FADO in het kader voor de Europese grens- en kustwacht te integreren, zal het Agentschap het systeem kunnen overnemen en beheren. De integratie van FADO zal de volgende resultaten opleveren (artikel 80):

Om de lidstaten te helpen bij de controle van de echtheid van documenten aan de grens, is in het voorstel bepaald dat het Agentschap het systeem Fraudedocumenten en Authentieke Documenten Online (FADO) zal overnemen en aanpassen aan de huidige en toekomstige vereisten. Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van 3 december 1998 wordt volledig ingetrokken en vervangen door een rechtsgrondslag in de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht, waardoor het Agentschap het huidige systeem kan overnemen. De uitvoeringsbepalingen zullen door middel van uitvoeringshandelingen worden vastgesteld. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat de deskundigen van de lidstaten worden betrokken (via het bestaande comité van artikel 6) en dat het systeem kan worden aangepast aan de toekomstige behoeften.

De meerlagige structuur van het FADO-systeem moet worden behouden omdat deze nodig is om verschillende niveaus van informatie over documenten te bieden aan verschillende belanghebbenden, waaronder het grote publiek. Met betrekking tot de overgangsperiode moet worden gewaarborgd dat het huidige FADO-systeem blijft functioneren tot het nieuwe systeem operationeel wordt en dat de bestaande gegevens worden overgebracht naar het nieuwe systeem, met instemming van de lidstaten als eigenaars van de gegevens.

Tot slot worden in het voorstel ook verscheidene aspecten van de governance van het Agentschap en administratieve aangelegenheden aangepakt:

In het licht van de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de algemene uitbreiding van het mandaat van het Agentschap, met name op het gebied van terugkeer, worden drie plaatsvervangende uitvoerend directeurs benoemd in plaats van één zoals voorzien in de huidige verordening (artikel 105). Deze drie plaatsvervangende uitvoerend directeurs moeten elk een specifiek bevoegdheidsgebied toegewezen krijgen.

Gezien het wezenlijke belang van het Agentschap als het onderdeel van de Europese grens- en kustwacht die verantwoordelijk is voor het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen, en de rol van de Commissie ten aanzien van de cyclus voor meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer (zie artikel 8), moet de verantwoordelijkheid van de Commissie in het kader van de governance van het Agentschap in overeenstemming worden gebracht met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak inzake de gedecentraliseerde agentschappen van de Europese Unie, die op 12 juli 2012 zijn aangenomen door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (bijv. met betrekking tot de benoeming van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs, artikel 105).

Het voorstel voorziet in de oprichting van een comité om de Commissie bij te staan bij het opstellen van een aantal uitvoeringshandelingen waarin de verordening voorziet. Wat FADO betreft, moet evenwel een beroep worden gedaan op het bestaande comité van artikel 6 (artikel 117).

De bepalingen van de huidige verordening met betrekking tot Ierland en het Verenigd Koninkrijk worden overgenomen in het voorstel.

Volgens de Commissie zijn de bovengenoemde wijzigingen van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de Europese grens- en kustwacht goed uitgerust, efficiënt en volledig operationeel is om de lidstaten doeltreffend te ondersteunen bij de bescherming van de buitengrenzen van de Unie.

2018/0330 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de Europese grens- en kustwacht
en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad, Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad





Een bijdrage van de Europese Commissie aan de bijeenkomst van leiders in Salzburg op 19–20 september 2018

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder b) en d), en artikel 79, lid 2, onder c),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 15 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 16 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het beleid van de Unie op het gebied van het beheer van de buitengrenzen is gericht op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een Europees geïntegreerd grensbeheer op nationaal en Unieniveau, hetgeen een noodzakelijk uitvloeisel is van het vrije verkeer van personen in de Unie en een wezenlijk onderdeel is van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Europees geïntegreerd grensbeheer is een kernvoorwaarde voor beter migratiebeheer. Doel is de overschrijding van de buitengrenzen efficiënt te beheren en uitdagingen op het gebied van migratie en mogelijke toekomstige dreigingen aan die grenzen aan te pakken, om op die manier bij te dragen aan de bestrijding van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie en te zorgen voor een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie. Tegelijkertijd is het nodig op te treden met volledige eerbiediging van de grondrechten en op een manier die het vrije verkeer van personen in de Unie vrijwaart.

(2)Het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad 17 . Nadat het op 1 mei 2005 met zijn werkzaamheden is begonnen, heeft het de lidstaten met succes bijgestaan bij de uitvoering van de operationele aspecten van het beheer van de buitengrenzen door middel van gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, risicoanalyses, het uitwisselen van informatie, het onderhouden van de betrekkingen met derde landen en de terugkeer van terugkeerders.

(3)Wat voorheen het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie was, heet nu het Europees Grens- en kustwachtagentschap (hierna "het Agentschap" genoemd) en heeft nu een uitgebreider takenpakket, waarbij alle activiteiten en procedures volledig worden voortgezet. Als belangrijkste taken moet het Agentschap een technische en operationele strategie vaststellen als onderdeel van de cyclus voor meerjarig strategisch beleid inzake de uitvoering van Europees geïntegreerd grensbeheer, toezien op de effectieve werking van het grenstoezicht aan de buitengrenzen, risicoanalyses en kwetsbaarheidsbeoordelingen uitvoeren, intensievere technische en operationele bijstand verlenen aan lidstaten en derde landen door middel van gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, toezien op de praktische uitvoering van maatregelen in een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist, technische en operationele bijstand verlenen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen in nood op zee, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies organiseren, coördineren en uitvoeren, en technische en operationele bijstand verlenen aan terugkeeractiviteiten van derde landen.

(4)Sinds het begin van de migratiecrisis in 2015 heeft de Commissie belangrijke initiatieven genomen om de grenzen van de Unie beter te beschermen. In december 2015 werd een voorstel ingediend om het mandaat van het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen aanzienlijk te versterken en in 2016 is hierover in een recordtijd onderhandeld. De verordening over het Europees Grens- en kustwachtagentschap is op 6 oktober 2016 in werking getreden.

(5)Wat het toezicht aan de buitengrenzen, terugkeer en asiel betreft, moet het kader van de Unie echter nog verder worden verbeterd. Daarom, en om de huidige en toekomstige operationele inspanningen verder te onderbouwen, dringt een hervorming van de Europese grens- en kustwacht zich op in de vorm van een krachtiger mandaat voor het Europees Grens- en kustwachtagentschap, en met name in de vorm van een permanent korps van de Europese grens- en kustwacht met 10 000 operationele personeelsleden met uitvoerende bevoegdheden dat het Europees Grens- en kustwachtagentschap de nodige capaciteit geeft om de lidstaten ter plaatse doeltreffend te ondersteunen bij hun inspanningen om de buitengrenzen te beschermen, secundaire bewegingen te bestrijden en de effectieve terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren.

(6)De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 28 juni 2018 opgeroepen om de ondersteunende rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, ook wat betreft de samenwerking met derde landen, verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat, teneinde de buitengrenzen doeltreffend te controleren en de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren.

(7)Het is noodzakelijk om efficiënt toezicht te houden op de overschrijding van de buitengrenzen, de uitdagingen en mogelijke toekomstige dreigingen op het gebied van migratie aan de buitengrenzen aan te pakken, een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie te verzekeren, de werking van het Schengengebied te vrijwaren en het overkoepelende beginsel van solidariteit te eerbiedigen. Dit moet gepaard gaan met proactief migratiebeheer, inclusief de nodige maatregelen in derde landen. In het licht van het voorgaande is het noodzakelijk de Europese grens- en kustwacht te consolideren en het mandaat van het Europees Grens- en kustwachtagentschap verder uit te breiden. Het Agentschap moet in hoofdzaak bestaan uit een permanent korps van de Europese grens- en kustwacht met 10 000 operationele personeelsleden.

(8)Om te weerspiegelen dat het mandaat van het vroegere Frontex kwalitatief verder wordt uitgediept, met name door het Agentschap een eigen operationele tak te geven met een uit 10 000 operationele personeelsleden bestaand permanent korps van de Europese grens- en kustwacht, moet het Agentschap voortaan uitsluitend met de naam "Europees Grens- en kustwachtagentschap" worden aangeduid en onder deze naam opereren. Deze verandering moet zichtbaar zijn in alle relevante gevallen, met inbegrip van de visuele identiteit in het externe communicatiemateriaal.

(9)Bij de tenuitvoerlegging van het Europees geïntegreerd grensbeheer moet de samenhang met andere beleidsdoelstellingen, waaronder de goede werking van het grensoverschrijdend vervoer, worden gewaarborgd.

(10)Het Europees geïntegreerd grensbeheer moet worden uitgevoerd als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze operaties ter bewaking van de zeegrenzen en andere taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en de nationale autoriteiten die belast zijn met terugkeer. Hoewel de lidstaten de eerste verantwoordelijkheid behouden voor het beheer van hun buitengrenzen in hun belang en in het belang van alle lidstaten, en ze verantwoordelijk zijn voor de uitvaardiging van terugkeerbesluiten, dient het Agentschap de toepassing van Uniemaatregelen met betrekking tot het beheer van de buitengrenzen en terugkeer te ondersteunen door het optreden van de lidstaten die deze maatregelen uitvoeren, te versterken, te beoordelen en te coördineren.

(11)Om het Europees geïntegreerd grensbeheer en het gemeenschappelijk terugkeerbeleid doeltreffender te maken, moet een Europese grens- en kustwacht worden opgericht. Hieraan moeten de noodzakelijke financiële, personele en materiële middelen worden toegewezen. De Europese grens- en kustwacht moet worden gevormd door het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en de autoriteiten die belast zijn met terugkeer. Als zodanig berust het op het gemeenschappelijke gebruik van informatie, capaciteiten en systemen op nationaal niveau en de respons van het Agentschap op Unieniveau.

(12)Het Europees geïntegreerd grensbeheer laat de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de lidstaten op het gebied van douane, in het bijzonder wat betreft toezicht, risicobeheer en uitwisseling van informatie, onverlet.

(13)De ontwikkeling van het beleid en de wetgeving inzake grenstoezicht op de buitengrenzen en inzake terugkeer, met inbegrip van de ontwikkeling van een strategie voor een Europees geïntegreerd grensbeheer, blijft de verantwoordelijkheid van de instellingen van de Unie. Nauwe samenwerking tussen het Agentschap en die instellingen dient te worden gewaarborgd.

(14)Een cyclus voor meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer moet ervoor zorgen dat de Europese grens- en kustwacht het Europees geïntegreerd grensbeheer doeltreffend uitvoert. De meerjarige cyclus moet een geïntegreerd, uniform en continu proces omvatten, dat voorziet in strategische richtsnoeren voor alle relevante actoren die actief zijn op het gebied van grensbeheer en terugkeer op Unieniveau en in de lidstaten, zodat deze actoren het Europees geïntegreerd grensbeheer op coherente wijze kunnen uitvoeren. In de meerjarige cyclus moet ook aandacht worden besteed aan alle relevante interacties van de Europese grens- en kustwacht met de Commissie, andere instellingen en organen, en aan samenwerking met andere relevante partners, zoals derde landen en derden, in voorkomend geval.

(15)Voor het Europees geïntegreerd grensbeheer hebben de lidstaten en het Agentschap een geïntegreerde planning nodig voor grens- en terugkeeroperaties, voor de voorbereiding van noodplannen om te reageren op hogere druk aan de buitengrenzen en om de ontwikkeling van het vermogen op lange termijn te coördineren, zowel wat aanwerving als wat opleiding betreft, maar ook voor de aanschaf en ontwikkeling van uitrusting.

(16)De uitvoering van deze verordening doet geen afbreuk aan de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten noch aan de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het daarbij behorende protocol tot bestrijding van migrantensmokkel over land, over zee en door de lucht, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en andere toepasselijke internationale instrumenten.

(17)De uitvoering van deze verordening doet geen afbreuk aan Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad 18 .

(18)Het Agentschap moet zijn taken uitoefenen onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot de handhaving van de openbare orde en de vrijwaring van de binnenlandse veiligheid.

(19)Het Agentschap moet zijn taken uitvoeren onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten ten aanzien van defensie.

(20)De uitgebreide taken en bevoegdheden van het Agentschap moeten hand in hand gaan met versterkte garanties inzake de grondrechten en een sterkere verantwoordingsplicht.

(21)Het Agentschap steunt voor de doeltreffende uitvoering van zijn taken op de medewerking van de lidstaten. Het is in dat verband van belang dat het Agentschap en de lidstaten te goeder trouw optreden en tijdig de juiste informatie uitwisselen. Geen enkele lidstaat is gehouden informatie te verstrekken waarvan de verspreiding naar zijn mening strijdig zou zijn met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.

(22)De lidstaten moeten ook, in hun eigen belang en in dat van de andere lidstaten, relevante gegevens aanleveren die nodig zijn voor de activiteiten van het Agentschap, onder meer ten behoeve van situationeel bewustzijn, risicoanalyse, kwetsbaarheidsbeoordelingen en geïntegreerde planning. Tevens moeten zij ervoor zorgen dat deze gegevens nauwkeurig en actueel zijn en op rechtmatige wijze zijn verkregen en ingevoerd.

(23)Het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) is nodig voor de goede werking van de Europese grens- en kustwacht, met het oog op de uitwisseling van informatie en de operationele samenwerking tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten onderling en met het Agentschap. Eurosur voorziet die autoriteiten en het Agentschap van de infrastructuur en de instrumenten die nodig zijn voor de verbetering van hun situationeel bewustzijn en reactievermogen aan de buitengrenzen teneinde illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit op te sporen, te voorkomen en te bestrijden en bij te dragen tot het borgen van een betere bescherming en het redden van de levens van migranten.

(24)De lidstaten zetten nationale coördinatiecentra op om de informatie-uitwisseling en de samenwerking met het oog op grensbewaking onderling en met het Agentschap te verbeteren en om controles uit te voeren aan grensdoorlaatposten. Voor de goede werking van Eurosur is het essentieel dat alle nationale autoriteiten die krachtens het nationale recht een taak op het gebied van de bewaking van de buitengrenzen hebben, onderling samenwerken via nationale coördinatiecentra.

(25)Deze verordening mag de lidstaten niet verhinderen om hun nationale coördinatiecentra ook te belasten met de coördinatie van de informatie-uitwisseling en met de samenwerking met betrekking tot andere onderdelen van geïntegreerd grensbeheer, zoals terugkeer.

(26)Een voorwaarde voor de goede werking van het geïntegreerd grensbeheer is dat de informatie die tussen de lidstaten en het Agentschap wordt uitgewisseld, van goede kwaliteit is. Deze kwaliteit moet, voortbouwend op het succes van Eurosur, worden gewaarborgd door middel van standaardisering, automatisering van de informatie-uitwisseling via netwerken en systemen, informatieborging en kwaliteitscontrole van de verstrekte gegevens en informatie.

(27)Het Agentschap dient de nodige steun te verlenen voor de ontwikkeling en het beheer van Eurosur, met inbegrip van de interoperabiliteit van systemen, met name door de instelling, instandhouding en coördinatie van het Eurosur-kader.

(28)Eurosur moet een volledig situatiebeeld van de buitengrenzen geven, maar ook van het Schengengebied en het gebied vóór de grens. Het systeem moet betrekking hebben op de bewaking van de land-, zee- en luchtgrenzen, maar ook op controles aan grensdoorlaatposten.

(29)De bewaking van de luchtgrenzen moet deel uitmaken van het grensbeheer, aangezien zowel commerciële als particuliere vluchten en op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen worden gebruikt voor illegale activiteiten in verband met immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit.

(30)De door het Agentschap geleverde Fusion Services van Eurosur moeten zijn gebaseerd op de gemeenschappelijke inzet van bewakingsinstrumenten en de samenwerking tussen de verschillende instanties op Unieniveau, met inbegrip van de levering van Copernicus-beveiligingsdiensten. Zij moeten de lidstaten en het Agentschap met betrekking tot geïntegreerd grensbeheer informatiediensten met toegevoegde waarde bieden. De Fusion Services van Eurosur moeten worden uitgebreid om de controles aan grensdoorlaatposten, de bewaking van de luchtgrenzen en het toezicht op migratiestromen te ondersteunen.

(31)Het gebruik van kleine en niet-zeewaardige vaartuigen heeft geleid tot een sterke stijging van het aantal migranten dat aan de zuidelijke maritieme buitengrenzen verdrinkt. Eurosur dient het operationele en technische vermogen van het Agentschap en de lidstaten tot opsporing van dergelijke kleine vaartuigen alsmede het reactievermogen van de lidstaten te verbeteren, met het doel aldus het verlies aan mensenlevens onder migranten en vluchtelingen te helpen verminderen.

(32)In deze verordening wordt onderkend dat migratieroutes ook worden gebruikt door personen die internationale bescherming behoeven.

(33)Het Agentschap dient op basis van een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel algemene en op maat gemaakte risicoanalyses te verrichten, die door het Agentschap zelf en door de lidstaten moeten worden toegepast. Het Agentschap dient, mede op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, passende informatie te verstrekken over alle aspecten die voor het Europese geïntegreerde grensbeheer relevant zijn, in het bijzonder grenstoezicht, terugkeer, irreguliere secundaire verplaatsingen van onderdanen van derde landen binnen de Unie, preventie van grensoverschrijdende criminaliteit inclusief het faciliteren van onrechtmatige grensoverschrijdingen, mensenhandel, terrorisme en dreigingen van hybride aard, alsmede de situatie in betrokken derde landen, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen en geconstateerde dreigingen en risico's kunnen worden aangepakt, met als doel de verbetering van het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen.

(34)Gezien zijn activiteiten aan de buitengrenzen moet het Agentschap, waar dat passend is en indien het dankzij zijn activiteiten relevante informatie heeft verkregen, bijdragen aan het voorkomen en opsporen van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, zoals het smokkelen van migranten, mensenhandel en terrorisme. Het Agentschap moet zijn activiteiten coördineren met Europol als agentschap dat verantwoordelijk is voor het ondersteunen en versterken van de acties en de samenwerking van de lidstaten bij de preventie en bestrijding van zware criminaliteit waar twee of meer lidstaten door worden getroffen. Grensoverschrijdende criminaliteit heeft per definitie een grensoverschrijdende dimensie. Een dergelijke grensoverschrijdende dimensie is kenmerkend voor misdrijven die rechtstreeks verband houden met het zonder toestemming overschrijden van buitengrenzen, waaronder mensenhandel en het smokkelen van migranten. Dat gezegd zijnde, laat artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2002/90/EG 19 van de Raad de lidstaten toe geen sancties op te leggen wanneer dit gedrag tot doel heeft humanitaire bijstand te verlenen aan migranten.

(35)In een geest van gedeelde verantwoordelijkheid moet het de rol van het Agentschap zijn het beheer van de buitengrenzen regelmatig te monitoren. Het Agentschap dient te zorgen voor correcte en doeltreffende monitoring, niet alleen door middel van situationeel bewustzijn en risicoanalyse, maar ook door de aanwezigheid van eigen deskundigen in de lidstaten. Het Agentschap moet derhalve in lidstaten voor bepaalde tijd verbindingsfunctionarissen kunnen inzetten, die aan de uitvoerend directeur verslag uitbrengen. Het verslag van de verbindingsfunctionarissen moet deel uitmaken van de kwetsbaarheidsbeoordeling.

(36)Het Agentschap dient een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten op basis van objectieve criteria, in het kader waarvan het Agentschap het vermogen en de paraatheid van de lidstaten beoordeelt om het hoofd te bieden aan uitdagingen aan hun buitengrenzen en een bijdrage te leveren aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de pool van technische uitrusting. Deze kwetsbaarheidsbeoordeling moet een beoordeling bevatten van hun uitrusting, infrastructuur, personeel, begroting en financiële middelen en hun noodplannen om eventuele crises aan de buitengrenzen aan te pakken. De lidstaten dienen maatregelen te nemen om door die beoordeling aan het licht gebrachte tekortkomingen te corrigeren. De uitvoerend directeur dient te bepalen welke maatregelen moeten worden genomen en dient deze aan de betrokken lidstaat aan te bevelen. De uitvoerend directeur moet ook bepalen binnen welke termijn die maatregelen moeten worden genomen en nauwlettend toezicht houden op de tijdige uitvoering ervan. Worden de nodige maatregelen niet binnen de gestelde termijn getroffen, dan dient de zaak te worden voorgelegd aan de raad van bestuur, die er nader over moet beslissen.

(37)Als de tijdige en nauwgezette informatie die noodzakelijk is om een kwetsbaarheidsbeoordeling te verrichten, niet aan het Agentschap wordt verstrekt, moet het Agentschap dit feit in aanmerking kunnen nemen bij de kwetsbaarheidsbeoordeling, tenzij deze informatie om naar behoren gemotiveerde redenen wordt achtergehouden.

(38)De kwetsbaarheidsbeoordeling en het bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad 20 ingestelde Schengenevaluatiemechanisme zijn twee complementaire mechanismen om de Europese kwaliteitscontrole van de goede werking van het Schengengebied te garanderen en om te zorgen voor permanente paraatheid op het niveau van de Unie en van de lidstaten om in te spelen op uitdagingen aan de buitengrenzen. Er moet worden gezorgd voor een maximale synergie tussen deze twee mechanismen zodat een verbeterd situatiebeeld van de werking van het Schengengebied kan worden opgesteld, er zoveel mogelijk wordt vermeden dat de lidstaten dubbel werk verrichten, en er wordt gezorgd voor een beter gecoördineerd gebruik van de relevante financieringsinstrumenten van de Unie ter ondersteuning van het beheer van de buitengrenzen. Daartoe dient geregeld informatie te worden uitgewisseld tussen het Agentschap en de Commissie over de resultaten van beide mechanismen.

(39)Aangezien de lidstaten grenssegmenten vaststellen waaraan het Agentschap impactniveaus toekent, en aangezien het reactievermogen van de lidstaten en het Agentschap aan die impactniveaus moet worden gekoppeld, moet een vierde impactniveau worden vastgesteld dat overeenkomt met een situatie waarin het Schengengebied in gevaar is en het Agentschap moet ingrijpen.

(40)Het Agentschap dient passende technische en operationele bijstand aan de lidstaten te organiseren ter versterking van hun vermogen om te voldoen aan hun verplichtingen ten aanzien van het toezicht op de buitengrenzen en om het hoofd te bieden aan problemen aan de buitengrenzen die het gevolg zijn van illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit. Dergelijke bijstand moet de bevoegdheid van de betrokken nationale autoriteiten om strafrechtelijke onderzoeken te initiëren, onverlet laten. In dat verband moet het Agentschap, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, gezamenlijke operaties voor een of meer lidstaten organiseren en coördineren, en teams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht inzetten en in de noodzakelijke technische uitrusting te voorzien.

(41)Wanneer er aan de buitengrenzen sprake is van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, moet het Agentschap, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, snelle grensinterventies organiseren en coördineren, en teams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht inzetten met de noodzakelijke technische uitrusting, onder meer uit de pool van uitrusting voor snelle reactie. De snelle grensinterventies moeten voor een beperkte duur voor versterking zorgen bij situaties waarin een onmiddellijke respons vereist is en zo'n interventie doeltreffend is. Om een dergelijke interventie doeltreffend te laten verlopen, moeten de lidstaten voor de vorming van relevante teams operationeel personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht ter beschikking stellen, alsook de nodige technische uitrusting. Het Agentschap en de betrokken lidstaat moeten overeenstemming bereiken over een operationeel plan.

(42)Wanneer een lidstaat in welbepaalde zones aan zijn buitengrenzen wordt geconfronteerd met specifieke en onevenredig grote uitdagingen op het gebied van migratie als gevolg van een sterke, gemengde instroom van migranten, moeten de lidstaten in de hotspotgebieden kunnen rekenen op extra technische en operationele versterking. Deze versterking moet door ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden worden verstrekt. Deze teams moeten bestaan uit operationeel personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en deskundigen van de lidstaten die worden ingezet door EASO, Europol of andere betrokken agentschappen van de Unie. Het Agentschap moet de Commissie steunen bij de coördinatie tussen de verschillende agentschappen op het terrein.

(43)De lidstaten moeten ervoor zorgen dat autoriteiten die wellicht verzoeken om internationale bescherming zullen ontvangen, zoals politie, grenswachters, immigratiediensten en personeel van inrichtingen voor bewaring, over de juiste informatie beschikken. Zij moeten er ook voor zorgen dat het personeel van dergelijke autoriteiten de voor hun taken en verantwoordelijkheden passende opleiding krijgen alsook instructies om verzoekers te informeren over waar en hoe een verzoek om internationale bescherming kan worden ingediend.

(44)In juni 2018 heeft de Europese Raad herhaald dat het belangrijk is om een totaalaanpak van migratie te hanteren en dat migratie niet alleen een uitdaging is voor individuele lidstaten maar voor Europa als geheel. In dit verband heeft de Raad benadrukt dat het belangrijk is dat de Unie volledige ondersteuning biedt voor een ordelijk beheer van migratiestromen. Die ondersteuning kan worden geboden met de oprichting van gecontroleerde centra waar onderdanen van derde landen die in de Unie ontscheept zijn, snel kunnen worden behandeld om ervoor te zorgen dat mensen in nood beter worden beschermd en mensen die dat niet zijn, snel kunnen terugkeren. Aangezien de gecontroleerde centra op vrijwillige basis worden opgericht, moet de Unie de betrokken lidstaten volledige financiële en operationele steun kunnen verlenen via de betrokken agentschappen van de Unie, waaronder het Europees Grens- en kustwachtagentschap.

(45)Het Europees Grens- en kustwachtagentschap en [het Asielagentschap van de Europese Unie] moeten nauw samenwerken om de migratieproblemen doeltreffend aan te pakken, met name aan buitengrenzen met een sterke, gemengde instroom van migranten. Beide agentschappen moeten met name hun activiteiten coördineren en de lidstaten ondersteunen bij het vergemakkelijken van de procedure voor internationale bescherming en de terugkeerprocedure voor onderdanen van derde landen wier verzoek om internationale bescherming is afgewezen. Het Agentschap en [het Asielagentschap van de Europese Unie] moeten ook samenwerken bij andere gemeenschappelijke operationele activiteiten, zoals gezamenlijke risicoanalyses, het verzamelen van statistische gegevens, opleidingen en ondersteuning van lidstaten met betrekking tot noodplannen.

(46)De lidstaten moeten op een grotere operationele en technische versterking door ondersteuningsteams voor migratiebeheer kunnen rekenen, met name in hotspotgebieden of gecontroleerde centra. De ondersteuningsteams voor migratiebeheer moeten bestaan uit deskundige personeelsleden van het Agentschap en deskundigen die door de lidstaten worden gedetacheerd, en deskundige personeelsleden en/of deskundigen van de lidstaten die door [het Asielagentschap van de Europese Unie], Europol of andere betrokken agentschappen van de Unie worden ingezet. Aangezien er verschillende agentschappen van de Unie betrokken zijn, moet de Commissie voor de nodige coördinatie zorgen bij de beoordeling van de behoeften en de operaties op het terrein.

(47)In hotspotgebieden moeten de lidstaten samenwerken met de betrokken agentschappen van de Unie, die binnen hun respectieve mandaten en bevoegdheden en onder de coördinatie van de Commissie moeten handelen. De Commissie moet er, in samenwerking met de betrokken agentschappen van de Unie, voor zorgen dat de activiteiten in hotspotgebieden in overeenstemming zijn met het toepasselijke Unierecht.

(48)In gecontroleerde centra moeten de agentschappen van de Unie, op verzoek van de lidstaat waar deze centra zijn ondergebracht en onder de coördinatie van de Commissie, de ontvangende lidstaat ondersteunen om snelle procedures voor internationale bescherming en/of terugkeer toe te passen. In dergelijke centra moet het mogelijk zijn om snel onderscheid te maken tussen onderdanen van derde landen die internationale bescherming nodig hebben en onderdanen van derde landen die een dergelijke bescherming niet nodig hebben, veiligheidscontroles uit te voeren en de procedure voor internationale bescherming en/of terugkeer geheel of gedeeltelijk uit te voeren.

(49)Indien de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling of de risicoanalyse dit rechtvaardigen, of indien voor één of meer grenssegmenten een kritiek impactniveau is vastgesteld, moet de uitvoerend directeur van het Agentschap aan de betrokken lidstaat een aanbeveling doen om gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies te starten en uit te voeren.

(50)Wanneer het toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen, ofwel omdat een lidstaat nalaat de nodige maatregelen te treffen overeenkomstig een kwetsbaarheidsbeoordeling ofwel omdat een lidstaat die met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen wordt geconfronteerd, het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht of niet voldoende gebruik maakt van deze steun, dient op Unieniveau een uniforme, snelle en doeltreffende respons te worden gegeven. Om deze risico's terug te dringen en betere coördinatie op Unieniveau te bewerkstelligen, dient de Commissie de maatregelen in kaart brengen die het Agentschap moet treffen, en de betrokken lidstaat verplichten om bij de uitvoering van die maatregelen zijn medewerking te verlenen aan het Agentschap. Het Agentschap dient dan te bepalen welke actie moet worden ondernomen voor de praktische tenuitvoerlegging van de maatregelen in het besluit van de Commissie. Het Agentschap moet samen met de betrokken lidstaat een operationeel plan opstellen. De betrokken lidstaat moet de uitvoering van het besluit van de Commissie en van het operationele plan bevorderen door onder meer de in de artikelen 44, 83 en 84 bedoelde verplichtingen ten uitvoer te leggen. Wanneer een lidstaat binnen 30 dagen niet in overeenstemming is met dit besluit van de Commissie en niet met het Agentschap samenwerkt om de in dit besluit vervatte maatregelen uit te voeren, moet de Commissie de specifieke procedure voorzien in artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad 21 kunnen inleiden om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden waarbij de algemene werking van de ruimte zonder binnengrenstoezicht in gevaar komt.

(51)Het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht moet een permanent korps van 10 000 operationele personeelsleden zijn, bestaande uit grenswachters, begeleiders voor terugkeer, deskundigen inzake terugkeer en andere relevante personeelsleden. Het permanente korps moet bestaan uit drie categorieën van operationeel personeel, namelijk statutair personeel in dienst van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, personeel dat door de lidstaten voor lange tijd bij het Agentschap is gedetacheerd, en personeelsleden die door de lidstaten voor korte tijd zijn gedetacheerd. Het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht moet worden ingezet in het kader van grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer of terugkeerteams.

(52)De als teamleden ingezette operationele personeelsleden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht moeten over alle nodige bevoegdheden beschikken voor de uitvoering van taken op het gebied van grenstoezicht en terugkeer, inclusief taken waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn en die in de relevante nationale wetgeving, of, voor het personeel van het Agentschap, in bijlage V zijn vastgesteld.

(53)De lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht bijdragen overeenkomstig bijlage III voor langdurende detacheringen en bijlage IV voor kortdurende detacheringen. De afzonderlijke bijdragen van de lidstaten zijn vastgesteld op basis van de verdeelsleutel die is overeengekomen tijdens de onderhandelingen in 2016 over de snel inzetbare pool en die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1624.De verdeelsleutel is evenredig aangepast aan de grootte van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. Deze bijdragen zijn ook op evenredige wijze bepaald voor de met de Schengenruimte geassocieerde landen.

(54)De Commissie moet een tussentijdse evaluatie van de werking en samenstelling van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht uitvoeren.

(55)De langetermijnontwikkeling van de personele middelen om de bijdragen van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht veilig te stellen, moet worden ondersteund door een systeem voor financiële ondersteuning. Daarom moet het Agentschap worden gemachtigd om de lidstaten subsidies toe te kennen zonder een oproep tot het indienen van voorstellen in de vorm van "financiering die niet gekoppeld is aan kosten" in de zin van artikel 125, lid 1, onder a), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046. De financiële steun moet de lidstaten in staat stellen extra personeel in dienst te nemen en op te leiden zodat ze over de nodige flexibiliteit beschikken om hun verplichte bijdrage aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht te kunnen leveren. In het specifieke financieringssysteem moet een goed evenwicht worden gevonden tussen de risico’s van onregelmatigheden en fraude enerzijds en de kosten van controle anderzijds. De verordening bevat de essentiële voorwaarden voor de verlening van financiële steun, namelijk de werving en opleiding van het passende aantal grenswachters en andere specialisten dat overeenkomt met het aantal ambtenaren dat voor lange termijn bij het Agentschap wordt gedetacheerd of met het aantal ambtenaren dat gedurende minstens vier maanden daadwerkelijk wordt ingezet bij de operationele activiteiten van het Agentschap. Gezien het gebrek aan relevante en vergelijkbare gegevens over de werkelijke kosten in de lidstaten, zou de ontwikkeling van een op kosten gebaseerde financieringsregeling al te complex zijn, terwijl er behoefte is aan een eenvoudige, snelle, efficiënte en doeltreffende financieringsregeling. Daarom moet het Agentschap worden gemachtigd om de lidstaten subsidies toe te kennen zonder een oproep tot het indienen van voorstellen in de vorm van "financiering die niet gekoppeld is aan kosten" in de zin van artikel 125, lid 1, onder a), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046. Om het bedrag van deze financiering aan verschillende lidstaten vast te stellen, is het aangewezen om uit te gaan van het jaarsalaris van een arbeidscontractant in functiegroep III, rang 8, stap 1, van de Europese instellingen, waarop per lidstaat een correctiecoëfficiënt wordt toegepast in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer en in de geest van gelijke behandeling. Bij de uitvoering van deze financiële steun zorgen het Agentschap en de lidstaten ervoor dat het beginsel van medefinanciering in acht wordt genomen en dubbele financiering wordt voorkomen.

(56)Met het oog op de inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op het grondgebied van derde landen, moet het Agentschap de capaciteiten voor zijn eigen commando- en controlestructuren ontwikkelen.

(57)Om ervoor te zorgen dat het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht doeltreffend kan worden ingezet per 1 januari 2020, moeten zo spoedig mogelijk bepaalde besluiten en uitvoerende maatregelen worden genomen. Zo moet, in afwijking van de in de verordening vastgestelde normale termijn, het besluit van de raad van bestuur als bedoeld in artikel 55, lid 4, over de profielen voor het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden goedgekeurd binnen zes weken na de inwerkingtreding van de verordening. Dit besluit moet binnen twaalf weken na de inwerkingtreding van de verordening gevolgd worden door de in artikel 56, lid 4, en in artikel 57, lid 1, bedoelde benoemingen van de lidstaten.

(58)Ook moet, in afwijking van de in de verordening vastgestelde normale termijn, het besluit van de raad van bestuur over de minimumhoeveelheid technische apparatuur die vereist is om te voldoen aan de behoeften van het Agentschap in 2020 als bedoeld in artikel 64, lid 4, worden goedgekeurd binnen zes weken na de inwerkingtreding van de verordening.

(59)Met het oog op de continuïteit van de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten, moet tegelijkertijd alle inzet, ook vanuit de snel inzetbare pool, tot 31 december 2019 worden gepland en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 20, 30 en 31 van Verordening (EU) 2016/1624 en de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen die in 2018 zijn gevoerd. Deze bepalingen mogen daarom pas met ingang van 1 januari 2020 worden ingetrokken.

(60)Het personeel van het Agentschap zal bestaan uit personeel dat de aan het Agentschap toevertrouwde taken uitvoert, hetzij op het hoofdkantoor, hetzij als onderdeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. Het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht kan bestaan uit zowel statutair personeel als personeel dat voor lange tijd wordt gedetacheerd of voor korte tijd wordt ingezet door de nationale autoriteiten. De statutaire personeelsleden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht zullen in de eerste plaats worden ingezet als teamleden; slechts een beperkt en duidelijk afgebakend deel van dit personeel kan worden aangeworven om ondersteunende taken uit te voeren voor de oprichting van het permanente korps, met name op het hoofdkwartier.

(61)Om de aanhoudende tekorten in de vrijwillig bijeengebrachte technische uitrusting van de lidstaten te verhelpen, met name wat betreft groot materieel, moet het Agentschap over de nodige eigen uitrusting beschikken, die zal worden ingezet voor gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere operationele activiteiten. Hoewel het voor het Agentschap sinds 2011 wettelijk mogelijk is om eigen technische uitrusting aan te schaffen of te leasen, was deze mogelijkheid aanzienlijk beperkt wegens het gebrek aan budgettaire middelen.

(62)Om de ambities waar te maken die aan de Europese grens- en kustwacht ten grondslag liggen, heeft de Commissie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 een aanzienlijk bedrag uitgetrokken dat het Agentschap in staat moet stellen om met het oog op de operationele behoeften het nodige lucht-, zee- en landmaterieel te verwerven, te onderhouden en in te zetten. Hoewel de verwerving van het nodige materieel, en met name het grote materieel, een werk van lange adem kan zijn, zou uiteindelijk bij operaties in de eerste plaats de eigen uitrusting van het Agentschap moeten worden ingezet, aangevuld met bijdragen van de lidstaten waarop in uitzonderlijke omstandigheden beroep zou worden gedaan. De uitrusting van het Agentschap moet hoofdzakelijk worden bediend door de technici van het Agentschap die deel uitmaken van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. Om ervoor te zorgen dat de voorgestelde financiële middelen doeltreffend worden gebruikt, moet het proces plaatsvinden op basis van een meerjarenstrategie die zo snel mogelijk door de raad van bestuur wordt vastgesteld.

(63)Het Agentschap en de lidstaten moeten bij de toepassing van deze verordening optimaal gebruikmaken van de capaciteit die voorhanden is op het gebied van personele middelen en technische uitrusting, zowel op Unieniveau als op nationaal niveau.

(64)De ontwikkeling op lange termijn van nieuwe capaciteiten binnen de Europese grens- en kustwacht moet worden gecoördineerd tussen de lidstaten en het Agentschap, in overeenstemming met de cyclus voor meerjarig strategisch beleid en rekening houdend met het feit dat bepaalde processen veel tijd kosten. Het gaat dan onder meer over de aanwerving en opleiding van nieuwe grenswachters (die tijdens hun loopbaan zowel in de lidstaten als in het permanente korps werkzaam kunnen zijn), de aankoop, het onderhoud en de verwijdering van uitrusting (waarbij naar mogelijke interoperabiliteit en schaalvoordelen moet worden gekeken), maar ook de ontwikkeling van nieuwe uitrusting en aanverwante technologieën, onder meer door onderzoek.

(65)In het kader van de competentieroutekaart moeten de vermogensontwikkelingsplannen van de lidstaten en de meerjarenplanning van de middelen van het Agentschap op één lijn worden gebracht om de investeringen op lange termijn te optimaliseren zodat de buitengrenzen zo goed mogelijk worden beschermd.

(66)Rekening houdend met het ruimere mandaat van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de sterkere mate waarin deze actief is aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer, moet het Agentschap de mogelijkheid hebben om voor de duur van zijn belangrijke operationele activiteiten steunpunten op te zetten op locaties in de nabijheid van deze activiteiten; deze steunpunten zouden als interface tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaat kunnen fungeren, met coördinerende, logistieke en ondersteunende taken kunnen worden belast, en de samenwerking tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaat kunnen vergemakkelijken.

(67)De terugkeer van onderdanen van derde landen die niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor toegang, verblijf of vestiging in de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad 22 , is een essentieel onderdeel van de alomvattende inspanningen ter bestrijding van illegale immigratie en een belangrijke kwestie van zwaarwegend algemeen belang.

(68)Het Agentschap moet de bijstand aan lidstaten inzake de terugkeer van onderdanen van derde landen intensiveren, met inachtneming van het terugkeerbeleid van de Unie en overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG. Met name moet het de terugkeeroperaties van een of meer lidstaten organiseren en coördineren en terugkeerinterventies organiseren en uitvoeren ter versterking van de terugkeerstelsels van lidstaten die aanvullende technische en operationele bijstand nodig hebben om te voldoen aan hun verplichting uit hoofde van die richtlijn om onderdanen van derde landen terug te zenden.

(69)Het Agentschap moet, met volledige eerbiediging van de grondrechten en onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor het uitvaardigen van terugkeerbesluiten, de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen in het terugkeerproces, onder meer bij de voorbereiding van terugkeerbesluiten, de identificatie van onderdanen van derde landen en andere activiteiten van de lidstaten voorafgaand aan of in verband met terugkeer. Voorts dient het Agentschap de lidstaten bij te staan bij het verkrijgen van reisdocumenten voor terugkeerders, in samenwerking met de autoriteiten van de desbetreffende derde landen.

(70)De bijstand aan lidstaten bij het uitvoeren van terugkeerprocedures omvat de verstrekking van praktische informatie over derde landen van terugkeer die relevant is voor de uitvoering van deze verordening, zoals het verstrekken van contactgegevens of andere logistieke inlichtingen die nodig zijn voor een goed verloop van terugkeeroperaties. De bijstand moet ook het opzetten, exploiteren en onderhouden van een centraal systeem omvatten voor de verwerking van alle informatie en gegevens die automatisch door de nationale terugkeerbeheersystemen van de lidstaten zijn doorgegeven en die het Agentschap nodig heeft om overeenkomstig de verordening technische en operationele bijstand te verlenen.

(71)Het Agentschap moet ook technische en operationele bijstand verlenen voor terugkeeractiviteiten van derde landen, met name wanneer die bijstand wordt gerechtvaardigd door de prioriteiten van het beleid van de Unie op het gebied van irreguliere migratie.

(72)Het eventuele bestaan van een regeling tussen een lidstaat en een derde land kan het Agentschap of de lidstaten niet ontslaan van hun verplichtingen uit hoofde van het Unie- of internationaal recht, met name wat betreft de naleving van het beginsel van non-refoulement.

(73)De lidstaten moeten op operationeel niveau met andere lidstaten en/of derde landen aan de buitengrenzen kunnen samenwerken, ook bij militaire operaties met het oog op rechtshandhaving, voor zover die samenwerking verenigbaar is met het optreden van het Agentschap.

(74)Het Agentschap moet zorgen voor een betere informatie-uitwisseling en samenwerking met de andere organen en instanties van de Unie, zoals Europol, EASO, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Satellietcentrum van de Europese Unie, het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart of de netwerkbeheerder voor Europees luchtverkeersbeheer, teneinde optimaal gebruik te maken van de bestaande informatie, capaciteiten en systemen, zoals Copernicus (het Europees programma voor monitoring van de aarde), die reeds beschikbaar zijn op Europees niveau.

(75)De samenwerking met derde landen is een onderdeel van Europees geïntegreerd grensbeheer. De samenwerking moet worden aangegrepen om de Europese normen voor grensbeheer en terugkeer te promoten, informatie en risicoanalyses uit te wisselen, de uitvoering van terugkeeractiviteiten te vergemakkelijken zodat deze efficiënter worden, en derde landen te ondersteunen op het gebied van grensbeheer en migratie, waarbij onder meer ook het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht kan worden ingezet wanneer dergelijke steun nodig is om de buitengrenzen te beschermen en het migratiebeleid van de Unie doeltreffend te beheren.

(76)De samenwerking met derde landen moet plaatsvinden in het kader van het externe optreden van de Unie en overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De Commissie zal zorgen voor samenhang tussen het Europees geïntegreerd grensbeheer en andere beleidsterreinen van de Unie op het gebied van het externe optreden van de Unie, en met name het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. De Commissie moet worden bijgestaan door de hoge vertegenwoordiger van de Unie en zijn of haar diensten. Deze samenwerking moet met name van toepassing zijn op de activiteiten van het Agentschap op het grondgebied van derde landen of waarbij ambtenaren van derde landen betrokken zijn op gebieden zoals risicoanalyse, planning en uitvoering van operaties, opleiding, uitwisseling van informatie en samenwerking.

(77)Om ervoor te zorgen dat de informatie in Eurosur zo volledig en actueel mogelijk is, met name wat betreft de situatie in derde landen, moet het Agentschap samenwerken met de autoriteiten van derde landen in het kader van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en derde landen, met inbegrip van regionale netwerken, of in het kader van tussen het Agentschap en de betrokken autoriteiten van derde landen opgezette werkovereenkomsten. Daartoe moeten de Europese Dienst voor extern optreden, vertegenwoordigingen en bureaus van de Unie alle voor Eurosur relevante informatie aanleveren.

(78)Deze verordening bevat bepalingen inzake samenwerking met derde landen, omdat goed gestructureerde en duurzame informatie-uitwisseling en samenwerking met deze landen, onder meer maar niet uitsluitend aangrenzende derde landen, van doorslaggevend belang zijn om de doelstellingen van het Europees geïntegreerd grensbeheer te verwezenlijken. Het is essentieel dat elke vorm van informatie-uitwisseling en elke vorm van samenwerking tussen de lidstaten en derde landen wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de grondrechten.

(79)Om tot een grondig situatiebeeld en een uitgebreide risicoanalyse van het gebied vóór de grens te komen, moeten het Agentschap en de nationale coördinatiecentra informatie verzamelen en samenwerken met immigratieverbindingsfunctionarissen die door de lidstaten, de Europese Commissie, het Agentschap of andere agentschappen van de Unie in derde landen worden ingezet.

(80)Het FADO-systeem (False and Authentic Documents Online - Fraudedocumenten en Authentieke Documenten Online) is bij Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ binnen het secretariaat-generaal van de Raad ingesteld en geeft de autoriteiten van de lidstaten toegang tot informatie over nieuwe vervalsingsmethoden die zijn ontdekt en over nieuwe authentieke documenten die in omloop zijn.

(81)In zijn conclusies van 27 maart 2017 heeft de Raad verklaard dat het beheer van het FADO-systeem achterhaald is en dat een wijziging van de rechtsgrondslag ervan nodig is om te kunnen blijven voldoen aan de vereisten van het beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. De Raad heeft er ook op gewezen dat synergieën in dit verband kunnen worden benut door gebruik te maken van de deskundigheid van het Agentschap op het gebied van documentfraude en de werkzaamheden die het Agentschap op dit gebied al heeft verricht. Daarom moet het Agentschap zowel het administratieve beheer als het operationele en technische beheer van het FADO-systeem overnemen van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

(82)De meerlagige structuur van het FADO-systeem moet worden behouden voor de verstrekking van verschillende niveaus van informatie over documenten aan verschillende belanghebbenden, waaronder het grote publiek.

(83)Tijdens de overgangsperiode moet ervoor worden gezorgd dat het FADO-systeem volledig operationeel blijft totdat de overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en de bestaande gegevens naar het nieuwe systeem zijn overgebracht. De eigendom van de bestaande gegevens moet dan worden overgedragen aan het Agentschap.

(84)De verwerking van persoonsgegevens door lidstaten in het kader van deze verordening moet gebeuren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad of Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad 23 , waar van toepassing.

