EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52015PC0636

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

COM/2015/0636 final - 2015/0289 (COD)

Brussel, 10.12.2015

COM(2015) 636 final

2015/0289(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

{SWD(2015) 276 final}
{SWD(2015) 279 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) heeft betrekking op de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en het beheer van de visserijen en vloten die deze rijkdommen exploiteren. Het omvat zowel visserijactiviteiten in de wateren van de Unie als visserijactiviteiten die buiten de wateren van de Unie door vissersvaartuigen van de Unie worden verricht.

Verordening (EG) nr. 1006/2008 1 (de verordening betreffende vismachtigingen) heeft betrekking op machtigingen van vaartuigen van de Unie om visserijactiviteiten te verrichten buiten de wateren van de Unie en op machtigingen die worden verleend aan vissersvaartuigen van derde landen om hun activiteiten in de wateren van de Unie te verrichten. Samen met de controleverordening 2 en de IOO-verordening 3 is ze een van de drie uitvoerende pijlers van het GLB.

De hervorming van het GVB is vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1380/2013 4 (de "basisverordening"). Deze verordening bevordert met name een duurzame, ecosysteemgerichte voorzorgsbenadering van het visserijbeheer en beklemtoont de samenhang tussen de interne en externe dimensie van het GVB. Visserijactiviteiten van de Unie buiten de wateren van de Unie moeten op dezelfde beginselen en normen berusten als die welke krachtens het Unierecht van toepassing zijn in het gebied van het GVB. De Unie moet in staat zijn haar vloot te monitoren, ongeacht waar hij actief is en binnen welk kader. De huidige verordening betreffende vismachtigingen moet worden herzien om naar behoren rekening te houden met de doelstellingen van het nieuwe GVB en voor samenhang met de controleverordening te zorgen.

De Commissie heeft in 2011 in haar mededeling inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid 5 een herziening van de verordening betreffende vismachtigingen voorgesteld als een integrerend onderdeel van de GVB-hervorming. Deze werd gesteund door een in 2012 aangenomen resolutie van het Europees Parlement 6 .

De herziening van de verordening betreffende vismachtigingen is een REFIT-initiatief ter verduidelijking en vereenvoudiging van de bestaande bepalingen, met name wat betreft verantwoordelijkheden op uniaal en nationaal niveau en op het niveau van de markdeelnemer, waarmee tevens wordt beoogd de verordening betreffende vismachtigingen in overeenstemming te brengen met de controleverordening.

Ook verscheidene internationale ontwikkelingen vergroten de noodzaak van een herziening. De Unie heeft het in 2001 aangenomen internationale actieplan van de FAO om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (IAP-IOO) 7 , bekrachtigd. Het IAP-IOO en de in 2014 bekrachtigde vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat 8 liggen ten grondslag aan de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat om de instandhouding en het duurzame gebruik van levende mariene rijkdommen en mariene ecosystemen op lange termijn te waarborgen. In de vrijwillige richtsnoeren wordt ervoor gepleit dat de vlaggenstaat een machtigingsstelstel opzet om te waarborgen dat een vaartuig geen activiteiten mag verrichten tenzij het daartoe is gemachtigd. Tevens wordt erin aanbevolen dat de vlaggenstaat en de kuststaat een machtiging verlenen wanneer de visserijactiviteiten plaatsvinden in het kader van een overeenkomst inzake toegang tot visserij of zelfs buiten het kader van een dergelijke overeenkomst 9 . Tot slot heeft het Internationaal Hof voor het recht van de zee (Itlos) in april 2015 zijn advies over IOO-kwesties binnen de exclusieve economische zones (EEZ's) van de leden van de Subregionale Visserijcommissie uitgebracht. Het Itlos is van oordeel dat de verantwoordelijkheid van een vlaggenstaat om binnen de EEZ's van kuststaten IOO-visserijactiviteiten te voorkomen en/of te bestrijden een "zorgvuldigheidsverplichting" is. Het Itlos benadrukt dat de Unie, en niet de lidstaten, aansprakelijk is voor elke inbreuk op de overeenkomsten inzake toegang tot visserij die zij met kuststaten heeft.

Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

De verordening betreffende vismachtigingen is een van de operationele delen van het externe beleid van het GVB zoals vastgelegd in deel VI van Verordening (EU) nr. 1380/2013 (de "basisverordening"). Tevens vormt zij een aanvulling op de controleverordening en op de bijbehorende Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie 10 , die van toepassing zijn op alle onder het GVB vallende activiteiten die in de wateren van de Unie of door vissersvaartuigen van de Unie worden verricht. De verordening betreffende vismachtigingen heeft betrekking op machtigingen van vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie en op machtigingen van vissersvaartuigen van derde landen in wateren van de Unie. De verordening betreffende vismachtigingen heeft dus betrekking op machtiging, terwijl de controleverordening en de uitvoeringsverordening daarvan, controle en handhaving betreffen. Met dit voorstel wordt beoogd de verordening betreffende vismachtingen in lijn te brengen met de controleverordening, zodat de laatstgenoemde van overeenkomstige toepassing is op controle- en rapportageaspecten. Aangezien de verordening betreffende vismachtigingen erop gericht is de Unie in staat te stellen haar externe vloot beter te monitoren, zal zij actief bijdragen tot de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij.

Samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie

Volgens de basisverordening dient de Unie "de beleidssamenhang van haar initiatieven, in het bijzonder wat betreft de activiteiten op het gebied van milieu, handel en ontwikkeling [te verbeteren], en [...] de samenhang van acties in het kader van ontwikkelingssamenwerking en wetenschappelijke, technische en economische samenwerking [te versterken]" 11 . Doordat de verordening betreffende vismachtigingen de doelstellingen van het GVB extern bevordert, met name de duurzaamheid van de activiteiten van de externe vloot van de Unie, strookt zij volledig met het milieu- en ontwikkelingsbeleid van de Unie.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Het voorstel is gebaseerd op artikel 43, lid 2, van het VWEU inzake de vaststelling van de bepalingen die nodig zijn om de doelstellingen van het GVB na te streven.

Subsidiariteit

Het voorstel betreft het beheer van machtigingen van de vloot van de Unie buiten de wateren van de Unie en van vaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie wanneer zij visserijactiviteiten verrichten. Het past dan ook in het kader van de externe dimensie van de instandhouding van mariene biologische rijkdommen op grond van het GVB, wat een exclusieve bevoegdheid van de Unie is, en bijgevolg is het subsidiariteisbeginsel in dit verband niet van toepassing.

Evenredigheid

Het voorstel is gericht op de versterking van de capaciteit van de EU om toezicht te houden op haar vloot, ongeacht het kader waarbinnen hij actief is. Het houdt rekening met de noodzaak om het juiste evenwicht te vinden tussen meer controle van de vloot van de Unie en het beperken van de werklast voor de nationale overheden en de EU. Zoals blijkt uit de effectbeoordeling, zou dit het bestaande systeem helpen vereenvoudigen. De verwachte voordelen wegen duidelijk op tegen de inspanningen die ermee gepaard gaan, met name wat het gunstige effect op het beheer van de visbestanden betreft. In dit opzicht zijn de voorgestelde bepalingen beperkt tot hetgeen noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstelling, en brengen zij geen buitensporige lasten mee.•Keuze van het instrument

Een verordening is rechtstreeks toepasselijk en verbindend voor de lidstaten – zij moet bijdragen tot de uniforme toepassing van de voorgestelde regels in de gehele Unie, waardoor een gelijk speelveld tot stand komt voor alle marktdeelnemers van de EU die betrokken zijn bij visserijactiviteiten buiten de wateren van de EU.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving

Niet van toepassing.

Raadpleging van belanghebbenden

Tijdens het effectbeoordelingsproces is een openbare raadpleging gehouden op basis van een raadplegingsdocument en een specifieke vragenlijst. Daarna volgde een reeks technische vergaderingen met de meest belanghebbende lidstaten, d.w.z. de lidstaten met de grootste externe vloten. Voorts is een buitengewone vergadering van de regionale adviesraad – verre-zee-RAR – gehouden, samengesteld uit vertegenwoordigers van de visserijsector en ngo's, om de herziening van de verordening betreffende vismachtigingen te bespreken.

Dit overleg gaf de Commissie een beter inzicht in de wijze waarop het huidige systeem voor het beheer van de externe vloot op nationaal niveau functioneert, en was behulpzaam bij het nader uitwerken van het onderhavige voorstel. Alle groepen belanghebbenden, waaronder de lidstaten, scheepseigenaren en ngo’s, hebben hun mening kunnen geven en hebben hun duidelijke steun voor de doelstelling van het voorstel uitgesproken.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Niet van toepassing.