(85)In het kader van terugkeer komt het vaak voor dat onderdanen van derde landen geen identificatiedocumenten in hun bezit hebben en niet meewerken aan de vaststelling van hun identiteit door informatie achter te houden of onjuiste persoonsgegevens te verstrekken. Aangezien er beleidsmatig een grote behoefte is aan een vlotte uitvoering van de terugkeerprocedures, is het noodzakelijk dat het Agentschap bepaalde rechten van betrokkenen kan beperken om te voorkomen dat misbruik van dergelijke rechten de goede uitvoering van de terugkeerprocedures belemmert en de lidstaten belet hun terugkeerbesluiten efficiënt te handhaven of het Agentschap verhindert zijn taken efficiënt uit te voeren. Met name de uitoefening van het recht op beperking van de verwerking kan de terugkeeroperaties aanzienlijk vertragen en belemmeren. In sommige gevallen kan het recht van inzage van de betrokkene een terugkeeroperatie in gevaar brengen omdat de kans groter is dat de betrokkene onderduikt indien deze te weten komt dat het Agentschap zijn of haar gegevens verwerkt in het kader van een geplande terugkeeroperatie. Het recht op rectificatie kan het risico vergroten dat de betrokken onderdaan van een derde land de autoriteiten misleidt door onjuiste gegevens te verstrekken.

(86)Om zijn taken op het gebied van terugkeer naar behoren uit te kunnen voeren, onder meer door de lidstaten bij te staan bij de correcte tenuitvoerlegging van terugkeerprocedures en een succesvolle handhaving van terugkeerbesluiten, alsook om terugkeeroperaties te vergemakkelijken, kan het nodig zijn dat het Agentschap persoonsgegevens van terugkeerders aan derde landen doorgeeft. Derde landen van terugkeer zijn niet vaak onderworpen aan adequaatheidsbesluiten die door de Commissie zijn vastgesteld op grond van artikel 45 van Verordening (EU) 2016/679 of artikel 36 van Richtlijn (EU) 2016/680, en hebben vaak geen overnameovereenkomst met de Unie gesloten of zijn niet voornemens dat te doen of anderszins te voorzien in passende waarborgen in de zin van artikel 49 van [Verordening (EU) 45/2001] of in de zin van de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 37 van Richtlijn (EU) 2016/680. Ondanks de grote inspanningen van de Unie om samen te werken met de belangrijkste landen van herkomst van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen voor wie een terugkeerverplichting geldt, is het echter niet altijd mogelijk om ervoor te zorgen dat die derde landen systematisch voldoen aan de internationaalrechtelijke verplichting om eigen onderdanen over te nemen. Door de Unie of de lidstaten gesloten of in onderhandeling zijnde overnameovereenkomsten die passende waarborgen bieden met betrekking tot persoonsgegevens, hebben slechts betrekking op een beperkt aantal van deze derde landen. Bij gebrek aan dergelijke overeenkomsten moeten de persoonsgegevens, wanneer aan de voorwaarden van artikel 49, lid 1, onder d), van [Verordening (EU) 45/2001] is voldaan, door het Agentschap worden doorgegeven om de terugkeeroperaties van de Unie te vergemakkelijken.

(87)Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het Handvest" genoemd) worden erkend, in het bijzonder de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het recht op leven, het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het verbod op mensenhandel, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op toegang tot documenten, het recht op asiel en op bescherming tegen verwijdering en uitzetting, het beginsel van non-refoulement, het beginsel van non-discriminatie, en de rechten van het kind.

(88)Bij deze verordening moet een klachtenregeling voor het Agentschap worden ingesteld, in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris, teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te vrijwaren. Deze regeling dient te bestaan uit een bestuurlijk mechanisme waarbij de grondrechtenfunctionaris wordt belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten, overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. De grondrechtenfunctionaris dient de ontvankelijkheid van een klacht te onderzoeken, ontvankelijke klachten te registreren, alle geregistreerde klachten door te zenden aan de uitvoerend directeur, klachten betreffende teamleden door te zenden aan de lidstaat van herkomst en het gevolg dat het Agentschap of die lidstaat aan de klacht geeft, te registreren. Dit mechanisme moet doeltreffend zijn en een degelijke follow-up van klachten waarborgen. Het klachtenmechanisme moet de mogelijkheid om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen onverlet laten, en vormt geen verplichte tussenstap om een dergelijke vorm van beroep te kunnen instellen. Strafrechtelijke onderzoeken dienen te worden uitgevoerd door de lidstaten. Om de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, neemt het Agentschap in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme. Met name bevat het het aantal ontvangen klachten, de soorten schendingen van de grondrechten, de betrokken operaties en, waar mogelijk, de follow-upmaatregelen die het Agentschap en de lidstaten hebben genomen. De grondrechtenfunctionaris heeft toegang tot alle informatie inzake de eerbiediging van de grondrechten in verband met alle activiteiten van het Agentschap.

(89)Het Agentschap moet met betrekking tot technische en operationele aangelegenheden onafhankelijk zijn en juridisch, bestuurlijk en financieel autonoom zijn. Daartoe is het noodzakelijk en gepast dat het Agentschap een orgaan van de Unie is dat rechtspersoonlijkheid bezit en de uitvoeringsbevoegdheden uitoefent die hem bij deze verordening worden toegekend.

(90)De Commissie en de lidstaten moeten in een raad van bestuur worden vertegenwoordigd met het oog op de uitoefening van toezicht op het Agentschap. Voor zover mogelijk moet de raad van bestuur bestaan uit de operationele hoofden van de nationale diensten die belast zijn met het grensbewakingsbeheer, of hun vertegenwoordigers. Alle in de raad van bestuur vertegenwoordigde partijen moeten proberen het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken om de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te verzekeren. De raad van bestuur moet de nodige bevoegdheden krijgen om de begroting van het Agentschap vast te stellen, de uitvoering ervan te verifiëren, passende financiële regels op te stellen, transparante werkprocedures voor de besluitvorming door het Agentschap tot stand te brengen en de uitvoerend directeur aan te stellen, alsook drie plaatsvervangende uitvoerend directeurs die elk verantwoordelijk kunnen zijn voor een bepaald deel van de bevoegdheden van het Agentschap, zoals het beheer van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, het toezicht op de taken van het Agentschap met betrekking tot terugkeeroperaties of het beheer van de betrokkenheid bij grootschalige IT-systemen. Bij het bestuur en de werking van het Agentschap moet rekening worden gehouden met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak voor de gedecentraliseerde agentschappen van de Europese Unie, die op 19 juli 2012 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is goedgekeurd.

(91)Om de autonomie van het Agentschap te waarborgen, moet aan het Agentschap een aparte begroting worden toegekend die hoofdzakelijk wordt bekostigd met een bijdrage van de Unie. Op de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie, moet de begrotingsprocedure van de Unie van toepassing zijn. De controle van de rekeningen moet worden verricht door de Rekenkamer.

(92)Verwacht wordt dat het Agentschap de komende jaren, gezien de uitzonderlijke behoeften, moeilijkheden zal ondervinden om gekwalificeerd personeel met een zo breed mogelijke geografische spreiding aan te werven en te behouden.

(93)Enerzijds gezien het mandaat van het Agentschap en de aanzienlijke mobiliteit van zijn personeelsleden, en anderzijds om verschillen in de behandeling van de personeelsleden van het Agentschap te voorkomen, die in beginsel Warschau als standplaats hebben, moet de raad van bestuur van het Agentschap gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening de mogelijkheid krijgen om een aanvullende maandelijkse toelage toe te kennen aan de personeelsleden van het Agentschap, terdege rekening houdend met de totale bezoldiging van de individuele personeelsleden, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen. De voorwaarden voor de toekenning van een dergelijke toelage moeten vooraf worden goedgekeurd door de Commissie, die ervoor moet zorgen dat de toelagen in verhouding blijven tot het belang van de nagestreefde doelstellingen en geen aanleiding geven tot een ongelijke behandeling van het personeel van de instellingen, agentschappen en andere organen van de EU. Deze voorwaarden moeten uiterlijk in 2024 opnieuw in overweging worden genomen om de bijdrage van de toelage aan de nagestreefde doelstellingen te beoordelen.

(94)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad 24 moet zonder beperkingen van toepassing zijn op het Agentschap, dat moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) 25 .

(95)Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad kan het Europees Openbaar Ministerie overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad.

(96)Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad 26 moet op het Agentschap van toepassing zijn. Het Agentschap moet met betrekking tot zijn activiteiten de grootst mogelijke transparantie betrachten, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de doelstelling van zijn werkzaamheden. Het moet de informatie over al zijn activiteiten openbaar maken. Het moet er tevens op toezien dat het publiek en alle belanghebbenden snel over zijn werkzaamheden worden geïnformeerd.

(97)Het Agentschap moet ook integraal verslag uitbrengen over zijn activiteiten aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

(98)Elke verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap in het kader van deze verordening moet voldoen aan Verordening (EG) nr. 45/2001.

(99)Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van een stelsel van geïntegreerd beheer van de buitengrenzen om te zorgen voor de goede werking van het Schengengebied, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de zonder coördinatie optredende lidstaten, maar vanwege de afwezigheid van controles aan de binnengrenzen, de aanzienlijke uitdagingen aan de buitengrenzen op het vlak van migratie en de noodzaak om het overschrijden van de buitengrenzen op efficiënte wijze te bewaken en daarmee bij te dragen aan een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(100)De in deze verordening bedoelde buitengrenzen zijn die waarop de bepalingen van titel II van Verordening (EU) 2016/399 van toepassing zijn, inclusief de buitengrenzen van Schengenlanden overeenkomstig Protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, dat is gehecht aan het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(101)Om ervoor te zorgen dat het Europees geïntegreerd grensbeheer doeltreffend wordt uitgevoerd aan de hand van een cyclus voor meerjarig strategisch beleid, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de vaststelling van beleidsprioriteiten en strategische richtsnoeren voor Europees geïntegreerd grensbeheer. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden, onder meer op deskundigenniveau, passende raadplegingen verricht overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(102)Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het praktische handboek voor de tenuitvoerlegging en het beheer van Eurosur, de bijzonderheden met betrekking tot de informatielagen van de situatiebeelden en de regels voor het opstellen van specifieke situatiebeelden, de door het Agentschap uit te voeren maatregelen ter beperking van de risico’s aan de buitengrenzen waarbij de lidstaten moeten samenwerken met het Agentschap bij de uitvoering ervan, de regels voor de betaling van de financiële steun voor de uitbouw van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en het toezicht op de voorwaarden voor de financiële steun, de praktische handleiding inzake Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken, de technische specificaties en procedures van het FADO-systeem. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 27 .

(103)Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis 28 , die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad 29 . De regeling tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie 30 voorziet in regels betreffende de deelname van die landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel.

(104)Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis 31 , die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad 32 .

(105)Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis 33 , die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad 34 .

(106)De regeling tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein inzake de wijze waarop deze staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie 35 voorziet in regels betreffende de deelname van die landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel.

(107)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze derhalve niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van bovengenoemd protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad een besluit heeft genomen over de verordening of het deze in zijn nationale wetgeving zal omzetten.

(108)Deze verordening houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad 36 ; het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die dan ook niet bindend is voor, noch van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk.

(109)Deze verordening houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad 37 ; Ierland neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze verordening, die niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat.

(110)Het Agentschap dient de organisatie te vergemakkelijken van specifieke activiteiten waarbij de lidstaten gebruik kunnen maken van de expertise en faciliteiten die Ierland en het Verenigd Koninkrijk eventueel bereid zijn aan te bieden, overeenkomstig nadere voorwaarden die per geval door de raad van bestuur worden vastgelegd. Daartoe kunnen vertegenwoordigers van Ierland voor vergaderingen van de raad van bestuur worden uitgenodigd, zodat zij volledig kunnen deelnemen aan de voorbereiding van dergelijke specifieke activiteiten. Vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk kunnen voor vergaderingen van de raad van bestuur worden uitgenodigd tot de datum waarop het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie.

(111)Hoewel het Verenigd Koninkrijk niet aan deze verordening deelneemt, heeft het de mogelijkheid [gekregen] om met de Europese grens- en kustwacht samen te werken op grond van de status van het land als lidstaat van de Unie. Aangezien het Verenigd Koninkrijk kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken, dient een bijzondere regeling voor de operationele samenwerking met het Verenigd Koninkrijk op grond van deze verordening van toepassing te zijn zolang het Verenigd Koninkrijk een lidstaat is of, op voorwaarde dat een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk op basis van artikel 50 van het Verdrag van kracht wordt, zolang het Verenigd Koninkrijk op basis van die overeenkomst wordt gelijkgesteld met een lidstaat.

(112)Er bestaat een controverse tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk over de afbakening van de grenzen van Gibraltar.

(113)De opschorting van de toepasselijkheid van deze verordening op de grenzen van Gibraltar betekent niet dat de respectieve standpunten van de betrokken staten gewijzigd zijn.

(114)De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op … een advies uitgebracht.

(115)Deze verordening strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van Verordeningen (EU) 2016/1624 en (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot aanpassing van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ aan het bij het VWEU vastgestelde institutionele kader. Aangezien de aan te brengen wijzigingen talrijk en ingrijpend zijn, moeten die rechtshandelingen omwille van de duidelijkheid worden vervangen en ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I
Europese grens- en kustwacht

Artikel 1
Onderwerp

Bij deze verordening wordt een Europese grens- en kustwacht opgericht, teneinde te zorgen voor een Europees geïntegreerd beheer van de buitengrenzen, met het oog op een doeltreffend beheer van het overschrijden van de buitengrenzen en op een doeltreffender gemeenschappelijk terugkeerbeleid als een cruciaal onderdeel van duurzaam migratiebeheer.

De verordening heeft ten doel de migratieproblematiek, met inbegrip van terugkeer, en mogelijke toekomstige dreigingen aan die grenzen aan te pakken, waarbij op die manier wordt bijgedragen aan de bestrijding van zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, teneinde een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie te waarborgen met volledige eerbiediging van de grondrechten en waarborging van het vrije verkeer van personen in de Unie.

Artikel 2
Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(1)"buitengrenzen": buitengrenzen in de zin van artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2016/399, waarop titel II van die verordening van toepassing is;

(2)"grensdoorlaatpost": grensdoorlaatpost in de zin van artikel 2, punt 8, van Verordening (EU) 2016/399;

(3)"grenstoezicht": grenstoezicht in de zin van artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) 2016/399;

(4)"grensbewaking": grensbewaking in de zin van artikel 2, punt 12, van Verordening (EU) 2016/399;

(5)"externe vlucht": elke vlucht van een bemand of onbemand luchtvaartuig en zijn passagiers en/of vracht naar of vanaf het grondgebied van de lidstaten, die geen interne vlucht is in de zin van artikel 2, punt 3, van Verordening (EU) 2016/399;

(6)"bewaking van de luchtgrenzen": de bewaking van externe vluchten;

(7)"situationeel bewustzijn": het vermogen om illegale grensoverschrijdende activiteiten te monitoren, op te sporen, te identificeren, te volgen en te begrijpen teneinde op basis van het combineren van nieuwe informatie met bestaande kennis beredeneerde gronden voor reactiemaatregelen vast te stellen en beter in staat te zijn het verlies aan mensenlevens onder migranten aan, langs of nabij de buitengrenzen te beperken;

(8)"reactievermogen": het vermogen om handelingen te verrichten die zijn gericht op het tegengaan van illegale grensoverschrijdende activiteiten aan, langs of nabij de buitengrenzen, met inbegrip van de middelen en tijdschema's die nodig zijn om op adequate wijze te reageren;

(9)"Eurosur": het kader voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de lidstaten en het Agentschap;

(10)"situatiebeeld": een samenvoeging van gegeorefereerde bijna-realtime gegevens en informatie die zijn ontvangen van verschillende autoriteiten, sensoren, platforms en andere bronnen, die via beveiligde communicatie- en informatiekanalen worden doorgegeven en die kunnen worden verwerkt en selectief kunnen worden getoond aan en gedeeld met andere bevoegde autoriteiten om situationeel bewustzijn te creëren en het reactievermogen te ondersteunen aan, langs of nabij de buitengrenzen en in het gebied vóór de grens;

(11)"buitengrenssegment": het geheel of een deel van de buitengrens van een lidstaat als omschreven in het nationale recht of als bepaald door het nationale coördinatiecentrum of een andere bevoegde nationale autoriteit;

(12) "grensoverschrijdende criminaliteit": een vorm van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die wordt gepleegd aan, langs of nabij de buitengrenzen, alsmede pogingen daartoe;

(13)"gebied vóór de grens": het geografische gebied voorbij de buitengrenzen;

(14)"incident": een situatie in verband met illegale immigratie, grensoverschrijdende criminaliteit of een risico voor het leven van migranten aan, langs of nabij de buitengrenzen;

(15)"statutair personeel": personeel dat bij het Agentschap in dienst is overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ("statuut van de ambtenaren") en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie ("RAP"), zoals vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68;

(16)"operationeel personeel": de grenswachters, terugkeerbegeleiders, terugkeerspecialisten en andere relevante personeelsleden die het "permanente korps van de Europese grens- en kustwacht" uitmaken. Overeenkomstig de drie onder artikel 55, lid 1, omschreven categorieën is operationeel personeel in dienst van het Europees Grens- en kustwachtagentschap als statutair personeel (categorie 1), door de lidstaten gedetacheerd bij het Agentschap (categorie 2) of door de lidstaten ter beschikking gesteld om voor een korte tijd te worden ingezet (categorie 3). Operationeel personeel wordt ingedeeld bij grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer of terugkeerteams met uitvoerende bevoegdheden. Tot het operationeel personeel behoort ook het statutair personeel dat verantwoordelijk is voor de werking van de centrale Etias-eenheid;

(17)"grensbeheerteams": uit de leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht samengestelde teams die worden ingezet tijdens gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen en snelle grensinterventies in de lidstaten en in derde landen;

(18)"teamlid": lid van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht dat wordt ingezet in het kader van grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer en terugkeerteams;

(19)"ondersteuningsteam voor migratiebeheer": een team van deskundigen dat de lidstaten technische en operationele versterking biedt, ook in hotspotgebieden en in gecontroleerde centra, bestaande uit operationeel personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en deskundigen die worden ingezet door het [Asielagentschap van de Europese Unie], door Europol of andere relevante agentschappen van de Unie en door de lidstaten;

(20)"ontvangende lidstaat": een lidstaat waarin een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie plaatsvindt of die dient als uitvalsbasis hiervoor of waarin een ondersteuningsteam voor migratiebeheer wordt ingezet;

(21)"lidstaat van herkomst": lidstaat van waaruit een personeelslid wordt ingezet bij of gedetacheerd naar het operationele personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht;

(22)"deelnemende lidstaat": een lidstaat die deelneemt aan een gezamenlijke operatie, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie, een terugkeerinterventie of de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, door technische uitrusting of operationeel personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht ter beschikking te stellen, alsook een lidstaat die deelneemt aan een terugkeeroperatie of terugkeerinterventie door technische uitrusting of personeel ter beschikking te stellen, maar die geen ontvangende lidstaat is;

(23)"hotspotgebied": een gebied waar de ontvangende lidstaat, de Commissie, de bevoegde agentschappen van de Unie en de deelnemende lidstaten samenwerken teneinde een bestaande of potentiële onevenredig grote uitdaging op het gebied van migratie te beheren die wordt gekenmerkt door een aanzienlijke toename van het aantal binnenkomende migranten aan de buitengrenzen;

(24)"gecontroleerd centrum": een op verzoek van een lidstaat opgezet centrum waar de bevoegde agentschappen van de Unie ter ondersteuning van de ontvangende lidstaat samen met deelnemende lidstaten een onderscheid maken tussen onderdanen van derde landen die internationale bescherming behoeven en zij die geen behoefte hebben aan een dergelijke bescherming, en veiligheidscontroles uitvoeren, en waar zij snelle procedures voor internationale bescherming en/of terugkeer toepassen;

(25)"terugkeer": terugkeer in de zin van artikel 3, punt 3, van Richtlijn 2008/115/EG;

(26)"terugkeerbesluit": terugkeerbesluit in de zin van artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/115/EG;

(27)"terugkeerder": een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land ten aanzien van wie een terugkeerbesluit of het equivalent daarvan in een derde land is uitgevaardigd;

(28)"terugkeeroperatie": een operatie die door het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt georganiseerd of gecoördineerd en aan een of meer lidstaten of een derde land verstrekte technische en operationele steun behelst, waarbij terugkeerders vanuit een of meer lidstaten of vanuit een derde land gedwongen of vrijwillig terugkeren, ongeacht het gebruikte vervoermiddel;

(29)"terugkeerinterventie": een actie van het Europees Grens- en kustwachtagentschap waarbij de lidstaten of derde landen versterkte technische en operationele bijstand wordt verstrekt, bestaande uit de inzet van terugkeerteams en de organisatie van terugkeeroperaties;

(30)"terugkeerteams": teams die zijn gevormd uit leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht om te worden ingezet tijdens terugkeeroperaties, terugkeerinterventies in de lidstaten en in derde landen, of andere operationele activiteiten in het kader van de uitvoering van met terugkeer verband houdende taken;

(31)"immigratieverbindingsfunctionaris": immigratieverbindingsfunctionaris in de zin van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad 38 .

Artikel 3
Europees geïntegreerd grensbeheer

Het Europees geïntegreerd grensbeheer omvat de volgende onderdelen:

(a)grenstoezicht, met inbegrip van maatregelen om legale grensoverschrijdingen te vergemakkelijken en, waar passend, maatregelen op het gebied van het voorkomen en opsporen van grensoverschrijdende criminaliteit, zoals het smokkelen van migranten, mensenhandel en terrorisme, en maatregelen in verband met de doorverwijzing van mensen die internationale bescherming behoeven of wensen aan te vragen;

(b)opsporings- en reddingsoperaties voor personen in nood op zee, opgezet en uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationaal recht, die plaatsvinden in situaties die zich kunnen voordoen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

(c)analyse van de risico's voor de interne veiligheid en van de dreigingen die de werking of de veiligheid van de buitengrenzen kunnen aantasten;

(d)informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de lidstaten en het Agentschap;

(e)samenwerking tussen de nationale autoriteiten die in de lidstaten belast zijn met het grenstoezicht of andere grenstaken, en tussen de autoriteiten die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor terugkeer, met inbegrip van regelmatige uitwisseling van informatie met behulp van de daarvoor bestaande instrumenten;

(f)samenwerking tussen de relevante instellingen, organen en instanties van de Unie op de gebieden die onder deze verordening vallen, onder meer via regelmatige uitwisseling van informatie;

(g)samenwerking met derde landen op gebieden die onder deze verordening vallen;

(h)technische en operationele maatregelen binnen het Schengengebied die samenhangen met grenstoezicht en bedoeld zijn om illegale immigratie beter aan te pakken en grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden;

(i)terugkeer van onderdanen van derde landen voor wie een door een lidstaat uitgevaardigd terugkeerbesluit geldt;

(j)gebruik van geavanceerde technologie, inclusief grootschalige informatiesystemen;

(k)een mechanisme voor kwaliteitscontrole, met name het Schengenevaluatiemechanisme, de kwetsbaarheidsbeoordeling en eventuele nationale mechanismen, dat de tenuitvoerlegging van de Uniewetgeving inzake grensbeheer moet waarborgen;

(l)solidariteitsmechanismen, met name financieringsinstrumenten van de Unie en andere operationele steunmaatregelen.

Artikel 4
Europese grens- en kustwacht

Het Europees Grens- en kustwachtagentschap ("het Agentschap") en de nationale autoriteiten van de lidstaten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover zij taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, alsmede de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor terugkeer, vormen samen de Europese grens- en kustwacht.

Artikel 5
Europees Grens- en kustwachtagentschap

(1)Het oorspronkelijk bij Verordening (EG) nr. 2007/2004 opgerichte Europees Grens- en kustwachtagentschap valt onder de onderhavige verordening.

(2)Het Agentschap omvat het uit 10 000 operationele personeelsleden bestaande permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, als bedoeld in artikel 55.

(3)Teneinde in een samenhangend Europees geïntegreerd grensbeheer te voorzien, vergemakkelijkt het Agentschap de toepassing van de bestaande en toekomstige maatregelen van de Unie in verband met het beheer van de buitengrenzen en terugkeer, in het bijzonder de bij Verordening (EU) 2016/399 vastgestelde Schengengrenscode, en maakt het deze effectiever.

(4)Het Agentschap draagt bij aan de continue en uniforme toepassing van het Unierecht, waaronder het acquis van de Unie inzake grondrechten, aan alle buitengrenzen. Deze bijdrage gebeurt onder meer via de uitwisseling van goede praktijken.

Artikel 6
Verantwoordingsplicht

Het Agentschap legt verantwoording af aan het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig deze verordening.

Artikel 7
Gedeelde verantwoordelijkheid

(1)De Europese grens- en kustwacht voert het Europees geïntegreerd grensbeheer uit als gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze grensbewakingsoperaties op zee en andere taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. De lidstaten behouden de primaire verantwoordelijkheid voor het beheer van hun segmenten van de buitengrenzen.

(2)Het Agentschap verleent technische en operationele bijstand bij de implementatie van maatregelen die verband houden met de uitvoering van terugkeerbesluiten. De lidstaten blijven verantwoordelijk voor de uitvaardiging van terugkeerbesluiten en de maatregelen met betrekking tot de bewaring van terugkeerders overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG.

(3)De lidstaten dragen, in hun eigen belang en in het gemeenschappelijk belang van alle lidstaten, zorg voor het beheer van hun buitengrenzen en de uitvoering van terugkeerbesluiten met volledige inachtneming van het Unierecht, in overeenstemming met de in artikel 8 bedoelde cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer en in nauwe samenwerking met het Agentschap.

(4)Het Agentschap ondersteunt de toepassing van Uniemaatregelen in verband met het beheer van de buitengrenzen en de uitvoering van terugkeerbesluiten door de acties van de lidstaten te versterken, te beoordelen en te coördineren en door rechtstreekse technische en operationele bijstand te verlenen bij de uitvoering van die maatregelen en bij terugkeeraangelegenheden.

(5)De lidstaten kunnen de samenwerking op operationeel niveau met andere lidstaten en/of derde landen voortzetten, indien die samenwerking verenigbaar is met de taken van het Agentschap. De lidstaten onthouden zich van elke activiteit die de werking van het Agentschap of het bereiken van zijn doelen in gevaar kan brengen. De lidstaten brengen over die operationele samenwerking met andere lidstaten en/of derde landen aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer verslag uit aan het Agentschap. De uitvoerend directeur informeert de raad van bestuur regelmatig over die aangelegenheden en ten minste eenmaal per jaar.

Artikel 8
Cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer

(1)De Commissie en de Europese grens- en kustwacht waarborgen de doeltreffendheid van het Europees geïntegreerd grensbeheer met behulp van een cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer.

(2)In het meerjarige strategische beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer wordt omschreven hoe de uitdagingen op het gebied van grensbeheer en terugkeer op een coherente, geïntegreerde en systematische manier moeten worden aangepakt.

(3)De cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer bestaat uit vier fasen, als omschreven in de leden 4 tot en met 7.

(4)De Commissie is bevoegd om, op basis van de in artikel 30, lid 2, bedoelde strategische risicoanalyse voor Europees geïntegreerd grensbeheer, overeenkomstig artikel 118 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot ontwikkeling van een meerjarig strategisch beleid voor het Europees geïntegreerd grensbeheer. In die gedelegeerde handelingen worden de beleidsprioriteiten en de strategische richtsnoeren met betrekking tot de in artikel 3 vermelde onderdelen vastgesteld voor de volgende vier jaar.

(5)Met het oog op de uitvoering van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen stelt het Agentschap bij besluit van de raad van bestuur en op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur een technische en operationele strategie voor het Europees geïntegreerd grensbeheer op. Het Agentschap houdt, waar dit gerechtvaardigd is, rekening met de specifieke situatie van de lidstaten, met name hun geografische ligging. Die strategie is in overeenstemming met artikel 3 en met de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen. Zij bevordert en ondersteunt de uitvoering van het Europees geïntegreerd grensbeheer in alle lidstaten.

(6)Met het oog op de uitvoering van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen zorgen de lidstaten ervoor dat bij de opstelling van hun nationale strategie voor geïntegreerd grensbeheer nauw wordt samengewerkt tussen alle nationale autoriteiten die belast zijn met grensbeheer en terugkeer. Die nationale strategie is in overeenstemming met artikel 3, de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handelingen en de in lid 5 bedoelde technische en operationele strategie.

(7)42 maanden na de vaststelling van de in lid 4 bedoelde gedelegeerde handeling verricht de Commissie, met de steun van het Agentschap, een grondige evaluatie van de uitvoering van de handelingen. Bij de voorbereiding van de volgende cyclus wordt rekening gehouden met de resultaten van die evaluatie.

(8)Wanneer de situatie aan de buitengrenzen of op het gebied van terugkeer een wijziging van de beleidsprioriteiten vergt, wijzigt de Commissie het meerjarig strategisch beleid voor Europees geïntegreerd grensbeheer overeenkomstig de in lid 4 uiteengezette procedure. Ook de in de leden 5 en 6 bedoelde strategieën worden waar nodig aangepast.

Artikel 9
Geïntegreerde planning

(1)De Europese grens- en kustwacht stelt op basis van de in artikel 8 bedoelde cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer een geïntegreerde planning voor grensbeheer en terugkeer op.

(2)De geïntegreerde planning behelst operationele planning, noodplanning en planning van de capaciteitenontwikkeling en wordt opgesteld overeenkomstig artikel 67.

(3)Elk plan dat deel uitmaakt van de geïntegreerde planning, vermeldt het scenario waarvoor het is opgesteld. De scenario's worden uitgewerkt op basis van een risicoanalyse en geven de mogelijke evolutie weer van de situatie aan de buitengrenzen en op het gebied van illegale migratie, alsook de uitdagingen die zijn geïdentificeerd in de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer.

(4)De raad van bestuur van het Agentschap komt ten minste eenmaal per jaar bijeen om de capaciteitenroutekaart van de Europese grens- en kustwacht overeenkomstig artikel 67, lid 6, te bespreken en goed te keuren. Na goedkeuring door de raad van bestuur wordt de capaciteitenroutekaart bij de in artikel 8, lid 5, bedoelde technische en operationele strategie gevoegd. 

HOOFDSTUK II
Werking van de Europese grens- en kustwacht

Afdeling 1
Taken van het Europees Grens- en kustwachtagentschap

Artikel 10
Taken van het Europees Grens- en kustwachtagentschap

(1)Als bijdrage aan een doelmatig, hoog en uniform niveau van grenstoezicht en terugkeer van migranten verricht het Agentschap de volgende taken:

1.het monitort migratiestromen en voert risicoanalyses uit die alle aspecten van het geïntegreerd grensbeheer bestrijken;

2.het monitort de operationele behoeften van de lidstaten in verband met de uitvoering van terugkeer, onder meer door operationele gegevens te verzamelen;

3.het verricht een kwetsbaarheidsbeoordeling, waaronder een inschatting van de capaciteit en de paraatheid van de lidstaten om het hoofd te bieden aan dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen;

4.het monitort het beheer van de buitengrenzen via verbindingsfunctionarissen van het Agentschap in de lidstaten;

5.het ondersteunt de ontwikkeling en de werking van het Eurosur-kader;

6.het verleent, met inachtneming van het Unierecht en het internationaal recht, bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen door de coördinatie en organisatie van gezamenlijke operaties, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee;

7.het verleent, met inachtneming van het Unierecht en het internationaal recht, bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen door snelle grensinterventies op te zetten aan de buitengrenzen van lidstaten die geconfronteerd worden met specifieke en onevenredig grote uitdagingen, in overweging nemend dat in dit kader soms sprake is van humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee;

8.het verleent, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationaal recht, technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

9.het zet het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in via grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer en terugkeerteams tijdens gezamenlijke operaties en bij snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies;

10.het zet een pool van technische uitrusting, met inbegrip van een pool van uitrusting voor snelle reactie, in die kan worden ingezet bij gezamenlijke operaties, bij snelle grensinterventies en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, alsmede bij terugkeeroperaties en terugkeerinterventies;

11.het ontwikkelt en beheert zijn eigen menselijke en technische capaciteiten om bij te dragen aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en aan de pool van technische uitrusting, onder meer door de aanwerving en opleiding van zijn personeelsleden die worden ingezet als teamleden;

12.in het kader van ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden of gecontroleerde centra;

13.het zet operationeel personeel en technische uitrusting in voor de verlening van bijstand bij de screening, debriefing, identificatie en het nemen van vingerafdrukken;

14.het stelt in samenwerking met het [Asielagentschap van de Europese Unie] en de bevoegde nationale autoriteiten een procedure vast voor het doorverwijzen van, en het verstrekken van initiële informatie aan, personen die internationale bescherming behoeven of wensen aan te vragen;

15.het verleent bijstand in alle stadia van de terugkeerprocedure en bij de coördinatie en organisatie van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies;

16.het verleent bijstand aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand vergen voor de uitvoering van de verplichting om irreguliere migranten te doen terugkeren, onder meer door de coördinatie en organisatie van terugkeeroperaties;

17.het zet een pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer op;

18.het zet terugkeerteams in bij terugkeerinterventies;

19.het werkt binnen de respectieve mandaten van de betrokken agentschappen samen met Europol en Eurojust, en verleent steun aan de lidstaten in omstandigheden die extra technische en operationele bijstand aan de buitengrenzen vergen in de strijd tegen georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme;

20.het werkt samen met het Asielagentschap van de Europese Unie, met name ter vergemakkelijking van maatregelen wanneer onderdanen van derde landen tot terugkeer worden verplicht nadat hun verzoek om internationale bescherming bij een definitieve beslissing is afgewezen;

21.het werkt samen met het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, binnen hun respectieve mandaat, ter ondersteuning van de nationale autoriteiten die kustwachttaken als beschreven in artikel 70 uitvoeren, door diensten te verlenen, informatie te verstrekken, uitrusting te leveren en opleiding te verzorgen en operaties met meerdere doelen te coördineren;

22.het werkt, op de onder deze verordening vallende gebieden, samen met derde landen, onder meer via de eventuele operationele inzet van grensbeheerteams en terugkeerteams in derde landen;

23.het ondersteunt derde landen bij de coördinatie en organisatie van terugkeeractiviteiten naar andere derde landen, onder meer door het delen van persoonsgegevens met het oog op terugkeer;

24.het verleent bijstand aan lidstaten en derde landen in het kader van de onderlinge technische en operationele samenwerking op de gebieden die onder deze verordening vallen;

25.het verleent bijstand aan de lidstaten en aan derde landen bij het opleiden van nationale grenswachters, ander relevant personeel en terugkeerdeskundigen, met inbegrip van de vaststelling van gemeenschappelijke opleidingsnormen;

26.het neemt deel aan de ontwikkeling en het beheer van onderzoeks- en innovatieactiviteiten die voor het toezicht op en de bewaking van de buitengrenzen relevant zijn, onder meer met betrekking tot het gebruik van geavanceerde grensbewakingstechnologie, en de ontwikkeling van proefprojecten op terreinen die onder deze verordening vallen;

27.het ondersteunt de ontwikkeling van technische normen voor uitrusting op het gebied van grenstoezicht en terugkeer, onder meer met het oog op de onderlinge koppeling van systemen en netwerken;

28.het richt het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk op en houdt dit in stand;

29.het ontwikkelt en beheert, in overeenstemming met [Verordening (EG) nr. 45/2001], informatiesystemen waarmee informatie over nieuwe risico's bij het beheer van de buitengrenzen, over illegale immigratie en over terugkeer snel en betrouwbaar kan worden uitgewisseld, zulks in nauwe samenwerking met de Commissie, organen en instanties van de Unie en het bij Beschikking 2008/381/EG opgezette Europees migratienetwerk;

30.het verleent, waar van toepassing, de nodige bijstand voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke structuur voor informatie-uitwisseling, onder meer met betrekking tot de interoperabiliteit van systemen;

31.het beheert en exploiteert het in artikel 80 bedoelde systeem Valse en authentieke documenten online;

32.het vervult de in de [Verordening tot vaststelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias)] bedoelde taken en verplichtingen waarmee het Agentschap is belast en zorgt ervoor dat de centrale Etias-eenheid wordt opgezet en beheerd overeenkomstig artikel 7 van de [Verordening tot vaststelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias)].

(2)Het Agentschap communiceert op eigen initiatief over aangelegenheden die binnen zijn mandaat vallen. Het biedt het publiek accurate en uitgebreide informatie over zijn activiteiten.

De communicatieactiviteiten doen geen afbreuk aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde taken; met name worden geen operationele gegevens prijsgegeven die, eenmaal openbaar, de verwezenlijking van de doelstelling van de operaties in gevaar zouden brengen. De communicatieactiviteiten worden uitgevoerd onverminderd artikel 91 en in overeenstemming met de relevante communicatie- en verspreidingsplannen die de raad van bestuur heeft vastgesteld; waar van toepassing wordt daarbij nauw samengewerkt met andere agentschappen.

Afdeling 2
Uitwisseling van informatie en samenwerking

Artikel 11
Verplichting tot samenwerking te goeder trouw

Voor het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, gelden een verplichting tot samenwerking te goeder trouw en een verplichting tot uitwisseling van informatie.

Artikel 12
Verplichting tot uitwisseling van informatie

1.Om de hen bij deze verordening opgedragen taken te vervullen, met name voor het Agentschap het monitoren van de migratiestromen naar en binnen de Unie, het verrichten van risicoanalyses en het uitvoeren van de kwetsbaarheidsbeoordeling, alsmede het verlenen van technische en operationele bijstand op het gebied van terugkeer, delen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, tijdig en accuraat alle noodzakelijke informatie mee overeenkomstig deze verordening en het andere toepasselijke recht van de Unie en nationale recht betreffende de uitwisseling van informatie.

2.Het Agentschap neemt passende maatregelen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de relevante agentschappen van de Unie, te vergemakkelijken.

3.Het Agentschap en het [Asielagentschap van de Europese Unie] wisselen informatie uit met het oog op risicoanalyse, het verzamelen van statistische gegevens, de beoordeling van de situatie in derde landen, opleiding en ondersteuning van de lidstaten bij de noodplanning. Voor dergelijke uitwisselingen tussen de agentschappen worden de nodige instrumenten en structuren opgezet.

4.Het Agentschap neemt de maatregelen die noodzakelijk zijn ter vergemakkelijking van de uitwisseling van voor zijn taak relevante informatie met Ierland en het Verenigd Koninkrijk, wanneer die informatie verband houdt met de activiteiten waaraan die landen overeenkomstig artikel 71 en artikel 98, lid 5, deelnemen.

Artikel 13
Nationaal contactpunt

De lidstaten wijzen een nationaal contactpunt aan dat is belast met de communicatie met het Agentschap over alle aangelegenheden die de activiteiten van het Agentschap betreffen. Het nationale contactpunt is te allen tijde bereikbaar en zorgt voor de tijdige verspreiding van alle informatie van het Agentschap aan alle relevante autoriteiten in de betrokken lidstaat, met name de leden van de raad van bestuur en het nationaal coördinatiecentrum.

Artikel 14
Communicatienetwerk

1.Het Agentschap stelt een communicatienetwerk op en houdt dit in stand om te voorzien in communicatie- en analyse-instrumenten en om de uitwisseling van gevoelige niet-gerubriceerde en gerubriceerde informatie op een beveiligde manier en in bijna realtime met en tussen de nationale coördinatiecentra mogelijk te maken. Het netwerk is 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel en biedt de volgende mogelijkheden:

(a)bilaterale en multilaterale informatie-uitwisseling in bijna realtime;

(b)audio- en videoconferenties;

(c)veilige behandeling, opslag, doorgifte en verwerking van gevoelige niet-gerubriceerde informatie;

(d)veilige behandeling, opslag, doorgifte en verwerking van gerubriceerde EU-informatie tot en met het niveau CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIEL of een gelijkwaardig nationaal rubriceringsniveau, waarbij ervoor wordt gezorgd dat gerubriceerde informatie in een afzonderlijk en naar behoren geaccrediteerd gedeelte van het communicatienetwerk wordt behandeld, opgeslagen, doorgegeven en verwerkt.

2.Het Agentschap geeft technische ondersteuning en zorgt ervoor dat het communicatienetwerk permanent beschikbaar is en het door het Agentschap beheerde communicatie- en informatiesysteem kan ondersteunen.

Artikel 15
Door het Agentschap beheerde systemen en toepassingen voor informatie-uitwisseling

1.Het Agentschap kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de in de artikelen 69 en 71 bedoelde derden en derde landen, te vergemakkelijken.

2.Het Agentschap ontwikkelt, installeert en beheert een informatiesysteem waarmee met die actoren gerubriceerde en gevoelige niet-gerubriceerde informatie kan worden uitgewisseld, alsook de in artikel 80 en de artikelen 87 tot en met 91 bedoelde persoonsgegevens overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie 39 , Besluit 2015/443 van de Commissie 40 en [Verordening (EG) nr. 45/2001].

3.Het Agentschap gebruikt, in voorkomend geval, de in lid 2 bedoelde informatiesystemen voor het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk.

4.Met betrekking tot terugkeer ontwikkelt en beheert het Agentschap een centraal terugkeerbeheersysteem voor de verwerking van alle automatisch door de nationale systemen van de lidstaten doorgegeven informatie die het nodig heeft om overeenkomstig artikel 49 operationele bijstand te verlenen, met inbegrip van operationele gegevens over terugkeer.

Artikel 16
Technische normen voor de uitwisseling van informatie

Het Agentschap ontwikkelt technische normen:

(a)voor de interconnectie van het communicatienetwerk met de nationale netwerken die worden gebruikt om nationale situatiebeelden te creëren en met andere relevante informatiesystemen voor de toepassing van deze verordening;

(b)voor de ontwikkeling en koppeling van relevante systemen voor informatie-uitwisseling en van softwaretoepassingen van het Agentschap en de lidstaten voor de toepassing van deze verordening;

(c)voor het versturen van situatiebeelden en, waar van toepassing, specifieke situatiebeelden en voor de communicatie tussen de relevante eenheden en centra van de nationale autoriteiten en met de door het Agentschap ingezette teams aan de hand van diverse communicatiemiddelen, zoals satellietcommunicatie en radionetwerken;

(d)voor het melden van de positie van de eigen middelen, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de technologische ontwikkeling van het satellietnavigatiesysteem dat in het kader van het Galileo-programma is ingesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad 41 .

Artikel 17
Informatieborging

De lidstaten waarborgen via hun nationale coördinatiecentrum dat hun nationale autoriteiten, agentschappen en andere organen die gebruikmaken van het communicatienetwerk en de systemen voor informatie-uitwisseling van het Agentschap:

(a)een goede toegang hebben tot de relevante systemen en netwerken;

(b)de in artikel 16 bedoelde technische normen toepassen;

(c)voor het behandelen van gerubriceerde informatie veiligheidsvoorschriften en normen toepassen die gelijkwaardig zijn aan diegene die door het Agentschap worden toegepast;

(d)gevoelige niet-gerubriceerde en gerubriceerde informatie uitwisselen, verwerken en opslaan in overeenstemming met Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie.

Afdeling 3
Eurosur

Artikel 18
Eurosur

Bij deze verordening wordt Eurosur ingesteld als een geïntegreerd kader voor informatie-uitwisseling en samenwerking binnen de Europese grens- en kustwacht om het situationeel bewustzijn te verbeteren en het reactievermogen ten aanzien van het grensbeheer van de Unie te vergroten, waarmee wordt beoogd illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit op te sporen, te voorkomen en te bestrijden en bij te dragen tot het beschermen en het redden van de levens van migranten.

Artikel 19
Toepassingsgebied van Eurosur

(1)Eurosur is van toepassing op de grenscontroles aan aangewezen grensdoorlaatposten en op de bewaking van de zee-, land- en luchtbuitengrenzen, met inbegrip van het monitoren, opsporen, identificeren, volgen, voorkomen en onderscheppen van niet-toegestane grensoverschrijdingen, waarmee wordt beoogd illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit op te sporen, te voorkomen en te bestrijden en bij te dragen tot het beschermen en het redden van de levens van migranten.

(2)Eurosur is niet van toepassing op wettelijke of administratieve maatregelen die door de verantwoordelijke autoriteiten van een lidstaat worden genomen na de onderschepping van grensoverschrijdende criminele activiteiten of niet-toegestane grensoverschrijdingen door personen.

Artikel 20
Componenten van Eurosur

(1)Voor de informatie-uitwisseling en de samenwerking op het gebied van grenscontroles gebruiken de lidstaten en het Agentschap het Eurosur-kader, dat uit de volgende componenten bestaat:

(a)nationale coördinatiecentra;

(b)nationale situatiebeelden;

(c)een Europees situatiebeeld, dat de buitengrenssegmenten en de daarbij horende impactniveaus omvat;

(d)specifieke situatiebeelden;

(e)de in artikel 29 bedoelde Fusion Services van Eurosur;

(f)de geïntegreerde planning overeenkomstig de artikelen 9 en 67.

(2)De nationale coördinatiecentra verstrekken het Agentschap, via het communicatienetwerk en relevante systemen, de informatie uit hun nationale situatiebeelden en, waar van toepassing, specifieke situatiebeelden, die nodig is om het Europees situatiebeeld op te stellen en up-to-date te houden.

(3)Het Agentschap geeft de nationale coördinatiecentra 24 uur per dag en zeven dagen per week via het communicatienetwerk onbeperkte toegang tot specifieke situatiebeelden en tot het Europees situatiebeeld.

Artikel 21
Nationaal coördinatiecentrum

(1)Elke lidstaat voorziet in de aanwijzing, het beheer en de instandhouding van een nationaal coördinatiecentrum, dat belast is met de coördinatie van informatie en de uitwisseling daarvan tussen alle autoriteiten die op nationaal niveau belast zijn met toezicht op de buitengrenzen, en met de andere nationale coördinatiecentra en het Agentschap. Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de oprichting van het nationale coördinatiecentrum, waarna de Commissie daarvan aan de andere lidstaten en het Agentschap onverwijld mededeling doet.

(2)Onverminderd artikel 13 en binnen het kader van Eurosur is het nationale coördinatiecentrum het enige contactpunt voor de informatie-uitwisseling en voor de samenwerking met andere nationale coördinatiecentra en met het Agentschap.

(3)Het nationaal coördinatiecentrum:

(a)draagt zorg voor de tijdige informatie-uitwisseling en de tijdige samenwerking tussen alle nationale autoriteiten met een taak op het gebied van toezicht op de buitengrenzen en met andere nationale coördinatiecentra en het Agentschap;

(b)draagt zorg voor de tijdige informatie-uitwisseling met opsporings- en reddings-, rechtshandhavings-, asiel- en immigratie-instanties en voor de verspreiding van relevante informatie op nationaal niveau;

(c)draagt bij tot een doelmatig en efficiënt beheer van middelen en personeel;

(d)stelt het nationale situatiebeeld op en houdt dit in stand overeenkomstig artikel 26;

(e)ondersteunt en coördineert de planning en uitvoering van nationale activiteiten op het gebied van grenstoezicht;

(f)coördineert het nationale systeem voor grenstoezicht, overeenkomstig het nationale recht;

(g)draagt bij tot de regelmatige meting van de effecten van het nationale grenstoezicht voor de toepassing van deze verordening;

(h)coördineert operationele maatregelen met andere lidstaten en met derde landen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van het Agentschap en van de andere lidstaten;

(i)wisselt relevante informatie uit met de dienstdoende nationale immigratieverbindingsfunctionarissen, teneinde bij te dragen aan het Europees situatiebeeld en steun te bieden bij grenstoezichtoperaties;

(j)coördineert de gebruikerstoegang en de veiligheid van de informatiesystemen van de lidstaten en van het Agentschap.

(4)Het nationale coördinatiecentrum is 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel.

Artikel 22
Toewijzing van taken aan andere autoriteiten in de lidstaten

(1)De lidstaten kunnen regionale, lokale, functionele of andere autoriteiten die operationele besluiten kunnen nemen, de opdracht geven om binnen hun respectieve bevoegdheden zorg te dragen voor het situationeel bewustzijn en reactievermogen, met inbegrip van de taken en verantwoordelijkheden als bedoeld in artikel 21, lid 3, onder c), e) en f).

(2)Het besluit van de lidstaat om taken toe te wijzen overeenkomstig lid 1 heeft geen invloed op de bevoegdheid van het nationale coördinatiecentrum om samen te werken en informatie uit te wisselen met andere nationale coördinatiecentra en het Agentschap.

(3)In op nationaal niveau bepaalde vooraf omschreven gevallen kan het nationale coördinatiecentrum een autoriteit als bedoeld in lid 1 machtigen om te communiceren en informatie uit te wisselen met de regionale autoriteiten of het nationale coördinatiecentrum van een andere lidstaat of de bevoegde autoriteiten van een derde land, mits die autoriteit het eigen nationale coördinatiecentrum regelmatig informeert over dergelijke communicatie en informatie-uitwisseling.

Artikel 23
Eurosur-handboek

(1)De Commissie, bijgestaan door een comité overeenkomstig de in artikel 117, lid 2, bedoelde procedure, stelt, in nauwe samenwerking met het Agentschap en alle andere bevoegde organen en instanties van de Unie, een praktisch handboek op voor de tenuitvoerlegging en het beheer van Eurosur ("het handboek") en stelt dat ter beschikking. Het handboek bevat technische en operationele richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken, ook inzake de samenwerking met derde landen. Het handboek wordt door de Commissie in de vorm van een aanbeveling goedgekeurd.

(2)De Commissie kan in overleg met de lidstaten en het Agentschap besluiten bepaalde onderdelen van het handboek te rubriceren als RESTREINT UE/EU RESTRICTED overeenkomstig de voorschriften van het reglement van orde van de Commissie.

Artikel 24
Monitoring van Eurosur

(1)Het Agentschap en de lidstaten zorgen voor procedures waarmee kan worden nagegaan of Eurosur in technisch en operationeel opzicht voldoet aan de doelstelling om een toereikend situationeel bewustzijn en reactievermogen aan de buitengrenzen tot stand te brengen.

(2)Het Agentschap monitort voortdurend de kwaliteit van de dienstverlening door het communicatienetwerk en de kwaliteit van de gegevens die in het situatiebeeld van Eurosur worden gedeeld.

(3)Het Agentschap zendt aan de relevante gebruikers informatie over de kwaliteitscontrole als onderdeel van de Fusion Services van Eurosur. Die informatie krijgt de rubricering RESTREINT UE/EU RESTRICTED.


Afdeling 4
Situationeel bewustzijn

Artikel 25
Situatiebeelden

(1)De nationale situatiebeelden, het Europees situatiebeeld en de specifieke situatiebeelden worden verkregen door middel van verzameling, evaluatie, onderlinge vergelijking, analyse, interpretatie, productie, visualisatie en verspreiding van informatie.

De in lid 1 bedoelde situatiebeelden bestaan uit de volgende lagen:

(a)een gebeurtenissenlaag, die alle gebeurtenissen bevat die verband houden met onrechtmatige grensoverschrijdingen, grensoverschrijdende criminaliteit en de opsporing van niet-toegestane secundaire bewegingen;

(b)een operationele laag die informatie over de operaties bevat, met inbegrip van het plan voor de inzet, het operationele gebied, de patrouilleschema's en communicatiecodes en de positie, de tijd, de status en het type van middelen die overeenkomstig het operationele plan worden ingezet;

(c)een analyselaag die geanalyseerde informatie bevat die relevant is voor de toepassing van deze verordening en met name voor de vaststelling van impactniveaus voor de buitengrenssegmenten, met inbegrip van beeld- en geografische gegevens, belangrijke ontwikkelingen en indicatoren, analytische rapporten en andere relevante ondersteunende informatie.

(2)De in lid 1 bedoelde situatiebeelden maken het mogelijk gebeurtenissen, operaties en de bijbehorende analyse te identificeren en te volgen wanneer mensenlevens in gevaar zijn.

(3)De in lid 1 bedoelde gebeurtenissenlaag, operationele laag en analyselaag van de situatiebeelden hebben dezelfde structuur.

(4)De bijzonderheden met betrekking tot de informatielagen van de situatiebeelden en de regels voor het opstellen van specifieke situatiebeelden worden bepaald in een uitvoeringshandeling die door de Commissie wordt vastgesteld volgens de in artikel 117, lid 3, bedoelde procedure.

In die uitvoeringshandeling wordt het soort informatie dat moet worden verstrekt, gespecificeerd, alsmede de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen, verwerken, archiveren en doorzenden van specifieke informatie, de maximumtermijnen voor de verslaglegging, de regels inzake gegevensbeveiliging en -bescherming en de bijbehorende mechanismen voor kwaliteitscontrole.

Artikel 26
Nationaal situatiebeeld

(1)Het nationaal coördinatiecentrum stelt een nationaal situatiebeeld op en houdt dit in stand om alle autoriteiten met taken op het gebied van grenstoezicht tijdig van doelmatige en nauwkeurige informatie te voorzien.

(2)Het nationale situatiebeeld is samengesteld uit informatie die is verzameld uit de volgende bronnen:

(a)het nationale grensbewakingssysteem, overeenkomstig het nationale recht;

(b)stationaire en mobiele sensoren die worden beheerd door nationale autoriteiten met een taak op het gebied van de bewaking van buitengrenzen;

(c)patrouilles voor grensbewaking en andere monitoringmissies;

(d)lokale, regionale en andere coördinatiecentra;

(e)andere bevoegde nationale instanties en systemen, waaronder immigratieverbindingsfunctionarissen, operationele centra en contactpunten;

(f)grenscontroles;

(g)het Agentschap;

(h)nationale coördinatiecentra in andere lidstaten;

(i)autoriteiten van derde landen op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten en regionale netwerken als bedoeld in artikel 75;

(j)scheepsrapportagesystemen overeenkomstig hun respectieve rechtsgrondslagen;

(k)andere relevante Europese en internationale organisaties;

(l)overige bronnen.

(3)Het nationale coördinatiecentrum kent in de gebeurtenissenlaag van het nationale situatiebeeld voor elk incident één indicatief impactniveau toe op een schaal gaande van "laag" naar "gemiddeld" tot "hoog" en "kritiek". Alle incidenten worden aan het Agentschap gemeld.

(4)Het nationaal coördinatiecentrum kan op verzoek van de bevoegde nationale autoriteit besluiten de toegang tot informatie die verband houdt met militaire middelen, te beperken op een "need-to-know"-basis.

(5)De nationale coördinatiecentra van aangrenzende lidstaten delen met elkaar, direct en in bijna realtime, het situatiebeeld van aangrenzende buitengrenssegmenten, met inbegrip van de positie, de status en het type van de in de aangrenzende buitengrenssegmenten ingezette eigen middelen.

Artikel 27
Europees situatiebeeld

(1)Het Agentschap stelt een Europees situatiebeeld op en houdt dit in stand om de nationale coördinatiecentra en de Commissie tijdig te voorzien van doelmatige en nauwkeurige informatie en analyse, die betrekking hebben op de buitengrenzen, het gebied vóór de grens en niet-toegestane secundaire bewegingen.

(2)Het Europees situatiebeeld wordt samengesteld uit informatie die is verzameld uit de volgende bronnen:

(a)nationale coördinatiecentra en nationale situatiebeelden, voor zover dit op grond van dit artikel vereist is, alsmede informatie en rapporten die zijn ontvangen van de immigratieverbindingsfunctionarissen;

(b)het Agentschap en de door zijn verbindingsfunctionarissen overeenkomstig de artikelen 32 en 77 verstrekte informatie en rapporten;

(c)delegaties van de Unie en missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

(d)andere bevoegde organen en instanties van de Unie en internationale organisaties als bedoeld in artikel 69;

(e)autoriteiten van derde landen op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten en regionale netwerken als bedoeld in artikel 73 en werkafspraken als bedoeld in artikel 74, lid 1;

(f)overige bronnen.

(3)De gebeurtenissenlaag van het Europees situatiebeeld bevat informatie over:

(a)incidenten en andere gebeurtenissen die zijn opgenomen in de gebeurtenissenlaag van het nationale situatiebeeld;

(b)incidenten en andere gebeurtenissen die zijn opgenomen in het gemeenschappelijke inlichtingenbeeld van de situatie in het gebied vóór de grens;

(c)incidenten in het operationele gebied van een gezamenlijke operatie of bij een door het Agentschap gecoördineerde snelle interventie, of in een hotspot of gecontroleerd centrum.

(4)De operationele laag van het Europees situatiebeeld bevat informatie over de gezamenlijke operaties en de door het Agentschap gecoördineerde snelle interventies en over de hotspots en de gecontroleerde centra, waaronder de taakomschrijving, de locatie, de status en de duur en informatie over de lidstaten en andere betrokken actoren, alsmede dagelijkse en wekelijkse situatieverslagen, statistische gegevens en informatiepakketten voor de media.

(5)De informatie over eigen middelen in de operationele laag van het Europees situatiebeeld kan indien nodig worden gerubriceerd als RESTREINT UE/EU RESTRICTED.

(6)Het Agentschap houdt voor het Europees situatiebeeld rekening met het impactniveau dat door het nationale coördinatiecentrum in het nationale situatiebeeld aan een specifiek incident is toegekend, en voor elk incident in het gebied vóór de grens stelt het één indicatief impactniveau vast en brengt het de nationale coördinatiecentra daarvan op de hoogte.

Artikel 28
Specifieke situatiebeelden

(1)Het Agentschap en de lidstaten kunnen specifieke situatiebeelden opstellen en in stand houden teneinde specifieke operationele activiteiten aan de buitengrenzen te ondersteunen of informatie te delen met derden als bedoeld in artikel 69 of met derde landen overeenkomstig artikel 76 of beide.

(2)De specifieke situatiebeelden worden samengesteld uit een subset van de informatie uit de nationale en Europese situatiebeelden.

(3)De nadere bepalingen voor het opstellen en delen van de specifieke situatiebeelden worden omschreven in het operationele plan voor de betrokken operationele activiteiten en in de bilaterale of multilaterale overeenkomst indien het specifieke situatiebeeld is opgesteld in het kader van bilaterale of multilaterale samenwerking met derde landen.

Artikel 29
Fusion Services van Eurosur

(1)Het Agentschap coördineert de Fusion Services van Eurosur teneinde de nationale coördinatiecentra, de Commissie en zichzelf op regelmatige, betrouwbare en kostenefficiënte wijze te voorzien van informatie over de buitengrenzen en het gebied vóór de grens.

(2)Het Agentschap verstrekt aan een nationaal coördinatiecentrum dat daarom verzoekt, informatie over de buitengrenzen van de verzoekende lidstaat en het gebied vóór de grens, die afkomstig kan zijn uit:

(a)de selectieve monitoring van aangewezen havens en kusten van derde landen die op basis van risicoanalyse en -informatie zijn geïdentificeerd als inschepings- of doorvoerpunten voor vaartuigen of andere vervoermiddelen die worden gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

(b)het op volle zee volgen van een vaartuig of een ander vervoermiddel dat vermoedelijk of daadwerkelijk wordt gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

(c)de monitoring van aangewezen gebieden in het maritieme domein om vaartuigen en andere vervoermiddelen die daadwerkelijk of vermoedelijk worden gebruikt voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit, op te sporen, te identificeren en te volgen;

(d)een omgevingsanalyse van aangewezen gebieden in het maritieme domein en aan de land- en luchtbuitengrenzen om controle- en patrouilleactiviteiten te optimaliseren;

(e)de selectieve monitoring van aangewezen gebieden vóór de buitengrenzen die aan de hand van risicoanalyse en -informatie zijn aangemerkt als potentiële vertrek- of doorvoergebieden voor illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

(f)de monitoring van migratiestromen naar en binnen de Unie;

(g)mediamonitoring, openbroninformatie en analyse van internetactiviteiten in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad 42 ter voorkoming van illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit;

(h)analyse van grootschalige informatiesystemen voor de opsporing van wijzigingen van routes en methoden die worden gebruikt voor illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit.

(3)Het Agentschap kan een verzoek van een nationaal coördinatiecentrum afwijzen op technische, financiële of operationele gronden. Het Agentschap stelt het nationale coördinatiecentrum tijdig in kennis van de redenen voor de afwijzing.

(4)Het Agentschap kan de in lid 2 bedoelde bewakingsinstrumenten op eigen initiatief gebruiken om informatie over het gebied vóór de grens te verzamelen die relevant is voor het Europees situatiebeeld.


Afdeling 5
RISICOANALYSE

Artikel 30
Risicoanalyse

1.Het Agentschap monitort migratiestromen naar en binnen de Unie, trends en andere mogelijke uitdagingen aan de buitengrenzen van de Unie en in verband met terugkeer. Het Agentschap stelt daartoe bij besluit van de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel vast, dat door het Agentschap en de lidstaten wordt toegepast. Het gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel wordt bijgewerkt op basis van de resultaten van de evaluatie van de in artikel 8, lid 7, bedoelde cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer. Het Agentschap verricht ook de kwetsbaarheidsbeoordeling overeenkomstig artikel 33.

2.Het Agentschap stelt jaarlijkse algemene risicoanalyses op, die bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie worden ingediend overeenkomstig artikel 91, en op maat gemaakte risicoanalyses voor operationele activiteiten. Om de twee jaar stelt het Agentschap een strategische risicoanalyse voor het Europees geïntegreerd grensbeheer op, die bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt ingediend; die analyse wordt in aanmerking genomen voor de opstelling van de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer.

3.De in lid 2 bedoelde, door het Agentschap op te stellen risicoanalyses bestrijken alle voor Europees geïntegreerd grensbeheer relevante aspecten, met als doel het ontwikkelen van een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing.

4.De lidstaten verstrekken het Agentschap alle nodige informatie over de situatie, over trends en mogelijke dreigingen aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer. De lidstaten verstrekken het Agentschap regelmatig, of op zijn verzoek, alle relevante informatie, zoals statistische en operationele gegevens die tijdens de uitvoering van het Schengenacquis zijn verzameld, alsmede informatie afgeleid uit de analyselaag van het in artikel 26 bedoelde nationale situatiebeeld.

5.De resultaten van de risicoanalyse worden tijdig en op nauwgezette wijze aan de raad van bestuur voorgelegd.

6.De lidstaten houden met de resultaten van de risicoanalyse rekening bij het plannen van hun operaties en activiteiten aan de buitengrenzen en hun activiteiten op het gebied van terugkeer.

7.Het Agentschap verwerkt de resultaten van het gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel bij de ontwikkeling van gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachters en personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken.


Afdeling 6
Preventie en reactievermogen

Artikel 31
Vaststelling van buitengrenssegmenten

Voor de toepassing van deze verordening verdeelt elke lidstaat zijn land- en zeebuitengrenzen en, indien van toepassing, zijn luchtbuitengrenzen in grenssegmenten en hij brengt ze ter kennis van het Agentschap.

Elke wijziging van een grenssegment door een lidstaat wordt met het Agentschap gecoördineerd om de continuïteit van de risicoanalyse door het Agentschap te waarborgen.

Artikel 32
Verbindingsfunctionarissen van het Agentschap in de lidstaten

1.Het Agentschap zorgt ervoor dat het beheer door alle lidstaten van de buitengrenzen en van terugkeer regelmatig door verbindingsfunctionarissen van het Agentschap wordt gemonitord.

Het Agentschap kan besluiten dat een verbindingsfunctionaris verantwoordelijk is voor maximaal vier geografisch dicht bij elkaar gelegen lidstaten.

2.De uitvoerend directeur wijst uit het statutair personeel van het Agentschap deskundigen aan die als verbindingsfunctionarissen worden ingezet. De uitvoerend directeur presenteert, op basis van een risicoanalyse en in overleg met de betrokken lidstaten, een voorstel betreffende de aard en de nadere voorwaarden van de inzet, de lidstaat of regio waar de verbindingsfunctionaris wordt ingezet en de mogelijke taken die niet onder lid 3 vallen. Het voorstel van de uitvoerend directeur moet door de raad van bestuur worden goedgekeurd. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat in kennis van de aanwijzing van de verbindingsfunctionaris en bepaalt samen met de lidstaat op welke locatie de betrokkene wordt ingezet.

3.De verbindingsfunctionarissen treden op namens het Agentschap en hun rol is het bevorderen van de samenwerking en de dialoog tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren. De verbindingsfunctionarissen hebben met name tot taak:

(a)op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten die met het grensbeheer en het terugkeerbeleid zijn belast, inclusief de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren;

(b)steun te verlenen aan het verzamelen van de informatie die het Agentschap nodig heeft voor monitoring van illegale migratie en risicoanalyse als bedoeld in artikel 30;

(c)steun te verlenen aan het verzamelen van de in artikel 33 bedoelde informatie die het Agentschap nodig heeft voor het verrichten van de kwetsbaarheidsbeoordeling;

(d)de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert bij grenssegmenten waarvoor overeenkomstig artikel 35 een hoog of kritiek impactniveau is vastgesteld;

(e)bij te dragen tot het bevorderen van de toepassing van het acquis van de Unie inzake het beheer van de buitengrenzen en terugkeer, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten;

(f)de lidstaten waar mogelijk bijstand te verlenen bij het opstellen van hun noodplannen inzake grensbeheer;

(g)de communicatie tussen de lidstaten en het Agentschap te bevorderen en relevante informatie van het Agentschap te delen met de lidstaat, waaronder informatie over lopende operaties;

(h)regelmatig verslag uit te brengen aan de uitvoerend directeur over de situatie aan de buitengrenzen en het vermogen van de betrokken lidstaat om de situatie aan de buitengrenzen doeltreffend het hoofd te bieden, en over de uitvoering van terugkeeroperaties naar relevante derde landen;

(i)de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert ten aanzien van een situatie aan de buitengrenzen die dringend optreden vereist, als bedoeld in artikel 43;

(j)de maatregelen te monitoren die de lidstaat uitvoert op het gebied van terugkeer, en steun te verlenen aan het verzamelen van de informatie die het Agentschap nodig heeft om de in artikel 49 bedoelde activiteiten te verrichten.

4.Indien het in lid 3, onder h), bedoelde verslag van de verbindingsfunctionaris aanleiding geeft tot bezorgdheid over een of meer van deze aspecten die voor de betrokken lidstaat relevant zijn, wordt deze laatste onverwijld door de uitvoerend directeur daarvan op de hoogte gebracht.

5.Voor de toepassing van lid 3 moet de verbindingsfunctionaris overeenkomstig de nationale en Unievoorschriften inzake beveiliging en gegevensbescherming:

(a)informatie krijgen van het nationale coördinatiecentrum en van het nationale situatiebeeld dat overeenkomstig artikel 26 is opgesteld;

(b)regelmatig contact onderhouden met de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor grensbeheer en terugkeer, met inbegrip van de kustwachten voor zover deze taken op het gebied van grenstoezicht uitvoeren, en een door de betrokken lidstaat aan te wijzen aanspreekpunt.

6.Het verslag van de verbindingsfunctionaris maakt deel uit van de in artikel 33 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling. Het verslag wordt toegezonden aan de betrokken lidstaat.

7.Bij de uitvoering van zijn taken aanvaardt de verbindingsfunctionaris uitsluitend instructies van het Agentschap.

Artikel 33
Kwetsbaarheidsbeoordeling

1.Bij besluit van de raad van bestuur op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur werkt het Agentschap een gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethode uit. Deze methode bevat objectieve criteria aan de hand waarvan het Agentschap de kwetsbaarheidsbeoordeling uitvoert, de frequentie van zulke beoordelingen, de wijze waarop opeenvolgende kwetsbaarheidsbeoordelingen van lidstaten moeten worden uitgevoerd, en nadere bepalingen met het oog op een doeltreffend systeem waarmee de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen kan worden gemonitord.

2.Het Agentschap controleert en beoordeelt de beschikbaarheid van de technische uitrusting, de systemen, de vermogens, de middelen, de infrastructuur en adequaat geschoold en opgeleid personeel van de lidstaten die nodig zijn voor het grenstoezicht, als omschreven in artikel 3, eerste alinea, onder a). In dit verband beoordeelt het Agentschap de in artikel 67, lid 4, bedoelde capaciteitenontwikkelingsplannen wat betreft de haalbaarheid en uitvoering ervan. Voor de toekomstige planning doet het dat als voorzorgsmaatregel op basis van de overeenkomstig artikel 30, lid 2, opgestelde risicoanalyse. Het Agentschap doet deze controle en beoordeling ten minste eenmaal per jaar tenzij de uitvoerend directeur, op basis van risicoanalyses of een voorgaande kwetsbaarheidsbeoordeling, anders besluit.

3.Onverminderd de artikelen 9 en 67 verstrekken de lidstaten op verzoek van het Agentschap informatie over hun technische uitrusting en de personele en, voor zover mogelijk, financiële middelen die op nationaal niveau voor de uitvoering van het grenstoezicht beschikbaar zijn. De lidstaten verstrekken op verzoek van het Agentschap ook informatie over hun noodplannen inzake grensbeheer.

4.De kwetsbaarheidsbeoordeling houdt in dat het Agentschap een beoordeling verricht van het vermogen en de paraatheid van de lidstaten om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden, waaronder de huidige en toekomstige dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen; dat het Agentschap, met name voor lidstaten die specifieke en onevenredig grote uitdagingen ondervinden, mogelijke onmiddellijke gevolgen aan de buitengrenzen en latere gevolgen voor de werking van het Schengengebied in kaart brengt; en dat het een beoordeling verricht van het vermogen van de lidstaten om bij te dragen tot het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de pool van technische uitrusting, met inbegrip van de pool van uitrusting voor snelle reactie. Die beoordeling laat het Schengenevaluatiemechanisme onverlet.

5.Bij de kwetsbaarheidsbeoordeling houdt het Agentschap rekening met de capaciteit van de lidstaten om alle grensbeheertaken uit te voeren, met inbegrip van hun vermogen om in te spelen op de komst van een groot aantal personen op hun grondgebied.

6.De resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling worden voorgelegd aan de betrokken lidstaten. De betrokken lidstaten kunnen opmerkingen formuleren over die beoordeling.

7.Indien nodig doet de uitvoerend directeur in overleg met de betrokken lidstaat een aanbeveling inzake de maatregelen die de betrokken lidstaat moet nemen, waarin tevens de termijn is aangegeven waarbinnen de maatregelen moeten worden genomen. De uitvoerend directeur nodigt de betrokken lidstaten uit om de nodige maatregelen te nemen op basis van een actieplan dat door de lidstaat, in overleg met de uitvoerend directeur, wordt opgesteld.

8.De uitvoerend directeur beveelt aan de betrokken lidstaten maatregelen aan die zijn gebaseerd op de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de risicoanalyse van het Agentschap, de opmerkingen van de betrokken lidstaat en de resultaten van het Schengenevaluatiemechanisme.

De maatregelen moeten gericht zijn op het wegwerken van de in de beoordeling vastgestelde kwetsbaarheden opdat de lidstaten hun paraatheid ten aanzien van aankomende problemen zouden verhogen door het versterken of verbeteren van hun vermogens, technische uitrusting, systemen, middelen en noodplannen.

9.De uitvoerend directeur monitort de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen aan de hand van regelmatige verslagen die de lidstaten indienen op basis van de in lid 7 van dit artikel bedoelde actieplannen.

Als de tenuitvoerlegging van een aanbeveling door een lidstaat binnen de vastgestelde termijn vertraging dreigt op te lopen, brengt de uitvoerend directeur onverwijld het lid van de raad van bestuur dat afkomstig is uit de betrokken lidstaat, en de Commissie op de hoogte, informeert hij bij de bevoegde autoriteiten van die lidstaat naar de reden voor de vertraging en biedt hij steun van het Agentschap aan bij de tenuitvoerlegging van de maatregel.

10.Indien een lidstaat nalaat binnen de in lid 7 van dit artikel gestelde termijn de nodige maatregelen van de aanbeveling uit te voeren, legt de uitvoerend directeur de zaak voor aan de raad van bestuur en stelt hij de Commissie daarvan in kennis. Op voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur een besluit vast inzake de nodige maatregelen die de betrokken lidstaat moet nemen en de termijn waarbinnen die maatregelen moeten worden uitgevoerd. Het besluit van de raad van bestuur is voor de betrokken lidstaat bindend. Indien de lidstaat nalaat binnen de in dat besluit gestelde termijn de maatregelen uit te voeren, stelt de raad van bestuur de Raad en de Commissie daarvan in kennis en kunnen overeenkomstig artikel 43 verdere maatregelen worden genomen.

11.De resultaten van kwetsbaarheidsbeoordelingen worden overeenkomstig artikel 91 regelmatig en ten minste eenmaal per jaar doorgegeven aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie.

Artikel 34
Synergieën tussen de kwetsbaarheidsbeoordeling en het Schengenevaluatiemechanisme

1.Er wordt gezorgd voor een maximale synergie tussen de kwetsbaarheidsbeoordelingen en het bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 ingestelde Schengenevaluatiemechanisme teneinde een verbeterd situatiebeeld van de werking van het Schengengebied te kunnen opstellen, zoveel mogelijk te vermijden dat de lidstaten dubbel werk doen, en te zorgen voor een beter gecoördineerd gebruik van de relevante financieringsinstrumenten van de Unie ter ondersteuning van het beheer van de buitengrenzen.

2.Voor het in lid 1 bedoelde doel treffen de Commissie en het Agentschap de nodige regelingen om regelmatig en tijdig alle informatie in verband met de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordelingen en het Schengenevaluatiemechanisme op het gebied van grensbeheer op een beveiligde wijze met elkaar te delen. Het uitwisselingsmechanisme heeft betrekking op de verslagen inzake kwetsbaarheidsbeoordelingen en Schengenevaluatiebezoeken en op de daaropvolgende aanbevelingen, de actieplannen en alle door de lidstaten verstrekte updates over de tenuitvoerlegging van de actieplannen.

3.De in lid 2 bedoelde regelingen hebben onder meer betrekking op de resultaten van het Schengenevaluatiemechanisme op het gebied van terugkeer, teneinde ervoor te zorgen dat het Agentschap zich volledig bewust is van de vastgestelde tekortkomingen en passende maatregelen kan voorstellen om de lidstaten op dit punt te ondersteunen.

Artikel 35
Vaststelling van impactniveaus voor buitengrenssegmenten

1.Op basis van de door het Agentschap uitgevoerde risicoanalyse en kwetsbaarheidsbeoordeling en in overeenstemming met de betrokken lidstaat bepaalt het Agentschap voor elk segment van de land- en zeebuitengrenzen en, indien van toepassing, de luchtbuitengrenzen van de lidstaten een van de volgende impactniveaus of wijzigt hij die niveaus:

(a)het impactniveau "laag" wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, geen significante gevolgen voor de grensbeveiliging hebben;

(b)het impactniveau "gemiddeld" wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, middelmatige gevolgen voor de grensbeveiliging hebben;

(c)het impactniveau "hoog" wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, significante gevolgen voor de grensbeveiliging hebben;

(d)het impactniveau "kritiek" wanneer incidenten met betrekking tot illegale immigratie of grensoverschrijdende criminaliteit die zich voordoen in het grenssegment in kwestie, dermate ingrijpende gevolgen voor de grensbeveiliging hebben dat de werking van het Schengengebied erdoor in gevaar dreigt te komen.

2.Het nationale coördinatiecentrum beoordeelt voortdurend of het impactniveau van de grenssegmenten moet worden gewijzigd, hierbij rekening houdend met de informatie in het nationaal situatiebeeld, en stelt het Agentschap daarvan in kennis.

3.Het Agentschap maakt de voor de buitengrenzen vastgestelde impactniveaus zichtbaar in het Europees situatiebeeld.

Artikel 36
Reactie overeenkomstig de impactniveaus

1.De lidstaten zorgen er op de navolgende wijze voor dat het grenstoezicht op de buitengrenssegmenten als volgt in overeenstemming is met de vastgestelde impactniveaus:

(a)wanneer voor een buitengrenssegment het impactniveau "laag" is vastgesteld, organiseren de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht op de buitengrenzen, op basis van een risicoanalyse regelmatig toezicht en zorgen zij ervoor dat er in het grensgebied voldoende personeel en middelen beschikbaar worden gehouden om volg-, identificatie- en onderscheppingsactiviteiten uit te voeren;

(b)wanneer voor een buitengrenssegment het impactniveau "gemiddeld" is vastgesteld, nemen de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht op de buitengrenzen, de onder a) genoemde maatregelen en zorgen zij er tevens voor dat passende toezichtsmaatregelen worden uitgevoerd aan het betrokken grenssegment. Wanneer dergelijke toezichtsmaatregelen worden genomen, wordt het nationale coördinatiecentrum daarvan in kennis gesteld. Het nationale coördinatiecentrum coördineert de verstrekte ondersteuning overeenkomstig artikel 21, lid 3;

(c)wanneer voor een buitengrenssegment het impactniveau "hoog" is vastgesteld, nemen de betrokken lidstaten de onder b) genoemde maatregelen en zorgen zij er tevens via het nationale coördinatiecentrum voor dat de nationale autoriteiten die aan dat buitengrenssegment actief zijn, de nodige ondersteuning krijgen en dat het toezicht wordt verscherpt. De betrokken lidstaat kan het Agentschap onder de in artikel 37 vastgestelde voorwaarden voor het initiëren van gezamenlijke acties of snelle grensinterventies om ondersteuning verzoeken;

(d)wanneer voor een buitengrenssegment het impactniveau "kritiek" is vastgesteld, stelt het Agentschap de Commissie daarvan in kennis. De betrokken lidstaat en het Agentschap nemen de onder c) genoemde maatregelen en voeren tevens de aanbeveling uit die overeenkomstig artikel 42 door de uitvoerend directeur van het Agentschap is gedaan.

2.Het nationale coördinatiecentrum informeert het Agentschap regelmatig over de krachtens lid 1, onder b), c) en d), op nationaal niveau genomen maatregelen.

3.Wanneer het impactniveau "gemiddeld", "hoog" of "kritiek" wordt vastgesteld voor een buitengrenssegment dat grenst aan een grenssegment van een andere lidstaat of van een derde land waarmee overeenkomsten zijn gesloten of regionale netwerken zijn opgezet, als bedoeld in de artikelen 73 en 74, treedt het nationale coördinatiecentrum in contact met het nationale coördinatiecentrum van de aangrenzende lidstaat of de bevoegde autoriteit van het aangrenzende derde land en streeft het ernaar samen met het Agentschap de nodige grensoverschrijdende maatregelen te coördineren.

4.Het Agentschap evalueert samen met de betrokken lidstaten de vaststelling van de impactniveaus en de overeenkomstige maatregelen die op nationaal niveau en op het niveau van de Unie zijn genomen. Die evaluatie draagt bij tot de kwetsbaarheidsbeoordeling door het Agentschap overeenkomstig artikel 33.


Afdeling 7
Maatregelen van het Agentschap aan de buitengrenzen

Artikel 37
Maatregelen van het Agentschap aan de buitengrenzen

1.Een lidstaat kan het Agentschap om bijstand vragen bij de uitvoering van zijn verplichtingen inzake het toezicht op de buitengrenzen. Het Agentschap voert tevens maatregelen uit overeenkomstig de artikelen 42 en 43.

2.Het Agentschap organiseert passende technische en operationele bijstand voor de ontvangende lidstaat en kan met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en internationale recht, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, een of meer van de volgende maatregelen nemen:

(a)coördinatie van gezamenlijke operaties ten behoeve van een of meer lidstaten en inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en van technische uitrusting;

(b)organisatie van snelle grensinterventies en inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en van technische uitrusting;

(c)coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met derde landen;

(d)inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, onder meer in hotspotgebieden of in gecontroleerde centra, zo nodig ook om technische en operationele bijstand te bieden bij terugkeeractiviteiten;

(e)in het kader van de in dit lid, onder a), b) en c), vermelde operaties en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationale recht, verlening van technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

(f)verlening van prioriteit aan de Fusion Services van Eurosur.

3.Het Agentschap financiert of medefinanciert de in lid 2 bedoelde activiteiten uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

4.Indien het Agentschap op grond van de situatie aan de buitengrenzen behoefte heeft aan aanzienlijk meer financiële middelen, stelt het het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 38
Gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies aan de buitengrenzen

1.Een lidstaat kan het Agentschap verzoeken gezamenlijke operaties op te zetten om toekomstige uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, waaronder illegale immigratie, huidige of toekomstige dreigingen aan zijn buitengrenzen of grensoverschrijdende criminaliteit, of uitgebreidere technische of om operationele bijstand te verlenen met het oog op de uitvoering van zijn verplichtingen ten aanzien van het toezicht op de buitengrenzen.

2.Op verzoek van een lidstaat die geconfronteerd wordt met een situatie van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, in het bijzonder de toestroom op bepaalde punten aan de buitengrenzen van grote aantallen onderdanen van derde landen die trachten onrechtmatig het grondgebied van die lidstaat binnen te komen, kan het Agentschap voor een beperkte periode een snelle grensinterventie opzetten op het grondgebied van die ontvangende lidstaat.

3.Voor de evaluatie, de goedkeuring en de coördinatie van voorstellen van lidstaten voor gezamenlijke operaties is de uitvoerend directeur bevoegd. Voorafgaand aan gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies wordt een grondige, betrouwbare en actuele risicoanalyse verricht, zodat het Agentschap de prioriteit van de voorgestelde gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie kan vaststellen, rekening houdend met de effecten voor de buitengrenssegmenten overeenkomstig artikel 35 en de beschikbaarheid van middelen.

4.De doelstellingen van een gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie kunnen worden verwezenlijkt in het kader van een operatie met meerdere doelen. Die operaties kunnen zich uitstrekken tot kustwachttaken en het voorkomen van grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder het bestrijden van migrantensmokkel of mensenhandel, en migratiebeheer, zoals identificatie, registratie, debriefing en terugkeer.

Artikel 39
Operationeel plan voor gezamenlijke operaties

1.Ter voorbereiding van een gezamenlijke operatie stelt de uitvoerend directeur in samenwerking met de ontvangende lidstaat een lijst van vereiste technische uitrusting en personeel op, rekening houdend met de middelen waarover de ontvangende lidstaat beschikt. Aan de hand van deze gegevens stelt het Agentschap een pakket samen van in het operationeel plan op te nemen activiteiten op het gebied van technische en operationele versterking en capaciteitsopbouw.

2.De uitvoerend directeur stelt een operationeel plan op voor gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen. De uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat stellen in overleg met de deelnemende lidstaten het operationeel plan vast waarin de organisatorische en procedurele aspecten van de gezamenlijke operatie worden opgenomen.

3.Het operationeel plan is bindend voor het Agentschap, de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten. Het bestrijkt alle aspecten die voor de uitvoering van de gezamenlijke operatie nodig worden geacht, met inbegrip van:

(a)een beschrijving van de situatie met de modus operandi en de doelstellingen van de inzet, met inbegrip van het operationele doel;

(b)de te verwachten duur van de gezamenlijke operatie;

(c)het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie zal plaatsvinden;

(d)een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden, ook in verband met de eerbiediging van de grondrechten, en speciale instructies voor de teams, onder meer over de vraag welke databanken in de ontvangende lidstaat mogen worden geraadpleegd en welke dienstwapens, munitie en uitrusting in de ontvangende lidstaat mogen worden gebruikt;

(e)de samenstelling van de teams en de inzet van ander relevant personeel;

(f)    voorschriften inzake bevelvoering en aansturing, waaronder de naam en rang van de grenswachters van de ontvangende lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de samenwerking met de teamleden en het Agentschap, in het bijzonder van de grenswachters die tijdens de duur van de inzet het bevel voeren, alsook de plaats van de teamleden in de bevelstructuur;

(g)de bij de gezamenlijke operatie in te zetten technische uitrusting, met inbegrip van specifieke vereisten, zoals gebruiksvoorwaarden, benodigd personeel, vervoer en andere logistieke aspecten, en financiële voorzieningen;

(h)nauwkeurige bepalingen over onverwijlde rapportage van incidenten door het Agentschap aan de raad van bestuur en de bevoegde nationale instanties;

(i)een meldings- en evaluatieregeling met ijkpunten voor het evaluatieverslag, onder meer inzake de bescherming van de grondrechten, en de uiterste datum voor het indienen van het definitieve evaluatieverslag;

(j)wat operaties op zee betreft, specifieke informatie betreffende de toepassing van de relevante rechtsbevoegdheid en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het nationaal, het internationaal en het Unierecht inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping. In dit opzicht wordt het operationele plan vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014;

(k)de nadere voorwaarden voor samenwerking met derde landen, andere organen en instanties van de Unie of internationale organisaties;

(l)procedures waarmee personen die internationale bescherming behoeven, slachtoffers van mensenhandel, niet-begeleide minderjarigen en personen in een kwetsbare situatie worden verwezen naar de bevoegde nationale autoriteiten die passende bijstand kunnen verlenen;

(m)procedures ter bepaling van een mechanisme voor de ontvangst en doorzending naar het Agentschap van klachten tegen alle personen die deelnemen aan een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie, waaronder grenswachters of andere relevante personeelsleden van de ontvangende lidstaat en teamleden, over vermeende inbreuken op de grondrechten in het kader van hun deelname aan een gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie;

(n)logistieke regelingen, waaronder informatie over de werkomstandigheden en de omgeving van de gebieden waar de gezamenlijke operatie is gepland.

4.Voor wijzigingen of aanpassingen van het operationele plan is de instemming van de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat vereist, na raadpleging van de deelnemende lidstaten. Het Agentschap zendt onmiddellijk een afschrift van het gewijzigde of aangepaste operationele plan aan de deelnemende lidstaten.

Artikel 40
Procedure voor het starten van een snelle grensinterventie

1.Een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten, gaat vergezeld van een beschrijving van de situatie, de mogelijke doelen en de te verwachten behoeften. Indien nodig kan de uitvoerend directeur onmiddellijk deskundigen van het Agentschap sturen om de situatie aan de buitengrenzen van de betrokken lidstaat te beoordelen.

2.De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur onmiddellijk in kennis van een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten.

3.Bij de beslissing over het verzoek van een lidstaat houdt de uitvoerend directeur rekening met de resultaten van de door het Agentschap verrichte risicoanalyses, de analyselaag van het Europese situatiebeeld en de resultaten van de in artikel 33 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling, alsook alle andere relevante informatie die door de betrokken lidstaat of een andere lidstaat is verstrekt.

4.De uitvoerend directeur neemt uiterlijk twee werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek een beslissing over het verzoek om een snelle grensinterventie te starten. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat en de raad van bestuur gelijktijdig schriftelijk in kennis van zijn beslissing. In deze beslissing worden de voornaamste redenen vermeld waarop zij is gebaseerd. De uitvoerend directeur onderzoekt onmiddellijk of overplaatsing mogelijk is van beschikbare teamleden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, met name van statutair personeel van het Agentschap dat aanwezig is in andere operationele gebieden.

5.Indien de uitvoerend directeur beslist een snelle grensinterventie te starten, zet hij beschikbare grensbeheerteams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in, alsmede uitrusting uit de pool van technische uitrusting overeenkomstig artikel 64 en beslist hij zo nodig over de onmiddellijke versterking door een of meer grensbeheerteams overeenkomstig artikel 58.

6.De uitvoerend directeur stelt samen met de ontvangende lidstaat onmiddellijk of in ieder geval uiterlijk drie werkdagen na de datum van de beslissing een operationeel plan op als bedoeld in artikel 39, lid 3.

7.Zodra over het operationele plan overeenstemming is bereikt en het plan aan de lidstaten is verstrekt, geeft de uitvoerend directeur opdracht om onmiddellijk het beschikbare operationele personeel in te zetten door het overplaatsen van personeel uit een ander operationeel gebied of met andere taken.

8.Naast de inzet van personeel overeenkomstig lid 7 deelt de uitvoerend directeur, indien dit noodzakelijk is met het oog op een onmiddellijke versterking van de grensbeheerteams die zijn overgeplaatst vanuit een ander gebied of na andere taken te hebben vervuld, elke lidstaat mee hoeveel extra personeelsleden met welke profielen er aanvullend moeten worden ingezet vanop de nationale lijsten voor een inzet voor een korte tijd als bedoeld in artikel 58. Die informatie wordt schriftelijk verstrekt aan de nationale contactpunten onder vermelding van de voor het inzetten van de teams geplande datum. Er wordt hun tevens een kopie van het operationele plan verstrekt.

9.De lidstaten zien erop toe dat de aantallen en de profielen van het operationele personeel onmiddellijk ter beschikking van het Agentschap worden gesteld, om volledige inzetbaarheid te waarborgen overeenkomstig artikel 58, leden 5 en 7.

10.De eerste grensbeheerteams die worden overgeplaatst vanuit een ander gebied of na andere taken te hebben vervuld, worden ingezet uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming hebben bereikt over het operationele plan. Extra grensbeheerteams worden indien nodig ingezet binnen zeven werkdagen na de inzet van de eerste teams.

11.Wanneer een snelle grensinterventie zal plaatsvinden, onderzoekt de uitvoerend directeur in overleg met de raad van bestuur onverwijld de prioriteiten ten aanzien van de lopende en geplande gezamenlijke operaties van het Agentschap aan andere buitengrenzen, teneinde te voorzien in een eventuele herverdeling van de middelen ten gunste van de gebieden aan de buitengrenzen waar een versterkte inzet het meest nodig is.

Artikel 41
Ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van het Agentschap en met instemming van de betrokken lidstaat kunnen ondersteuningsteams voor migratiebeheer worden ingezet om die lidstaat technische en operationele ondersteuning te bieden, met name in hotspotgebieden en gecontroleerde centra.

De in het eerste lid bedoelde lidstaat dient bij de Commissie een verzoek om versterking door ondersteuningsteams voor migratiebeheer in, alsmede een raming van zijn behoeften. Op basis van de raming van de behoeften van die lidstaat verstuurt de Commissie het verzoek aan het Agentschap, [het Asielagentschap van de Europese Unie], Europol of andere bevoegde agentschappen van de Unie, waar van toepassing.

2.De bevoegde agentschappen van de Unie beoordelen het verzoek om versterking van een lidstaat en de raming van zijn behoeften teneinde, onder coördinatie van de Commissie, de noodzakelijke maatregelen te bepalen, met inbegrip van de inzet van technische uitrusting, waarover met de betrokken lidstaat overeenstemming moet worden bereikt.

3.De Commissie bepaalt, in samenwerking met de ontvangende lidstaat en de bevoegde agentschappen van de Unie, de nadere voorwaarden voor samenwerking ten aanzien van de inzet van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer en is verantwoordelijk voor de coördinatie van de activiteiten van die teams.

4.De technische en operationele versterking die, onder volledige eerbiediging van de grondrechten, wordt geboden door ondersteuningsteams voor migratiebeheer, kan het volgende omvatten:

(a)ondersteuning bij het screenen van onderdanen van derde landen die aan de buitengrenzen aankomen, wat mede inhoudt de identificatie, registratie en debriefing van die onderdanen van derde landen en, indien de lidstaat daarom verzoekt, het nemen van hun vingerafdrukken, veiligheidscontroles en het verstrekken van informatie over het doel van deze procedures;

(b)verstrekking van initiële informatie aan personen die internationale bescherming wensen aan te vragen, en hun doorverwijzing naar de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of naar de deskundigen van [het Asielagentschap van de Europese Unie];

(c)technische en operationele bijstand bij de terugkeerprocedure, onder meer met betrekking tot de voorbereiding van terugkeerbesluiten, de verkrijging van reisdocumenten en de voorbereiding en organisatie van terugkeeroperaties, ook als die betrekking hebben op vrijwillige terugkeer;

(d)de nodige technische uitrusting.

5.Het Agentschap werkt samen met het [Asielagentschap van de Europese Unie] om maatregelen te faciliteren voor het doorverwijzen naar de procedure voor internationale bescherming en, voor onderdanen van derde landen van wie het verzoek om internationale bescherming bij een definitieve beslissing is afgewezen, naar de terugkeerprocedure.

6.Ondersteuningsteams voor migratiebeheer bestaan, indien nodig, onder meer uit medewerkers met expertise op het gebied van kinderbescherming, mensenhandel en bescherming van grondrechten en tegen vervolging op grond van geslacht.

Artikel 42
Voorgestelde maatregelen aan de buitengrenzen

1.De uitvoerend directeur doet, op basis van de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling of wanneer het impactniveau "kritiek" is vastgesteld voor een of meer buitengrenssegmenten, en rekening houdend met de relevante elementen van de noodplannen van de lidstaat, de risicoanalyse door het Agentschap en de analyselaag van het Europees situatiebeeld, een aanbeveling aan de betrokken lidstaat om gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies of andere relevante maatregelen als omschreven in artikel 37 te starten of uit te voeren.

2.De betrokken lidstaat reageert binnen vijf werkdagen op de aanbeveling van de uitvoerend directeur. Een lidstaat die afwijzend reageert op de voorgestelde maatregelen, motiveert zijn reactie. De uitvoerend directeur deelt de Commissie onverwijld de voorgestelde maatregelen en de motivering van de afwijzende reactie mee, zodat kan worden beoordeeld of overeenkomstig artikel 43 dringend optreden vereist is.

Artikel 43
Situaties aan de buitengrenzen die dringend optreden vereisen

1.Wanneer het toezicht op de buitengrenzen zodanig onwerkzaam wordt dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang dreigt te komen omdat:

(a)een lidstaat nalaat de nodige maatregelen te treffen overeenkomstig een besluit van de raad van bestuur als bedoeld in artikel 33, lid 10; of

(b)een lidstaat geconfronteerd wordt met specifieke en onevenredig grote uitdagingen aan de buitengrenzen en de lidstaat het Agentschap niet om voldoende steun heeft verzocht op grond van de artikelen 38, 40, 41 of 42, of niet de nodige stappen onderneemt om op te treden op grond van die artikelen,

kan de Commissie, na raadpleging van het Agentschap, onverwijld door middel van een uitvoeringshandeling overeenkomstig de in artikel 117, lid 3, bedoelde procedure een besluit nemen tot vaststelling van de door het Agentschap uit te voeren maatregelen die deze risico's moeten beperken, waarbij de betrokken lidstaat wordt verplicht medewerking te verlenen aan het Agentschap bij de uitvoering van die maatregelen.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met de werking van het Schengengebied, stelt de Commissie volgens de in artikel 117, lid 4, bedoelde procedure uitvoeringshandelingen vast die onmiddellijk toepasselijk zijn.

2.Wanneer zich een situatie voordoet die dringend optreden vereist, worden het Europees Parlement en de Raad daarvan onverwijld in kennis gesteld, alsmede van alle verdere maatregelen en besluiten die in antwoord daarop worden genomen.

3.Om het risico dat het functioneren van het Schengengebied in het gedrang komt, te beperken, bepaalt het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie dat het Agentschap een of meer van de volgende maatregelen neemt:

(a)organisatie en coördinatie van snelle grensinterventies en inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht;

(b)inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, met name in hotspotgebieden;

(c)coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met derde landen;

(d)inzet van technische uitrusting;

(e)organisatie van terugkeerinterventies.

4.Binnen twee werkdagen na de datum waarop het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie is vastgesteld:

(a)bepaalt de uitvoerend directeur welke actie moet worden ondernomen voor de praktische uitvoering van de bij dat besluit vastgestelde maatregelen, alsmede welke technische uitrusting en hoeveel operationele personeelsleden met welk profiel nodig zijn om de doelstellingen van dat besluit te verwezenlijken;

(b)dient de uitvoerend directeur bij de betrokken lidstaten een ontwerp van het operationele plan in.

5.De uitvoerend directeur en de betrokken lidstaat stellen het operationele plan vast binnen twee werkdagen na de datum waarop het ontwerp is ingediend.

6.Voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 van dit artikel bedoelde besluit van de Commissie zet het Agentschap onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf dagen na de vaststelling van het operationele plan, het noodzakelijke operationele personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, zoals bedoeld in artikel 55, in. Extra teams worden indien nodig ingezet in een tweede fase, uiterlijk zeven werkdagen na de inzet van de eerste teams in het operationele gebied.

7.Het Agentschap zet onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na de vaststelling van het operationele plan, de nodige technische uitrusting in voor de praktische uitvoering van de maatregelen vervat in het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie.

Aanvullende technische uitrusting wordt, voor zover nodig, ingezet in een tweede fase, overeenkomstig artikel 64.

8.De betrokken lidstaat leeft het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie na. Met het oog daarop verleent die lidstaat onmiddellijk zijn medewerking aan het Agentschap en onderneemt hij de nodige actie voor het faciliteren van de uitvoering van het besluit en de praktische uitvoering van de maatregelen die zijn vervat in het besluit en het operationele plan, met name door de in de artikelen 44, 83 en 84 bedoelde verplichtingen uit te voeren.

9.Overeenkomstig artikel 58 en, waar van toepassing, artikel 40, stellen de lidstaten het operationele personeel ter beschikking dat de uitvoerend directeur overeenkomstig lid 4 van dit artikel nodig acht.

Indien de betrokken lidstaat het in lid 1 bedoelde besluit van de Commissie niet binnen 30 dagen naleeft en de medewerking met het Agentschap overeenkomstig lid 8 van dit artikel niet verleent, kan de Commissie de procedure van artikel 29 van Verordening (EU) 2016/399 inleiden.

Artikel 44
Instructies aan de teams

1.Gedurende de inzet van grensbeheerteams, terugkeerteams en ondersteuningsteams voor migratiebeheer voorziet de ontvangende lidstaat in instructies voor de teams overeenkomstig het operationele plan.

2.Het Agentschap kan via zijn coördinerend functionaris zijn standpunten met betrekking tot aan de teams gegeven instructies kenbaar maken aan de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat houdt rekening met deze mening en geeft er voor zover mogelijk gevolg aan.

3.In gevallen waarin de aan de teams gegeven instructies niet in overeenstemming zijn met het operationele plan, meldt de coördinerende functionaris dit onverwijld aan de uitvoerend directeur, die indien nodig overeenkomstig artikel 47, lid 3, maatregelen kan nemen.

4.De teamleden eerbiedigen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden ten volle de grondrechten, waaronder de toegang tot asielprocedures, en de menselijke waardigheid. De maatregelen die zij nemen bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden, staan in verhouding tot het doel van die maatregelen. Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden discrimineren zij niet op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

5.De teamleden die niet tot het statutaire personeel van het Agentschap behoren, blijven onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst. De lidstaat van herkomst voorziet in de nodige disciplinaire of andere maatregelen overeenkomstig zijn nationale recht inzake tijdens een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie gedane schendingen van grondrechten of verplichtingen op het gebied van internationale bescherming.

Artikel 45
Coördinerend functionaris

1.Het Agentschap zorgt voor de operationele uitvoering van alle organisatorische aspecten van de gezamenlijke operaties, proefprojecten of snelle grensinterventies, waaronder de aanwezigheid van statutaire personeelsleden van het Agentschap.

2.Onverminderd artikel 60 wijst de uitvoerend directeur uit het statutair personeel van het Agentschap een of meer deskundigen aan die als coördinerend functionaris worden ingezet bij elke gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie. De uitvoerend directeur deelt de ontvangende lidstaat mee wie is aangewezen.

3.De coördinerend functionaris treedt namens het Agentschap op inzake alle aspecten van de inzet van de teams. De coördinerende functionarissen bevorderen de samenwerking en de coördinatie tussen de ontvangende en de deelnemende lidstaten. De coördinerend functionaris heeft met name tot taak:

(a)op te treden als contactpersoon tussen het Agentschap, de ontvangende lidstaat en de leden van de Europese grens- en kustwachtteams, en hun namens het Agentschap bijstand te verlenen bij alle kwesties in verband met de omstandigheden van hun inzet in de teams;

(b)toe te zien op de correcte uitvoering van het operationele plan, waaronder met betrekking tot de bescherming van de grondrechten, en daarover aan het Agentschap verslag uit te brengen;

(c)namens het Agentschap op te treden inzake alle aspecten van de inzet van de teams en aan het Agentschap verslag uit te brengen over al deze aspecten;

(d)aan de uitvoerend directeur melding te doen wanneer de instructies van de ontvangende lidstaat aan de teams niet in overeenstemming zijn met het operationele plan en, in voorkomend geval, de uitvoerend directeur voor te stellen de mogelijkheid te overwegen om een beslissing overeenkomstig artikel 47 te nemen.

4.In het kader van gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies mag de uitvoerend directeur de coördinerend functionaris toestaan hulp te bieden bij het oplossen van onenigheid over de uitvoering van het operationele plan en de inzet van de teams.

Artikel 46
Kosten

1.Het Agentschap draagt het volledige bedrag van de volgende kosten die door de lidstaten worden gemaakt voor het ter beschikking stellen van hun operationele personeel dat voor een korte tijd wordt ingezet als teamleden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht:

(a)kosten om in verband met de inzet te reizen van de lidstaat van herkomst naar de ontvangende lidstaat, van de ontvangende lidstaat naar de lidstaat van herkomst en binnen de ontvangende lidstaat;

(b)vaccinatiekosten;

(c)kosten voor bijzondere verzekeringen;

(d)kosten voor gezondheidszorg;

(e)dagvergoedingen, inclusief verblijfskostenvergoedingen;

(f)kosten in verband met de technische uitrusting van het Agentschap.

2.Na voorafgaande goedkeuring door de Commissie stelt de raad van bestuur gedetailleerde regels vast met betrekking tot de betaling van de kosten van het personeel dat overeenkomstig artikel 58 voor een korte tijd wordt ingezet, en werkt die regels indien nodig bij. Die gedetailleerde regels worden zoveel mogelijk gebaseerd op vereenvoudigde kostenopties. Voor zover relevant streeft de raad van bestuur naar samenhang met de regels die gelden voor de vergoeding van dienstreizen van statutair personeel.

Artikel 47
Opschorting of beëindiging van activiteiten

1.De uitvoerend directeur beëindigt activiteiten van het Agentschap wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het uitvoeren van die activiteiten. Voorafgaand aan die beëindiging stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaat op de hoogte.

2.De lidstaten die deelnemen aan een gezamenlijke operatie, een snelle grensinterventie of de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, kunnen de uitvoerend directeur verzoeken die gezamenlijke operatie of snelle grensinterventie of de inzet van dat ondersteuningsteam voor migratiebeheer te beëindigen.

3.De uitvoerend directeur kan, na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, de financiering van een activiteit intrekken of de activiteit opschorten of beëindigen als de ontvangende lidstaat het operationele plan niet eerbiedigt.

4.De uitvoerend directeur trekt, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris en na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, de financiering van een gezamenlijke operatie, snelle grensinterventie, proefproject, inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, terugkeeroperatie, terugkeerinterventie of werkafspraak in, of neemt een beslissing tot gehele of gedeeltelijke opschorting of beëindiging van dergelijke activiteiten, wanneer hij van oordeel is dat er sprake is van schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van bescherming die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur in kennis van een dergelijke beslissing.

5.Indien de uitvoerend directeur beslist tot opschorting of beëindiging van de inzet, door het Agentschap, van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, deelt hij die beslissing mee aan de andere bevoegde agentschappen die actief zijn in dat hotspotgebied of gecontroleerd centrum.

Artikel 48
Evaluatie van activiteiten

De uitvoerend directeur evalueert de resultaten van de gezamenlijke operaties en snelle grensinterventies, proefprojecten, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, en operationele samenwerking met derde landen. Hij geeft de gedetailleerde evaluatieverslagen binnen 60 dagen na het einde van deze activiteiten door aan de raad van bestuur, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris. De uitvoerend directeur maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige activiteiten, en neemt deze analyse op in het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap.

Afdeling 8
Maatregelen van het Agentschap op het gebied van terugkeer

Artikel 49
Terugkeer

1.Wat de terugkeer betreft heeft het Agentschap, met inachtneming van de grondrechten en de algemene beginselen van het recht van de Unie en het internationaal recht, waaronder de verplichtingen inzake de bescherming van vluchtelingen en kinderrechten, met name de volgende taken:

(a)de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen bij de terugkeer van onderdanen van derde landen, met inbegrip van het voorbereiden van terugkeerbesluiten, de identificatie van onderdanen van derde landen en andere activiteiten van de lidstaten voorafgaand aan terugkeer of in verband met terugkeer, ook in het kader van vrijwillig vertrek, om tot een geïntegreerd systeem voor het beheer van terugkeer te komen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, in samenwerking met relevante autoriteiten van derde landen en andere relevante belanghebbenden;

(b)technische en operationele bijstand verlenen aan lidstaten die geconfronteerd worden met problemen op het gebied van terugkeer of met migratiedruk, onder meer door teams voor migratiebeheer in te zetten;

(c)een referentiemodel ontwikkelen voor een casemanagementsysteem voor terugkeer dat voorschrijft hoe de nationale terugkeerbeheersystemen moeten worden gestructureerd, alsmede de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen bij de ontwikkeling van nationale terugkeerbeheersystemen die in overeenstemming zijn met het model;

(d)een centraal systeem en een infrastructuur voor communicatie tussen de nationale terugkeerbeheersystemen van de lidstaten en het centrale systeem ontwikkelen en beheren en de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen bij de aansluiting op de communicatiestructuur;

(e)de lidstaten technische en operationele bijstand verlenen in het kader van de identificatie van onderdanen van derde landen en de verkrijging van reisdocumenten, onder meer via consulaire samenwerking, zonder informatie bekend te maken over het feit dat een verzoek om internationale bescherming is gedaan; terugkeeroperaties organiseren en coördineren en ondersteuning bieden voor vrijwillig vertrek in samenwerking met de lidstaten;

(f)activiteiten organiseren, bevorderen en coördineren die de uitwisseling van informatie en de inventarisering en bundeling van beste praktijken inzake terugkeer tussen de lidstaten mogelijk maken;

(g)de in dit hoofdstuk bedoelde operaties, interventies en activiteiten uit zijn begroting financieren of medefinancieren volgens de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

2.De in lid 1, onder b), bedoelde technische en operationele bijstand omvat activiteiten om de lidstaten te helpen via de bevoegde nationale autoriteiten terugkeerprocedures uit te voeren, met name:

(a)tolkdiensten;

(b)praktische informatie, analyse en aanbevelingen met betrekking tot derde landen van terugkeer die relevant zijn voor de uitvoering van deze verordening, zo nodig in samenwerking met andere organen en instanties van de Unie, met inbegrip van het EASO;

(c)advies over en technische en operationele bijstand bij de toepassing en het beheer van terugkeerprocedures overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, onder meer met betrekking tot de voorbereiding van terugkeerbesluiten, identificatie en de verkrijging van reisdocumenten;

(d)advies over en bijstand bij maatregelen die nodig zijn om te garanderen dat terugkeerders beschikbaar zijn voor terugkeer en om te vermijden dat terugkeerders onderduiken, overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG en het internationaal recht;

(e)uitrusting, capaciteit en deskundigheid met het oog op de uitvoering van terugkeerbesluiten en de identificatie van onderdanen van derde landen.

3.Het Agentschap tracht synergieën tot stand te brengen en door de Unie gefinancierde netwerken en programma's op het gebied van terugkeer aan elkaar te koppelen, in nauwe samenwerking met de Commissie en met ondersteuning van betrokken belanghebbenden, waaronder het Europees Migratienetwerk.

4.Het Agentschap kan bij wijze van uitzondering subsidies uit Uniefondsen ontvangen voor terugkeeractiviteiten, in overeenstemming met de voor het Agentschap geldende financiële regeling. Het Agentschap zorgt ervoor dat bij subsidieovereenkomsten met de lidstaten de onverkorte inachtneming van het Handvest als voorwaarde geldt voor financiële steun.

Artikel 50
Systemen voor informatie-uitwisseling en beheer van terugkeer

Het Agentschap ontwikkelt, installeert en beheert informatiesystemen en softwareapplicaties die het mogelijk maken om gerubriceerde en gevoelige niet-gerubriceerde informatie uit te wisselen binnen de Europese grens- en kustwacht met het oog op terugkeer en om de in de artikelen 87, 88 en 89 bedoelde persoonsgegevens uit te wisselen in overeenstemming met Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie, Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie en [Verordening (EG) nr. 45/2001].

Het Agentschap zorgt met name voor het opzetten, beheren en onderhouden van een centraal systeem voor het verwerken van alle automatisch door de nationale terugkeerbeheersystemen van de lidstaten doorgegeven informatie en gegevens die het Agentschap nodig heeft om overeenkomstig artikel 49 technische en operationele bijstand te verlenen.

Artikel 51
Terugkeeroperaties

1.Zonder terugkeerbesluiten inhoudelijk te beoordelen verleent het Agentschap technische en operationele bijstand en zorgt het voor de coördinatie of de organisatie van terugkeeroperaties, onder meer door voor dergelijke operaties vliegtuigen te charteren of terugkeer met een lijnvlucht te organiseren. Het Agentschap mag op eigen initiatief terugkeeroperaties coördineren of organiseren.

2.De lidstaten verstrekken maandelijks operationele gegevens inzake terugkeer die het Agentschap nodig heeft voor de beoordeling van de behoeften op het gebied van terugkeer en stellen het Agentschap elke maand op de hoogte van hun indicatieve planning van het aantal terugkeerders en van de derde landen van terugkeer, zowel ten aanzien van relevante nationale terugkeeroperaties, als ten aanzien van de bijstand of coördinatie die zij nodig hebben van het Agentschap. Het Agentschap stelt een voortschrijdend operationeel plan op om de lidstaten die daarom verzoeken de nodige operationele bijstand en versterking te bieden, waaronder door technische uitrusting, en het houdt dat plan bij. Het Agentschap kan op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat in het voortschrijdend operationeel plan de data en bestemmingen opnemen van terugkeeroperaties die het op basis van een behoefteanalyse nodig acht. De raad van bestuur beslist op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur over de modus operandi van het voortschrijdend operationeel plan.

3.Het Agentschap kan de nodige technische en operationele bijstand verlenen en kan ofwel op verzoek van de deelnemende lidstaten of op eigen initiatief zorgen voor de coördinatie of de organisatie van terugkeeroperaties waarvoor de vervoermiddelen en de begeleiders voor gedwongen terugkeer ter beschikking worden gesteld door een derde land van terugkeer ("terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald"). De deelnemende lidstaten en het Agentschap zorgen ervoor dat de eerbiediging van de grondrechten, het beginsel van non-refoulement en het evenredige gebruik van dwangmaatregelen gedurende de volledige terugkeeroperatie zijn gegarandeerd. Ten minste één vertegenwoordiger van een lidstaat en één toezichthouder voor gedwongen terugkeer van de bij artikel 52 ingestelde pool of van het nationale toezichtsysteem van de deelnemende lidstaat zijn aanwezig gedurende de volledige terugkeeroperatie tot aankomst in het derde land van terugkeer.

4.De uitvoerend directeur stelt onverwijld een terugkeerplan op voor de terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald. De uitvoerend directeur en elke deelnemende lidstaat bereiken overeenstemming over het plan waarin de organisatorische en procedurele aspecten van de terugkeeroperatie waarbij personen worden opgehaald, zijn opgenomen, rekening houdend met de gevolgen voor de grondrechten en de risico's van dergelijke operaties. Voor wijzigingen of aanpassingen van dit plan is de instemming van de in lid 3 en dit lid bedoelde partijen vereist.

5.Het terugkeerplan van de terugkeeroperaties waarbij personen worden opgehaald, is bindend voor het Agentschap en elke deelnemende lidstaat. Het bestrijkt alle aspecten van het uitvoeren van de terugkeeroperatie waarbij personen worden opgehaald.

Op elke terugkeeroperatie wordt toezicht uitgeoefend overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG. Het toezicht op gedwongen terugkeeroperaties wordt verricht door de toezichthouder voor gedwongen terugkeer op basis van objectieve en transparante criteria en bestrijkt de hele terugkeeroperatie, van de fase voorafgaand aan het vertrek tot en met de overdracht van de terugkeerders in het derde land van terugkeer. De toezichthouder voor gedwongen terugkeer legt een verslag over elke gedwongen terugkeeroperatie over aan de uitvoerend directeur, de grondrechtenfunctionaris en de bevoegde nationale autoriteiten van alle lidstaten die bij de desbetreffende operatie zijn betrokken. Indien noodzakelijk wordt passende follow-up verricht door de uitvoerend directeur respectievelijk de bevoegde nationale autoriteiten.

Indien het Agentschap zich zorgen maakt over de eerbiediging van de grondrechten tijdens een terugkeeroperatie, deelt het deze bezorgdheid mee aan de deelnemende lidstaten en de Commissie.

6.De uitvoerend directeur evalueert de resultaten van de terugkeeroperaties en verstrekt de raad van bestuur om de zes maanden een gedetailleerd evaluatieverslag over alle terugkeeroperaties die tijdens het voorgaande semester zijn uitgevoerd, vergezeld van de opmerkingen van de grondrechtenfunctionaris. De uitvoerend directeur maakt een volledige vergelijkende analyse van deze resultaten met het oog op de verbetering van de kwaliteit, samenhang en doeltreffendheid van toekomstige terugkeeroperaties. De uitvoerend directeur neemt die analyse op in het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap.

7.Het Agentschap financiert of medefinanciert terugkeeroperaties uit zijn begroting, volgens de voor het Agentschap geldende financiële regeling, en geeft daarbij prioriteit aan terugkeeroperaties die door meer dan een lidstaat of vanuit hotspotgebieden of gecontroleerde centra worden uitgevoerd.

Artikel 52
Pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer

1.Het Agentschap stelt, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris, uit de bevoegde organen een pool samen van toezichthouders voor gedwongen terugkeer die overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG toezicht op de gedwongen terugkeer uitoefenen en overeenkomstig artikel 62 van deze verordening zijn opgeleid.

2.De raad van bestuur bepaalt op voorstel van de uitvoerend directeur het profiel van en het aantal toezichthouders voor gedwongen terugkeer die aan deze pool ter beschikking moeten worden gesteld. Dezelfde procedure geldt voor eventuele latere wijzigingen in hun profiel en totale aantallen. De lidstaten zijn ervoor verantwoordelijk tot deze pool bij te dragen door toezichthouders voor gedwongen terugkeer aan te stellen die aan het vastgestelde profiel beantwoorden. In de pool worden toezichthouders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming opgenomen.

3.De bijdrage van de lidstaten wat betreft toezichthouders voor gedwongen terugkeer voor terugkeeroperaties en -interventies voor het komende jaar wordt gepland op basis van jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Conform deze overeenkomsten stellen de lidstaten op verzoek van het Agentschap de toezichthouders voor gedwongen terugkeer ter beschikking voor inzet, tenzij zij geconfronteerd worden met een uitzonderlijke situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt. Een dergelijk verzoek wordt ten minste 21 werkdagen voor de voorgenomen inzet ingediend, of vijf werkdagen als er sprake is van een snelle terugkeerinterventie.

4.Het Agentschap stelt de toezichthouders voor gedwongen terugkeer op verzoek ter beschikking aan deelnemende lidstaten om namens deze lidstaten de correcte uitvoering van de gehele terugkeeroperatie en terugkeerinterventies tijdens de duur ervan te monitoren. Het stelt toezichthouders voor gedwongen terugkeer met specifieke expertise op het gebied van kinderbescherming beschikbaar voor alle terugkeeroperaties waar kinderen bij zijn betrokken.

5.De toezichthouders voor gedwongen terugkeer blijven gedurende een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie onderworpen aan de disciplinaire maatregelen van hun lidstaat van herkomst.

Artikel 53
Terugkeerteams

1.Het Agentschap kan, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, terugkeerteams inzetten tijdens terugkeerinterventies, in het kader van teams voor migratiebeheer of voor zover dat nodig is om aanvullende technische en operationele bijstand op het gebied van terugkeer te verlenen, ook als die dient om te reageren op uitdagingen die verband houden met een sterke, gemengde instroom van migranten of het opnemen van onderdanen van derde landen die op zee zijn gered.

2.Artikel 41, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 44, 45 en 46 zijn van overeenkomstige toepassing op de Europese terugkeerteams.

Artikel 54
Terugkeerinterventies

1.Wanneer een lidstaat met druk wordt geconfronteerd bij de uitvoering van de verplichting om onderdanen van derde landen voor wie een door een lidstaat uitgevaardigd terugkeerbesluit geldt te doen terugkeren, levert het Agentschap, op eigen initiatief of op verzoek van die lidstaat, passende technische en operationele bijstand in de vorm van een terugkeerinterventie. Deze interventie kan bestaan uit de inzet van terugkeerteams in de ontvangende lidstaat om bijstand te verlenen bij de uitvoering van terugkeerprocedures en uit de organisatie van terugkeeroperaties uit de ontvangende lidstaat.

2.Het Agentschap kan ook, op basis van aanwijzingen in de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid, terugkeerinterventies initiëren in derde landen die behoefte hebben aan aanvullende technische en operationele bijstand bij hun terugkeeractiviteiten. Deze interventie kan bestaan uit de inzet van terugkeerteams om technische en operationele bijstand te verlenen bij de terugkeeractiviteiten van het derde land.

3.Wanneer een lidstaat met specifieke en onevenredig grote uitdagingen wordt geconfronteerd bij de uitvoering van zijn verplichting om onderdanen van derde landen voor wie een terugkeerbesluit geldt, te doen terugkeren, levert het Agentschap, op eigen initiatief of op verzoek van die lidstaat, passende technische en operationele bijstand in de vorm van een snelle terugkeerinterventie. Een snelle terugkeerinterventie kan bestaan uit de snelle inzet van terugkeerteams in de ontvangende lidstaat om bijstand te verlenen bij de uitvoering van terugkeerprocedures en uit de organisatie van terugkeeroperaties uit de ontvangende lidstaat.

4.De uitvoerend directeur stelt, in het kader van een terugkeerinterventie, in onderling akkoord met de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten onverwijld een operationeel plan op. De desbetreffende bepalingen van artikel 39 zijn van toepassing.

5.De uitvoerend directeur neemt zo snel mogelijk een besluit over het operationele plan, en in het in lid 2 bedoelde geval binnen vijf werkdagen. Het besluit wordt onmiddellijk schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken lidstaten en de raad van bestuur.

6.Het Agentschap financiert of medefinanciert terugkeerinterventies uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.


Afdeling 9
Capaciteiten

Artikel 55
Permanent korps van de Europese grens- en kustwacht

1.Tot het Agentschap behoort een permanent korps van de Europese grens- en kustwacht met 10 000 operationele personeelsleden. Dat permanente korps is samengesteld uit de volgende drie categorieën personeel, in overeenstemming met het in bijlage I opgenomen schema van per jaar ter beschikking te stellen aantallen:

(a)categorie 1: operationele personeelsleden van het Agentschap die worden aangeworven overeenkomstig artikel 94, lid 1, en die worden ingezet in operationele gebieden overeenkomstig artikel 56;

(b)categorie 2: operationeel personeel dat door de lidstaten voor lange termijn bij het Agentschap wordt gedetacheerd als onderdeel van het permanente korps, overeenkomstig artikel 57;

(c)categorie 3: operationeel personeel dat door de lidstaten ter beschikking van het Agentschap wordt gesteld om voor een korte tijd deel uit te maken van het permanente korps, overeenkomstig artikel 58.

2.Het Agentschap zet leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in als leden van de grensbeheerteams, de ondersteuningsteams voor migratiebeheer en de terugkeerteams in het kader van gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of terugkeerinterventies of enige andere relevante operationele activiteit in de lidstaten of in derde landen.

3.Overeenkomstig artikel 83 worden alle leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht in staat gesteld om grenstoezicht of terugkeertaken te verrichten, met inbegrip van de taken waarvoor uitvoerende bevoegdheden vereist zijn, zoals omschreven in de desbetreffende nationale wetgeving of, voor het personeel van het Agentschap, overeenkomstig bijlage II.

4.Op voorstel van de uitvoerend directeur, rekening houdend met de risicoanalyse van het Agentschap, de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordeling en de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid, en voortbouwend op de aantallen en de profielen die het Agentschap via zijn statutaire personeelsleden en lopende detacheringen ter beschikking heeft, neemt de raad van bestuur jaarlijks uiterlijk op 31 maart een beslissing over:

(a)het aantal operationele personeelsleden per specifiek profiel, in elk van de drie categorieën, binnen het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht dat in het volgende jaar zal worden ingedeeld in een team;

(b)de specifieke aantallen en profielen, per lidstaat, van operationele personeelsleden die voor het volgende jaar overeenkomstig artikel 57 bij het Agentschap moeten worden gedetacheerd en overeenkomstig artikel 58 moeten worden aangewezen;

(c)een indicatieve meerjarenplanning van de profielen voor de daaropvolgende jaren om de langetermijnplanning voor de bijdragen van de lidstaten en de aanwerving van het statutaire personeel van het Agentschap te vergemakkelijken.

5.Voor de toepassing van artikel 74 worden door het Agentschap commando- en controlestructuren ontwikkeld en opgezet voor een doeltreffende inzet van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op het grondgebied van derde landen.

6.Het Agentschap mag tot 4 % van het totale personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht aannemen als ondersteunend personeel voor de oprichting van het permanente korps, de planning en het beheer van de operaties van het korps en de aankoop van de eigen uitrusting van het Agentschap.

Artikel 56
Statutair personeel van het Agentschap in het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht

1.Het Agentschap draagt bij aan de permanente statutaire personeelsleden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht (categorie 1) die worden ingezet in operationele gebieden als leden van de teams met alle taken en bevoegdheden, waaronder de taak om de eigen uitrusting van het Agentschap te exploiteren.

2.Overeenkomstig artikel 62, lid 2, volgen de nieuwe personeelsleden na hun aanwerving een volledige opleiding inzake grensbewaking of terugkeer, al naargelang het geval, in het kader van specifieke opleidingsprogramma's die door het Agentschap zijn opgezet en die, op basis van overeenkomsten met geselecteerde lidstaten, worden uitgevoerd in hun gespecialiseerde onderwijsinstellingen. De kosten van de opleiding worden volledig gedragen door het Agentschap.

3.Het Agentschap draagt er zorg voor dat zijn statutaire personeelsleden gedurende hun hele dienstverband bij hun taken als teamlid hoge normen hanteren. Voor alle personeelsleden wordt een adequaat opleidingstraject opgesteld teneinde te garanderen dat zij voortdurend beschikken over de beroepskwalificaties om grensbewakingstaken of taken in verband met terugkeer te verrichten.

4.Andere personeelsleden die bij het Agentschap in dienst zijn en die niet over de nodige kwalificaties beschikken om grenstoezicht of taken in verband met terugkeer uit te voeren, worden tijdens gezamenlijke operaties slechts ingezet voor coördinatietaken en aanverwante taken. Zij maken geen deel uit van de teams.

Artikel 57
Deelname van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht
via langetermijndetacheringen

1.De lidstaten dragen bij tot het operationele personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht dat bij het Agentschap wordt gedetacheerd als teamlid (categorie 2). De duur van individuele detacheringen wordt bepaald overeenkomstig artikel 93, lid 7. Om de uitvoering van het in artikel 61 bedoelde systeem voor financiële steun te vergemakkelijken, gaat de detachering in de regel van start aan het begin van een kalenderjaar.

2.Elke lidstaat zorgt ervoor dat hij ononderbroken bijdraagt aan het operationeel personeel via gedetacheerde teamleden, overeenkomstig bijlage III.

3.De operationele personeelsleden die bij het Agentschap worden gedetacheerd, hebben dezelfde taken en bevoegdheden als de teamleden. De lidstaat die operationele personeelsleden heeft gedetacheerd, wordt als hun lidstaat van herkomst beschouwd. Gedurende hun detachering beslist de uitvoerend directeur over de plaats(en) en de duur van de inzet van gedetacheerde teamleden, al naargelang de operationele behoeften.

4.Elke lidstaat wijst uiterlijk op 30 juni van elk jaar operationeel personeel aan voor detachering, in overeenstemming met de specifieke aantallen en profielen die door de raad van bestuur voor het volgende jaar zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 55, lid 4. Het Agentschap kan nagaan of de door de lidstaten voorgestelde operationele personeelsleden beantwoorden aan de vastgestelde profielen en beschikken over de nodige taalvaardigheid. Uiterlijk op 15 september aanvaardt het Agentschap de voorgestelde kandidaten of verzoekt het de lidstaat een andere kandidaat voor detachering voor te dragen wanneer niet is voldaan aan de vereiste profielen of wanneer er sprake is van een ontoereikende taalvaardigheid, wangedrag of een inbreuk op de toepasselijke voorschriften tijdens een eerdere inzet.

5.Een individueel operationeel personeelslid dat door overmacht niet kan worden gedetacheerd of niet langer gedetacheerd kan blijven, wordt door de betrokken lidstaat vervangen door een ander operationeel personeelslid met het vereiste profiel.

Artikel 58
Deelname van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht
door het inzetten van personeel voor een korte tijd

1.Naast de detacheringen overeenkomstig artikel 57 dragen de lidstaten uiterlijk op 30 juni van elk jaar ook bij tot het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht door grenswachters en andere relevante personeelsleden aan te wijzen voor de nationale lijst van operationeel personeel dat voor een korte tijd wordt ingezet (categorie 3), in overeenstemming met de in bijlage IV vermelde bijdragen en met de specifieke aantallen en profielen die door de raad van bestuur voor het volgende jaar zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 55, lid 4. De nationale lijsten van aangewezen operationele personeelsleden worden meegedeeld aan het Agentschap. De betaling van de kosten van het uit hoofde van dit artikel ingezette personeel geschiedt overeenkomstig artikel 46, lid 2.

2.Elke lidstaat ziet erop toe dat de aangewezen operationele personeelsleden op verzoek van het Agentschap beschikbaar zijn, in overeenstemming met de in dit artikel beschreven regelingen. Elk operationeel personeelslid is gedurende ten hoogste vier maanden in een kalenderjaar beschikbaar.

3.Het Agentschap kan nagaan of operationele personeelsleden die door de lidstaten zijn aangewezen om voor een korte tijd te worden ingezet, beantwoorden aan de vastgestelde profielen en beschikken over de nodige taalvaardigheid. Het Agentschap kan een lidstaat vragen een operationeel personeelslid van de nationale lijst te schrappen als niet is voldaan aan het vereiste profiel of als er sprake is van een ontoereikende taalvaardigheid, wangedrag of een inbreuk op de toepasselijke voorschriften tijdens een eerdere inzet.

4.Uiterlijk op 31 juli van elk jaar verzoekt het Agentschap de lidstaten om hun bijdrage aan individuele operationele personeelsleden voor gezamenlijke operaties voor het volgende jaar. De perioden waarin individuele personeelsleden worden ingezet, worden bepaald in de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en de overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Uiteindelijk stellen de lidstaten evenwel operationeel personeel ter beschikking volgens de aantallen en profielen die in het verzoek van het Agentschap zijn gespecificeerd.

5.Een individueel operationeel personeelslid dat door overmacht niet overeenkomstig de overeenkomsten kan worden ingezet, wordt door de betrokken lidstaat vervangen door een op de lijst staand operationeel personeelslid met het vereiste profiel.

6.Als een grotere inzet van personeel nodig is voor de versterking van een lopende gezamenlijke operatie of om een nieuwe gezamenlijke operatie op te zetten die niet is vermeld in het respectieve jaarlijkse werkprogramma en de overeenkomstige resultaten van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen, brengt de uitvoerend directeur de lidstaten onverwijld op de hoogte van de extra behoeften door een voorstel te doen over de door elke lidstaat te verstrekken aantallen operationele personeelsleden en profielen. Zodra tussen de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming is bereikt over een gewijzigd operationeel plan of, waar van toepassing, een nieuw operationeel plan, doet de uitvoerend directeur een formeel verzoek met betrekking tot het aantal operationele personeelsleden en hun profielen. De respectieve teamleden worden vanuit elke lidstaat binnen twintig werkdagen na dat formele verzoek ingezet.

7.Wanneer uit de risicoanalyse of, indien beschikbaar, uit een kwetsbaarheidsbeoordeling blijkt dat een lidstaat geconfronteerd wordt met een situatie waardoor de uitvoering van nationale taken aanzienlijk in het gedrang komt, beloopt de respectieve bijdrage van die lidstaat de helft van zijn bijdrage voor dat jaar als vastgelegd in bijlage IV. Een lidstaat die zich beroept op een dergelijke buitengewone omstandigheid, verstrekt het Agentschap schriftelijk een uitgebreide motivering en informatie over deze omstandigheid; de inhoud daarvan wordt opgenomen in het in artikel 65 bedoelde verslag.

8.De duur van de inzet voor een specifieke operatie wordt vastgesteld door de lidstaat van herkomst, maar is in ieder geval niet korter dan 30 dagen tenzij de operatie waarvan de inzet deel uitmaakt, minder dan 30 dagen duurt.

Artikel 59
Tussentijdse evaluatie van de werking van het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT

1.Uiterlijk op 31 juni 2024 voert de Commissie, met name op basis van de in artikel 65 bedoelde verslagen, een tussentijdse evaluatie uit van de werking van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, waarbij de totale grootte en de samenstelling ervan worden beoordeeld. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de evolutie van het statutaire personeel voor de bijdrage van het Agentschap en met belangrijke capaciteitswijzigingen bij de lidstaten die een invloed hebben op hun vermogen om bij te dragen aan het permanente korps.

2.Waar mogelijk gaat deze tussentijdse evaluatie vergezeld van passende voorstellen tot wijziging van de bijlagen I, III en IV.

Artikel 60
Steunpunten

1.Indien de ontvangende lidstaat daarmee instemt, kan het Agentschap op het grondgebied van die lidstaat steunpunten opzetten met het oog op een vlottere en betere coördinatie van de operationele activiteiten, onder meer op het gebied van terugkeer, die het Agentschap in die lidstaat of in de aangrenzende regio organiseert, en met het oog op een doeltreffend beheer van de personele en technische middelen van het Agentschap. De steunpunten zijn tijdelijke inrichtingen die worden opgezet voor de periode die het Agentschap nodig heeft om in die lidstaat of in de betrokken aangrenzende regio belangrijke operationele activiteiten te verrichten. Die periode kan indien nodig worden verlengd.

2.Het Agentschap en de ontvangende lidstaat waar het steunpunt is opgezet, spannen zich in om de nodige regelingen te treffen teneinde de best mogelijke voorwaarden tot stand te brengen voor het verrichten van de taken die aan het steunpunt zijn toegewezen.

3.De steunpunten hebben, waar van toepassing, de volgende taken:

(a)operationele en logistieke steun verlenen en zorgen voor de coördinatie van de activiteiten van het Agentschap in de betrokken operationele gebieden;

(b)de lidstaat operationele steun verlenen in de betrokken operationele gebieden;

(c)de activiteiten van de teams van het Agentschap monitoren en regelmatig verslag uitbrengen aan het hoofdkwartier;

(d)met de ontvangende lidstaat of lidstaten samenwerken bij alle kwesties die verband houden met de praktische uitvoering van de door het Agentschap in die lidstaat of lidstaten georganiseerde operationele activiteiten, met inbegrip van eventuele extra kwesties die zich tijdens deze activiteiten hebben voorgedaan;

(e)de in artikel 45 bedoelde coördinerende functionaris ondersteunen bij zijn samenwerking met de deelnemende lidstaten inzake alle kwesties die verband houden met hun bijdrage aan de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten en, indien nodig, contact onderhouden met het hoofdkwartier;

(f)de coördinerende functionaris ondersteunen bij het faciliteren, indien nodig, van de coördinatie en communicatie tussen de teams van het Agentschap en de relevante autoriteiten van de ontvangende lidstaat;

(g)logistieke steun organiseren in verband met de inzet van de teamleden en de inzet en het gebruik van technische uitrusting;

(h)alle andere logistieke steun verlenen in verband met het operationele gebied waarvoor zij verantwoordelijk zijn, teneinde de door het Agentschap georganiseerde operationele activiteiten vlot te laten verlopen;

(i)de verbindingsfunctionaris van het Agentschap steunen bij de identificatie van bestaande of toekomstige problemen voor het grensbeheer van het gebied waarvoor zij verantwoordelijk zijn of voor de uitvoering van het acquis inzake terugkeer, en regelmatig verslag uitbrengen aan het hoofdkwartier;

(j)zorgen voor een doeltreffend beheer van de eigen apparatuur van het Agentschap op de door zijn activiteiten bestreken gebieden, met inbegrip van de mogelijke registratie, het onderhoud op lange termijn en de nodige logistieke ondersteuning.

4.Elk steunpunt wordt beheerd door een door de uitvoerend directeur aangestelde vertegenwoordiger van het Agentschap. De persoon die als hoofd van het steunpunt is aangesteld, houdt toezicht op de algemene werkzaamheden ervan en treedt op als enig aanspreekpunt voor het hoofdkwartier.

5.De raad van bestuur beslist, op voorstel van de uitvoerend directeur, over de oprichting, de samenstelling, de bestaansduur en, indien nodig, de verlenging van de bestaansduur van een steunpunt en houdt daarbij rekening met het advies van de Commissie en de instemming van de lidstaat op het grondgebied waarvan dat steunpunt zich zal bevinden. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden.

6.De uitvoerend directeur brengt op kwartaalbasis verslag uit aan de raad van bestuur over de activiteiten van de steunpunten. De activiteiten van de steunpunten worden beschreven in een afzonderlijk deel van het in artikel 98, lid 2, punt 10, bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag.

Artikel 61
Financiële steun voor de uitbouw van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht

1.De lidstaten hebben recht op jaarlijkse, niet aan kosten gekoppelde financiering om de uitbouw van het personeelsbestand te ondersteunen en zo hun bijdrage te verzekeren aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht overeenkomstig de bijlagen III en IV; deze financiering is in overeenstemming met artikel 125, lid 1, onder a), van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 en wordt betaald na het einde van het desbetreffende jaar en mits de voorwaarden van de leden 3 en 4 zijn vervuld. De financiering is gebaseerd op het in lid 2 bepaalde referentiebedrag en bedraagt:

(a)100 % van het referentiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal grenswachters of andere functionarissen die jaarlijks zijn aangewezen voor detachering overeenkomstig bijlage III;

(b)30 % van het referentiebedrag, vermenigvuldigd met het aantal grenswachters of andere functionarissen die daadwerkelijk worden ingezet overeenkomstig artikel 58, binnen de grenzen van bijlage IV.

2.Het in lid 1 bedoelde referentiebedrag is gelijkwaardig aan het jaarlijks basissalaris van een arbeidscontractant in functiegroep III, graad 8, stap 1, dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 93 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (RAP) en waarop de in de desbetreffende lidstaat geldende correctiecoëfficiënt wordt toegepast.

3.De jaarlijkse betaling van het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag is verschuldigd op voorwaarde dat de lidstaten gedurende de periode in kwestie hun respectieve personeelsbestand aan nationale grenswachters verhogen via de indienstname van nieuwe grenswachters en andere functionarissen. De voor rapportering relevante informatie wordt aan het Agentschap verstrekt tijdens de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en wordt geverifieerd in het kader van de kwetsbaarheidsbeoordeling in het daaropvolgende jaar. Het in lid 1, onder b), bedoelde bedrag dat jaarlijks wordt betaald, staat in verhouding tot het aantal grenswachters en andere functionarissen dat daadwerkelijk wordt ingezet gedurende minstens vier maanden, overeenkomstig artikel 58, binnen de in bijlage IV vastgestelde grens.

4.Aan de hand van een uitvoeringsbesluit overeenkomstig de in artikel 117, lid 3, vermelde procedure stelt de Commissie gedetailleerde regels vast voor de wijze waarop de jaarlijkse betaling moet worden uitgevoerd en waarop toezicht moet worden gehouden op de in lid 3 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 62
Opleiding

1.Het Agentschap ontwikkelt specifieke opleidingsinstrumenten, met inbegrip van specifieke opleidingen voor de bescherming van kinderen en andere personen in kwetsbare situaties, in voorkomend geval rekening houdend met de in artikel 9, lid 4, bedoelde capaciteitenroutekaart en in samenwerking met de passende opleidingsentiteiten van de lidstaten en, in voorkomend geval, het EASO en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten. Het verstrekt geavanceerde opleidingen aan grenswachters, specialisten inzake terugkeer en andere relevante personeelsleden die lid zijn van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, aangepast aan hun taken en bevoegdheden. Deskundigen van het Agentschap houden regelmatig oefeningen met die grenswachters en andere teamleden, overeenkomstig het in het jaarlijks werkprogramma van het Agentschap opgenomen schema voor geavanceerde opleidingen en oefeningen.

2.Het Agentschap ziet erop toe dat alle personeelsleden die in dienst worden genomen als operationeel personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht een passende opleiding hebben gekregen in relevante Unie- en internationale wetgeving, onder meer met betrekking tot grondrechten, toegang tot internationale bescherming en, in voorkomend geval, opsporing en redding, alvorens zij voor het eerst worden ingezet voor operationele activiteiten die door het Agentschap worden georganiseerd. Daartoe zal biedt Agentschap, op basis van overeenkomsten met geselecteerde lidstaten, de nodige opleidingsprogramma's aan in de nationale onderwijsinstellingen van die lidstaten. De kosten van de opleiding worden volledig gedragen door het Agentschap.

3.Het Agentschap neemt de nodige initiatieven om te garanderen dat alle operationele personeelsleden van de lidstaten die deelnemen aan de teams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht een opleiding hebben gekregen in relevante Unie- en internationale wetgeving, onder meer met betrekking tot grondrechten, toegang tot internationale bescherming en, in voorkomend geval, opsporing en redding, alvorens zij deelnemen aan operationele activiteiten die door het Agentschap worden georganiseerd.

4.Het Agentschap neemt de nodige initiatieven om ervoor te zorgen dat personeel dat aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de in artikel 52 vermelde pool is toegewezen en dat betrokken is bij taken die verband houden met terugkeer, een opleiding krijgt. Het Agentschap ziet erop toe dat zijn personeel en alle personeelsleden die deelnemen aan terugkeeroperaties en terugkeerinterventies een opleiding heeft gekregen in relevante Unie- en internationale wetgeving, onder meer met betrekking tot grondrechten en toegang tot internationale bescherming, alvorens zij deelnemen aan operationele activiteiten die door het Agentschap worden georganiseerd.

5.Het Agentschap stelt een gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleiding van grenswachters opstellen, ontwikkelt deze verder en verstrekt opleiding op Europees niveau aan instructeurs van de nationale grenswachten van de lidstaten, onder meer met betrekking tot grondrechten, toegang tot internationale bescherming en het relevante zeerecht; voorts stelt het een gemeenschappelijk curriculum op voor de opleiding van personeel dat betrokken is bij taken die verband houden met terugkeer. De gemeenschappelijk basisinhoud heeft tot doel de hoogste normen en beste praktijken te bevorderen bij de tenuitvoerlegging van de Uniewetgeving inzake grensbeheer en terugkeer. Het Agentschap stelt de gemeenschappelijke basisinhoud op na raadpleging van het adviesforum en de grondrechtenfunctionaris. De lidstaten nemen de gemeenschappelijke basisinhoud op in de opleidingen die zij verstrekken aan hun nationale grenswachters en aan de personeelsleden die betrokken zijn bij taken die verband houden met terugkeer.

6.Het Agentschap biedt aan functionarissen van de bevoegde nationale diensten van de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen ook aanvullende opleidingen en seminars aan over thema's die verband houden met het toezicht aan de buitengrenzen en de terugkeer van onderdanen van derde landen.

7.Het Agentschap kan, in samenwerking met lidstaten en derde landen, opleidingsactiviteiten organiseren op het grondgebied van deze lidstaten en derde landen.

8.Het Agentschap zet uitwisselingsprogramma's op die aan zijn teams deelnemende grenswachters en aan de Europese terugkeerinterventieteams deelnemende personeelsleden de mogelijkheid bieden om samen te werken met grenswachters en personeelsleden die betrokken zijn bij taken die verband houden met terugkeer in een andere lidstaat, en aldus specifieke kennis of knowhow op te doen uit ervaringen en goede praktijken in het buitenland.

Artikel 63
Aanschaf of leasing van technische uitrusting

1.Het Agentschap kan, zelf of in mede-eigendom met een lidstaat, overgaan tot de aanschaf of leasing van technische uitrusting die wordt gebruikt tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten, snelle grensinterventies, activiteiten op het gebied van terugkeer, met inbegrip van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer of technische bijstandsprojecten, overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

2.Op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, en na ontvangst van een positief advies van de Commissie, stelt de raad van bestuur een uitgebreide meerjarige strategie op met betrekking tot de wijze waarop de interne technische capaciteiten van het Agentschap moeten worden ontwikkeld, rekening houdende met de cyclus voor het meerjarig strategisch beleid inzake Europees geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van de in artikel 9, lid 4, bedoelde capaciteitenroutekaart, voor zover beschikbaar, en de begrotingsmiddelen die hiervoor zijn vrijgemaakt in het meerjarig financieel kader.

De strategie gaat vergezeld van een gedetailleerd tenuitvoerleggingsplan waarin termijnen voor aanschaf of leasing, aankoopplanning en risicobeheer zijn gespecificeerd. Als het advies van de Commissie niet wordt gevolgd bij de opstelling van de strategie en het plan, stuurt het Agentschap een motivering van zijn besluiten naar de Commissie. Na de vaststelling van de strategie maakt het tenuitvoerleggingsplan deel uit van de meerjarige programmeringscomponent van het in artikel 98, lid 2, punt 10, vermelde programmeringsdocument.

3.Het Agentschap kan technische uitrusting aanschaffen op basis van een besluit van de uitvoerend directeur, in overleg met de raad van bestuur en overeenkomstig de toepasselijke aanbestedingsregels. Voor elke aanschaf of leasing van uitrusting die aanzienlijke kosten met zich meebrengt voor het Agentschap, wordt een grondige behoeftenanalyse en kosten-batenanalyse uitgevoerd. Al deze uitgaven worden opgenomen in de begroting van het Agentschap, zoals vastgesteld door de raad van bestuur.

4.Als het Agentschap belangrijke technische uitrusting aanschaft of least, zoals vliegtuigen, helikopters of schepen, gelden de volgende voorwaarden:

(a)in het geval van aanschaf door het Agentschap of mede-eigendom komt het Agentschap met één lidstaat overeen dat die lidstaat zorgt voor de registratie van de uitrusting overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van die lidstaat;

(b)in het geval van leasing, wordt de uitrusting geregistreerd in een lidstaat.

5.Op basis van een door het Agentschap opgestelde en door de raad van bestuur goedgekeurde modelovereenkomst bereiken de lidstaat van registratie en het Agentschap overeenstemming over de voorwaarden voor de operabiliteit van de uitrusting. In het geval van activa waarvan het Agentschap mede-eigenaar is, hebben de voorwaarden ook betrekking op de perioden waarin de activa volledig ter beschikking van het Agentschap staan; in de voorwaarden is bepaald hoe de uitrusting moet worden gebruikt, met inbegrip van specifieke bepalingen inzake snelle inzetbaarheid tijdens snelle grensinterventies.

6.Als het Agentschap niet over het vereiste gekwalificeerde statutaire personeel beschikt, stelt de lidstaat van registratie of de leverancier van de technische uitrusting de nodige deskundigen en technici ter beschikking om de technische uitrusting op wettelijke en veilige wijze te bedienen. In dat geval wordt technische uitrusting die volledige eigendom is van het Agentschap op verzoek ter beschikking gesteld van het Agentschap en kan de lidstaat van registratie zich niet beroepen op de in artikel 64, lid 8, vermelde buitengewone omstandigheid.

Artikel 64
Pool van technische uitrusting

1.Het Agentschap zorgt voor het opzetten en bijhouden van centrale registers van uitrusting in een pool van technische uitrusting die bestaat uit aan de lidstaten of aan het Agentschap toebehorende uitrusting en aan de lidstaten en het Agentschap in mede-eigendom toebehorende uitrusting voor zijn operationele activiteiten.

2.Uitrusting die uitsluitend eigendom is van het Agentschap moet op elk ogenblik volledig voor inzet beschikbaar zijn, zoals bepaald in artikel 63, lid 5.

3.Uitrusting waarvan het Agentschap voor meer dan 50 % mede-eigenaar is, is ook voor inzet beschikbaar overeenkomstig een overeenkomst tussen een lidstaat en het Agentschap, zoals bedoeld in artikel 64, lid 5.

4.Het Agentschap ziet toe op de compatibiliteit en interoperabiliteit van de uitrusting in de pool van technische uitrusting.

5.Daartoe stelt het technische normen op waaraan de uitrusting moet voldoen om te kunnen worden ingezet voor de activiteiten van het Agentschap, indien nodig. Uitrusting die door het Agentschap wordt aangeschaft, alleen of in mede-eigendom, en uitrusting die eigendom is van de lidstaten en die in de pool van technische uitrusting is opgenomen, voldoet aan deze normen.

6.Op voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur, rekening houdend met de risicoanalyse van het Agentschap en de resultaten van de kwetsbaarheidsbeoordelingen, uiterlijk op 31 maart de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen vast die vereist is om te voldoen aan de behoeften van het Agentschap in het daaropvolgende jaar, met name voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, het inzetten van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, snelle grensinterventies en terugkeeractiviteiten, met inbegrip van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies. De eigen uitrusting van het Agentschap maakt deel uit van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen. Bij datzelfde besluit worden de regels vastgesteld met betrekking tot de inzet van technische uitrusting voor operationele activiteiten.

Als de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen niet blijkt te volstaan om het voor die activiteiten overeengekomen operationele plan uit te voeren, herziet het Agentschap deze hoeveelheid op basis van gemotiveerde behoeften en een overeenkomst met de lidstaten.

7.De pool van technische uitrusting bevat de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen die het Agentschap voor elk type uitrusting heeft vastgesteld. De uitrusting in de pool van technische uitrusting wordt ingezet tijdens gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, proefprojecten, snelle grensinterventies en terugkeeroperaties of -interventies.

8.De pool van technische uitrusting omvat een pool van uitrusting voor snelle reactie, met een beperkte hoeveelheid uitrustingsartikelen die nodig zijn voor eventuele snelle grensinterventies. De bijdragen van de lidstaten tot de pool van uitrusting voor snelle reactie worden gepland overeenkomstig de in lid 8 bedoelde jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten. Met betrekking tot de uitrusting op de lijst van uitrusting in deze pool kunnen de lidstaten zich niet beroepen op de in lid 8 bedoelde buitengewone omstandigheid.

De uitrusting op deze lijst wordt zo snel mogelijk verstuurd naar de plaats waar zij wordt ingezet en in geen geval later dan tien dagen na de datum waarop overeenstemming is bereikt over het operationele plan.

Het Agentschap draagt bij tot deze pool met uitrusting die ter beschikking staat van het Agentschap, zoals vermeld in artikel 63, lid 1.

9.De lidstaten dragen bij tot de pool van technische uitrusting. De bijdrage van de lidstaten tot de pool en de inzet van de technische uitrusting voor specifieke operaties wordt gepland op basis van de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen en overeenkomsten tussen het Agentschap en de lidstaten. Overeenkomstig die overeenkomsten, en in de mate dat de uitrusting deel uitmaakt van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen voor een bepaald jaar, stellen de lidstaten hun technische uitrusting beschikbaar voor inzet op verzoek van het Agentschap, tenzij ze worden geconfronteerd met een buitengewone omstandigheid die een aanzienlijke invloed heeft op hun vermogen om zich van hun nationale taken te kwijten. Als een lidstaat zich beroept op een dergelijke buitengewone omstandigheid verstrekt zij het Agentschap schriftelijk een uitgebreide motivering en informatie over deze omstandigheid; de inhoud daarvan wordt opgenomen in het in lid 13 bedoelde verslag. Het Agentschap dient zijn verzoek minstens 45 dagen vóór de geplande inzet in in het geval van belangrijke technische uitrusting, en minstens 30 dagen vóór de geplande inzet in het geval van andere uitrusting. De bijdragen aan de pool van technische uitrusting worden jaarlijks opnieuw bekeken.

10.Op voorstel van de uitvoerend directeur beslist de raad van bestuur jaarlijks over de regels met betrekking tot technische uitrusting, met inbegrip van de vereiste totale minimumhoeveelheden van elk type technische uitrusting, de voorwaarden voor de inzet ervan, de vergoeding van kosten en de beperkte hoeveelheid technische uitrustingsartikelen voor een pool van uitrusting voor snelle reactie. Om begrotingsredenen moet die beslissing uiterlijk op 31 maart van elk jaar door de raad van bestuur worden genomen.

11.Wanneer een snelle grensinterventie plaatsvindt, is artikel 40, lid 11, dienovereenkomstig van toepassing.

12.Wanneer zich een onverwachte behoefte aan technische uitrusting voor een gezamenlijke operatie of een snelle grensinterventie voordoet nadat de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen is vastgesteld en deze behoefte niet kan worden ingevuld met uitrusting uit de pool van technische uitrusting of de pool van uitrusting voor snelle reactie, stellen de lidstaten, voor zover mogelijk en op ad-hocbasis, op verzoek van het Agentschap de nodige technische uitrusting ter beschikking.

13.De uitvoerend directeur brengt regelmatig verslag uit aan de raad van bestuur over de samenstelling en inzet van uitrusting die deel uitmaakt van de pool van technische uitrusting. Wanneer de vereiste minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen in de pool niet is bereikt, stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur hier onverwijld van in kennis. De raad van bestuur beslist met hoogdringendheid welke technische uitrusting prioritair moet worden ingezet, en neemt passende maatregelen om het tekort weg te werken. De raad van bestuur stelt de Commissie in kennis van het tekort en van de stappen die hij heeft genomen. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis, alsook van haar eigen beoordeling.

14.Alle vervoersmiddelen en operationele uitrusting die zijn aangekocht in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad 43 of, voor zover relevant, om het even welke andere specifieke financiering van de Unie die ter beschikking van de lidstaten is gesteld om de operationele capaciteit van het Agentschap te vergroten, worden door de lidstaten geregistreerd in de pool van technische uitrusting. Die technische uitrusting maakt deel uit van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen voor een bepaald jaar.

De technische uitrusting waarvoor medefinanciering is verstrekt in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid of om het even welke andere specifieke financiering van de Unie wordt op verzoek van het Agentschap voor inzet beschikbaar gesteld via de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen. Elk uitrustingsartikel wordt beschikbaar gesteld voor een periode van minstens vijf maanden. In het geval van een in artikel 40 of 43 van deze verordening bedoelde operatie, mogen de lidstaten zich niet beroepen op de in lid 8 van het onderhavige artikel bedoelde buitengewone omstandigheid.

15.Het Agentschap beheert het register van de pool van technische uitrusting als volgt:

(a)indeling per type uitrusting en type operatie;

(b)indeling per eigenaar (lidstaat, agentschap, andere);

(c)totale hoeveelheden vereiste uitrustingsartikelen;

(d)personeelsvereisten, indien van toepassing;

(e)andere informatie, zoals registratiegegevens, vervoers- en onderhoudsvoorschriften, toepasselijke nationale exportregelingen, technische instructies of andere informatie die relevant is voor het passend gebruik van de uitrusting;

(f)een vermelding of de uitrusting met middelen van de Unie is gefinancierd.

16.Het Agentschap financiert voor 100 % de inzet van technische uitrusting die deel uitmaakt van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen die door een bepaalde lidstaat voor een bepaald jaar ter beschikking wordt gesteld. De in aanmerking komende kosten van de inzet van technische uitrusting die geen deel uitmaakt van de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen wordt tot 100 % medegefinancierd, rekening houdende met de specifieke omstandigheden van de lidstaten die deze technische uitrusting inzetten.

Artikel 65
Rapportering over de capaciteiten van het Agentschap

1.Op voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur een jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de artikelen 52, 56, 57, 58, 63 en 64 vast en dient dit in bij het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie.

2.Dit verslag bevat met name:

(a)het aantal operationele personeelsleden dat elke lidstaat heeft toegewezen aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht en de pool van toezichthouders voor gedwongen terugkeer;

(b)het aantal operationele personeelsleden dat het Agentschap heeft toegewezen aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht;

(c)het aantal operationele personeelsleden uit het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht dat in het afgelopen jaar daadwerkelijk is ingezet door iedere lidstaat, opgesplitst per profiel;

(d)de hoeveelheid technische uitrustingsartikelen die elke lidstaat en het Agentschap heeft toegewezen aan de pool van technische uitrusting;

(e)de hoeveelheid technische uitrustingsartikelen uit de pool van technische uitrusting die elke lidstaat en het Agentschap in het afgelopen jaar heeft ingezet, met speciale verwijzing naar:

(f)toewijzingen aan en inzet uit de pool van uitrusting voor snelle reactie;

(g)de ontwikkeling van de eigen menselijke en technische capaciteiten van het Agentschap.

3.Het verslag bevat een lijst van de lidstaten die zich in het afgelopen jaar hebben beroepen op de in artikel 58, lid 7, en artikel 64, lid 8, bedoelde buitengewone omstandigheid, met vermelding van de door de betrokken lidstaat opgegeven redenen en informatie.

4.Om redenen van transparantie wordt de raad van bestuur elk trimester in kennis gesteld van de in lid 2 vermelde elementen met betrekking tot het lopende jaar.

Artikel 66
Onderzoek en innovatie

1.Het Agentschap houdt proactief toezicht op en levert een bijdrage tot onderzoeks- en innovatieactiviteiten die relevant zijn voor het Europees geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van het gebruik van geavanceerde surveillancetechnologie, rekening houdende met de in artikel 9, lid 4, vermelde capaciteitenroutekaart. Het Agentschap verstrekt de resultaten van dat onderzoek aan het Europees Parlement, de lidstaten en de Commissie, overeenkomstig artikel 50. Het mag die resultaten gebruiken in gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies.

2.Rekening houdende met de capaciteitenroutekaart als bedoeld in artikel 9, lid 4, verleent het Agentschap bijstand aan de lidstaten en de Commissie bij het identificeren van belangrijke onderzoeksthema's. Het Agentschap verleent bijstand aan de lidstaten en de Commissie bij het opstellen en uitvoeren van de relevante kaderprogramma's van de Unie voor onderzoeks- en innovatieactiviteiten.

3.Het Agentschap voert de delen van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie uit die betrekking hebben op grensbeveiliging. Daartoe heeft het Agentschap, voor zover de Commissie de relevante bevoegdheden aan het Agentschap heeft gedelegeerd, de volgende taken:

(a)het beheer van sommige fasen van de tenuitvoerlegging van het programma en sommige fasen in de levensloop van specifieke projecten, op basis van de door de Commissie vastgestelde relevante werkprogramma's;

(b)de vaststelling van de instrumenten tot uitvoering van de begroting, zowel aan de ontvangsten- als de uitgavenzijde, en de uitvoering van alle activiteiten die noodzakelijk zijn voor het beheer van het programma;

(c)de verlening van steun voor de tenuitvoerlegging van het programma.

4.Het Agentschap mag proefprojecten met betrekking tot onder deze verordening vallende thema's plannen en uitvoeren.

Artikel 67
Vaststelling van de plannen

1.De in artikel 9 vermelde plannen die deel uitmaken van de geïntegreerde planning voor grensbeheer en terugkeer worden opgesteld overeenkomstig de leden 2, 3 en 4.

2.De lidstaten en het Agentschap stellen operationele plannen op voor grensbeheer en terugkeer. De operationele plannen van lidstaten met betrekking tot grenssegmenten met een hoog en kritiek impactniveau worden opgesteld in samenwerking met naburige lidstaten en het Agentschap. Voor de activiteiten van het Agentschap wordt de operationele planning voor het volgende jaar gedefinieerd in de bijlage bij het in artikel 100 vermelde unieke programmeringsdocument en voor elke specifieke operationele activiteit via het in artikel 39 en artikel 75, lid 3, vermelde operationele plan.

3.De lidstaten stellen een noodplan op voor het beheer van hun grenzen en terugkeer. Overeenkomstig de nationale strategie voor geïntegreerd grensbeheer worden in de noodplannen alle maatregelen en middelen beschreven die nodig zijn voor de eventuele versterking van de capaciteiten, met inbegrip van logistiek en ondersteuning op nationaal niveau en op het niveau van het Agentschap.

De overeenkomstige scenario's en het gedeelte van de noodplannen waarvoor aanvullende steun nodig is van de Europese grens- en kustwacht worden door elke lidstaat en het Agentschap samen voorbereid, in nauw overleg met naburige lidstaten.

4.De lidstaten stellen een capaciteitenontwikkelingsplan vast voor grensbeheer en terugkeer, in overeenstemming met hun nationale strategie voor geïntegreerd grensbeheer. In het capaciteitenontwikkelingsplan worden het geplande scenario en de bijbehorende middellange- tot langetermijnevolutie van de nationale capaciteiten voor grensbeheer en terugkeer beschreven.

Het nationale capaciteitenontwikkelingsplan gaat met name in op het indienstname- en opleidingsbeleid van de grenswachters en terugkeerspecialisten, de aanschaf en het onderhoud van uitrusting en de nodige onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en de bijbehorende financiële aspecten.

5.Het Agentschap stelt een synthese op van de nationale capaciteitenontwikkelingsplannen, een meerjarige strategie voor de aanschaf van de in artikel 63 vermelde uitrusting van het Agentschap en een meerjarige planning van profielen voor het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht.

Het Agentschap deelt deze synthese met de lidstaten en de Commissie teneinde mogelijke synergieën en samenwerkingsmogelijkheden te identificeren op de diverse gebieden waarop de capaciteitenontwikkelingsplannen betrekking hebben, met inbegrip van gezamenlijke aanbestedingen. Op basis van de geïdentificeerde synergieën kan het Agentschap de lidstaten uitnodigen om deel te nemen aan follow-upacties voor samenwerking.

6.De in artikel 9, lid 4, bedoelde capaciteitenroutekaart wordt voorgesteld door de uitvoerend directeur op basis van de synthese van de nationale capaciteitenontwikkelingsplannen, onder meer rekening houdende met de resultaten van de risicoanalyse en de overeenkomstig artikel 33 uitgevoerde kwetsbaarheidsbeoordelingen en de eigen meerjarenplannen van het Agentschap.

7.De methode en procedure om de in lid 2 bedoelde scenario's en de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde plannen op te stellen, wordt vastgesteld door de raad van bestuur van het Agentschap op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur.


Afdeling 10
Het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias)

Artikel 68
Oprichting van de centrale eenheid van Etias

1.Er wordt een centrale eenheid van Etias opgericht.

2.Het Agentschap zorgt voor de oprichting en werking van een centrale eenheid van Etias, zoals bepaald in artikel 7 van [de Verordening tot vaststelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (Etias)].

Afdeling 11
Samenwerking

Subafdeling 1
Samenwerking binnen de EU

Artikel 69
Samenwerking van het Agentschap met de instellingen, organen en instanties van de Unie en met internationale organisaties

1.Het Agentschap werkt samen met de instellingen, organen en instanties van de Unie en met internationale organisaties, binnen hun respectieve rechtskaders, en maakt gebruik van bestaande informatie, capaciteiten en systemen die beschikbaar zijn in het kader van Eurosur.

Overeenkomstig lid 1 werkt het Agentschap met name samen met:

(a)de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden;

(b)de Europese Politiedienst (Europol);

(c)het Europese Asielagentschap;

(d)het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten;

(e)Eurojust;

(f)het Satellietcentrum van de Europese Unie;

(g)het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Europees Bureau voor visserijcontrole;

(h)het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht;

(i)het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart en de bij Verordening (EU) nr. 677/2011 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de netwerkfuncties voor luchtverkeersbeheer opgerichte netwerkbeheerder.

(j)het Maritiem Analyse- en Operatiecentrum op het gebied van verdovende middelen (MAOC-N);

(k)missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

2.De in lid 1 bedoelde samenwerking geschiedt in het kader van werkafspraken met de in lid 1 vermelde entiteiten. Deze werkafspraken worden vooraf door de Commissie goedgekeurd. Het Agentschap brengt het Europees Parlement in elk geval op de hoogte van deze afspraken.

3.Wat de behandeling van gerubriceerde informatie betreft, wordt in die afspraken bepaald dat het betrokken orgaan of de betrokken instelling van de Unie of de betrokken internationale organisatie voldoet aan beveiligingsregels en -normen die gelijkwaardig zijn aan die welke door het Agentschap worden toegepast. Voorafgaand aan de sluiting van de werkafspraak vindt een beoordelingsbezoek plaats; de Commissie wordt in kennis gesteld van de resultaten van dit bezoek.

4.Bij het uitvoeren van onder deze verordening vallende activiteiten werkt het Agentschap samen met de Commissie en, voor zover relevant, met de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden. Hoewel dit buiten het bestek van deze verordening valt, wordt ook samengewerkt op douanegebied, met inbegrip van het domein risicobeheer, als deze activiteiten elkaar ondersteunen. Deze samenwerking laat de bestaande bevoegdheden van de Commissie, de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de lidstaten onverlet.

5.De in lid 1 bedoelde instellingen, organen en instanties van de Unie en internationale organisaties maken alleen binnen de grenzen van hun bevoegdheden gebruik van de van het Agentschap ontvangen informatie, en op voorwaarde dat zij de grondrechten, met inbegrip van de eisen inzake gegevensbescherming, respecteren. Voor verdere verzending of andere vormen van mededeling van door het Agentschap verwerkte persoonsgegevens aan andere instellingen, organen en instanties van de Unie zijn specifieke werkafspraken inzake de uitwisseling van persoonsgegevens nodig, waarvoor de voorafgaande goedkeuring van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming vereist is. Elke overdracht van persoonsgegevens door het Agentschap voldoet aan de gegevensbeschermingsbepalingen van de artikelen 87 tot en met 90. Wat de behandeling van gerubriceerde informatie betreft, wordt in die afspraken bepaald dat de betrokken instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie of de betrokken internationale organisaties moeten voldoen aan beveiligingsregels en -normen die gelijkwaardig zijn aan die welke door het Agentschap worden toegepast.

6.De in lid 2 bedoelde informatie tussen het Agentschap en de organen en instellingen van de Unie en internationale organisaties wordt uitgewisseld via het in artikel 14 bedoelde communicatienetwerk of via andere geaccrediteerde systemen voor gegevensuitwisseling die voldoen aan de criteria van beschikbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit.

Artikel 70
Europese samenwerking met betrekking tot kustwachttaken

1.Onverminderd Eurosur steunt het Agentschap, in samenwerking met het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, de nationale autoriteiten bij het uitvoeren van kustwachttaken op nationaal niveau en het niveau van de Unie en, indien van toepassing, op internationaal niveau, door:

(a)informatie die beschikbaar is in systemen voor de rapportage van vaartuigen en andere informatiesystemen die door die agentschappen zijn opgezet of kunnen worden geraadpleegd, overeenkomstig hun respectieve rechtsgronden uit te wisselen, samen te voegen en te analyseren, onverminderd de eigendom van gegevens door lidstaten;

(b)surveillance- en communicatiediensten te verstrekken op basis van state-of-the-art technologie, met inbegrip van infrastructuur in de ruimte en op de grond en sensoren die op om het even welk soort platform zijn gemonteerd;

(c)capaciteit op te bouwen door richtsnoeren en aanbevelingen op te stellen, goede praktijken vast te stellen, opleidingen te verstrekken en personeel uit te wisselen;

(d)de uitwisseling van informatie en de samenwerking met betrekking tot kustwachttaken te verbeteren, onder meer door operationele uitdagingen en ontluikende risico's op maritiem gebied te analyseren;

(e)capaciteit te delen door operaties met meerdere doelen te plannen en uit te voeren en door activa en andere capaciteiten te delen, voor zover deze activiteiten door die agentschappen worden gecoördineerd en zijn goedgekeurd door de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten.

2.De precieze vormen van samenwerking inzake kustwachttaken tussen het Agentschap, het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid worden vastgelegd in werkafspraken, overeenkomstig hun respectieve opdrachten en de voor die agentschappen geldende financiële regeling. Een dergelijke regeling wordt goedgekeurd door de raad van bestuur van het Agentschap, de raad van bestuur van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en de raad van bestuur van het Europees Bureau voor visserijcontrole.

3.De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met de lidstaten, het Agentschap, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en het Europees Bureau voor visserijcontrole, een praktische handleiding inzake Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken ter beschikking. Die handleiding bevat richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken voor informatie-uitwisseling. De Commissie stelt de handleiding vast volgens de in artikel 117, lid 3, bedoelde procedure, in de vorm van een aanbeveling.

Artikel 71
Samenwerking met Ierland en het Verenigd Koninkrijk

1.Het Agentschap bevordert de operationele samenwerking van de lidstaten met Ierland en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot specifieke activiteiten.

2.Voor de toepassing van Eurosur kunnen de informatie-uitwisseling en de samenwerking met Ierland en het Verenigd Koninkrijk gebeuren op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen respectievelijk Ierland of het Verenigd Koninkrijk en een of meer aangrenzende lidstaten of via op die overeenkomsten gebaseerde regionale netwerken. De nationale coördinatiecentra van de lidstaten zijn de contactpunten voor de informatie-uitwisseling met de overeenkomstige autoriteiten van Ierland en van het Verenigd Koninkrijk in het kader van Eurosur.

3.De in lid 2 bedoelde overeenkomsten hebben uitsluitend betrekking op de uitwisseling van de volgende informatie tussen het nationale coördinatiecentrum van een lidstaat en de overeenkomstige autoriteit van Ierland of het Verenigd Koninkrijk:

(a)informatie die is opgenomen in het nationale situatiebeeld van een lidstaat, voor zover deze aan het Agentschap is doorgegeven met het oog op het Europees situatiebeeld;

(b)door Ierland en het Verenigd Koninkrijk verzamelde informatie die relevant is voor het Europees situatiebeeld;

(c)informatie zoals bedoeld in artikel 26, lid 5.

4.Informatie die in het kader van Eurosur is verstrekt door het Agentschap of door een lidstaat die geen partij is bij een in lid 2 bedoelde overeenkomst, wordt niet gedeeld met Ierland of het Verenigd Koninkrijk zonder de voorafgaande toestemming van het Agentschap of die lidstaat. De lidstaten en het Agentschap zijn gebonden door de weigering om die informatie uit te wisselen met Ierland of het Verenigd Koninkrijk.

5.Het is verboden in het kader van dit artikel uitgewisselde informatie verder door te zenden of anderszins mee te delen aan andere derde landen of derden.

6.De in lid 2 bedoelde overeenkomsten bevatten bepalingen betreffende de financiële kosten die voortvloeien uit de deelname van Ierland en het Verenigd Koninkrijk aan de uitvoering van die overeenkomsten.

7.De door het Agentschap overeenkomstig artikel 10, lid 1, punten 12, 13 en 15, te verlenen ondersteuning omvat de organisatie van terugkeeroperaties van de lidstaten waaraan ook Ierland of het Verenigd Koninkrijk deelnemen.

8.De toepassing van deze verordening op de grenzen van Gibraltar wordt opgeschort totdat een akkoord is bereikt over de werkingssfeer van de maatregelen met betrekking tot de overschrijding van de buitengrenzen door personen.

Subafdeling 2
Samenwerking met derde landen

Artikel 72
Samenwerking met derde landen

1.Overeenkomstig artikel 3, onder g), werken de lidstaten en het Agentschap samen met derde landen met het oog op de integratie van het grensbeheer en migratiebeleid, met inbegrip van terugkeer.

2.Op basis van de overeenkomstig artikel 8, lid 4, uiteengezette beleidsprioriteiten verleent het Agentschap technische en operationele bijstand aan derde landen in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, ook wat de bescherming van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement betreft.

3.Het Agentschap en de lidstaten nemen het recht van de Unie in acht, met inbegrip van normen en maatstaven die tot het acquis van de Unie behoren, ook wanneer de samenwerking met derde landen op het grondgebied van die landen plaatsvindt.

Artikel 73
Samenwerking tussen lidstaten en derde landen

1.De lidstaten kunnen voor de toepassing van deze verordening op operationeel niveau blijven samenwerken en informatie blijven uitwisselen met een of meerdere derde landen. Die samenwerking en informatie-uitwisseling vinden plaats op basis van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of via op die overeenkomsten gebaseerde regionale netwerken.

2.De lidstaten nemen in de in lid 1 bedoelde bilaterale en multilaterale overeenkomsten bepalingen op betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 76.

3.De in lid 1 bedoelde overeenkomsten zijn in overeenstemming met het Unierecht en internationaal recht betreffende grondrechten en internationale bescherming, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement. Bij de toepassing van deze overeenkomsten beoordelen de lidstaten, eveneens gelet op artikel 8, voortdurend de algemene situatie in het derde land beoordelen en houden zij daar rekening mee.

Artikel 74
Samenwerking tussen het Agentschap en derde landen

1.Het Agentschap kan met de autoriteiten van derde landen die bevoegd zijn voor onder deze verordening vallende aangelegenheden samenwerken in de mate die nodig is om zijn taken te vervullen.

2.Wanneer het dit doet, treedt het Agentschap op in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, onder meer op het gebied van de bescherming van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement, met de steun van en in samenwerking met delegaties van de Unie en, voor zover relevant, GVDB-missies en -operaties.

3.Als de omstandigheden vereisen dat grensbeheer- en terugkeerteams van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden ingezet in een derde land waar de teamleden uitvoeringsbevoegdheden zullen uitoefenen, wordt een statusovereenkomst gesloten tussen de Unie en het desbetreffende derde land. De statusovereenkomst bestrijkt alle aspecten die noodzakelijk zijn om de acties uit te voeren. In die overeenkomst worden met name de reikwijdte van de operatie, de civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid en de taken en bevoegdheden van de teamleden omschreven. De statusovereenkomst zorgt ervoor dat tijdens deze operaties de grondrechten volledig worden geëerbiedigd.

4.Het Agentschap treedt, waar van toepassing, ook op in het kader van met deze autoriteiten gemaakte werkafspraken overeenkomstig het recht en beleid van de Unie, in overeenstemming met artikel 77, lid 6. In die werkafspraken wordt het toepassingsgebied, de aard en het doel van de samenwerking gespecificeerd; de werkafspraken houden verband met het beheer van operationele samenwerking en kunnen bepalingen bevatten met betrekking tot de uitwisseling van gevoelige niet-gerubriceerde informatie en samenwerking in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 75, lid 3. Alle werkafspraken met betrekking tot de uitwisseling van gerubriceerde informatie worden gesloten overeenkomstig artikel 77, lid 6. Het Agentschap neemt het Unierecht in acht, met inbegrip van de normen en maatstaven die tot het acquis van de Unie behoren. 

5.Het Agentschap draagt bij tot de uitvoering van internationale overeenkomsten en juridisch niet-bindende afspraken inzake terugkeer die de Unie met derde landen heeft gesloten, in het kader van het beleid voor het externe optreden van de Unie, en met betrekking tot terreinen die onder deze verordening vallen.

6.Het Agentschap kan financiering van de Unie ontvangen overeenkomstig de bepalingen van de relevante instrumenten voor steun aan en met betrekking tot derde landen. Het kan het initiatief nemen voor en financiële bijstand verlenen aan projecten voor technische bijstand in derde landen met betrekking tot aangelegenheden die onder deze verordening vallen, overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

7.Het Agentschap stelt het Europees Parlement in kennis van de uit hoofde van dit artikel verrichte activiteiten.

8.Het neemt in zijn jaarverslagen een beoordeling van de samenwerking met derde landen op.

Artikel 75
Technische en operationele bijstand die door het Agentschap aan derde landen wordt verleend

1.In omstandigheden die extra technische en operationele bijstand vereisen, kan het Agentschap, zoals bepaald in artikel 72, lid 3, de operationele samenwerking tussen lidstaten en derde landen coördineren en operationele steun verlenen aan derde landen in het kader van het Europees geïntegreerd grensbeheer.

2.Het Agentschap kan acties aan de buitengrenzen van een derde land uitvoeren, op voorwaarde dat het derde land daarmee instemt, alsook op het grondgebied van dat derde land.

3.Operaties worden uitgevoerd op basis van een operationeel plan waarover overeenstemming is bereikt tussen het Agentschap en het desbetreffende derde land. In het geval van operaties die worden uitgevoerd aan de gemeenschappelijke grens tussen het derde land en een of meer lidstaten, is instemming met het operationele plan van de lidstaat of lidstaten die grenzen aan het operationele gebied vereist. Operationele plannen kunnen bepalingen bevatten betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 76. Onverminderd de inzet van de leden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 58, geschiedt de deelname van lidstaten aan gezamenlijke operaties op het grondgebied van derde landen op vrijwillige basis.

4.Het Agentschap kan bijstand verlenen voor terugkeeractiviteiten van derde landen en zorgen voor de coördinatie of organisatie van operaties waarbij een aantal terugkeerders van dit derde land worden teruggebracht naar een ander derde land. Dergelijke terugkeeroperaties kunnen worden georganiseerd met de deelname van een of meer lidstaten ("gemengde terugkeeroperaties") of als nationale terugkeeroperaties, met name als dit gerechtvaardigd is door de prioriteiten van het Uniebeleid inzake irreguliere migratie. De deelnemende lidstaten en het Agentschap zorgen ervoor dat de eerbiediging van de grondrechten en het evenredige gebruik van dwangmaatregelen gedurende de volledige verwijderingsoperatie zijn gegarandeerd, met name door de aanwezigheid van toezichthouders voor gedwongen terugkeer en gedwongenterugkeerbegeleiders van derde landen.

Artikel 76
Informatie-uitwisseling met derde landen in het kader van Eurosur

1.De nationale coördinatiecentra van de lidstaten en, voor zover relevant, het Agentschap zijn de contactpunten voor informatie-uitwisseling en samenwerking met derde landen in het kader van Eurosur.

2.De bepalingen betreffende informatie-uitwisseling in het kader van Eurosur, zoals vermeld in artikel 72, lid 2, bevatten:

(a)de specifieke situatiebeelden die met derde landen worden gedeeld;

(b)de van derde landen afkomstige gegevens die kunnen worden gedeeld in het Europees situatiebeeld en de procedures voor de uitwisseling van deze gegevens;

(c)de procedures en voorwaarden voor het verstrekken van Fusion Services van Eurosur aan de autoriteiten van derde landen;

(d)de voorwaarden voor samenwerking en informatie-uitwisseling met waarnemers van derde landen voor Eurosur-doeleinden.

3.Informatie die in het kader van Eurosur is verstrekt door het Agentschap of door een lidstaat die geen partij is bij een in artikel 73, lid 1, bedoelde overeenkomst, wordt niet gedeeld met een land dat geen partij is bij die overeenkomst zonder de voorafgaande toestemming van het Agentschap of die lidstaat. De lidstaten en het Agentschap zijn gebonden door de weigering om die informatie te delen met het betrokken derde land.

Artikel 77
Rol van de Commissie met betrekking tot samenwerking met derde landen

1.De Commissie onderhandelt over de in artikel 74, lid 3, bedoelde statusovereenkomst, overeenkomstig artikel 218, lid 3, VWEU.

2.Na raadpleging van de lidstaten en het Agentschap stelt de Commissie modelbepalingen op voor de in artikel 71, lid 2, en artikel 73 bedoelde bilaterale en multilaterale overeenkomsten voor de uitwisseling van informatie in het kader van Eurosur, zoals bepaald in artikel 76, lid 2.

Na raadpleging van het Agentschap stelt de Commissie een model op voor de in artikel 74 bedoelde werkafspraken.

3.De betrokken lidstaten melden de in artikel 73, lid 1, bedoelde bestaande bilaterale en multilaterale overeenkomsten aan bij de Commissie, die nagaat of de bepalingen daarvan voldoen aan deze verordening.

4.Alvorens een nieuwe in artikel 73, lid 1, bedoelde bilaterale of multilaterale overeenkomst wordt gesloten, meldt (melden) de betrokken lidstaat (lidstaten) deze aan bij de Commissie, die nagaat of de bepalingen daarvan voldoen aan deze verordening en die de lidstaat dienovereenkomstig in kennis stelt.

5.Zodra een nieuwe overeenkomst is gesloten, brengt de betrokken lidstaat deze ter kennis van de Commissie, die het Europees Parlement, de Raad en het Agentschap daarover informeert.

6.Alvorens werkafspraken met derden of derde landen worden gesloten, meldt het Agentschap deze aan bij de Commissie, die voorafgaand goedkeuring moet geven. Zodra werkafspraken zijn gesloten, brengt het Agentschap deze ter kennis van de Commissie, die het Europees Parlement en de Raad daarover informeert.

7.Het Agentschap meldt de in artikel 75, lid 3, bedoelde operationele plannen aan bij de Commissie. Het besluit om verbindingsfunctionarissen in te zetten in derde landen, overeenkomstig artikel 78, vereist voorafgaand advies van de Commissie. Het Europees Parlement wordt van deze activiteiten onverwijld en volledig op de hoogte gehouden.

Artikel 78
Verbindingsfunctionarissen van het Agentschap in derde landen

1.Het Agentschap kan deskundigen van zijn statutair personeelsbestand als verbindingsfunctionarissen in derde landen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van immigratieverbindingsfunctionarissen en veiligheidsdeskundigen van de Unie en van de lidstaten, waaronder het netwerk dat op grond van Verordening (EG) nr. 377/2004 is ingesteld. Bij besluit van de raad van bestuur kan het Agentschap specifieke profielen van verbindingsfunctionarissen opstellen, zoals verbindingsfunctionarissen voor terugkeer, al naargelang de operationele behoeften in het betrokken derde land.

2.In het kader van het beleid inzake het externe optreden van de Unie wordt bij de inzet van verbindingsfunctionarissen prioriteit gegeven aan de derde landen die volgens een risicoanalyse een land van herkomst of doorreis voor illegale migratie zijn. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap verbindingsfunctionarissen ontvangen die door deze derde landen ter beschikking zijn gesteld. De raad van bestuur stelt jaarlijks op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur de lijst met prioriteiten vast. De inzet van verbindingsfunctionarissen wordt door de raad van bestuur goedgekeurd, na advies van de Commissie.

3.De taken van de verbindingsfunctionarissen van het Agentschap omvatten, met inachtneming van het recht van de Unie en de grondrechten, het leggen en onderhouden van contacten met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot het voorkomen en bestrijden van illegale immigratie en tot de terugkeer van terugkeerders, onder meer door technische bijstand te verlenen voor het identificeren van onderdanen van derde landen en het verkrijgen van reisdocumenten. De activiteiten van die verbindingsfunctionarissen worden nauwgezet gecoördineerd met die van de delegaties van de Unie en, voor zover relevant, die van GVDB-missies en -operaties.

Artikel 79
Waarnemers die deelnemen aan de activiteiten van het Agentschap

1.Met instemming van de betrokken lidstaten kan het Agentschap ook waarnemers van instellingen, organen en instanties van de Unie of van internationale organisaties en GVDB-missies en -operaties uitnodigen om deel te nemen aan zijn activiteiten, met name gezamenlijke operaties en proefprojecten, risicoanalyses en opleidingen, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid en beveiliging van die activiteiten. De deelname van deze waarnemers aan risicoanalyses en opleidingen is afhankelijk van de instemming van de betrokken lidstaten. Wat gezamenlijke operaties en proefprojecten betreft, is de deelname van waarnemers afhankelijk van de instemming van de ontvangende lidstaat. Het operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, worden zij op passende wijze opgeleid door het Agentschap.

2.Met instemming van de betrokken lidstaten kan het Agentschap waarnemers van derde landen uitnodigen om deel te nemen aan zijn in artikel 37 bedoelde activiteiten aan de buitengrenzen, in artikel 51 bedoelde terugkeeroperaties, in artikel 54 bedoelde terugkeerinterventies en in artikel 62 bedoelde opleidingen, voor zover hun aanwezigheid strookt met de doelen van deze activiteiten, kan bijdragen tot een betere samenwerking en uitwisseling van beste praktijken, en geen invloed heeft op de algemene veiligheid van de activiteiten. De deelname van deze waarnemers kan alleen plaatsvinden met de instemming van de lidstaten die betrokken zijn bij de in de artikelen 37, 43, 51 en 62 bedoelde activiteiten en, wat de in de artikelen 37 en 54 bedoelde activiteiten betreft, alleen met de instemming van de ontvangende lidstaat. Het operationele plan omvat nauwkeurige regels over de deelname van waarnemers. Voordat deze waarnemers deelnemen, worden zij op passende wijze opgeleid door het Agentschap. Zij worden ook verplicht om tijdens hun deelname aan de activiteiten de gedragscode van het Agentschap na te leven.

HOOFSTUK III
Valse en authentieke documenten online (FADO)

Artikel 80

1.Het Agentschap neemt Valse en authentieke documenten online (FADO) over en beheert deze gegevensbank met informatie over echte en vervalste reis- en verblijfsdocumenten die zijn afgegeven door de lidstaten, derde landen, territoriale entiteiten, internationale organisaties en andere onder het internationale recht vallende entiteiten. Het FADO-systeem bevat geen persoonsgegevens.

De lidstaten brengen de gegevens die zich momenteel in FADO bevinden over naar het nieuwe systeem.

2.De Commissie stelt volgens de in artikel 117, lid 2, bedoelde procedure uitvoeringshandelingen vast om:

(a)de technische specificaties van FADO vast te stellen, volgens hoge normen;

(b)de procedures voor de controle en verificatie van de informatie in FADO op te stellen.

HOOFDSTUK IV
Algemene bepalingen

Afdeling 1
Algemene regels

Artikel 81
Bescherming van de grondrechten en een grondrechtenstrategie

1.Overeenkomstig het relevante recht van de Unie waarborgt de Europese grens- en kustwacht bij het uitoefenen van zijn taken op grond van deze verordening de bescherming van de grondrechten, met name het Handvest, het relevante internationale recht, waaronder het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het protocol van 1967 bij dit Verdrag, en de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement.

Daartoe stelt het Agentschap een grondrechtenstrategie op, die het nader uitwerkt en toepast, waaronder een doeltreffend mechanisme om erop toe te zien dat bij alle activiteiten van het Agentschap de grondrechten worden geëerbiedigd.

2.De Europese grens- en kustwacht waarborgt bij het uitoefenen van zijn taken dat personen niet ontscheept worden in, gedwongen worden binnen te reizen in, worden geleid naar of op een andere wijze worden overgedragen aan of teruggeleid naar de autoriteiten van een land in strijd met het beginsel van non-refoulement of waar zij het risico lopen op uitzetting of terugkeer naar een ander land in strijd met genoemd beginsel.

3.De Europese grens- en kustwacht houdt bij het uitoefenen van zijn taken rekening met de bijzondere behoeften van kinderen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, slachtoffers van mensenhandel, personen die medische bijstand behoeven, personen die internationale bescherming behoeven, personen die op zee in nood verkeren en andere personen in een bijzonder kwetsbare situatie.

De Europese grens- en kustwacht besteedt bij al zijn activiteiten bijzondere aandacht aan de kinderrechten en garandeert dat de belangen van kinderen worden geëerbiedigd.

4.Het Agentschap houdt in het kader van de uitoefening van zijn taken in zijn betrekkingen met lidstaten en zijn samenwerking met derde landen rekening met de verslagen van het in artikel 70 bedoelde adviesforum en de grondrechtenfunctionaris.

Artikel 82
Gedragscode

1.Het Agentschap stelt in samenwerking met het adviesforum een gedragscode op die van toepassing is op alle door het Agentschap gecoördineerde grenstoezichtoperaties en op alle personen die deelnemen aan de werkzaamheden van het Agentschap, en ontwikkelt deze code verder. In de gedragscode worden procedures vastgelegd ter waarborging van de beginselen van de rechtstaat en eerbiediging van de grondrechten, met bijzondere nadruk op kwetsbare personen, waaronder kinderen, niet-begeleide minderjarigen en andere personen in een kwetsbare situatie, en op personen die internationale bescherming vragen.

2.Het Agentschap stelt in samenwerking met het adviesforum een gedragscode op voor de terugkeer van terugkeerders, die geldt tijdens alle door het Agentschap gecoördineerde of georganiseerde terugkeeroperaties en terugkeerinterventies, en ontwikkelt deze code verder. In de gedragscode worden gemeenschappelijke gestandaardiseerde procedures beschreven die de organisatie van terugkeeroperaties en terugkeerinterventies moeten vereenvoudigen en moeten waarborgen dat de terugkeer op humane wijze en met onverkorte inachtneming van de grondrechten verloopt, meer bepaald van de beginselen van de menselijke waardigheid, het verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens en het non-discriminatiebeginsel.

3.In de gedragscode voor terugkeer wordt met name aandacht besteed aan de in artikel 8, lid 6, van Richtlijn 2008/115/EG vervatte verplichting om een doeltreffend systeem op te zetten voor het toezicht op gedwongen terugkeer, en aan de grondrechtenstrategie.

Artikel 83
Taken en bevoegdheden van de leden van de teams

1.De ingezette teamleden van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht zijn in staat alle taken te verrichten en alle bevoegdheden uit te oefenen die nodig zijn voor grenstoezicht en terugkeer en voor het verwezenlijken van de doelstellingen van Verordening (EU) 2016/399 en Richtlijn 2008/115/EG.

2.Bij het verrichten van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden nemen de teamleden het recht van de Unie en het internationale recht in acht en leven zij de grondrechten na, alsook het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

3.Onverminderd artikel 94, lid 1, met betrekking tot statutair personeel van het Agentschap mogen de teamleden uitsluitend taken verrichten en bevoegdheden uitoefenen op instructie van en, als algemene regel, in aanwezigheid van grenswachters of personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken van de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat mag de teamleden toestaan namens hem op te treden.

4.Wanneer teamleden uit het statutair operationeel personeel van het Agentschap of teamleden die voor lange tijd door de lidstaten bij het Agentschap zijn gedetacheerd, worden ingezet, dragen zij, voor zover passend, het uniform van het permanent korps van de Europese grens- en kustwacht tijdens de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden. Teamleden die voor korte tijd door de lidstaten zijn gedetacheerd dragen, voor zover passend, hun eigen uniform bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden.

Daarnaast dragen alle teamleden op hun uniform een zichtbaar kenmerk dat persoonlijke identificatie mogelijk maakt en een blauwe armband met het insigne van de Unie en van het Agentschap, waardoor zij als deelnemer aan een gezamenlijke operatie, een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, een proefproject, een snelle grensinterventie, een terugkeeroperatie of een terugkeerinterventie kunnen worden geïdentificeerd. Om zich tegenover de nationale autoriteiten van de ontvangende lidstaat te kunnen identificeren, hebben teamleden altijd een accreditatiedocument bij zich, dat zij op verzoek tonen.

Het ontwerp en de specificaties voor uniformen van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden bepaald in een uitvoeringsbesluit van de Commissie, dat wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 117, lid 3, vermelde onderzoeksprocedure.

5.Bij het uitvoeren van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen teamleden dienstwapens dragen en munitie en uitrusting bij zich hebben.

Voor personeel dat voor korte of lange tijd bij het Agentschap is gedetacheerd, is de nationale wetgeving van de lidstaat van herkomst van toepassing op het dragen en gebruiken van dienstwapens, munitie en uitrusting.

Het kader en de gedetailleerde regels van bijlage V zijn van toepassing op het dragen en gebruiken van dienstwapens, munitie en uitrusting door statutair operationeel personeel van het Agentschap.

De ontvangende lidstaat mag echter bepaalde dienstwapendracht, munitie en uitrusting verbieden op voorwaarde dat de eigen wetgeving voorziet in dezelfde verbodsbepalingen voor eigen grenswachters of personeel die betrokken zijn bij taken die verband houden met terugkeer. Alvorens de teamleden worden ingezet, laat de ontvangende lidstaat het Agentschap weten welke dienstwapens, munitie en uitrusting zijn toegestaan en in welke omstandigheden zij mogen worden gebruikt. Het Agentschap stelt deze informatie ter beschikking van de lidstaten.

6.Bij het uitvoeren van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden mogen de teamleden gebruik maken van geweld, waaronder dienstwapens, munitie en uitrusting, indien de lidstaat van herkomst en de ontvangende lidstaat of, in het geval van personeel van het Agentschap, het Agentschap daarmee instemmen, in aanwezigheid van grenswachters van de ontvangende lidstaat en met inachtneming van het nationale recht van de ontvangende lidstaat. De ontvangende lidstaat kan, indien de lidstaat van herkomst of, voor zover van toepassing, het Agentschap daarmee instemt, teamleden de toestemming geven om in afwezigheid van de grenswachters van de ontvangende lidstaat geweld te gebruiken.

7.Dienstwapens, munitie en uitrusting mogen worden gebruikt in geval van wettige zelfverdediging en wettige verdediging van teamleden of andere personen, met inachtneming van het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

8.In het kader van deze verordening staat de ontvangende lidstaat teamleden toe Europese gegevensbanken te raadplegen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de operationele doelstellingen, als vastgesteld in het operationele plan inzake grenscontroles, grensbewaking en terugkeer. De ontvangende lidstaat kan hen toestaan zijn nationale gegevensbanken te raadplegen als dat nodig is voor hetzelfde doel. De lidstaten zorgen ervoor dat zij op doeltreffende en doelmatige wijze toegang verstrekken tot deze gegevensbanken. De teamleden raadplegen uitsluitend de gegevens die zij nodig hebben voor het uitvoeren van hun taken en het uitoefenen van hun bevoegdheden. Alvorens de teamleden worden ingezet, deelt de ontvangende lidstaat het Agentschap mee welke nationale en Europese databanken mogen worden geraadpleegd. Het Agentschap stelt deze informatie ter beschikking van alle lidstaten die aan de inzet deelnemen.

De raadpleging gebeurt met inachtneming van het recht van de Unie op het gebied van gegevensbescherming en het nationale recht van de ontvangende lidstaat op het gebied van gegevensbescherming.

9.Beslissingen tot weigering van toegang overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399 worden uitsluitend door grenswachters van de ontvangende lidstaat genomen of door de teamleden, als zij van de ontvangende lidstaat de toestemming hebben gekregen om namens deze laatste op te treden.

Artikel 84
Accreditatiedocument

1.In samenwerking met de ontvangende lidstaat geeft het Agentschap een document in de officiële taal van de ontvangende lidstaat en een andere officiële taal van de instellingen van de Unie af aan de leden van de teams, waarmee zij zich kunnen identificeren en aantonen dat zij het recht hebben de in artikel 83 vermelde taken uit te voeren en bevoegdheden uit te oefenen. Op dit document worden de volgende gegevens van elk teamlid vermeld:

(a)naam en nationaliteit;

(b)rang of functie;

(c)een recente digitale foto; en

(d)taken die tijdens de opdracht mogen worden uitgevoerd.

2.Na afloop van de gezamenlijke operatie, inzet als ondersteuningsteam voor migratiebeheer, proefproject, snelle grensinterventie, terugkeeroperatie of terugkeerinterventie wordt het document teruggegeven aan het Agentschap.

Artikel 85
Civiele aansprakelijkheid

1.Wanneer leden van de teams actief zijn in een ontvangende lidstaat, is die lidstaat, onverminderd artikel 94, overeenkomstig zijn nationale wetgeving aansprakelijk voor alle schade die tijdens de operaties door de teamleden wordt veroorzaakt.

2.Indien deze schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag, kan de ontvangende lidstaat zich tot de lidstaat van herkomst wenden met het oog op de terugbetaling van de bedragen die de ontvangende lidstaat namens de lidstaat van herkomst aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd. Indien deze schade het gevolg is van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag door personeel van het Agentschap, kan de ontvangende lidstaat zich tot het Agentschap wenden met het oog op de terugbetaling van de bedragen die de ontvangende lidstaat namens het Agentschap aan de slachtoffers of hun rechthebbenden heeft uitgekeerd.

3.Onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden doet elke lidstaat afstand van al zijn vorderingen tegen de ontvangende lidstaat of elke andere lidstaat met betrekking tot de door hem geleden schade, tenzij de schade door grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag is veroorzaakt.

4.Geschillen tussen lidstaten in verband met de toepassing van de leden 2 en 3 van dit artikel die niet kunnen worden beslecht door onderlinge onderhandelingen, worden overeenkomstig artikel 273 VWEU door de betrokkenen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgelegd.

5.Kosten ten gevolge van tijdens de inzet aan de uitrusting van het Agentschap veroorzaakte schade worden gedekt door het Agentschap, onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, behalve in geval van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag.

Artikel 86
Strafrechterlijke aansprakelijkheid

Onverminderd artikel 94 worden teamleden op dezelfde wijze behandeld als functionarissen van de ontvangende lidstaat tijdens een gezamenlijke operatie, proefproject, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, een snelle grensinterventie, terugkeeroperatie of terugkeerinterventie, voor wat betreft alle eventuele strafbare feiten die tegen hen of door hen worden gepleegd.


Afdeling 2
Verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap

Artikel 87
Algemene regels inzake de verwerking van persoonsgegevens door het Agentschap

1.Het Agentschap past bij de verwerking van persoonsgegevens [Verordening (EG) nr. 45/2001] toe.

2.De raad van bestuur neemt de nodige administratieve maatregelen voor de toepassing van [Verordening (EG) nr. 45/2001] door het Agentschap, onder meer die welke betrekking hebben op de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap.

3.Het Agentschap mag persoonsgegevens overdragen aan een autoriteit van een derde land of aan een internationale organisatie overeenkomstig de bepalingen van [Verordening (EG) nr. 45/2001], voor zover die overdracht nodig is voor de uitvoering van de taken van het Agentschap op het vlak van terugkeer. Wanneer de persoonsgegevens van terugkeerders in het kader van de organisatie van terugkeeroperaties niet door een lidstaat aan de vervoerder worden overgedragen, kan ook het Agentschap deze gegevens doorsturen onder dezelfde voorwaarden. Voor de toepassing van [artikel 25, lid 1, onder c)] van [Verordening (EG) nr. 45/2001] is [artikel 19] van die verordening niet van toepassing op de verwerking van gegevens met het oog op terugkeer door het Agentschap, zolang de onderdaan van het derde land niet is teruggekeerd. Het Agentschap kan interne regels vaststellen om de rechten uit hoofde van [de artikelen 17 en 18] van [Verordening (EG) nr. 45/2001] geval per geval te beperken als de uitoefening van die rechten de terugkeerprocedure in gevaar zou kunnen brengen.

Artikel 88
Doelen van de verwerking van persoonsgegevens

1.Het Agentschap mag persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de volgende doelen:

(a)het uitvoeren van zijn taken die erin bestaan gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies te organiseren en te coördineren en in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer, overeenkomstig;

(b)het uitvoeren van zijn taken voor de ondersteuning van lidstaten en derde landen bij activiteiten voorafgaand aan de terugkeer en terugkeeractiviteiten, voor de werking van terugkeerbeheersystemen, voor de coördinatie of organisatie van terugkeeroperaties en voor het verstrekken van technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen overeenkomstig artikel 49;

(c)het faciliteren van de informatie-uitwisseling met lidstaten, EASO, Europol en Eurojust, overeenkomstig artikel 89;

(d)het uitvoeren van risicoanalyses, overeenkomstig artikel 30;

(e)het identificeren en volgen van vaartuigen in het kader van Eurosur, overeenkomstig artikel 90;

(f)administratieve taken.

2.Een lidstaat die of een ander agentschap van de Unie dat persoonsgegevens verstrekt aan het Agentschap, legt het doel of de doelen vast waarvoor deze gegevens worden verwerkt, zoals bedoeld in lid 1. Het Agentschap kan dergelijke persoonsgegevens alleen met toestemming van degene die de gegevens heeft verstrekt, verwerken voor een ander doel dat eveneens onder lid 1 valt.

3.De lidstaten of andere agentschappen van de Unie kunnen op het moment van de verstrekking van persoonsgegevens algemene of specifieke beperkingen voor de toegang tot of het gebruik van die gegevens stellen, ook met betrekking tot het overdragen, wissen of vernietigen. Wanneer na de verstrekking van persoonsgegevens duidelijk wordt dat dergelijke beperkingen nodig zijn, stellen zij het Agentschap daar dienovereenkomstig van in kennis. Het Agentschap houdt zich aan deze beperkingen.

Artikel 89
Verwerking van persoonsgegevens die zijn verzameld tijdens gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies en door ondersteuningsteams voor migratiebeheer

1.Het Agentschap verwerkt enkel de volgende persoonsgegevens die door de lidstaten, het eigen personeel van het Agentschap, EASO, Europol of Eurojust in de context van gezamenlijke operaties, proefprojecten en snelle grensinterventies en door de ondersteuningsteams voor migratiebeheer zijn verzameld en aan het Agentschap zijn doorgestuurd:

(a)persoonsgegevens van personen die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en door EASO, Europol of Eurojust op redelijke gronden worden verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende criminaliteit, zoals smokkel van migranten, mensenhandel of terrorisme;

(b)persoonsgegevens van personen die de buitengrenzen zonder toestemming overschrijden en wier gegevens worden verzameld door de teams van het Agentschap, ook wanneer wordt gehandeld in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer;

(c)kentekennummers, identificatienummers van voertuigen, telefoonnummers of identificatienummers van schepen, die verband houden met de onder a) en b) genoemde personen en die nodig zijn voor het onderzoeken en analyseren van routes en methoden die voor illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit worden gebruikt.

2.In de volgende gevallen mag het Agentschap de in lid 1 bedoelde persoonsgegevens verwerken:

(a)wanneer de uitwisseling van informatie met het EASO, Europol of Eurojust nodig is voor gebruik overeenkomstig hun respectieve opdrachten en overeenkomstig artikel 69;

(b)wanneer doorgifte aan de autoriteiten van de relevante lidstaten die bevoegd zijn voor grenstoezicht, migratie, asiel en terugkeer nodig is om hun taken te vervullen overeenkomstig de wetgeving van de Unie en nationale wetgeving;

(c)wanneer doorgifte aan de autoriteiten van de relevante lidstaten, derde landen van terugkeer of internationale organisaties nodig is om onderdanen van derde landen te identificeren, reisdocumenten te verkrijgen en terugkeer mogelijk te maken of te ondersteunen;

(d)wanneer dat nodig is voor de voorbereiding van risicoanalyses;

(e) in specifieke gevallen, wanneer het Agentschap zich ervan bewust wordt dat persoonsgegevens die bij de uitvoering van zijn taken zijn verwerkt, strikt noodzakelijk zijn voor ordehandhavingsautoriteiten met het oog op preventie, opsporing, onderzoek of vervolging van ernstige misdaden.

3.De persoonsgegevens worden gewist zodra zij zijn doorgezonden naar EASO, Europol of Eurojust of naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of wanneer zij gebruikt zijn voor de voorbereiding van risicoanalyses. Ze mogen in geen geval langer dan 90 dagen na de datum waarop de gegevens zijn verzameld, worden opgeslagen. In de uitkomsten van de risicoanalyses worden de gegevens geanonimiseerd. De bepalingen van deze alinea zijn niet van toepassing op gegevens die verwerkt zijn met het oog op de uitvoering van taken die verband houden met terugkeer.

Artikel 90
Verwerking van persoonsgegevens in het kader van Eurosur

1.Indien het nationale situatiebeeld vereist dat persoonsgegevens worden verwerkt, gebeurt dat overeenkomstig de relevante bepalingen van de Unie en de relevante nationale bepalingen betreffende gegevensbescherming. Elke lidstaat wijst de autoriteit aan die moet worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig artikel 4, lid 7, van Verordening (EU) 2016/679 en die de centrale verantwoordelijkheid heeft voor de verwerking van gegevens door die lidstaat. Elke lidstaat deelt de gegevens van die autoriteit mee aan de Commissie.

2.Identificatienummers van schepen en luchtvaartuigen zijn de enige persoonsgegevens die kunnen worden verwerkt in de Europese situatiebeelden en specifieke situatiebeelden.

3.Elke uitwisseling van persoonsgegevens met derde landen in het kader van Eurosur wordt strikt beperkt tot hetgeen voor de toepassing van deze verordening noodzakelijk is. Zij geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en de toepasselijke nationale bepalingen betreffende gegevensbescherming.

4.Elke informatie-uitwisseling overeenkomstig artikel 73, lid 2, artikel 74, lid 3, en artikel 75, lid 3, waarbij een derde land informatie ontvangt die zou kunnen worden gebruikt voor het identificeren van personen of groepen van personen wier verzoek om internationale bescherming in behandeling is of die een ernstig risico lopen om aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen of andere schendingen van grondrechten te worden onderworpen, is verboden.

5.Het is verboden in het kader van artikel 73, lid 2, artikel 74, lid 3, en artikel 75, lid 3, uitgewisselde informatie verder door te zenden of anderszins mee te delen aan andere derde landen of aan derden.

Artikel 91
Beveiligingsregels voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie

1.Het Agentschap stelt zijn eigen beveiligingsregels vast op basis van de beginselen en regels die zijn vastgesteld in de beveiligingsregels van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde informatie van de Europese Unie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, zoals de bepalingen betreffende de uitwisseling met derde landen, en de verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals uiteengezet in de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie. De Commissie moet voorafgaande goedkeuring verlenen voor alle administratieve regelingen inzake de uitwisseling van gerubriceerde informatie met de relevante autoriteiten van een derde land of, bij gebrek aan een dergelijke regeling, alle uitzonderlijke adhoc-vrijgaven van EUCI aan dergelijke autoriteiten.

2.De raad van bestuur stelt de beveiligingsregels vast na goedkeuring door de Commissie.

3.De rubricering belet niet dat informatie beschikbaar wordt gesteld aan het Europees Parlement. De overdracht en behandeling van de informatie en documenten die overeenkomstig deze verordening aan het Europees Parlement worden toegestuurd, worden door de Commissie goedgekeurd.

Afdeling 3
Algemeen kader en organisatie van het Agentschap

Artikel 92
Rechtsstatus en locatie

1.Het Agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

2.In elk van de lidstaten geniet het Agentschap de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die aan rechtspersonen krachtens de wetgeving in de betreffende lidstaat wordt verleend. Het Agentschap kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.

3.Het is onafhankelijk met betrekking tot de uitvoering van zijn technische en operationele opdracht.

4.Het Agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

5.De zetel van het Agentschap bevindt zich in Warschau, Polen.

Artikel 93
Zetelovereenkomst

1.De vereiste bepalingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat waar de zetel is gevestigd en de door deze lidstaat ter beschikking te stellen faciliteiten, alsook de specifieke voorschriften die in die lidstaat gelden voor de uitvoerend directeur, de plaatsvervangende uitvoerend directeurs, de leden van de raad van bestuur, het personeel van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgesteld in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en de lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft.

2.De zetelovereenkomst wordt gesloten na goedkeuring door de raad van bestuur.

3.De lidstaat waar het Agentschap zijn zetel heeft, biedt optimale voorwaarden voor de goede werking van het Agentschap, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.

Artikel 94
Personeel

1.Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ("het Statuut") en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie ("de Regeling"), vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad 44 , en de voorschriften die in overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ten behoeve van de uitvoering van het Statuut en de Regeling, zijn van toepassing op het statutaire personeel.

2.De standplaats bevindt zich in principe in de lidstaat waar de zetel van het Agentschap is gevestigd.

3.Personeelsleden die onder de Regeling vallen, worden in principe in eerste instantie in dienst genomen voor een vaste periode van vijf jaar. De contracten kunnen in principe slechts een keer worden verlengd, voor een vaste periode van maximaal vijf jaar. Na de eerste verlenging kan de overeenkomst alleen nog voor onbepaalde tijd worden verlengd.

4.De raad van bestuur kan een maandelijkse aanvullende toelage toekennen aan statutaire personeelsleden van het Agentschap. Deze aanvullende toelage wordt berekend als een percentage van het salaris van elk betrokken personeelslid. Dit percentage mag niet hoger zijn dan het verschil tussen 100 % en de aanpassingscoëfficiënt op de standplaats, en wordt regelmatig herzien. Alvorens deze toelage wordt toegekend, wordt rekening gehouden met het totale salaris van individuele personeelsleden, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen.

De raad van bestuur stelt de regels voor de tenuitvoerlegging van dit lid vast; deze moeten voorafgaandelijk door de Commissie worden goedgekeurd. Deze regels worden uiterlijk in 2024 opnieuw bekeken door de raad van bestuur, met voorafgaande goedkeuring van de Commissie.

5.Voor de toepassing van artikel 32, artikel 45 en artikel 53, lid 2, kan alleen een personeelslid van het Agentschap op wie het Statuut of titel II van de Regeling van toepassing is, worden benoemd tot coördinerend functionaris of verbindingsfunctionaris Voor de toepassing van artikel 56 kan alleen een personeelslid van het Agentschap op wie het Statuut of de Regeling van toepassing is, worden ingezet als teamlid.

6.De raad van bestuur stelt, in overeenstemming met de Commissie, regels ter uitvoering van het Statuut en de Regeling vast, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut.

7.Wanneer de Commissie voorafgaande goedkeuring heeft gegeven, stelt de raad van bestuur regels vast met betrekking tot operationeel personeel van lidstaten dat bij het Agentschap wordt gedetacheerd overeenkomstig artikel 57; indien nodig worden deze regels door de raad van bestuur geactualiseerd. Deze bepalingen houden rekening met het feit dat het operationeel personeel wordt gedetacheerd om te worden ingezet als teamleden en de bij artikel 83 voorziene taken en bevoegdheden krijgt. Zij bevatten eveneens bepalingen inzake de voorwaarden voor inzet. Voor zover relevant streeft de raad van bestuur naar samenhang met de regels die gelden voor de vergoeding van dienstreizen van statutair personeel.

Artikel 95
Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is van toepassing op het Agentschap en zijn statutair personeel.

Artikel 96
Aansprakelijkheid

1.De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap valt onder het recht dat van toepassing is op het desbetreffende contract.

2.Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Agentschap gesloten overeenkomst.

3.In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn diensten of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.

4.Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen in geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.

5.De persoonlijke aansprakelijkheid van het personeel jegens het Agentschap wordt beheerst door de op hen van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut en de Regeling.

Artikel 97
Administratieve en managementstructuur van het Agentschap

De administratieve en managementstructuur van het Agentschap bestaat uit:

(a)een raad van bestuur;

(b)een uitvoerend directeur;

(c)plaatsvervangende uitvoerend directeurs;

(d)een adviesforum;

(e)een grondrechtenfunctionaris.

Artikel 98
Functies van de raad van bestuur

1.De raad van bestuur is verantwoordelijk voor het nemen van de strategische beslissingen van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening.

2.De raad van bestuur:

(a)benoemt de uitvoerend directeur op basis van een voorstel van de Commissie, overeenkomstig artikel 105;

(b)benoemt de plaatsvervangende uitvoerend directeurs op basis van een voorstel van de Commissie, overeenkomstig artikel 105;

(c)neemt een beslissing om een steunpunt op te richten of de bestaansduur ervan te verlengen overeenkomstig artikel 60, lid 6;

(d)neemt de beslissing om een kwetsbaarheidsbeoordeling uit te voeren, overeenkomstig artikel 33, leden 1 en 9; de beslissingen inzake maatregelen overeenkomstig artikel 33, lid 9, worden vastgesteld met een meerderheid van twee derde van de stemgerechtigde leden;

(e)neemt beslissingen over de lijst van informatie en gegevens die verplicht met het Agentschap moeten worden uitgewisseld door de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor grensbeheer en terugkeer, teneinde het Agentschap in staat te stellen zijn taken uit te voeren;

(f)neemt beslissingen over de opstelling van een gemeenschappelijk geïntegreerd risicoanalysemodel, overeenkomstig artikel 30, lid 1;

(g)neemt beslissingen over de wijze en de voorwaarden waarop verbindingsfunctionarissen in de lidstaten kunnen worden ingezet, overeenkomstig artikel 32, lid 2;

(h)stelt een technische en operationele strategie voor Europees geïntegreerd grensbeheer vast, overeenkomstig artikel 8 5, lid 5;

(i) neemt een beslissing over de profielen en het aantal operationele personeelsleden voor grensbeheer en migratie in het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, overeenkomstig artikel 55, lid 4;

(j)stelt een jaarlijks verslag over de activiteiten van het Agentschap in het voorgaande jaar vast en zendt dit uiterlijk op 1 juli toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer;

(k)stelt ieder jaar vóór 30 november, rekening houdend met het advies van de Commissie, met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden een enkelvoudig programmeringsdocument vast, dat onder meer de meerjarige programmering van het Agentschap en zijn werkprogramma voor het komende jaar bevat, en zendt dit toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

(l)stelt procedures vast voor besluiten van de uitvoerend directeur in verband met de technische en operationele taken van het Agentschap;

(m)stelt met een meerderheid van twee derde van zijn stemgerechtigde leden de jaarbegroting van het Agentschap vast en voert andere functies uit met betrekking tot de begroting van het Agentschap, overeenkomstig afdeling 5 van dit hoofdstuk;

(n)treedt als tuchtinstantie op ten aanzien van de uitvoerend directeur en, in onderling akkoord met deze laatste, ten aanzien van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs;

(o)stelt zijn reglement van orde vast;

(p)bepaalt de organisatorische structuur van het Agentschap en stelt het personeelsbeleid van het Agentschap vast;

(q)stelt een fraudebestrijdingsstrategie vast, die evenredig is aan het frauderisico en rekening houdt met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;

(r)stelt interne regels vast voor het voorkomen en beheersen van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden;

(s)oefent, overeenkomstig lid 8, ten aanzien van het personeel van het Agentschap de bevoegdheden uit die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag en die de Regeling toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag (hierna "de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag" genoemd);

(t)stelt regels ter uitvoering van het Statuut en de Regeling vast, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut;

(u)zorgt voor passende follow-up van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de interne en externe auditverslagen en beoordelingen en uit de onderzoeken van OLAF;

(v)stelt de in artikel 10, lid 2, tweede alinea, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vast en werkt deze regelmatig bij;

(w)benoemt overeenkomstig het Statuut en de Regeling een rekenplichtige die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken;

(x)stelt een gemeenschappelijke kwetsbaarheidsbeoordelingsmethode vast, met inbegrip van objectieve criteria aan de hand waarvan het Agentschap de kwetsbaarheidsbeoordeling uitvoert, de frequentie van zulke beoordelingen en de wijze waarop opeenvolgende kwetsbaarheidsbeoordelingen van lidstaten moeten worden uitgevoerd;

(y)neemt een beslissing over een intensievere beoordeling en controle van een lidstaat, als bedoeld in artikel 33, lid 2;

(``)benoemt een grondrechtenfunctionaris overeenkomstig artikel 107, lid 1;

(aa)keurt de werkafspraken met derde landen goed;

(bb)stelt, na voorafgaande goedkeuring van de Commissie, de beveiligingsregels van het Agentschap vast voor wat de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde EU-informatie betreft, zoals vermeld in artikel 91;

(cc)benoemt, met inachtneming van het Statuut en de Regeling, een beveiligingsfunctionaris die verantwoordelijk is voor de beveiliging binnen het Agentschap, met inbegrip van de bescherming van gevoelige en gerubriceerde informatie.

Het onder j) bedoelde jaarlijks activiteitenverslag wordt openbaar gemaakt.

3.Voorstellen voor de in lid 2 bedoelde besluiten van de raad van bestuur met betrekking tot specifieke activiteiten van het Agentschap aan of in de onmiddellijke nabijheid van de buitengrenzen van een specifieke lidstaat vereisen dat het lid van de raad van bestuur dat die lidstaat vertegenwoordigt voor aanneming van de betrokken voorstellen stemt.

4.De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling van het operationele beheer van de buitengrenzen en terugkeer, waaronder onderzoeksactiviteiten.

5.Als Ierland en/of het Verenigd Koninkrijk verzoeken om deel te mogen nemen aan specifieke activiteiten, neemt de raad van bestuur hierover een besluit.

De raad van bestuur besluit per geval bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden. In zijn besluit houdt de raad van bestuur rekening met de vraag of de deelname van Ierland en/of het Verenigd Koninkrijk bijdraagt tot het welslagen van de betrokken activiteit. Het besluit bepaalt de financiële bijdrage van Ierland en/of het Verenigd Koninkrijk aan de activiteit waarvoor een verzoek tot deelname is ingediend.

6.De raad van bestuur doet het Europees Parlement en de Raad ("de begrotingsautoriteit") jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de door het Agentschap uitgevoerde evaluatieprocedures toekomen.

7.De raad van bestuur kan een uitvoerende raad opzetten die bestaat uit maximaal vier vertegenwoordigers van de raad van bestuur, daaronder begrepen de voorzitter, en een vertegenwoordiger van de Commissie, die de raad van bestuur en de uitvoerend directeur helpt bij de voorbereiding van de door de raad van bestuur vast te stellen besluiten, programma's en activiteiten, en zo nodig in spoedeisende gevallen namens de raad van bestuur bepaalde voorlopige en dringende besluiten neemt. De uitvoerende raad neemt geen besluiten waarvoor een tweederde of drievierde meerderheid in de raad van bestuur nodig is. De raad van bestuur kan bepaalde welomschreven taken delegeren aan de uitvoerende raad, met name wanneer de doeltreffendheid van het Agentschap daardoor verbetert. Dergelijke delegatie aan de uitvoerende raad is niet toegestaan voor taken die verband houden met besluiten waarvoor een tweederde of drievierde meerderheid in de raad van bestuur nodig is.

8.De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit dat gebaseerd is op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden uiteenzet voor de opschorting van deze bevoegdheidsdelegatie. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.

Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk opschorten. Hij kan deze bevoegdheden dan zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

Artikel 99
Samenstelling van de raad van bestuur

1.Onverminderd lid 3 bestaat de raad van bestuur uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie, die allen stemgerechtigd zijn. Daartoe benoemt iedere lidstaat een lid van de raad van bestuur alsmede een plaatsvervanger die het lid tijdens zijn afwezigheid vertegenwoordigt. De Commissie benoemt twee leden en hun plaatsvervangers. De duur van de ambtstermijn bedraagt vier jaar. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.

2.De leden van de raad van bestuur worden benoemd op grond van hun uitgebreide ervaring en kennis op het gebied van operationele samenwerking bij grensbeheer en terugkeer en hun relevante vaardigheden op het gebied van management, bestuur en begroting. De lidstaten en de Commissie streven naar een evenwichtige gendervertegenwoordiging in de raad van bestuur.

3.De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis nemen deel aan het Agentschap. Zij hebben ieder één vertegenwoordiger en één plaatsvervanger in de raad van bestuur. De regelingen die krachtens de desbetreffende bepalingen van hun associatieovereenkomsten zijn uitgewerkt en die de aard en de omvang van en de nadere regels voor de deelname van deze landen aan de werkzaamheden van het Agentschap vastleggen, met inbegrip van bepalingen inzake financiële bijdragen en personeel, zijn van toepassing.

Artikel 100

Meerjarenprogrammering en jaarlijkse werkprogramma's

1.Uiterlijk op 30 november van elk jaar stelt de raad van bestuur een definitief programmeringsdocument vast dat onder meer de meerjarenprogrammering van het Agentschap en het jaarlijkse werkprogramma voor het komende jaar bevat, op basis van een ontwerptekst van de uitvoerend directeur; dit document wordt bekrachtigd door de raad van bestuur. Het definitieve programmeringsdocument wordt vastgesteld na positief advies van de Commissie en, wat betreft de meerjarige programmering, na raadpleging van het Europees Parlement. Als het Agentschap besluit geen rekening te houden met elementen van het advies van de Commissie, motiveert het dit grondig. De raad van bestuur doet het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het document toekomen.

2.Het in lid 1 bedoelde document is definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting. Het wordt, waar nodig, dienovereenkomstig aangepast.

3.De meerjarenprogrammering omvat een beschrijving van de algemene strategische programmering op de middellange en lange termijn, met inbegrip van doelstellingen, beoogde resultaten, prestatie-indicatoren en planning van middelen, inclusief de meerjarenbegroting, de personele middelen en de ontwikkeling van de eigen capaciteiten van het Agentschap. In de meerjarenprogrammering worden de strategische interventiegebieden vastgesteld en wordt uitgelegd welke stappen moeten worden genomen om de doelstellingen te bereiken. De meerjarenprogrammering omvat een strategie voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties, evenals de acties in verband met deze strategie.

4.De meerjarenprogrammering wordt uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma's en wordt, waar nodig, bijgewerkt op basis van de resultaten van een op grond van artikel 116 uitgevoerde evaluatie. De conclusies van deze evaluaties komen, waar nodig, ook tot uitdrukking in het jaarlijkse werkprogramma voor het komende jaar.

5.Het jaarlijkse werkprogramma omvat een beschrijving van de te financieren activiteiten, met gedetailleerde doelstellingen en verwachte resultaten, waaronder prestatie-indicatoren. Het geeft voorts een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere activiteit worden toegewezen overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurde begroting en activiteitsgestuurd beheer. Het jaarlijkse werkprogramma is consistent met de meerjarenprogrammering. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar.

6.De vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma geschiedt in overeenstemming met het wetgevingsprogramma van de Unie op de relevante gebieden van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer.

7.Indien het Agentschap na de vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma een nieuwe taak krijgt toegewezen, wijzigt de raad van bestuur het jaarlijkse werkprogramma.

8.Iedere wezenlijke wijziging van het jaarlijkse werkprogramma, met name wijzigingen die aanleiding geven tot een herverdeling van meer dan 2 % van de jaarlijkse begrotingsmiddelen, wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als die welke voor de vaststelling van het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma geldt. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-essentiële wijzigingen in het jaarlijkse werkprogramma door te voeren.

Artikel 101
Voorzitterschap van de raad van bestuur

1.De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. De voorzitter en vicevoorzitter worden door de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur met een tweederdemeerderheid gekozen. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten.

2.De ambtstermijn van de voorzitter en van de vicevoorzitter loopt af wanneer hun lidmaatschap van de raad van bestuur eindigt. Onverminderd deze bepaling bedraagt de duur van de ambtstermijn van de voorzitter of de vicevoorzitter vier jaar. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.

Artikel 102
Vergaderingen van de raad van bestuur

1.De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen.

2.De uitvoerend directeur neemt zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.

3.De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad van bestuur bijeen op initiatief van de voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden. Indien noodzakelijk kan de raad van bestuur gezamenlijke vergaderingen houden met de raad van bestuur van het Asielagentschap van de Europese Unie en Europol.

4.Ierland wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.

5.Het Verenigd Koninkrijk wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur die plaatsvinden vóór de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

6.Vertegenwoordigers van het Asielagentschap van de Europese Unie en Europol worden uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur. De raad van bestuur kan ook een vertegenwoordiger van relevante instellingen, organen en instanties van de Unie uitnodigen.

7.De raad van bestuur kan, overeenkomstig zijn reglement van orde, andere personen wier mening van belang kan zijn, uitnodigen om de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.

8.De leden van de raad van bestuur kunnen zich, met inachtneming van de bepalingen van het reglement van orde van de raad van bestuur, laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

9.Het secretariaat voor de raad van bestuur wordt verzorgd door het Agentschap.

Artikel 103
Stemming

1.Onverminderd artikel 55, lid 4, artikel 98, lid 2, punten 3), 9) en l3), artikel 100, lid 1, en artikel 105, leden 2 en 4, neemt de raad van bestuur zijn besluiten bij absolute meerderheid van zijn stemgerechtigde leden.

2.Elk lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid heeft zijn of haar plaatsvervanger het recht zijn of haar stemrecht uit te oefenen. De uitvoerend directeur stemt niet.

3.De stemprocedure is nader geregeld in het reglement van orde. Het reglement bepaalt onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, en bevat ook eventuele quorumvoorschriften.

4.De landen die betrokken zijn bij de uitvoering, toepassing en ontwikkeling van het Schengenacquis hebben beperkt stemrecht overeenkomstig de respectieve afspraken. Om de geassocieerde landen de mogelijkheid te bieden hun stemrecht uit te oefenen, specifieert het Agentschap in de agenda de punten waarvoor beperkt stemrecht is verleend.

Artikel 104
Functies en bevoegdheden van de uitvoerend directeur

1.Het Agentschap wordt geleid door zijn uitvoerend directeur, die volledig onafhankelijk is in de uitoefening van zijn taken. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de instellingen van de Unie en de raad van bestuur vraagt noch aanvaardt de uitvoerend directeur instructies van een regering of andere instantie.

2.Het Europees Parlement of de Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken om verslag uit te brengen over de wijze waarop hij zijn taken uitvoert. Dit omvat verslaglegging over de uitvoering van en het toezicht op de grondrechtenstrategie, het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap over het voorgaande jaar, het werkprogramma voor het komende jaar en het meerjarenplan van het Agentschap of over andere onderwerpen die verband houden met de activiteiten van het Agentschap. De uitvoerend directeur legt desgevraagd een verklaring af voor het Europees Parlement en brengt het Europees Parlement op gezette tijden verslag uit.

3.De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van de door de raad van bestuur genomen strategische besluiten en voor het nemen van besluiten in verband met de operationele activiteiten van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening. De uitvoerend directeur heeft de volgende functies en bevoegdheden:

(a)de door de raad van bestuur goedgekeurde strategische besluiten, programma's en activiteiten voorstellen, voorbereiden en uitvoeren binnen de grenzen die in deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan, en in enig toepasselijk recht zijn uiteengezet;

(b)alle noodzakelijke stappen nemen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om het dagelijks bestuur en functioneren van het Agentschap te waarborgen, overeenkomstig deze verordening;

(c)elk jaar het ontwerp van het uniek programmeringsdocument voorbereiden en ter bekrachtiging aan de raad van bestuur voorleggen alvorens het, uiterlijk op 31 januari, naar de instellingen wordt gestuurd;

(d)ieder jaar het jaarlijks verslag over de activiteiten van het Agentschap voorbereiden en aan de raad van bestuur voorleggen;

(e)in het kader van het uniek programmeringsinstrument een ontwerpraming opstellen van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap op grond van artikel 111 en de begroting uitvoeren op grond van artikel 112;

(f)zijn of haar bevoegdheden aan andere personeelsleden van het Agentschap delegeren volgens de regels die overeenkomstig de procedure van artikel 98, lid 2, punt 15, moeten worden vastgesteld;

(g)een aanbeveling vaststellen over maatregelen overeenkomstig artikel 33, lid 9, met inbegrip van besluiten waarbij wordt voorgesteld dat de lidstaten gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere acties als bedoeld in artikel 37, lid 2, starten of uitvoeren;

(h)de voorstellen van de lidstaten voor gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies, overeenkomstig artikel 38, lid 3, evalueren, goedkeuren en coördineren;

(i)de verzoeken van de lidstaten tot gezamenlijke terugkeeroperaties of terugkeerinterventies, overeenkomstig de artikelen 51 en 54, evalueren, goedkeuren en coördineren;

(j)de uitvoering van de in de artikel 39, artikel 43 en artikel 54, lid 4, bedoelde operationele plannen waarborgen;

(k)het verzoek van een lidstaat om bijstand van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer en de behoeften van deze lidstaat beoordelen, in coördinatie met de relevante agentschappen van de Unie, overeenkomstig artikel 41, lid 3;

(l)de uitvoering van het in artikel 43, lid 1, bedoelde besluit van de Commissie waarborgen;

(m)de financiering van activiteiten intrekken, overeenkomstig artikel 47;

(n)de resultaten van activiteiten evalueren, overeenkomstig artikel 48;

(o)overeenkomstig de behoeften van het Agentschap de minimumhoeveelheid technische uitrustingsartikelen vaststellen, in het bijzonder voor het uitvoeren van gezamenlijke operaties, de inzet van ondersteuningsteams voor migratiebeheer, snelle grensinterventies, terugkeerinterventies en terugkeeroperaties, overeenkomstig artikel 64, lid 5;

(p)de oprichting van een steunpunt of de verlenging van de bestaansduur ervan voorstellen, overeenkomstig artikel 60, lid 6;

(q)de hoofden van de steunpunten benoemen, overeenkomstig artikel 60, lid 4;

(r)een actieplan opstellen voor de follow-up van de conclusies van interne en externe auditverslagen en evaluaties alsmede van de onderzoeken van OLAF, en tweemaal per jaar aan de Commissie en regelmatig aan de raad van bestuur verslag uitbrengen over de voortgang;

(s)de financiële belangen van de Unie beschermen aan de hand van de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door middel van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties;

(t)een fraudebestrijdingsstrategie van het Agentschap opstellen en ter goedkeuring voorleggen aan de raad van bestuur.

4.De uitvoerend directeur legt aan de raad van bestuur verantwoording af over zijn of haar werkzaamheden.

5.De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het Agentschap.

Artikel 105
Benoeming van de uitvoerend directeur en de plaatsvervangende uitvoerend directeurs

1.De Commissie stelt op basis van een lijst minstens drie kandidaten voor de post van uitvoerend directeur en voor de post van iedere plaatsvervangende uitvoerend directeur voor, na bekendmaking van de post in het Publicatieblad van de Europese Unie en in voorkomend geval in de pers of via het internet.

2.De uitvoerend directeur wordt, op basis van het in lid 1 bedoelde voorstel van de Commissie, benoemd door de raad van bestuur op grond van zijn verdiensten en zijn met bewijsstukken gestaafde sterke bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, met inbegrip van zijn ruime relevante ervaring op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. Vóór de benoeming worden de door de Commissie voorgestelde kandidaten verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en de vragen van de commissieleden te beantwoorden.

Na deze verklaring neemt het Europees Parlement een advies aan waarin het zijn mening en voorkeur voor een kandidaat geeft.

De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur, waarbij rekening wordt gehouden met deze mening. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden.

Als de raad van bestuur besluit een andere kandidaat te benoemen dan de kandidaat voor wie het Europees Parlement zijn voorkeur had uitgesproken, laat de raad van bestuur het Europees Parlement en de Raad schriftelijk weten hoe met het advies van het Europees Parlement rekening werd gehouden.

De raad van bestuur is bevoegd om de uitvoerend directeur te ontslaan, op basis van een voorstel van de Commissie.

3.De uitvoerend directeur wordt bijgestaan door drie plaatsvervangende uitvoerend directeurs. Aan elke plaatsvervangende uitvoerend directeur wordt een specifiek bevoegdheidsdomein toegewezen. Indien de uitvoerend directeur afwezig of verhinderd is, neemt een van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs zijn of haar plaats in.

4.De plaatsvervangende uitvoerend directeurs worden, op basis van het in lid 1 bedoelde voorstel van de Commissie, na raadpleging van de uitvoerend directeur, door de raad van bestuur benoemd op grond van hun verdiensten en passende bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, en rekening houdend met hun relevante beroepservaring op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer. De raad van bestuur neemt zijn besluit met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden.

De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de plaatsvervangende uitvoerend directeurs te ontslaan, overeenkomstig de in de eerste alinea omschreven procedure.

5.De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van deze termijn voert de Commissie een evaluatie uit waarbij rekening wordt gehouden met de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten en de toekomstige taken en uitdagingen van het Agentschap.

6.Op grond van een voorstel van de Commissie dat rekening houdt met de in lid 5 bedoelde evaluatie, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen, met ten hoogste vijf jaar.

7.De ambtstermijn van de plaatsvervangende uitvoerend directeurs bedraagt vijf jaar. De raad van bestuur kan deze ambtstermijn eenmaal verlengen met een periode van ten hoogste vijf jaar.

8.De uitvoerend directeur en de plaatsvervangende uitvoerend directeurs worden in dienst genomen als tijdelijke functionarissen van het Agentschap, volgens artikel 2, onder a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Artikel 106
Adviesforum

1.Het Agentschap richt een adviesforum op dat de uitvoerend directeur en de raad van bestuur bijstaat met onafhankelijk advies op het gebied van grondrechten.

2.Het Agentschap nodigt het EASO, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en andere relevante organisaties uit om deel te nemen aan het adviesforum. Op voorstel van de uitvoerend directeur besluit de raad van bestuur over de samenstelling en over de nadere voorwaarden betreffende het toezenden van informatie aan het adviesforum. Het adviesforum stelt, na raadpleging van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur, zijn werkmethoden vast en stelt zijn werkprogramma op.

3.Het adviesforum wordt geraadpleegd over de verdere ontwikkelingen en uitvoering van de grondrechtenstrategie, de opzet van het klachtenmechanisme, de gedragscodes en de gemeenschappelijke basisinhoud voor de opleidingen.

4.Het adviesforum stelt een jaarverslag van zijn activiteiten op. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

5.Onverminderd de bevoegdheden van de grondrechtenfunctionaris heeft het adviesforum effectieve toegang tot alle informatie met betrekking tot de eerbiediging van de grondrechten, hetgeen onder meer inhoudt dat het een bezoek ter plaatse kan brengen aan gezamenlijke operaties of snelle grensinterventies, op voorwaarde dat de ontvangende lidstaat daarmee instemt, en aan hotspotgebieden of gecontroleerde centra, terugkeeroperaties en terugkeerinterventies.

Artikel 107
Grondrechtenfunctionaris

1.De raad van bestuur benoemt een grondrechtenfunctionaris. Hij of zij heeft de taak bij te dragen tot de grondrechtenstrategie, toe te zien op de naleving van de grondrechten binnen het Agentschap en de eerbiediging ervan te bevorderen. De grondrechtenfunctionaris beschikt over de nodige kwalificaties en ervaring op het gebied van grondrechten.

2.De grondrechtenfunctionaris is onafhankelijk in de uitvoering van zijn of haar taken als grondrechtenfunctionaris. Hij of zij rapporteert rechtstreeks aan de raad van bestuur en werkt samen het adviesforum. De grondrechtenfunctionaris brengt regelmatig verslag uit en draagt aldus bij tot het mechanisme voor toezicht op de grondrechten.

3.De grondrechtenfunctionaris wordt geraadpleegd met betrekking tot de overeenkomstig artikel 39, artikel 43, artikel 54, lid 4, en artikel 75, lid 3, opgestelde operationele plannen. Hij of zij heeft toegang tot alle informatie inzake de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap.

Artikel 108
Klachtenmechanisme

1.Het Agentschap neemt in samenwerking met de grondrechtenfunctionaris de nodige maatregelen om overeenkomstig dit artikel een klachtenmechanisme in te stellen teneinde de eerbiediging van de grondrechten bij alle activiteiten van het Agentschap te monitoren en te waarborgen.

2.Iedere persoon die rechtstreeks de gevolgen ondervindt van de acties van het personeel dat betrokken is bij een gezamenlijke operatie, proefproject, snelle grensinterventie, de inzet van een ondersteuningsteam voor migratiebeheer, een gezamenlijke terugkeeroperatie of terugkeerinterventie en van mening is dat met deze acties zijn grondrechten zijn geschonden, of iedere partij die een dergelijke persoon vertegenwoordigt, kan schriftelijk een klacht indienen bij het Agentschap.

3.Alleen voldoende gemotiveerde klachten in verband met concrete schendingen van de grondrechten zijn ontvankelijk.

4.De grondrechtenfunctionaris wordt belast met de behandeling van door het Agentschap ontvangen klachten overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur. Daartoe onderzoekt de grondrechtenfunctionaris de ontvankelijkheid van een klacht, registreert ontvankelijke klachten, zendt alle geregistreerde klachten door aan de uitvoerend directeur, zendt klachten betreffende leden van de teams door aan de lidstaat van herkomst, informeert de desbetreffende autoriteit of instantie die bevoegd is voor grondrechten in een lidstaat, en registreert en waarborgt de follow-up door het Agentschap of die lidstaat.

5.Overeenkomstig het recht op behoorlijk bestuur worden de klagers, wanneer hun klacht ontvankelijk is, ervan in kennis gesteld dat de klacht is geregistreerd, dat een beoordeling is gestart en dat zij een antwoord mogen verwachten zodra dit beschikbaar is. Als een klacht naar de nationale autoriteiten of organen wordt doorgestuurd, worden hun contactgegevens aan de klager meegedeeld. Als een klacht niet ontvankelijk is, worden de klagers in kennis gesteld van de redenen daarvoor en wordt hen, indien mogelijk, gewezen op verdere mogelijkheden om verhaal te zoeken.

Elk besluit wordt schriftelijk en onderbouwd overgelegd.

6.Wanneer een klacht met betrekking tot een personeelslid van het Agentschap wordt geregistreerd, zorgt de uitvoerend directeur, in overleg met de grondrechtenfunctionaris, voor passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig. De uitvoerend directeur brengt binnen een bepaalde termijn aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen en de follow-up die het Agentschap aan de klacht heeft gegeven, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig.

Wanneer een klacht betrekking heeft op gegevensbescherming, betrekt de uitvoerend directeur de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap bij de kwestie. De grondrechtenfunctionaris en de functionaris voor gegevensbescherming stellen een schriftelijk memorandum van overeenstemming op met daarin hun taakverdeling en samenwerking met betrekking tot ontvangen klachten.

7.Indien een geregistreerde klacht betrekking heeft op een teamlid van een ontvangende lidstaat of een andere deelnemende lidstaat, daaronder ook begrepen een gedetacheerd teamlid of een gedetacheerde nationale deskundige, zorgt de lidstaat van herkomst voor passende follow-up, met inbegrip van disciplinaire maatregelen, waar nodig, of andere maatregelen overeenkomstig het nationaal recht. De betrokken lidstaat brengt binnen een bepaalde termijn en vervolgens, indien nodig, op regelmatige tijdstippen aan de grondrechtenfunctionaris verslag uit over de bevindingen en de follow-up die aan de klacht zijn gegeven. Het Agentschap volgt de kwestie wanneer van de betrokken lidstaat geen verslag werd ontvangen.

8.Wanneer wordt vastgesteld dat een teamlid de grondrechten of internationale verplichtingen op het gebied van bescherming heeft geschonden, kan het Agentschap de lidstaat verzoeken dat lid onmiddellijk uit te sluiten van de activiteiten van het Agentschap of het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht.

9.De grondrechtenfunctionaris brengt aan de uitvoerend directeur en de raad van bestuur verslag uit over de bevindingen van het Agentschap en de lidstaten en de follow-up die het Agentschap en de lidstaten aan de klachten hebben gegeven. Het Agentschap neemt in zijn jaarverslag informatie op over het klachtenmechanisme.

10.De grondrechtenfunctionaris stelt, in overeenstemming met de in de leden 1 tot en met 9 bedoelde bepalingen, na raadpleging van het adviesforum een standaardformulier voor klachten op, waarin wordt gevraagd naar nauwkeurige en specifieke informatie met betrekking tot de vermeende schending van de grondrechten. Zo nodig stelt de grondrechtenfunctionaris aanvullende gedetailleerde regels op. De grondrechtenfunctionaris dient het formulier en de eventuele aanvullende gedetailleerde regels in bij de uitvoerend directeur en de raad van bestuur.

Het Agentschap zorgt ervoor dat informatie over de mogelijkheid en de procedure om een klacht in te dienen, gemakkelijk beschikbaar is, ook voor kwetsbare personen. Het standaardklachtenformulier wordt beschikbaar gesteld op de website van het Agentschap en op papier tijdens alle activiteiten van het Agentschap, in talen die onderdanen van derde landen begrijpen of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat ze die begrijpen. De grondrechtenfunctionaris onderzoekt klachten ook wanneer deze niet via het standaardformulier zijn ingediend.

11.Alle persoonsgegevens die in een klacht worden vermeld, worden door het Agentschap, met inbegrip van de grondrechtenfunctionaris, behandeld en verwerkt overeenkomstig [Verordening (EG) nr. 45/2001] en door de lidstaten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680.

Als een klager een klacht indient, wordt hij verondersteld in te stemmen met de verwerking van zijn persoonsgegevens door het Agentschap en de grondrechtenfunctionaris in de zin van artikel 5, onder d), van [Verordening (EG) nr. 45/2001].

Om de belangen van klagers te waarborgen, worden klachten vertrouwelijk behandeld door de grondrechtenfunctionaris, in overeenstemming met het nationale en het Unierecht, tenzij de klager expliciet afstand doet van zijn recht op vertrouwelijke behandeling. Wanneer een klager afstand doet van zijn recht op vertrouwelijke behandeling, wordt aangenomen dat hij ermee instemt dat de grondrechtenfunctionaris of het Agentschap in het kader van de klacht zijn identiteit bekendmaakt aan de bevoegde autoriteiten of organen, indien nodig.

Artikel 109
Talenregeling

1.De in Verordening nr. 1 45 vastgestelde bepalingen zijn van toepassing op het Agentschap.

2.Onverminderd de besluiten die op grond van artikel 342 VWEU worden genomen, worden het in artikel 98, lid 2, punten 10) en 11), bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag en werkprogramma in alle officiële talen van de Unie opgesteld.

3.De voor het functioneren van het Agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 110
Transparantie en communicatie

1.Bij de behandeling van verzoeken om toegang tot documenten in zijn bezit past het Agentschap Verordening (EG) nr. 1049/2001 toe.

2.Het Agentschap communiceert op eigen initiatief over de aangelegenheden die binnen de werkingssfeer van zijn taken vallen. Het maakt relevante informatie, inclusief het in artikel 98, lid 2, punt 10), bedoelde jaarlijkse activiteitenverslag, openbaar en draagt er, onverminderd artikel 91, met name zorg voor dat het publiek en alle belanghebbende partijen snel objectieve, nauwkeurige, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werk ontvangen. Daarbij geeft het geen operationele gegevens prijs die, eenmaal openbaar, het bereiken van de doelstelling van de operaties in gevaar zouden brengen.

3.De raad van bestuur stelt de praktische regelingen voor de toepassing van de leden 1 en 2 vast.

4.Elke natuurlijke of rechtspersoon heeft het recht zich schriftelijk in een van de officiële talen van de Unie tot het Agentschap te richten. Hij of zij heeft het recht een antwoord in dezelfde taal te ontvangen.

5.Tegen de beslissingen die het Agentschap op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 neemt, kan een klacht worden ingediend bij de Europese Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, volgens de respectievelijk in de artikelen 228 en 263 VWEU bepaalde voorwaarden.


Afdeling 5
Financiële eisen

Artikel 111
Begroting

1.De ontvangsten van het Agentschap bestaan, onverminderd andere ontvangsten, uit:

(a)een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgevoerde bijdrage van de Unie;

(b)een bijdrage van de landen die betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, als vastgelegd in de respectieve regelingen ter specificering van hun financiële bijdrage;

(c)financiering van de Unie in de vorm van bijdrageovereenkomsten of ad hoc-subsidies in overeenstemming met de in artikel 115 bedoelde financiële regeling van het Agentschap en met de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid van de Unie;

(d)vergoedingen voor geleverde diensten;

(e)eventuele vrijwillige bijdragen van de lidstaten.

2.De uitgaven van het Agentschap bestaan uit administratieve, infrastructuur-, operationele en personele kosten.

3.De uitvoerend directeur stelt een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, waarin een personeelsformatie is opgenomen, en zendt deze toe aan de raad van bestuur.

4.De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.

5.De raad van bestuur keurt op basis van de door de uitvoerend directeur opgestelde ontwerpraming een voorlopige ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap goed, met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie. De raad van bestuur zendt deze samen met het ontwerp van het uniek programmeringsdocument uiterlijk op 31 januari toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

6.De raad van bestuur zendt de definitieve ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap, met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie, samen met het voorlopige werkprogramma uiterlijk op 31 maart toe aan de Commissie.

7.De raming wordt samen met het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij de begrotingsautoriteit.

8.Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het bedrag van de bijdrage ten laste van de algemene begroting op in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

9.De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage aan het Agentschap goed.

10.De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Agentschap vast.

11.De raad van bestuur stelt de begroting van het Agentschap vast. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

12.Voor elke wijziging van de begroting, met inbegrip van de personeelsformatie, wordt dezelfde procedure gevolgd.

13.De bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie 46 zijn van toepassing op alle bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het Agentschap.

14.Met het oog op de financiering van de inzet van snelle grensinterventies en terugkeerinterventies behelst de door de raad van bestuur goedgekeurde begroting van het Agentschap een financiële operationele reserve van ten minste 2 % van de gezamenlijk geplande toewijzing voor gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen en operationele activiteiten op het gebied van terugkeer. Aan het einde van elke maand kan de uitvoerend directeur beslissen één twaalfde van deze operationele reserve toe te wijzen aan andere operationele activiteiten van het Agentschap. In dat geval stelt de uitvoerend directeur de raad van bestuur daarvan in kennis.

15.Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

Artikel 112
Tenuitvoerlegging van en controle op de begroting

1.De uitvoerend directeur legt de begroting van het Agentschap ten uitvoer.

2.Uiterlijk op 1 maart van begrotingsjaar N + 1 dient de rekenplichtige van het Agentschap de voorlopige rekeningen voor het begrotingsjaar N in bij de rekenplichtige van de Commissie en bij de Rekenkamer. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad 47 .

3.Het Agentschap zendt uiterlijk op 31 maart van jaar N + 1 een verslag over het budgettair en financieel beheer voor jaar N toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.

4.De rekenplichtige van de Commissie zendt de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor jaar N, die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, uiterlijk op 31 maart van jaar N + 1 aan de Rekenkamer toe.

5.Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Agentschap voor jaar N, overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, stelt de uitvoerend directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Agentschap op en legt hij deze voor advies aan de raad van bestuur voor.

6.De raad van bestuur brengt een advies uit over de definitieve rekeningen van het Agentschap voor jaar N.

7.Uiterlijk op 1 juli van jaar N + 1 dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

8.De definitieve rekeningen voor jaar N worden uiterlijk op 15 november van jaar N + 1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

9.De uitvoerend directeur dient uiterlijk op 30 september van jaar N + 1 een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. Hij zendt dit antwoord ook toe aan de raad van bestuur.

10.De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor jaar N, overeenkomstig artikel 165, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

11.Vóór 15 mei van jaar N + 2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van jaar N.

Artikel 113
Fraudebestrijding

1.Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten zijn de bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onverminderd van toepassing. Het Agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord onmiddellijk passende regels op die van toepassing zijn op alle personeelsleden van het Agentschap.

2.De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het Agentschap EU-middelen hebben ontvangen, audits te verrichten, zowel op basis van documenten als ter plaatse.

3.OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad 48 administratieve onderzoeken verrichten, waaronder controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of een subsidiebesluit of een door het Agentschap gefinancierd contract, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

4.Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad.

5.Onverminderd de leden 1 tot en met 4 bevatten werkafspraken met derde landen en met internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het Agentschap bepalingen die de Rekenkamer, het Europees Openbaar Ministerie en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke audits en onderzoeken binnen hun respectieve bevoegdheden te verrichten.

Artikel 114
Voorkoming van belangenconflicten

Het Agentschap stelt interne voorschriften vast waarin bepaald is dat leden van zijn organen en personeelsleden gedurende hun dienst of ambtstermijn situaties moeten vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij dergelijke situaties moeten rapporteren.

Artikel 115
Financiële bepaling

De financiële regeling die van toepassing is op het Agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling wijkt niet af van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013, tenzij dit in verband met de werking van het Agentschap specifiek vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend. In dit kader stelt de raad van bestuur specifieke financiële regels vast die van toepassing zijn op de activiteiten van het Agentschap met betrekking tot samenwerking met de landen op het gebied van terugkeer.

HOOFDSTUK IV
Slotbepalingen

Artikel 116
Evaluatie

1.Uiterlijk op [31 mei 2023] en daarna om de vier jaar voert de Commissie een evaluatie van deze verordening uit. Tijdens deze evaluatie wordt met name het volgende beoordeeld:

(a)de door het Agentschap bereikte resultaten, in het licht van de doelstellingen, de opdracht en de taken van het Agentschap;

(b)het effect, de effectiviteit en de efficiëntie van de activiteiten en werkmethoden van het Agentschap in het licht van de doelstellingen, de opdracht en de taken van het Agentschap;

(c)de tenuitvoerlegging van Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken;

(d)de vraag of de opdracht van het Agentschap eventueel moet worden gewijzigd;

(e)de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen.

De evaluatie omvat een specifieke analyse van de wijze waarop het Handvest en ander relevant Unierecht bij de toepassing van de verordening is nageleefd.

2.De Commissie zendt het evaluatieverslag samen met haar conclusies over het verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur. De raad van bestuur kan aan de Commissie aanbevelingen over wijzigingen van deze verordening doen. Het evaluatieverslag en de conclusies over het verslag worden openbaar gemaakt. De lidstaten en het Agentschap verstrekken de Commissie de nodige informatie om dit verslag op te stellen.

3. Het Agentschap dient uiterlijk op 1 december 2021 en vervolgens om de twee jaar een verslag over het functioneren van Eurosur in bij het Europees Parlement en de Raad.

De lidstaten verstrekken het Agentschap alle informatie die nodig is om dit verslag op te stellen.

4.In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluatie stelt de Commissie een algemene evaluatie van Eurosur op, die indien nodig vergezeld gaat van passende voorstellen om de werking ervan te verbeteren.

De lidstaten en het Agentschap verstrekken de Commissie de informatie die nodig is om de in lid 3 bedoelde evaluatie uit te voeren.

Artikel 117
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité ("het Europees comité voor de grens- en kustwacht"). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Voor de in artikel 80, lid 2, bedoelde maatregelen wordt de Commissie bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 1606/2002 opgerichte "comité artikel 6".

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing,

3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing,

4.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 van die verordening, van toepassing,

Artikel 118

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.De bevoegdheid om de in artikel 8, lid 4, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 zijn neergelegd.

5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.Een overeenkomstig artikel 8, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 119
Intrekking

1.Verordening (EU) nr. 1052/2013 wordt ingetrokken.

2.Verordening (EU) 2016/1624 wordt ingetrokken, met uitzondering van de artikelen 20, 30 en 31, welke met ingang van 1 januari 2020 worden ingetrokken.

3.Gemeenschappelijk optreden 98/700/JBZ wordt ingetrokken met ingang van de datum van de effectieve tenuitvoerlegging van het in artikel 80 bedoelde systeem; dit wordt besloten bij een uitvoeringshandeling welke overeenkomstig de in artikel 117 bedoelde procedures wordt vastgesteld.

4.Verwijzingen naar de ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI bij deze verordening.

Artikel 120
Inwerkingtreding en toepasbaarheid

1.Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.Voor zover artikel 12, lid 4, artikel 71 en artikel 98, lid 5, betrekking hebben op de samenwerking met het Verenigd Koninkrijk, zijn ze van toepassing tot de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie of, mits een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk op basis van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in werking treedt, tot het einde van de daarin vastgestelde overgangsperiode.

3.Bij wijze van uitzondering worden de in artikel 55, lid 4, en artikel 64, lid 6, bedoelde besluiten in het jaar 2019 binnen zes weken na de inwerkingtreding van de verordening door de raad van bestuur vastgesteld.

4.Bij wijze van uitzondering worden de in artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 1, bedoelde aanwijzingen in het jaar 2019 binnen twaalf weken na de inwerkingtreding van de verordening door lidstaten gedaan.

5.Inzet overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 58 vindt plaats vanaf 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

FINANCIEEL MEMORANDUM

1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

1.1.Benaming van het voorstel/initiatief

Voorstel voor een verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad, Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad

Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)

Beleidsterrein: Migratie en binnenlandse zaken

Activiteit: Veiligheid en bescherming van de vrijheden

Momenteel Rubriek 3a, Titel 18 – Binnenlandse zaken

1.2.Aard van het voorstel/initiatief

 Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie 

 Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie 49  

X Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie 

X Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie 

1.2.1.

1.3.Motivering van het voorstel/initiatief

1.3.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

Op korte termijn moet het Europees Grens- en kustwachtagentschap de kernactiviteiten van het Agentschap op het gebied van het beheer van de buitengrenzen en terugkeer, met inbegrip van Eurosur, op dezelfde wijze blijven voortzetten. De begroting van het Agentschap, met inbegrip van zowel de EU-bijdrage als de bijdragen van de met Schengen geassocieerde landen, om alle activiteiten in het kader van het huidige mandaat van het Agentschap voort te zetten, zou 637,6 miljoen EUR bedragen voor 2019 en 2020 voor het huidige MFK en, zoals door de Commissie voorgesteld, 2,47 miljard EUR voor het volgende MFK. De vereiste algemene financiële middelen en de personeelsbehoeften zijn in overeenstemming met de financiële memoranda bij de voorstellen die de Commissie destijds heeft ingediend voor de verordening betreffende de Europees grens- en kustwacht, de ETIAS-verordening en de interoperabiliteitsverordening. Dit voorstel heeft als doel enerzijds de Europese grens- en kustwacht te hervormen door de capaciteiten van het Agentschap uit te breiden, met name door het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op te richten, en het Agentschap van eigen uitrusting te voorzien, en anderzijds te voorzien in een adequate aanpak van andere nieuwe of aangepaste taken. Daartoe moet de begroting van het Agentschap voor 2019 en 2020 in het kader van het huidige meerjarig financieel kader worden aangevuld met een bedrag van 577,5 miljoen EUR, waarvoor mogelijk gebruik moet worden gemaakt van speciale instrumenten. Voor de periode 2021-2027 zal in totaal 9,37 miljard EUR nodig zijn voor alle nieuwe en aangepaste taken en functies.

Over het geheel genomen zouden de totale kosten van het bestaande mandaat en het toekomstige mandaat 1,22 miljard EUR bedragen voor de periode 2019-2020 en 11,27 miljard EUR voor de periode 2021-2027.

De belangrijkste elementen van het voorstel kunnen als volgt worden samengevat wat inhoud en tijdschema betreft:

de oprichting van het uit 10 000 operationele personeelsleden bestaande permanente korps van de Europese grens- en kustwacht:

   het operationele personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht omvat grenswachters, terugkeerbegeleiders, terugkeerspecialisten en andere relevante personeelsleden in dienst van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, die door de lidstaten bij het Agentschap worden gedetacheerd of door de lidstaten ter beschikking worden gesteld om voor korte tijd te worden ingezet als lid van grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer of terugkeerteams met uitvoerende bevoegdheden. Het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT zal bestaan uit drie categorieën van operationeel personeel en zal de volgende kosten met zich brengen;

   categorie 1 (personeel van het Agentschap): het statutaire personeel zal een essentieel onderdeel vormen van het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT. Verwacht wordt dat het aantal operationele personeelsleden van het korps van het Agentschap zal toenemen van 750 in 2019 tot 3000 in 2025. Het zal gaan om 50 % tijdelijke functionarissen en 50 % arbeidscontractanten. De overeenkomstige personeelskosten zijn berekend op basis van standaardeenheden (d.w.z. 143 000,00 EUR per TF/jaar en 74 000 EUR per AC/jaar). Voor categorie 1 voorziet het voorstel in kosten voor het inzetten van personeel, waarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat alle eigen operationele personeelsleden van het Agentschap op een bijna permanente basis zullen worden ingezet in operationele gebieden. De kosten voor het inzetten van personeel zijn met een benaderende methode berekend op basis van de dagtarieven die momenteel door het Agentschap worden gebruikt (gemiddeld 200 EUR per dag), verminderd met 40 %, gelet op het langetermijnkarakter van het inzetten. Personeelsleden die binnen deze categorie worden aangeworven, zullen kunnen optreden als leden van de teams die worden ingezet vanuit het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT met het oog op de uitvoering van taken op het gebied van grenstoezicht en terugkeer, met inbegrip van taken met uitvoerende bevoegdheden. Gezien dit specifieke karakter van het operationele personeel van het Agentschap, moet al het nieuw aangeworven personeel een volwaardige voorbereidende opleiding voor grens- of terugkeerfuncties van circa 6 maanden volgen, die ongeveer 40 000 EUR per persoon kost. Vervolgens zou voor het operationele personeel van het Agentschap elk jaar een specialisatie- of opfriscursus nodig zijn, die ongeveer 10 000 EUR per persoon kost.

   categorie 2 (door lidstaten voor een lange termijn gedetacheerd operationeel personeel): verwacht wordt dat ook het aantal van dit soort operationele personeelsleden zal toenemen, van 1 500 in 2020 tot 3 000 in 2025. Het voorstel bepaalt dat het gedetacheerde personeel permanent zal worden ingezet in de verschillende operationele gebieden. De belangrijkste kosten zullen dus verband houden met het inzetten van personeel. Net als voor categorie 1 werden de kosten voor het inzetten van personeel berekend met de veronderstelling dat alle personeelsleden tijdens hun detachering op lange termijn zullen worden ingezet. Hetzelfde gemiddelde dagtarief (dat wil zeggen 200 EUR per dag, met een vermindering van 40 % als gevolg van de lange missies) werd toegepast als bij categorie 1. In de opleidingsbehoeften van het operationele gedetacheerde personeel zal worden voorzien met een geraamde jaarlijkse kostprijs van 5 000 EUR per personeelslid.

   categorie 3 (door lidstaten voor korte tijd ingezet operationeel personeel). Deze categorie operationele personeelsleden zal naar verwachting geleidelijk afnemen in het permanente korps van de EUROPESE GRENS EN KUSTWACHT, van 7 000 leden in 2020 tot 4 000 in 2025. De belangrijkste kosten van dit deel van het permanente korps van de EUROPESE GRENS EN KUSTWACHT houden verband met het inzetten ervan. Net als voor de categorieën 1 en 2 werden de kosten voor het inzetten van personeel berekend met gebruikmaking van hetzelfde gemiddelde dagtarief (namelijk 200 EUR per dag), berekend voor 30 dagen per maand, voor het inzetten gedurende maximaal 4 maanden. Anders dan bij de categorieën 1 en 2 geldt voor de kosten voor het inzetten van personeel echter niet de vermindering van 40 %, die in het geval van lange missies van toepassing is.

   Daarnaast voorziet het voorstel, voor de categorieën 2 en 3, in een systeem voor financiële steun om de langetermijnontwikkeling van personele middelen van de lidstaten te ondersteunen en veilig te stellen door hen in staat te stellen extra personeel aan te werven en op te leiden, teneinde de nodige flexibiliteit te bieden met het oog op hun verplichte bijdrage aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, met behoud van voldoende eigen nationale capaciteiten. Het systeem wordt berekend op basis van het jaarlijkse basissalaris van een arbeidscontractant van de functiegroep III, rang 8, salaristrap 1, waarop voor elke lidstaat een relevante coëfficiënt werd toegepast ("basisbedrag"). Voor categorie 2 wordt 100 % van het "basisbedrag" vermenigvuldigd met het aantal operationele personeelsleden dat naar verwachting elk jaar door een lidstaat zal worden gedetacheerd. Voor categorie 3 wordt 30 % van het "basisbedrag" (overeenkomend met de verplichte beschikbaarheid van 4 maanden) vermenigvuldigd met het aantal operationele personeelsleden dat in het voorgaande jaar daadwerkelijk door een lidstaat is ingezet.

   In totaal zou de oprichting en het inzetten van het permanente korps van de EUROPESE GRENS-EN KUSTWACHT op zijn volle capaciteit vanaf 2020 5,83 miljard EUR kosten.

de aanschaf van eigen uitrusting voor het Agentschap

   Om de aanhoudende tekorten in de vrijwillig bijeengebrachte technische uitrusting van de lidstaten te verhelpen, met name wat betreft groot materieel, moet het Agentschap over de nodige eigen uitrusting beschikken, die zal worden ingezet voor gezamenlijke operaties, snelle grensinterventies of andere operationele activiteiten.

   Hoewel het sinds 2011 wettelijk mogelijk is voor het Agentschap om eigen technische uitrusting aan te schaffen of te leasen, was deze mogelijkheid aanzienlijk beperkt door het gebrek aan noodzakelijke budgettaire middelen. Door de vaststelling van de verordening van 2016 kreeg het Agentschap een specifiek budget van 40 miljoen EUR om kleine en middelgrote uitrusting aan te schaffen en het Agentschap maakt steeds meer gebruik van deze mogelijkheden.

   Als een logisch gevolg van deze ontwikkelingen en om de ambities waar te maken die aan de oprichting van het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT ten grondslag liggen, is de Commissie van oordeel dat binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 een aanzienlijk bedrag (2.2 miljard EUR) moet worden uitgetrokken dat het Agentschap in staat moet stellen om met het oog op de operationele behoeften het nodige lucht-, zee- en landmaterieel te verwerven, te onderhouden en in te zetten.

   Hoewel de verwerving van het nodige materieel, en met name het grote materieel, een werk van lange adem kan zijn, zou uiteindelijk bij operaties in de eerste plaats de eigen uitrusting van het Agentschap moeten worden ingezet, aangevuld met bijdragen van de lidstaten waarop in uitzonderlijke omstandigheden beroep zou worden gedaan. De uitrusting van het Agentschap moet hoofdzakelijk worden bediend door de technici van het Agentschap die deel uitmaken van het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT. Om ervoor te zorgen dat de voorgestelde financiële middelen voor de eigen uitrusting van het Agentschap doeltreffend worden gebruikt, wordt het proces gebaseerd op een meerjarige strategie die in een zo vroeg mogelijk stadium wordt vastgesteld door de raad van bestuur en vergezeld gaat van een actieplan.

   De eigen uitrusting van het Agentschap is bedoeld als aanvulling op een pool van technische uitrusting die de lidstaten beschikbaar stellen, en met name vervoersmaterieel en operationele uitrusting die de lidstaten hebben aangeschaft in het kader van de specifieke acties van het Fonds voor interne veiligheid;

de steunpunten van het Agentschap

   Rekening houdend met het ruimere mandaat van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht dat in sterkere mate actief is aan de buitengrenzen en op het gebied van terugkeer, moet het Agentschap de mogelijkheid hebben om voor de duur van de activiteiten steunpunten op te zetten op locaties in de nabijheid van zijn belangrijke operationele activiteiten; deze zouden als interface tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaat kunnen fungeren, met coördinerende, logistieke en ondersteunende taken kunnen worden belast en de samenwerking tussen het Agentschap en de ontvangende lidstaat kunnen vergemakkelijken.

   Met het oog op de ontwikkeling van de steunpunten ontvangt het Agentschap aanvullende begrotingsmiddelen. Momenteel is voorzien in de geleidelijke oprichting van 5 steunpunten. In het kader van het huidige MFK (2019-2020) is in een begroting van 1,5 miljoen EUR voorzien, terwijl voor het volgende MFK (2021-2027) een bedrag van 11,3 miljoen EUR is uitgetrokken.

FADO

   Het Agentschap neemt het FADO-systeem over en zal het beheren. De kosten die op het FADO betrekking hebben zullen operationele kosten en personeelskosten omvatten, en kosten voor IT-systemen en software, en onderhouds- en beveiligingsinfrastructuur. De kosten in verband met de migratie en het onderhoud van het FADO zouden 1,5 miljoen EUR bedragen in het kader van het huidige MFK (2019-2020) en 10,5 miljoen EUR in het kader van het volgende MFK (2021-2027).

de activiteiten van het Agentschap op het gebied van terugkeer

   Het voorstel heeft als doel de steun van het Agentschap aan de lidstaten op het gebied van terugkeer aanzienlijk te versterken, alsook de samenwerking met derde landen op dit gebied, onder meer wat het verkrijgen van reisdocumenten betreft.

   In dit verband moet een bedrag van 1,75 miljard EUR worden toegevoegd aan de begroting van het Agentschap voor het volgende MFK (2021-2027), met ongeveer 250 miljoen EUR per jaar om de terugkeer van 50 000 terugkeerders per jaar te vergemakkelijken.

Ontwikkeling van Eurosur

   In het algemeen zal de ontwikkeling van Eurosur een invloed hebben voor de begroting van het Agentschap van 20 miljoen EUR in het kader van het huidige MFK (2019-2020) en 140 miljoen EUR in het kader van het volgende MFK (2021-2027), en van 100 extra personeelsleden uit de in het volgende punt beschreven personele middelen.

   Voor de verbetering van de werking van het systeem heeft het Agentschap naar schatting 35 extra personeelsleden nodig, hoofdzakelijk IT-deskundigen en gegevensanalisten.

   Voor de uitbreiding van de werkingssfeer van Eurosur tot grensdoorlaatposten en de bewaking van de luchtgrenzen, om secundaire bewegingen aan te pakken, de informatie-uitwisseling met derde landen te verbeteren en geïntegreerde planning te beheren, zijn naar schatting 65 extra personeelsleden nodig, bestaande uit IT-deskundigen, risicoanalisten, en operatoren en planners.

   Het ruimtevaartprogramma Copernicus zal doorgaan met de ondersteuning van de uitrusting van de Fusion Services van Eurosur met producten en diensten op het gebied aardobservatie, terwijl het kaderprogramma voor onderzoek de ontwikkeling van nieuwe informatiediensten en bewakingstechnologieën zal blijven ondersteunen.

   De instrumenten van DG NEAR en DG DEVCO zullen de ontwikkeling van geïntegreerd grensbeheer, met inbegrip van nationale coördinatiecentra in derde landen, blijven ondersteunen.

   Daarnaast zal het voorstel, met het oog op de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de ontwikkeling van Eurosur aan de zijde van de lidstaten, ook gevolgen hebben voor het gebruik van middelen uit het Fonds voor interne veiligheid – Grenzen en visa in 2020 (52,5 miljoen EUR) en het toekomstige fonds voor geïntegreerd grensbeheer (647,5 miljoen EUR) in de periode 2021-2027. De desbetreffende acties zullen in gedeeld of direct beheer worden uitgevoerd.

Personele middelen

Wat de personele middelen betreft, wordt verwacht dat het Agentschap tegen 2020 1 000 personeelsleden in dienst zal hebben. Om het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op te richten, zullen extra posten worden toegewezen aan het Agentschap: te beginnen met 750 posten in 2019 en 3 000 posten tegen 2025. De extra posten zullen voor de ene helft door tijdelijke functionarissen en voor de andere helft door arbeidscontractanten worden bezet. De nieuwe posten zullen hoofdzakelijk worden gebruikt om operationele personeelsleden van categorie 1 van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht aan te werven en op te leiden. Tot deze categorie behoren echter ook personeelsleden die zullen worden ingezet voor het opzetten en de werking van de centrale ETIAS-eenheid.

In het kader van het bovengenoemde aantal van 3 000 posten kan het Agentschap bovendien tot 4 % van de totale grootte van het permanente korps gebruiken om personeel aan te werven ter ondersteuning van de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht (aanwerving, dagelijks beheer, operationele planning, enzovoort), het bemannen van steunpunten, de aanschaf van de uitrusting van het Agentschap, andere nieuwe taken die verband houden met de werking van de Europese grens- en kustwacht, met inbegrip van Eurosur, het versterkte mandaat inzake terugkeer en de overname van FADO.

1.3.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU

Het doel van dit voorstel is een Europees geïntegreerd beheer van de buitengrenzen van de EU dat een doeltreffend beheer van migratie en een hoog niveau van veiligheid in de Unie moet waarborgen zonder dat het vrij verkeer van personen in de Unie wordt aangetast. Binnen het Schengengebied zonder binnengrenzen ondervinden alle Schengenstaten de gevolgen van irreguliere migratie over de buitengrenzen van één lidstaat. Een gebied zonder binnengrenzen kan slechts bestaan als de buitengrenzen effectief worden beveiligd en beschermd.

Aangezien het toezicht op de buitengrenzen van de Unie een gemeenschappelijk en gedeeld belang is dat overeenkomstig strenge uniforme Unienormen moet worden uitgeoefend, kunnen de doelstellingen van dit voorstel niet voldoende door de lidstaten worden bereikt maar beter door de Unie worden verwezenlijkt. De Unie kan daarom maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd.

Het voorstel moet een antwoord bieden op de nieuwe uitdagingen en politieke situatie waarmee de Unie wordt geconfronteerd op het gebied van migratiebeheer en interne veiligheid. Het versterkt een toolbox van capaciteiten waarover de Europese grens- en kustwacht beschikt, met name door het uit 10 000 personeelsleden bestaande permanente korps van de Europese grens- en kustwacht op te richten om uitdagingen op het gebied van EU-grensbeheer en terugkeer grondig aan te pakken. Het voorstel waarborgt dat de regels inzake geïntegreerd grensbeheer door de lidstaten volledig en correct worden uitgevoerd in overeenstemming met een samenhangende meerjarige strategische beleidscyclus, dat passende maatregelen worden getroffen om crisissituaties te voorkomen en in een vroeg stadium aan de buitengrenzen in te grijpen indien een dergelijke situatie zich voordoet, en dat slechts als een situatie niettemin kritiek wordt, op Unieniveau spoedmaatregelen worden getroffen voor rechtstreekse interventie op het terrein.

Met name wordt de Europese toegevoegde waarde van Eurosur door de grensbeheergemeenschap van de EU ten volle erkend. Het schrappen van het Eurosur-kader is niet denkbaar, aangezien de meeste lidstaten daarvan nu afhankelijk zijn voor grensbewaking.

De Fusion Services van Eurosur leveren een reële toegevoegde waarde op voor de eindgebruikers die bij grensbewaking zijn betrokken. Geen enkele nationale organisatie van grenswachters zou zich op zichzelf de door de Fusion Services van Eurosur aangeboden op ruimte-infrastructuur gebaseerde bewakingsdiensten en andere langeafstandplatforms kunnen veroorloven.

1.3.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan

Het Frontex-agentschap is in 2004 opgericht en werd in 2005 operationeel. Zoals in het Haags programma werd gevraagd, hechtte de Commissie op 13 februari 2008 haar goedkeuring aan een mededeling over de evaluatie en toekomstige ontwikkeling van het Frontex-agentschap (COM(2008) 67 definitief).

De mededeling bevatte aanbevelingen voor de korte tot middellange termijn en suggesties voor de ontwikkeling van het Agentschap op langere termijn. Voor de langere termijn werd gewezen op de cruciale rol die Frontex zou moeten spelen bij de ontwikkeling van een geïntegreerd EU-grensbeheersysteem.

Afsluitend beval de Commissie een aantal verbeteringen aan voor de wijze waarop het Agentschap binnen zijn mandaat opereert. Daarnaast beval zij aan om het mandaat op middellange termijn te herzien.

Naast het bovengenoemde verslag van de Commissie over de evaluatie en toekomstige ontwikkeling van het Frontex-agentschap heeft in 2008 een onafhankelijke evaluatie plaatsgevonden. Die evaluatie, die de raad van bestuur van Frontex op grond van artikel 33 van de Frontex-verordening had laten uitvoeren, bracht aanvullende gezichtspunten en feiten naar voren met betrekking tot de werkmethoden van het Agentschap. Ook werd de raad van bestuur van Frontex een reeks aanbevelingen gedaan. In het licht daarvan is het mandaat van het Agentschap in 2011 gewijzigd om het in staat te stellen op de nieuwe uitdagingen te reageren.

Ondanks de verbeteringen van 2011 is een verdere vernieuwing van het mandaat van het Agentschap nodig. Aanleiding daarvoor zijn ten eerste de duidelijke politieke richtsnoeren die de Europese Raad in 2015 heeft gegeven voor de rol van het Frontex-agentschap bij de aanpak van de toenemende migratiedruk, en ten tweede de externe evaluatie van het Frontex-agentschap in 2014/2015.

De migratiecrisis van 2015, met ongeziene aantallen irreguliere aankomsten op EU-grondgebied, gaf aanleiding tot vele uitdagingen voor het migratiebeleid van de EU en haar lidstaten. De crisis heeft aangetoond dat het kader en de operationele capaciteit van de Unie niet waren ontworpen om deze massale migratiedruk te doorstaan. Door de intense migratiedruk en de daaropvolgende secundaire bewegingen is ook het Schengengebied onder druk komen te staan en werd een aantal lidstaten gedwongen om de controles aan de binnengrenzen opnieuw in te voeren.

De Commissie heeft onmiddellijk actie ondernomen met een breed scala van maatregelen, zowel voor de korte als voor de lange termijn, waaronder: voorkomen dat nog migranten sterven op zee, de buitengrenzen van de EU versterken, de prikkels voor irreguliere migratie beperken en het gemeenschappelijk asielbeleid versterken. Met name werd in december 2015 een voorstel ingediend om het mandaat van het grensagentschap van de Unie aanzienlijk uit te breiden en daarover werd in 2016 in een recordtijd onderhandeld. De verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht is op 6 oktober 2016 in werking getreden en het nieuwe mandaat, met meer capaciteiten en middelen, is sindsdien snel ten uitvoer gelegd. Er moet echter nog meer worden gedaan om ons kader op het gebied van de controle van de buitengrenzen, terugkeer en asiel verder te verbeteren. In zijn conclusies van 28 juni 2018 heeft de Europese Raad opgeroepen om de ondersteunende rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, ook wat betreft de samenwerking met derde landen, verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat. De belangrijkste doelstelling is het Agentschap te voorzien van het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT om te zorgen voor een doeltreffende controle van de buitengrenzen van de EU en om de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren.

1.3.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten

Dit voorstel is consistent met de conclusies van de Europese Raad van 28 juni 2018 waarin wordt opgeroepen de ondersteunende rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat, teneinde de buitengrenzen van de EU doeltreffend te controleren en de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren. Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad strookt het ook met de doelstelling om een intern migratiebeleid op te zetten dat gebaseerd is op een evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid: de oprichting van het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT met welomschreven verplichte bijdragen van alle lidstaten, om ervoor te zorgen dat het EUROPEES GRENS- EN KUSTWACHTAGENTSCHAP effectieve steun kan verlenen aan lidstaten in de frontlinie, is een essentieel element van de Europese solidariteit.

Dit voorstel bouwt voort op het bestaande beleid en de bestaande toolbox voor grensbeheer, met name de bij Verordening (EU) 2016/1624 opgerichte Europese grens- en kustwacht. In de afgelopen twee jaar is aanzienlijke vooruitgang geboekt met het operationeel maken van dit nieuwe kader, met name doordat de eerste cycli van kwetsbaarheidsbeoordelingen zijn doorlopen en de snel inzetbare pools zijn opgericht om op noodsituaties te reageren. Met het uit 10 000 operationele personeelsleden bestaande permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT breidt dit voorstel de capaciteiten van het Agentschap, en derhalve van de Unie, aanzienlijk uit om doeltreffend op huidige of toekomstige dreigingen en uitdagingen aan de buitengrenzen te reageren door de acties van de lidstaten en met derde landen aan de buitengrenzen proactief te versterken, te beoordelen en te coördineren, alsook om te zorgen voor een geloofwaardig terugkeerbeleid.

In het evaluatieverslag van Eurosur is geconcludeerd dat het Eurosur-kader zijn doelstellingen heeft bereikt en dat de werking van Eurosur kon worden verbeterd door een technisch informatiesysteem te ontwikkelen tot een overheidskader voor informatie-uitwisseling en samenwerking op het gebied van grenscontrole en eventueel ook andere specifieke onderdelen van het Europees geïntegreerd grensbeheer. Zoals bepaald in het bijgevoegde verslag over de evaluatie van Eurosur, bevordert Eurosur synergieën en derhalve de coherentie met andere beleidsterreinen: het nationaal coördinatiecentrum is een aanspreekpunt voor operationele samenwerking met andere beleidsactoren op gebieden als maritieme zaken, veiligheid en douanetoezicht. Het is ook een goed voorbeeld voor civiele/militaire samenwerking, aangezien ook militaire actoren zoals de marineofficieren deel uitmaken van nationale coördinatiecentra.

Op EU-niveau vormen de Fusion Services van Eurosur een instrument dat kan worden gebruikt voor andere kustwachttaken, zoals visserijcontrole. Er zijn ook wederzijdse voordelen voor externe veiligheid; zo zijn bijvoorbeeld Eurosur-informatieproducten via het Agentschap gedeeld met de GVDB-operatie EUNAVFOR Med Sophia.

De Fusion Services van Eurosur vormen ook een instrument om onderzoeksprojecten en -programma’s in de praktijk te brengen en zijn een concreet resultaat van het EU-ruimtevaartprogramma Copernicus.

De voorgestelde ontwikkeling van Eurosur en de uitbreiding van de werkingssfeer ervan zullen leiden tot een verbetering van de algehele samenhang met het geïntegreerd grensbeheer en tot andere samenwerking, met name met de luchtvaartsector, maar ook op het gebied van het externe optreden van de EU.

In het voorstel wordt het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) in het kader van de Europese grens- en kustwacht geïntegreerd, waardoor een geest van samenwerking, informatie-uitwisseling en coördinatie van de inspanningen van de lidstaten en het Europees grens- en kustwachtagentschap, alsmede de nationale autoriteiten en agentschappen van de Unie, verder worden bevorderd door middel van concrete verbintenissen. Ook wordt voortgebouwd op Verordening (EU) nr. 656/2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door Frontex.

In het voorstel wordt de verhouding tussen de door het Agentschap uitgevoerde kwetsbaarheidsbeoordelingen en het bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 opgerichte Schengenevaluatiemechanisme toegelicht met het oog op maximale synergieën tussen deze twee mechanismen, die van essentieel belang zijn voor de Europese kwaliteitscontrole van de werking van het Schengengebied.

Dit voorstel bouwt voort op en houdt een ontwikkeling in van deze bestaande beleidsbepalingen en brengt deze samen in de Europese grens- en kustwacht, waardoor een geïntegreerd beheersysteem voor de buitengrenzen op Unieniveau tot stand komt, zoals voorgeschreven in artikel 77, lid 2, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Dit voorstel sluit aan op het brede langetermijnbeleid inzake beter migratiebeheer dat de Commissie heeft uiteengezet in de Europese migratieagenda, waarin de politieke beleidslijnen van voorzitter Juncker werden uitgewerkt tot een reeks samenhangende en elkaar onderling versterkende maatregelen. Deze maatregelen werden gebaseerd op vier pijlers: de stimulansen voor irreguliere migratie reduceren, de buitengrenzen beveiligen en levens redden, een krachtig asielbeleid voeren en een nieuw beleid inzake legale migratie ontwikkelen. Met dit voorstel wordt verder uitvoering gegeven aan de Europese migratieagenda, meer bepaald wat betreft de doelstelling om de buitengrenzen te beveiligen, aangezien de Europese grens- en kustwacht het Europees geïntegreerd grensbeheer zal uitvoeren. Bovendien speelt het in op het verzoek van de Europese Raad om de ondersteunende rol van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, ook wat betreft de samenwerking met derde landen, verder te versterken, met meer middelen en een ruimer mandaat, teneinde de EU-buitengrenzen doeltreffend te controleren en de daadwerkelijke terugkeer van irreguliere migranten aanzienlijk op te voeren.

Dit voorstel is nauw verbonden met en vormt een aanvulling op ander beleid van de Unie, namelijk:

   het gemeenschappelijk Europees asielstelsel: het opzetten van ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden of gecontroleerde centra, en de versterkte samenwerking met de asielautoriteit van de Europese Unie;

   het beleid inzake extern optreden van de Unie: het Europees Grens- en kustwachtagentschap faciliteert en bevordert de operationele samenwerking tussen de lidstaten en derde landen, en ondersteunt in voorkomend geval derde landen, met zijn verruimde capaciteit, met inbegrip van de mogelijkheid om het permanente korps van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT in derde landen in te zetten, en door de versterkte samenwerking met de autoriteiten van derde landen op het gebied van terugkeer, ook wat de verkrijging van reisdocumenten betreft. De voorgestelde verbeteringen met betrekking tot de uitwisseling van informatie en de samenwerking met derde landen zullen de samenhang van het externe optreden van de EU verder verbeteren.

   Het Europees Grens- en kustwachtagentschap brengt, onder meer door Eurosur, een sterke samenwerking met vele EU-agentschappen op andere beleidsterreinen mee, zoals het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) en het Satellietcentrum van de EU, Europol of het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (EU LISA).

   De Europese grens- en kustwacht zal, met name via Eurosur-componenten, zowel op het niveau van de lidstaten als op EU-niveau een drijvende kracht blijven voor onderzoek en innovatie. De nieuwe Fusion Services van Eurosur zijn een instrument om EU-onderzoeksprojecten in de praktijk te brengen en een concreet resultaat van de ruimtevaartprogramma’s van de EU, zoals Copernicus, maar ook Galileo en GOVSATCOM.

   Dit voorstel is in overeenstemming met het voorstel van de Commissie (COM (2018) 303 final) om de verordening betreffende de oprichting van een Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (ILO) te herzien. De herziening van de ILO-verordening heeft tot doel de coördinatie te verbeteren en het gebruik van immigratieverbindingsfunctionarissen te optimaliseren, met inbegrip van de nieuwe Europese verbindingsfunctionarissen in derde landen, om beter te kunnen inspelen op de migratieprioriteiten van de EU, inclusief het geïntegreerd grensbeheer. Het voorstel zal deze aanpak aanvullen door te zorgen voor goede banden tussen de immigratieverbindingsfunctionarissen en de nationale coördinatiecentra (NCC) en een betere politieke coördinatie van de externe dimensie van de EUROPESE GRENS- EN KUSTWACHT door middel van bilaterale en multilaterale overeenkomsten.

1.4.Duur en financiële gevolgen

 Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur

   Voorstel/initiatief is van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ

   Financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten

 Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur

Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,

gevolgd door een volledige uitvoering.

1.5.Geplande beheersvorm(en) 50  

 Direct beheer door de Commissie

door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;

   door de uitvoerende agentschappen

 Gedeeld beheer met de lidstaten

 Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:

derde landen of de door hen aangewezen organen;

internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);;

de EIB en het Europees Investeringsfonds;

de in de artikelen 208 en 209 van het Financieel Reglement bedoelde organen;

publiekrechtelijke organen;

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;

personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".

2.BEHEERSMAATREGELEN

2.1.Monitoring- en rapportageregels

Vermeld frequentie en voorwaarden.

Voor het Agentschap gelden eisen inzake regelmatige monitoring en rapportage. De raad van bestuur van het Agentschap moet elk jaar een geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap over het voorafgaande jaar goedkeuren en uiterlijk op 1 juli aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer toezenden. Dit verslag wordt openbaar gemaakt. Om de vier jaar voert de Commissie een evaluatie uit in overeenstemming met de evaluatiecriteria van de richtsnoeren van de Commissie, om met name de impact, de doeltreffendheid en de efficiëntie van de activiteiten van het Agentschap en de werkmethoden ervan te beoordelen in het licht van de doelstellingen, het mandaat en de taken van het Agentschap. De evaluatie moet in het bijzonder gericht zijn op de vraag of het mandaat van het Agentschap moet worden gewijzigd en wat de financiële gevolgen van dergelijke wijzigingen zijn.

2.2.Beheers- en controlesysteem

2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie

Via gedeeld beheer voeren lidstaten programma’s uit die bijdragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie. Deze programma’s zijn toegesneden op hun nationale context. Gedeeld beheer waarborgt dat in alle deelnemende staten financiële steun beschikbaar is. Verder maakt gedeeld beheer het mogelijk dat financiering voorspelbaar is en dat lidstaten, die zelf het best op de hoogte zijn van de problemen waarmee zij te kampen hebben, hun toewijzingen dienovereenkomstig op de lange termijn kunnen plannen. Extra financiering voor specifieke acties (acties die gezamenlijke inspanningen van de lidstaten vergen of acties in geval van nieuwe ontwikkelingen in de Unie die vereisen dat een of meer lidstaten de beschikking over aanvullende financiële middelen krijgen) en voor hervestiging- en overdrachtsactiviteiten kan worden uitgevoerd via gedeeld beheer. In geval van een nieuwe ontwikkeling kan het fonds ook noodhulp bieden via gedeeld beheer, naast direct en indirect beheer.

Via direct beheer ondersteunt de Commissie andere acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de Unie. De acties maken ondersteuning op maat mogelijk in geval van dringende en specifieke behoeften in afzonderlijke lidstaten ("noodhulp"), bieden ondersteuning voor transnationale netwerken en activiteiten, hebben betrekking op het beproeven van innovatieve activiteiten die in het kader van nationale programma's zouden kunnen worden opgeschaald en bestrijken studies in het belang van de Unie in haar geheel ("acties van de Unie").

Via indirect beheer houdt het fonds de mogelijkheid om begrotingsuitvoeringstaken voor bijzondere doeleinden onder meer te delegeren aan internationale organisaties en agentschappen op het gebied van binnenlandse zaken.

De betalingsregelingen bij gedeeld beheer zijn omschreven in het voorstel voor de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (hierna GB-verordening), dat voorziet in een jaarlijkse voorfinanciering, gevolgd door een maximum van vier tussentijdse betalingen per programma per jaar, op basis van de betalingsaanvragen die de lidstaten tijdens het boekjaar hebben toegestuurd. Volgens het voorstel voor de GB-verordening wordt de voorfinanciering verrekend in het laatste boekjaar van de programma's. De controlestrategie wordt gebaseerd op het nieuwe Financieel Reglement en op de verordening gemeenschappelijke bepalingen. Het nieuwe Financieel Reglement en de voorgestelde GB-verordening moeten het gebruik uitbreiden van de vereenvoudigde subsidievormen, zoals forfaitaire bedragen, vaste percentages en kosten per eenheid. Er worden ook nieuwe vormen van betalingen geïntroduceerd, die niet gebaseerd zijn op de kosten, maar op de behaalde resultaten. Begunstigden zullen een vast geldbedrag kunnen ontvangen, wanneer zij aantonen dat bepaalde acties hebben plaatsgevonden, zoals opleidingscursussen of het bieden van noodhulp. Dit zal naar verwachting de controlelast op zowel het niveau van de begunstigden als dat van de lidstaat vereenvoudigen (bijvoorbeeld wat betreft de controle van rekeningen en kwitanties voor de kosten).

Wat gedeeld beheer betreft, bouwt het voorstel voor de GB-verordening 51 voort op de bestaande beheers- en controlestrategie voor de programmeringsperiode 2014-2020, maar voert het een aantal maatregelen in om zowel voor de begunstigden als de lidstaten de uitvoering te vereenvoudigen en de controlelast te verminderen.

Nieuwe ontwikkelingen betreffen onder meer: - het schrappen van de aanwijzingsprocedure (wat een snellere uitvoering van de programma's mogelijk moet maken); - beheersverificaties (administratief en ter plaatse), die door de beheersautoriteit op risicobasis moeten worden uitgevoerd (dit tegenover de 100 % administratieve controles die in de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vereist). Voorts kunnen de beheersautoriteiten onder bepaalde voorwaarden evenredige controleregelingen toepassen, in overeenstemming met de nationale procedures; - voorwaarden ter voorkoming van meerdere audits inzake eenzelfde operatie/uitgave. De programma-autoriteiten zullen bij de Commissie tussentijdse betalingsaanvragen indienen op basis van de door de begunstigden verrichte uitgaven. Het voorstel voor de GB-verordening geeft beheersautoriteiten de mogelijkheid beheersverificaties te verrichten op basis van risico en voorziet ook in specifieke controles (bijvoorbeeld controles ter plaatse door de beheersautoriteit en audits van concrete acties/uitgaven door de auditautoriteit) nadat de desbetreffende uitgaven bij de Commissie zijn opgegeven in de tussentijdse betalingsaanvragen. Teneinde het risico te verminderen dat subsidies voor niet-subsidiabele uitgaven moeten worden terugbetaald, stelt de GB-verordening voor de tussentijdse betalingen van de Commissie een maximum van 90 % vast, gelet op het feit dat op dit moment pas een deel van de nationale controles is uitgevoerd. De Commissie zal het resterende saldo uitbetalen na de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen en na ontvangst van het zekerheidspakket van de programma-autoriteiten. Mocht de Commissie of de Europese Rekenkamer na de toezending van het jaarlijkse zekerheidspakket eventueel onregelmatigheden ontdekken, dan kan dat aanleiding zijn voor een netto financiële correctie.

2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico's en het (de) syste(e)m(en) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico's te beperken

Vanwege de hoge migratiedruk aan de buitengrenzen van de Europese Unie moet de Europese grens- en kustwacht worden gevormd bestaande uit de autoriteiten van de lidstaten en het Europees grens- en kustwachtagentschap. Ook moet het Europees Grens- en kustwachtagentschap ruimere bevoegdheden krijgen en moet de werkingssfeer van Eurosur worden uitgebreid.

De personeelsbezetting en de financiële middelen van het Agentschap moeten worden versterkt om te kunnen voldoen aan het verbrede mandaat en de uitgebreidere eisen van de voorgestelde verordening.

De rekeningen van het Agentschap worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Rekenkamer en worden onderworpen aan de kwijtingsprocedure. De Interne Auditdienst van de Commissie zal de audits uitvoeren in samenwerking met de interne controleur van het Agentschap.

Er zal gebruik worden gemaakt van de beheers- en controlesystemen van de verschillende financieringsprogramma's die worden benut (zoals het Fonds voor interne veiligheid).

Gedeeld beheer:

DG HOME had niet te kampen met een groot foutenrisico in zijn uitgavenprogramma's. Dit blijkt uit het feit dat er in de opeenvolgende jaarverslagen van de Rekenkamer geen materiële bevindingen voorkomen. Voorts heeft DG HOME zijn rechtsgrondslag al herzien (Verordening (EU) nr. 2015/378 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1042/2014) voor een betere aanpassing aan het controlekader van de andere fondsen uit hoofde van de verordening gemeenschappelijke bepalingen en het zekerheidsmodel daarvan en om het foutenpercentage in zijn uitgavenprogramma's laag te houden. Dit streven naar aanpassing wordt in het huidige voorstel voortgezet: het controlekader is afgestemd met de andere DG’s die fondsen in gedeeld beheer beheren. Bij gedeeld beheer hebben de algemene risico's met betrekking tot de uitvoering van de huidige programma’s betrekking op de onvoldoende uitvoering van het fonds door de lidstaten en de mogelijke fouten als gevolg van de ingewikkeldheid van de regels en zwakke plekken in de beheers- en controlesystemen. De GB-verordening vereenvoudigt het regelgevende kader door harmonisatie van de regels en de beheers- en controlesystemen van de diverse fondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd. Zij maakt ook naar risico gedifferentieerde controlevereisten mogelijk (bijvoorbeeld beheersverificaties op basis van risico, de mogelijkheid van evenredige controleregelingen op basis van nationale procedures en beperkingen van auditwerkzaamheden wat betreft planning en/of specifieke concrete acties).

Direct/indirect beheer: Blijkens de recente analyse van de belangrijkste oorzaken van de fouten die het meest worden aangetroffen bij controles achteraf, en het type fouten waarom het daarbij gaat, is niet-naleving van de regels hoofdzakelijk het gevolg van slecht financieel beheer van de aan begunstigden toegekende subsidies, het ontbreken of de ontoereikendheid van bewijsstukken, niet-correcte openbare aanbesteding en niet-begrote kosten. Bijgevolg houden de risico’s hoofdzakelijk verband met: – het verzekeren van de kwaliteit van geselecteerde projecten en hun technische uitvoering, onduidelijke of onvolledige richtsnoeren voor begunstigden of onvoldoende toezicht; – het ondoeltreffend of ondoelmatig gebruik van toegekende middelen, zowel bij subsidies (doordat de terugbetaling van de werkelijke subsidiabele kosten complex is en de mogelijkheden om de subsidiabele kosten op papier te controleren beperkt zijn) als bij aanbestedingen (doordat er soms maar weinig dienstverrichters met de nodige gespecialiseerde kennis zijn waardoor het amper mogelijk is om offertes met elkaar te vergelijken); – het vermogen van (vooral) kleinere organisaties om de uitgaven daadwerkelijk te beheersen en de transparantie van de uitgevoerde concrete acties te garanderen; – reputatieschade voor de Commissie wanneer er fraude of criminele activiteiten worden ontdekt; omdat er nogal veel heterogene contractanten en begunstigden zijn, die vaak een eerder kleine organisatiestructuur hebben en elk hun eigen controlesysteem toepassen, kan er slechts gedeeltelijke betrouwbaarheid worden verkregen op grond van de internecontrolesystemen van derden. De meeste van deze risico’s zullen waarschijnlijk kunnen worden verminderd door een betere opzet van de oproepen tot het doen van voorstellen, betere richtsnoeren voor begunstigden, doelgerichtere voorstellen, een beter gebruik van vereenvoudigde kostenopties en wederzijds vertrouwen in audits en beoordelingen, zoals bepaald in het nieuwe Financieel Reglement. De Rekenkamer beoordeelde in 2016 de systemen van DG HOME voor direct beheer (met inbegrip van aanbestedingen) en kwam tot de conclusie dat DG HOME de door het Financieel Reglement voorgeschreven controles ten uitvoer heeft gelegd en dat de evaluatie geen belangrijke tekortkomingen aan het licht bracht. Hetzelfde niveau van toezicht en controles moet in de toekomst worden gehandhaafd.

Direct/indirect beheer: Blijkens de recente analyse van de belangrijkste oorzaken van de fouten die het meest worden aangetroffen bij controles achteraf, en het type fouten waarom het daarbij gaat, is niet-naleving van de regels hoofdzakelijk het gevolg van slecht financieel beheer van de aan begunstigden toegekende subsidies, het ontbreken of de ontoereikendheid van bewijsstukken, niet-correcte openbare aanbesteding en niet-begrote kosten. Bijgevolg houden de risico’s hoofdzakelijk verband met: – het verzekeren van de kwaliteit van geselecteerde projecten en hun technische uitvoering, onduidelijke of onvolledige richtsnoeren voor begunstigden of onvoldoende toezicht; – het ondoeltreffend of ondoelmatig gebruik van toegekende middelen, zowel bij subsidies (doordat de terugbetaling van de werkelijke subsidiabele kosten complex is en de mogelijkheden om de subsidiabele kosten op papier te controleren beperkt zijn) als bij aanbestedingen (doordat er soms maar weinig dienstverrichters met de nodige gespecialiseerde kennis zijn waardoor het amper mogelijk is om offertes met elkaar te vergelijken); – het vermogen van (vooral) kleinere organisaties om de uitgaven daadwerkelijk te beheersen en de transparantie van de uitgevoerde concrete acties te garanderen; – reputatieschade voor de Commissie wanneer er fraude of criminele activiteiten worden ontdekt; omdat er nogal veel heterogene contractanten en begunstigden zijn, die vaak een eerder kleine organisatiestructuur hebben en elk hun eigen controlesysteem toepassen, kan er slechts gedeeltelijke betrouwbaarheid worden verkregen op grond van de internecontrolesystemen van derden. De meeste van deze risico’s zullen waarschijnlijk kunnen worden verminderd door een betere opzet van de oproepen tot het doen van voorstellen, betere richtsnoeren voor begunstigden, doelgerichtere voorstellen, een beter gebruik van vereenvoudigde kostenopties en wederzijds vertrouwen in audits en beoordelingen, zoals bepaald in het nieuwe Financieel Reglement.

De Commissie neemt deel aan het beheer het Europees Grens- en kustwachtagentschap als lid van de raad van bestuur. In 2017 heeft de Commissie, na de herziening van het organigram van DG HOME, haar besluit over de vertegenwoordigers van de Commissie in raden van bestuur herzien en in de meeste gevallen voor een hogere vertegenwoordiging gezorgd via de betrokkenheid van de adjunct-directeuren-generaal.

De operationele eenheden voor bepaalde beleidsterreinen zijn betrokken bij talrijke contacten op operationeel niveau, coördinatievergaderingen, adviezen over jaarlijks werkprogramma, ontwerpbegroting, personeelsbeleid en toezicht op de uitvoering ervan. Contacten op hoger niveau, met name van de directeur-generaal met de uitvoerend directeurs en de voorzitters van de raden van bestuur, vinden het hele jaar door plaats.

DG HOME ziet toe op de begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, vanaf de voorbereiding van de begrotingsprocedure, over de uitvoering van de jaarlijkse EU-bijdrage, tot de indiening van de rekeningen en de kwijtingsprocedure. Toezicht op de uitvoering van de begroting is noodzakelijk, ook om het uitvoeringspercentage te bevorderen en zoveel mogelijk te vermijden dat de betalingskredieten in het laatste kwartaal van het jaar door de agentschappen moeten worden terugbetaald.

Naar aanleiding van de IAS-audit "Coordination and working arrangements with EU decentralized agencies in DG HOME" heeft DG HOME een actieplan voorgesteld om de auditaanbevelingen aan te pakken, vooral met betrekking tot het vergroten van de bekendheid met agentschappen van het personeel van DG HOME, eerdere deelname aan de programmeringsfase van de agentschappen, het versterken van het toezicht op de prestaties van de agentschappen op basis van passende prestatie-indicatoren, het vaststellen van een controlestrategie en het versterken van de bouwstenen van de betrouwbaarheidsverklaring inzake aan de agentschappen gedane betalingen.

2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)

Gedeeld beheer: De kosten van controles zullen naar verwachting voor de lidstaten hetzelfde blijven of eventueel afnemen. Met betrekking tot de huidige programmeringscyclus (2014-2020) worden de cumulatieve kosten van de controle door de lidstaten vanaf 2017 geraamd op ongeveer 5 % van het totale bedrag aan betalingen waarom de lidstaten voor 2017 hebben gevraagd. Dit percentage zal vermoedelijk afnemen door de efficiëntiewinst bij de uitvoering van de programma's en de toename van de betalingen aan de lidstaten. Naar verwachting zullen de controlekosten voor de lidstaten verder afnemen onder invloed van de op risico gebaseerde benadering van beheer en controles die de GB-verordening introduceert, samen met de sterkere prikkel om vereenvoudigde kostenopties vast te stellen.

Direct/indirect beheer: De controlekosten bedragen ongeveer 2,5 % van de door DG HOME verrichte betalingen. Dit percentage zal naar verwachting stabiel blijven of enigszins afnemen wanneer er in de volgende programmeringsperiode ruimer gebruik wordt gemaakt van vereenvoudigde kostenopties.

2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden

Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijv. in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.

Voor het Agentschap

De uitvoerend directeur zal het budget van het Agentschap beheren. Hij/zij zal jaarlijks een gedetailleerd overzicht van alle ontvangsten en uitgaven van het vorige boekjaar aan de Commissie, de raad van bestuur en de Rekenkamer voorleggen. Daarnaast zal de interne auditdienst van de Commissie assistentie verlenen bij het beheer van de financiële transacties van het Agentschap door middel van risicoanalyses, toezicht op de naleving door het verstrekken van onafhankelijke adviezen over de kwaliteit van de beheers- en controlesystemen en door middel van aanbevelingen ter verbetering van de efficiëntie van de activiteiten en om te waarborgen dat zuinig wordt omgesprongen met de middelen van het Agentschap.

Na goedkeuring door de Commissie en de Rekenkamer stelt het Agentschap zijn financieel reglement overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1271/2013 vast. Het Agentschap zal een intern auditsysteem opzetten dat vergelijkbaar is met dat wat door de Commissie is ontwikkeld in het kader van haar eigen herstructurering.

Samenwerking met OLAF

Het onder het statuut van de Commissie vallende personeel zal met het oog op de fraudebestrijding samenwerken met het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF).

Voor de Rekenkamer

De Rekenkamer zal de rekeningen onderzoeken overeenkomstig artikel 248 van het Verdrag en jaarlijks een verslag over de activiteiten van het Agentschap publiceren.

De fraudebestrijdingsmaatregelen die op nationaal en Europees niveau zijn vastgesteld zijn onverkort van toepassing.

Fondsen van DG HOME

Voorkoming en opsporing van fraude is een van de doelstellingen van interne controle, zoals bepaald in het Financieel Reglement, en een belangrijke beheerskwestie, waarvan de Commissie gedurende de gehele uitgavencyclus werk moet maken.

De fraudebestrijdingsstrategie van DG HOME is bovendien hoofdzakelijk gericht op het voorkomen, opsporen of vergoeden van fraude, waarbij onder meer wordt gewaarborgd dat de interne controles die ter bestrijding van fraude worden verricht, volledig in overeenstemming zijn met de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie en dat de aanpak inzake frauderisicobeheer gericht is op het vaststellen van fraudegevoelige gebieden en adequate reacties.

Wat gedeeld beheer betreft, zullen de lidstaten ervoor zorgen dat de uitgaven in de rekeningen die zij bij de Commissie indienen, wettig en regelmatig zijn. In dit verband zullen de lidstaten alle vereiste acties ondernemen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Net als in de huidige programmeringscyclus (2014-2020) zijn de lidstaten verplicht om procedures in te voeren voor het opsporen van onregelmatigheden en ter bestrijding van fraude en om de Commissie onregelmatigheden te melden, met inbegrip van vermoedelijke fraude en bewezen fraude op het gebied van gedeeld beheer. Fraudebestrijdingsmaatregelen zullen een horizontaal beginsel en een verplichting blijven voor de lidstaten.

3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF

3.1.Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven

·Bestaande begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarige financiële kader

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgaven

Bijdrage

Nummer 3 Rubriek "Veiligheid en burgerschap"

GK/NGK 52 .

van EVA-landen 53

van kandidaat-lidstaten 54

van derde landen

in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement

3

18.020101 Fonds voor interne veiligheid – Grenzen en visa

Gespl.

NEE

NEE

JA

NEE

3

18.0203 het Europees Grens- en kustwachtagentschap

Gespl.

NEE

NEE

JA

NEE

·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen

In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.

Rubriek van het meerjarige financiële kader

2021-2027

Begrotingsonderdeel

Soort
uitgaven

Bijdrage

Nummer 4 Rubriek: "Migratie en grensbeheer"

GK/NGK

van EVA-landen

van kandidaat-lidstaten

van derde landen

in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement

4

11.XXYY Instrument voor grensbeheer en visa (BMVI)

Gespl.

NEE

NEE

JA

NEE

4

11.XXYY het Europees Grens- en kustwachtagentschap

Gespl.

NEE

NEE

JA

NEE

3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven

3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven

MFK 014-2020

Rubriek van het huidige meerjarige financiële
kader

3

"Veiligheid en burgerschap"

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

2019

2020 55

TOTAAL 56

Beleidskredieten (ISF –B)

Vastleggingen

(1)

52,500

52,500

Betalingen

(2)

52,500

52,500

Uit het budget van het programma gefinancierde administratieve kredieten 57 (ISF –B)
 

Vastleggingen = betalingen

(3)

 

-

Administratieve en beleidskredieten 58 ( Europees Grens- en kustwachtagentschap))

Vastleggingen

(1)

19,321

558,175

577,496

Betalingen

(2)

19,321

558,175

577,496

TOTAAL kredieten voor het budget van het programma

Vastleggingen

=1+3

19,321

610,675

629,996

Betalingen

=2+3

19,321

610,675

629,996



Rubriek van het meerjarige financiële
kader 2014-2020

5

"Administratieve uitgaven" 59

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar
2019

Jaar
2020

TOTAAL

DG: HOME

• Personele middelen

1,144

1,144

2,288

• Andere administratieve uitgaven

0,080

0,080

0,160

TOTAAL DG Migratie en Binnenlandse Zaken

Kredieten

1,224

1,224

2,448

TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK 5
van het meerjarige financiële kader
 

2014-2020

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

1,224

1,224

2,448

2019

2020

TOTAAL

TOTAAL kredieten
voor alle RUBRIEKEN *
van het huidige meerjarige financiële kader
 

Vastleggingen

20,545

611,899

632,444

Betalingen

20,545

611,899

632,444

*Het bedrag van 52,500 miljoen EUR valt onder het huidige MFK voor het jaar 2020.

MFK 2021-2027

Rubriek van het meerjarige financiële
kader 2021-2027

4

Rubriek: Migratie en grensbeheer

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL 60

Beleidskredieten (BMVI)

Vastleggingen

(1)

70,000

80,000

90,000

100,000

101,000

102,000

104,500

647,500

Betalingen

(2)

70,000

80,000

90,000

100,000

101,000

102,000

104,500

647,500

Uit het budget van het programma gefinancierde administratieve kredieten 61  

Vastleggingen = betalingen

(3)

 

 

 

 

 

 

 

 

Administratieve en beleidskredieten ( Europees Grens- en kustwachtagentschap))

Vastleggingen

(1)

1 188,512

1 347,769

1 546,437

1 649,203

1 799,857

1 851,374

1 886,999

11 270,151

Betalingen

(2)

1 188,512

1 347,769

1 546,437

1 649,203

1 799,857

1 851,374

1 886,999

11 270,151

TOTAAL kredieten voor het budget van het programma

Vastleggingen

=1+3

1 258,512

1 427,769

1 636,437

1 749,203

1 900,857

1 953,374

1 991,499

11 917,651

Betalingen

=2+3

1 258,512

1 427,769

1 636,437

1 749,203

1 900,857

1 953,374

1 991,499

11 917,651



Rubriek van het meerjarige financiële
kader 2021-2027

7

Europees openbaar bestuur

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar
2021

Jaar
2022

Jaar
2023

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

TOTAAL

DG: HOME

• Personele middelen

1,144

1,144

1,144

1,144

1,144

1,144

1,144

8,008

• Andere administratieve uitgaven

0,080

0,080

0,080

0,080

0,080

0,080

0,080

0,560

TOTAAL DG Migratie en Binnenlandse Zaken

Kredieten

1,224

1,224

1,224

1,224

1,224

1,224

1,224

8,568

TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader
2021-2027

(totaal vastleggingen = totaal betalingen)

1,224

1,224

1,224

1,224

1,224

1,224

1,224

8,568

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

TOTAAL kredieten
voor alle RUBRIEKEN **
van het meerjarig financieel kader
2021-2027

Vastleggingen

1 259,736

1 428,993

1 637,661

1 750,427

1 902,081

1 954,598

1 992,723

11 926,219

Betalingen

1 259,736

1 428,993

1 637,661

1 750,427

1 902,081

1 954,598

1 992,723

11 926,219

**Het bedrag van 647,500 miljoen EUR valt onder het volgende MFK voor de jaren 2021-2027 en was gepland in het kader van het BMVI-voorstel van juni 2018.

3.2.2.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de totale begroting van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (met inbegrip van de beleidskredieten en de administratieve kredieten, en rekening houdend met de bijdragen van de met Schengen geassocieerde landen).

in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

 

3.2.3.Geraamde gevolgen voor de personele middelen van het Europees Grens- en kustwachtagentschap 

3.2.3.1.Samenvatting

   Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig

   Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

In COM (2015) 671 is al voorzien in het personeel en in de bijbehorende kosten. Vanaf 2020 zou het aantal personeelsleden constant moeten blijven op het niveau van 1000.

Jaar
2019

Jaar
2020

Jaar
2021

Jaar
2022

Jaar
2023

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Tijdelijke functionarissen (AD-rangen)

242

275

275

275

275

275

275

275

275

Tijdelijke functionarissen (AST-rangen)

242

275

275

275

275

275

275

275

275

Arbeidscontractanten

202

230

230

235

250

234

230

230

230

Gedetacheerde nationale deskundigen

194

220

220

220

220

220

220

220

220

TOTAAL

880

1000

1000

1005

1020

1004

1000

1000

1000

De evolutie van het statutair personeel dat deel uitmaakt van het  permanente korps van de Europese grens- en kustwacht 

Personeelsbehoeften (VTE):

 

Jaar
2019

Jaar
2020

Jaar
2021

Jaar
2022

Jaar
2023

Jaar
2024

Jaar
2025

Jaar
2026

Jaar
2027

Tijdelijke functionarissen (AD-rangen)

188

375

500

500

625

625

750

750

750

Tijdelijke functionarissen (AST-rangen)

187

375

500

500

625

625

750

750

750

Arbeidscontractanten

375

750

1,000

1,000

1,250

1,250

1,500

1,500

1,500

TOTAAL

750

1500

2000

2000

2500

2500

3000

3000

3000

Vermeld de geplande datum van indiensttreding en pas het aantal dienovereenkomstig aan (als de indiensttreding in juli plaatsvindt, wordt slechts rekening gehouden met 50 % van de gemiddelde kosten). Vermeld nadere informatie.

Gedetailleerde personeelsbehoeften:

Het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht zal uit drie categorieën van operationeel personeel bestaan:

het operationele personeel van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht omvat grenswachters, terugkeerbegeleiders, terugkeerspecialisten en andere relevante personeelsleden in dienst van het Europees Grens- en kustwachtagentschap, die door de lidstaten bij het Agentschap worden gedetacheerd of door de lidstaten ter beschikking worden gesteld om voor korte tijd te worden ingezet als lid van grensbeheerteams, ondersteuningsteams voor migratiebeheer of terugkeerteams met uitvoerende bevoegdheden, alsook personeel dat verantwoordelijk is voor de werking van de centrale Etias-eenheid.

Statutair personeel van categorie 1 zal een nieuw type EU-personeel binnen het Agentschap vormen, waaraan uitvoerende bevoegdheden worden toegekend, waaronder het gebruik van geweld, wanneer het deel uitmaakt van teams die vanuit het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden ingezet.

Rekening houdend met het feit dat onmisbare steun nodig is voor de oprichting van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht (aanwerving, dagelijks beheer, operationele planning, enz.), de coördinatie van operaties, de bemanning van steunpunten, de verwerving van uitrusting voor het Agentschap, andere nieuwe taken in verband met de werking van de Europese grens- en kustwacht, met inbegrip van Eurosur, het versterkte mandaat op het gebied van terugkeer en de overname van het FADO, zal naar verwachting 4 % van het totale aantal leden van het permanente korps van het Europees grens- en kustwachtagentschap (4 % van 3 000) kunnen worden gebruikt als "personeel voor operationele ondersteuning" binnen het Agentschap.

Wat het soort posten betreft, bestaat de statutaire personeelsbezetting uit 25 % AD, 25 % AST en 50 % arbeidscontractanten. Deze verdeling weerspiegelt de verwachte verdeling van verschillende profielen, rollen en functies binnen het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht. Er zal met name behoefte zijn aan een aanzienlijk aantal AD-personeelsleden met de nodige vaardigheden, kennis en professionele deskundigheid met betrekking tot het gebruik van de modernste apparatuur, teneinde de eigen apparatuur van het Agentschap te kunnen bedienen (bijvoorbeeld kapiteins en officieren voor de technische bemanning van vliegtuigen en schepen). Er zal ook een aanzienlijk aantal AD-personeelsleden nodig zijn om te zorgen voor plannings- en coördinatiefuncties voor de toegenomen operationele activiteiten van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht, in vergelijking met de huidige activiteiten van het Agentschap. Een aantal AD-personeelsleden zal ook leidinggevende werkzaamheden binnen het statutaire personeel verrichten. Voorts moet het evenwicht tussen de verschillende soorten personeelsleden in de context van de technologische ontwikkeling in overweging worden genomen, waarbij een aantal basistaken inzake grensbeheer zal worden geautomatiseerd, terwijl de complexiteit van het systeem een hoger kwalificatieniveau zal vereisen voor het personeel dat het systeem zal bedienen en onderhouden.

3.2.3.2.Geraamde personeelsbehoeften voor het verantwoordelijke DG

   Voor het voorstel zijn geen personele middelen nodig.

   Voor het voorstel zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:

Raming in voltijdequivalenten

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)

18 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)

8

8

8

8

8

8

8

8

8

XX 01 01 02 (delegaties)

XX 01 05 01 (onderzoek door derden)

10 01 05 01 (eigen onderzoek)

Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE) 62

XX 01 02 01 (AC, END, INT van de "totale financiële middelen")

XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties)

XX 01 04 jj  63

- zetel

- delegaties

XX 01 05 02 (AC, END, INT - onderzoek door derden)

10 01 05 02 (AC, END, SNE – eigen onderzoek)

Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)

TOTAAL

8

8

8

8

8

8

8

8

8

XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.

Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.

Beschrijving van de uit te voeren taken:

Ambtenaren en tijdelijk personeel

8 ambtenaren om de volgende taken uit te voeren:

1) de Commissie vertegenwoordigen in de raad van bestuur van het Agentschap.

2) het advies van de Commissie over het jaarlijkse werkprogramma opstellen en de tenuitvoerlegging van dit programma monitoren

3) op de opstelling van de begroting van het Agentschap toezien en de uitvoering van de begroting monitoren

4) het Agentschap bijstaan bij de ontwikkeling van zijn activiteiten in overeenstemming met het EU-beleid, onder meer door het deelnemen aan bijeenkomsten van deskundigen.

Extern personeel

3.2.4.Bijdragen van derden

Het voorstel/initiatief:

   voorziet niet in medefinanciering door derden

   voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:

Kredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)

Jaar

2019

2020

TOTAAL

Met Schengen geassocieerde landen 64  

21,039

56,523

77,562

TOTAAL medegefinancierde kredieten

21,039

56,523

77,562

Jaar

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

TOTAAL

Met Schengen geassocieerde landen

75,862

86,028

98,709

105,268

114,884

118,173

120,447

719,371

TOTAAL medegefinancierde kredieten

75,862

86,028

98,709

105,268

114,884

118,173

120,447

719,371

3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten

X    Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

   Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:

   voor de eigen middelen

    voor de overige ontvangsten

Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven    

in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)

Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:

Gevolgen van het voorstel/initiatief 65

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Artikel ………….

Vermeld voor de bestemmingsontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.

Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).

(1)    Verordening (EU) 2016/2024 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
(2)    Mededeling: "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018)98).
(3)    Meseberg-verklaring van Duitsland en Frankrijk over de hernieuwing van de Europese beloften inzake veiligheid en welvaart, 19 juni 2018.
(4)    In zijn vijf in 2017 aangenomen voortgangsverslagen over het operationeel maken van de Europese grens- en kustwacht en in het laatste voortgangsverslag over de uitvoering van de Europese migratieagenda.
(5)    Momenteel neemt de raad van bestuur van het Agentschap collectief een besluit over de operationele activiteiten en de mate van inzet van het Agentschap aan de hand van een jaarlijks werkprogramma (tegen december n-1) en het besluit over de minimale hoeveelheid technische uitrusting per artikel voor operaties (tegen juni n-1). Hoewel deze collectieve besluiten vaak tegemoetkomen aan de operationele behoeften van het Agentschap om op te treden, worden deze toezeggingen niet langer nagekomen tijdens de jaarlijkse bilaterale onderhandelingen met het Agentschap (najaar n-1) wanneer de concrete afzonderlijke bijdragen worden toegezegd door de lidstaten.
(6)    Zie de resultaten van de zitting van de JBZ-Raad van 27 en 28 maart 2017, waarin nader wordt ingegaan op de inzet van middelen door de lidstaten, en de resultaten van de zitting van de Raad van 4 en 5 juni 2018, waarin wordt overwogen de steun aan EU-agentschappen, met name het Europees Grens- en kustwachtagentschap, te intensiveren.
(7)    Gegevens beschikbaar in Frontex Application Return.
(8)    Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).
(9)    Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad van 7 oktober 2013 betreffende de instelling van een evaluatiemechanisme voor de controle van en het toezicht op de toepassing van het Schengenacquis en houdende intrekking van het Besluit van 16 september 1998 tot oprichting van de Permanente Schengenbeoordelings- en toepassingscommissie (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 27).
(10)    Mededeling van de Commissie "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020" (COM(2018) 98 final).
(11)    Mededeling van de Commissie "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt Het meerjarig financieel kader 2021-2027" (COM(2018) 321).
(12)    Overeenkomstig artikel 38 van de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht.
(13)    Overeenkomstig artikel 37 van de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht.
(14)    Zoals omschreven in artikel 16 van de verordening betreffende de Europese grens- en kustwacht.
(15)    PB C van , blz. .
(16)    PB C van , blz. .
(17)    Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1).
(18)    Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).
(19)    Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17).
(20)    Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad van 7 oktober 2013 betreffende de instelling van een evaluatie- en toezichtsmechanisme voor de controle van de toepassing van het Schengenacquis en tot intrekking van het Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 september 1998 tot oprichting van een Permanente Schengenbeoordelings- en toepassingscommissie (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 27).
(21)    Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).
(22)    Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).
(23)    Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(24)    Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(25)    PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(26)    Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(27)    Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(28)    PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
(29)    Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).
(30)    PB L 188 van 20.7.2007, blz. 19.
(31)    PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
(32)    Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).
(33)    PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.
(34)    Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).
(35)    PB L 243 van 16.9.2010, blz. 4.
(36)    Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).
(37)    Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).
(38)    Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1).
(39)    Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).
(40)    Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).
(41)    Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).
(42)    Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(43)    Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 143).
(44)    PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 15).
(45)    Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).
(46)    Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).
(47)    Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).
(48)    Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(49)    In de zin van artikel 54, lid 2, onder a) of b), van het Financieel Reglement.
(50)    Nadere gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html
(51)    COM(2018)375 final.
(52)    GK = gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten.
(53)    EVA: Europese Vrijhandelsassociatie.
(54)    Kandidaat-lidstaten en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke Balkan.
(55)    Voor de periode 2019-2020 blijkt uit het financieel memorandum het effect van het nieuwe mandaat, exclusief wat reeds was gepland in het kader van het bestaande mandaat.
(56)    Het bedrag van 52,500 miljoen EUR valt onder het huidige MFK voor het jaar 2020 en vereist geen verdere verhoging.
(57)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(58)    Hoewel de template betrekking heeft op beleidskredieten, lijkt het voor het krijgen van een volledig beeld van de gevolgen van de operationele activiteiten in het geval van agentschappen passender om naast de beleidskredieten (titel 3) ook de corresponderende administratieve kredieten (titels 1 en 2) mee te tellen.
(59)    Hoewel de template betrekking heeft op beleidskredieten, lijkt het voor het krijgen van een volledig beeld van de gevolgen van de operationele activiteiten in het geval van agentschappen passender om naast de beleidskredieten (titel 3) ook de corresponderende administratieve kredieten (titels 1 en 2) mee te tellen. Deze omvat alleen de EU-bijdrage (94 %), terwijl voor DG HOME de financiering (100 %) in aanmerking werd genomen, aangezien de details van de bijdrage van de met Schengen geassocieerde landen later zal worden bekeken.
(60)    **Het bedrag van 647,500 miljoen EUR valt onder het volgende MFK voor de jaren 2021-2027 en was gepland in het kader van het BMVI-voorstel van juni 2018.
(61)    Technische en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen), onderzoek door derden, eigen onderzoek.
(62)    AC = Agent Contractuel (arbeidscontractant); AL = Agent Local (plaatselijk functionaris); END = Expert National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JED= Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige in delegaties).
(63)    Subplafond voor extern personeel uit beleidskredieten (vroegere "BA"-onderdelen).
(64)    De bijdrage van de met Schengen geassocieerde landen wordt jaarlijks door Frontex berekend op basis van de hoogte van de EU-bijdrage en de bbp-ratio van deze landen. Deze bedraagt circa 6 % van de totale begroting van het Agentschap. De bijdrage wordt door het Agentschap geïncasseerd.
(65)    Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 20 % aan inningskosten.
Top

Brussel, 12.9.2018

COM(2018) 631 final

BIJLAGEN

bij de

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 98/700/JBZ van de Raad, Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad


BIJLAGE I

Samenstelling van het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht per jaar en categorie overeenkomstig artikel XX

Categorie Jaar

Categorie 1 Personeel van het Agentschap

Categorie 2

Operationeel personeel voor langetermijndetachering

Categorie 3

Operationeel personeel dat korte tijd wordt ingezet

Totaal voor het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht

2020

1 500

1 500

7 000

10 000

2021

2 000

2 000

6 000

10 000

2022

2 000

2 000

6 000

10 000

2023

2 500

2 500

5 000

10 000

2024

2 500

2 500

5 000

10 000

2025

3 000

3 000

4 000

10 000

2026

3 000

3 000

4 000

10 000

2027

3 000

3 000

4 000

10 000

BIJLAGE II

Lijst van taken die moeten worden uitgevoerd door statutaire personeelsleden van het Agentschap als teamleden die vanuit het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht worden ingezet en waarvoor uitvoerende bevoegdheden nodig zijn

1.verifiëren van de identiteit en de nationaliteit van personen, met inbegrip van het raadplegen van relevante EU- en nationale databanken;

2.toestaan van toegang bij grenscontroles aan de grensdoorlaatposten (als de in artikel 6 van de Schengengrenscode vermelde toegangsvoorwaarden zijn vervuld);

3.weigeren van toegang bij grenscontroles aan de grensdoorlaatposten overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode;

4.afstempelen van reisdocumenten overeenkomstig artikel 11 van de Schengengrenscode;

5.afgeven of weigeren van visa aan de grens overeenkomstig artikel 35 van de Visumcode, en invoeren van de relevante gegevens in het VIS;

6.de grenzen bewaken, met inbegrip van patrouilles tussen grensdoorlaatposten, om onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en maatregelen te nemen tegen personen die de grens illegaal hebben overschreden, met inbegrip van onderschepping/aanhouding;

7.registreren van vingerafdrukken van personen die zijn aangehouden in verband met illegale buitengrensoverschrijding (categorie 2) in Eurodac overeenkomstig hoofdstuk III van de Eurodac-verordening;

8.contacten leggen met derde landen met het oog op de identificatie van en de verkrijging van reisdocumenten voor onderdanen van derde landen die moeten terugkeren;

9.begeleiden van onderdanen van derde landen die gedwongen moeten terugkeren.

BIJLAGE III

Tabel met de jaarlijkse bijdragen van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht via langetermijndetachering van operationeel personeel overeenkomstig artikel 57

Land / Jaar

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

België

30

40

40

50

50

60

60

60

Bulgarije

40

53

53

67

67

80

80

80

Tsjechië

20

27

27

33

33

40

40

40

Denemarken

29

39

39

48

48

58

58

58

Duitsland

225

298

298

377

377

450

450

450

Estland

18

24

24

30

30

36

36

36

Griekenland

50

67

67

83

83

100

100

100

Spanje

111

148

148

185

185

222

222

222

Frankrijk

170

225

225

285

285

340

340

340

Kroatië

65

87

87

108

108

130

130

130

Italië

125

167

167

208

208

250

250

250

Cyprus

8

11

11

13

13

16

16

16

Letland

30

40

40

50

50

60

60

60

Litouwen

39

52

52

65

65

78

78

78

Luxemburg

8

11

11

13

13

16

16

16

Hongarije

65

87

87

108

108

130

130

130

Malta

6

8

8

10

10

12

12

12

Nederland

50

67

67

83

83

100

100

100

Oostenrijk

34

45

45

57

57

68

68

68

Polen

100

133

133

167

167

200

200

200

Portugal

47

63

63

78

78

94

94

94

Roemenië

75

100

100

125

125

150

150

150

Slovenië

35

47

47

58

58

70

70

70

Slowakije

35

47

47

58

58

70

70

70

Finland

30

40

40

50

50

60

60

60

Zweden

17

23

23

28

28

34

34

34

[Zwitserland]

16

21

21

27

27

32

32

32

[IJsland]

2

3

3

3

3

4

4

4

[Liechtenstein]*

0

0

0

0

0

0

0

0

[Noorwegen]

20

27

27

33

33

40

40

40

TOTAAL

1 500

2 000

2 000

2 500

2 500

3 000

3 000

3 000

(*) Liechtenstein zal een evenredige bijdrage leveren in de vorm van financiële ondersteuning.

BIJLAGE IV

Jaarlijkse bijdragen van de lidstaten aan het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht voor het korte tijd inzetten van operationeel personeel overeenkomstig artikel 58

Land / Jaar

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

België

140

120

120

100

100

80

80

80

Bulgarije

187

160

160

133

133

107

107

107

Tsjechië

93

80

80

67

67

53

53

53

Denemarken

135

116

116

97

97

77

77

77

Duitsland

1052

900

900

748

748

602

602

602

Estland

84

72

72

60

60

48

48

48

Griekenland

233

200

200

167

167

133

133

133

Spanje

518

444

444

370

370

296

296

296

Frankrijk

795

680

680

565

565

455

455

455

Kroatië

303

260

260

217

217

173

173

173

Italië

583

500

500

417

417

333

333

333

Cyprus

37

32

32

27

27

21

21

21

Letland

140

120

120

100

100

80

80

80

Litouwen

182

156

156

130

130

104

104

104

Luxemburg

37

32

32

27

27

21

21

21

Hongarije

303

260

260

217

217

173

173

173

Malta

28

24

24

20

20

16

16

16

Nederland

233

200

200

167

167

133

133

133

Oostenrijk

159

136

136

113

113

91

91

91

Polen

467

400

400

333

333

267

267

267

Portugal

219

188

188

157

157

125

125

125

Roemenië

350

300

300

250

250

200

200

200

Slovenië

163

140

140

117

117

93

93

93

Slowakije

163

140

140

117

117

93

93

93

Finland

140

120

120

100

100

80

80

80

Zweden

79

68

68

57

57

45

45

45

[Zwitserland]

75

64

64

53

53

43

43

43

[IJsland]

9

8

8

7

7

5

5

5

[Liechtenstein]*

0

0

0

0

0

0

0

0

[Noorwegen]

93

80

80

67

67

53

53

53

TOTAAL

7 000

6 000

6 000

5 000

5 000

4 000

4 000

4 000

(*) Liechtenstein zal een evenredige bijdrage leveren in de vorm van financiële ondersteuning.

BIJLAGE V

Regels betreffende het gebruik van geweld, met inbegrip van de levering, de controle en het gebruik van vuurwapens en niet-dodelijke uitrusting, en de opleiding daarover, die van toepassing zijn op de statutaire personeelsleden van het Agentschap wanneer zij optreden als teamleden die worden ingezet vanuit het permanente korps van de Europese grens- en kustwacht

1. Algemene beginselen inzake het gebruik van geweld en wapens

Voor de toepassing van deze verordening wordt met "gebruik van geweld" bedoeld dat het statutaire operationele personeel van het Agentschap een beroep mag doen op fysieke middelen om zijn taken uit te voeren of zichzelf te verdedigen, onder meer door gebruik te maken van de handen en het lichaam, instrumenten, wapens of uitrusting, en vuurwapens.

Het gebruik van geweld en wapens door leden van de teams die worden ingezet vanuit het statutaire personeel van het Agentschap moet voldoen aan de hieronder beschreven beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid en voorzorg (de "kernbeginselen").

Beginsel van noodzakelijkheid

Het gebruik van geweld, hetzij via rechtstreeks fysiek contact, hetzij door gebruik te maken van wapens of uitrusting, dient uitzonderlijk te zijn en is alleen toegestaan wanneer dat strikt noodzakelijk is voor de vervulling van de taken van het Agentschap of uit zelfverdediging. Geweld mag alleen als laatste redmiddel worden gebruikt, nadat alle redelijke inspanningen zijn geleverd om een situatie op te lossen met gebruikmaking van geweldloze middelen, zoals overreding, onderhandeling of bemiddeling. Het gebruik van geweld of het uitoefenen van dwang mag nooit willekeurig of onrechtmatig zijn.

Evenredigheidsbeginsel

Wanneer het rechtmatige gebruik van geweld of vuurwapens onvermijdelijk is, dient het optreden van de statutaire operationele personeelsleden van het Agentschap in verhouding te staan tot de ernst van het laakbaar gedrag en het te bereiken legitieme doel. Tijdens de operationele activiteiten moet het evenredigheidsbeginsel zowel de aard van het gebruikte geweld (bv. de noodzaak om wapens te gebruiken) als de omvang ervan sturen. Het statutair operationeel personeel van het Agentschap mag niet meer geweld gebruiken dan strikt noodzakelijk is om het legitieme doel van rechtshandhaving te verwezenlijken. Indien een vuurwapen wordt gebruikt, dient het statutair operationeel personeel van het Agentschap erop toe te zien dat dit gebruik zo weinig mogelijk verwondingen veroorzaakt, en letsel of schade tot een minimum beperkt. Op grond van dit beginsel moet het Agentschap zijn statutair personeel de uitrusting en zelfverdedigingsinstrumenten verschaffen die het nodig heeft om het gepaste niveau van geweld te gebruiken.

Het voorzorgbeginsel

De operationele activiteiten van het statutair operationeel personeel van het Agentschap dienen het menselijk leven ten volle te eerbiedigen en in stand te houden. Alle nodige maatregelen dienen te worden genomen om het risico van verwondingen en schade tijdens operaties tot een minimum te beperken. Deze verplichting omvat een algemene verplichting voor het statutair operationeel personeel van het Agentschap om duidelijke waarschuwingen te geven over de intentie om geweld te gebruiken, tenzij een dergelijke waarschuwing de leden van de teams onnodig in gevaar zou brengen, voor anderen een risico op overlijden of ernstige schade zou meebrengen, of in de specifieke omstandigheden duidelijk ongeschikt of ondoeltreffend zou zijn.

2.Praktische regels voor het gebruik van geweld, dienstwapens, munitie en uitrusting

Algemene praktische regels voor het gebruik van geweld, wapens en andere uitrusting

Overeenkomstig artikel 83, lid 3, oefenen de statutaire operationele personeelsleden van het Agentschap hun uitvoerende bevoegdheden, inclusief die om geweld te gebruiken, uit onder het bevel en de controle van de ontvangende lidstaat, en mogen zij alleen geweld, met inbegrip van wapens, munitie en uitrusting, gebruiken na toestemming van de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat en in aanwezigheid van de grenswachters van de ontvangende lidstaat. Niettemin kunnen de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat, met de instemming van het Agentschap, het statutair operationeel personeel van het Agentschap machtigen om geweld te gebruiken in afwezigheid van functionarissen van de ontvangende lidstaat.

Het gebruik van geweld en wapens door het statutair operationeel personeel van het Agentschap dient:

(a)in overeenstemming te zijn met de gedragscode van het Agentschap;

(b)de grondrechten te eerbiedigen, zoals die worden gewaarborgd door het internationaal recht en het recht van de Unie, waaronder met name het Handvest van de grondrechten, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de Grondbeginselen van de Verenigde Naties voor het gebruik van geweld en vuurwapens door politiefunctionarissen van 1990 en de VN-gedragscode voor wetshandhavers van 1979;

(c)in overeen