Effectbeoordeling

Naast het wetgevingsvoorstel is een effectbeoordeling opgesteld om mogelijke alternatieve opties in beschouwing te nemen, en het effect daarvan te beoordelen en te vergelijken. Er zijn verscheidene beleidsopties overwogen:

Optie 1: behelst een beperkte wijziging van de bestaande verordening om ze aan te passen aan de bepalingen van het Verdrag van Lissabon.

Optie 2: behelst, in aanvulling op optie 1, de ontwikkeling van richtsnoeren voor de uitlegging van bepalingen die niet duidelijk of precies genoeg zijn. Deze optie zou echter geen rekening houden met een aantal doelstellingen van de basisverordening.

Optie 3: houdt in dat de verordening louter wordt gewijzigd om tekortkomingen, onzekerheden en lacunes in de bestaande wetgeving te verhelpen. Deze optie zou het evenwel niet mogelijk maken bepaalde kwesties aan te pakken, bijvoorbeeld de regulering van rechtstreekse machtigingen en de voorkoming van onrechtmatige omvlagging.

Optie 4: houdt de vaststelling in van een nieuwe verordening die een ruimer toepassingsgebied heeft, dat criteria voor de overlegging van rechtstreekse machtigingen omvat, en die ook bepalingen ter voorkoming van gevallen van onrechtmatige omvlagging zou bevatten.

Optie 5: zou rechtszekerheid combineren met een breder toepassingsgebied, en aldus leiden tot een volledig kader ter regulering van de activiteit van de externe vloot van de EU in vreemde wateren. Daarom is deze optie aangemerkt als de meest doeltreffende optie om de beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, rechtszekerheid te waarborgen en bij te dragen aan de internationale geloofwaardigheid van de Unie. Zij zou de milieuvoordelen die verband houden met de bescherming van de levende rijkdommen van de zee optimaliseren en opwegen tegen mogelijke aanpassingskosten voor marktdeelnemers en overheden op de korte termijn. Vanuit sociaal oogpunt kunnen alle opties als neutraal worden beschouwd.

Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

De herziening van de verordening betreffende vismachtigingen past in het kader van het REFIT-programma aangezien ze erop gericht is het huidige systeem te vereenvoudigen, de verscheidene gegevensvereisten van de lidstaten te harmoniseren, de verantwoordelijkheden op uniaal en nationaal niveau en op het niveau van de marktdeelnemers te verduidelijken en de samenhang tussen de verordening betreffende vismachtigingen, de controleverordening en de IOO-verordening te versterken.

Verduidelijking en vereenvoudiging van de regels moet de verwerking van machtigingsaanvragen stroomlijnen en verbeteren, de marktdeelnemers meer zekerheid bieden en overlapping tussen betrokken actoren elimineren. Dit moet bijdragen tot de verbetering van het regelgevend kader waarbinnen de externe vloot actief is en tegelijk de controle door overheidsinstanties versterken.

Het voorstel moet worden ondersteund door passende IT-instrumenten om de verwerking en de monitoring van vismachtigingen te vereenvoudigen en de elektronische uitwisseling van gegevens tussen nationale overheden en de Commissie aan te moedigen. Het zal ook de transparantie vergroten door een register inzake vismachtigingen (met een openbaar en een beveiligd gedeelte) aan te leggen waardoor alle belanghebbenden toegang kunnen krijgen tot informatie over de activiteiten van de externe vloot, met inachtneming van de regels inzake de verwerking van persoonsgegevens.

De betrokken vloot bestaat grotendeels uit industriële vissersvaartuigen die buiten de EU-wateren vissen. De eigenaren van deze vaartuigen bezitten doorgaans een vloot die uit verscheidene vaartuigen bestaat en zouden slechts in een beperkt aantal gevallen aan de criteria van de kmo-definitie voldoen. Op grond daarvan en aangezien er geen sprake is van extra kosten voor particuliere marktdeelnemers, bevat het voorstel geen bepaling inzake specifieke maatregelen voor micro-ondernemingen of kmo's. Voorts heeft het voorstel geen negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen van de marktdeelnemers van de EU of voor de internationale handel.

Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Niet van toepassing.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplannen en monitoring , evaluatie en rapportageregelingen

De Commissie stelt voor een groep met deskundigen van de nationale overheden op te richten om de uitvoering van de verordening te monitoren en vijf jaar na de inwerkingtreding ervan een evaluatie van het dan vigerende systeem beschikbaar te stellen.•Verklarende documenten (voor richtlijnen)

Niet van toepassing.

Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

Titel I – De verordening is van toepassing op alle visserijactiviteiten die door vaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie worden verricht. Het kan dus gaan om activiteiten die worden verricht in het kader van een overeenkomst inzake toegang of in het kader van rechtstreekse machtiging door het derde land, en/of onder auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer, of op volle zee. De verordening is ook van toepassing op vaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie actief zijn. Artikel 2 is bedoeld ter verduidelijking van de verhouding tot andere regels inzake machtigingen, die uit bilaterale overeenkomsten kunnen voortvloeien of door de regionale organisaties voor visserijbeheer kunnen zijn uitgevaardigd. Deze moeten als bijzondere regels worden beschouwd, terwijl de onderhavige verordening het algemene kader vormt. In geval van tegenspraak moeten de bijzondere regels prevaleren.

Titel II – Hoofdstuk I bevat het grondbeginsel van de verordening – dat elk vaartuig door zijn vlaggenlidstaat moet worden gemachtigd alvorens buiten de wateren van de Unie visserijactiviteiten te verrichten, en door de kuststaat wanneer de activiteiten in diens wateren plaatsvinden. Deze machtiging mag in elke omstandigheid slechts door de vlaggenstaat worden verleend indien aan de criteria in artikel 5 is voldaan. De verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat is van cruciaal belang in dit verband. Een specifieke bepaling inzake omvlagging laat de vlaggenlidstaat toe beter te bepalen wanneer de omvlagging wijst op opzettelijke niet-naleving, die moet uitsluiten dat de machtiging wordt verleend.

Titel II – Hoofdstuk II bevat de aanvullende voorwaarden waaraan de vaartuigen van de Unie moeten voldoen om te vissen in de wateren van derde landen, hetzij in het kader van een overeenkomst inzake toegang of een rechtstreekse machtiging. Een centraal element is het verbod om te vissen in het kader van een rechtstreekse machtiging wanneer een overeenkomst inzake toegang van kracht is, tenzij anders is bepaald in de zogeheten exclusiviteitsclausule daarvan, die dit beginsel in de overeenkomsten belichaamt. Het beginsel dat aan deze titel ten grondslag ligt, is dat de Unie moet waarborgen dat de activiteiten van haar externe vloot de duurzaamheid van de levende mariene rijkdommen in de wateren van kuststaten niet ondermijnen. In het geval van een rechtstreekse machtiging moet de vlaggenlidstaat bij de machtiging van zijn vaartuigen het beste beschikbare wetenschappelijke advies en een voorzorgsbenadering volgen. De Commissie ontvangt alle relevante informatie en kan interveniëren indien zij betwijfelt of de geplande visserijactiviteit met de verordening in overeenstemming is.

Titel II – Hoofdstuk III legt het proces vast voor het verrichten van visserijactiviteiten onder auspiciën van een ROVB of op volle zee. De Commissie kan interveniëren indien zij van oordeel is dat de criteria niet zijn vervuld. Aangezien het verdragsgebied van sommige ROVB's ook wateren van de Unie omvat, is het trouwens redelijk dat vaartuigen van de Unie onder auspiciën van zulke ROVB's binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

Titel II – Hoofdstuk V legt basisregels inzake chartering vast, hetgeen een specifieke vorm van rechtstreekse machtiging is en tot dusverre moeilijk was te monitoren. De belangrijkste doelstelling is te voorzien in een wettelijk kader voor deze praktijk teneinde vaartuigen van de Unie die vissen in het kader van een charterovereenkomst beter te kunnen monitoren en onze wetgeving in overeenstemming te brengen met de regels die bepaalde ROVB's in dit verband hebben aangenomen.

Titel II – Hoofdstuk VI betreft de toepassing van de controleverordening op de activiteiten van de externe vloot van de Unie en daarmee verband houdende verplichtingen op het gebied van rapportage, alsook enkele specifieke verplichtingen in verband met het externe karakter van de activiteiten.

Titel III stelt de regels vast voor de machtiging van visserijactiviteiten door vaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie. Bedoeling van dit deel is ervoor te zorgen dat visserijactiviteiten die plaatsvinden in de wateren van de Unie, ongeacht de vlag van het betrokken vaartuig, aan dezelfde regels onderworpen zijn, en de totstandkoming van een gelijk speelveld te bevorderen voor marktdeelnemers van de Unie en marktdeelnemers van derde landen in de wateren van de Unie.

Titel IV betreft het aanleggen van een register inzake vismachtigingen om de externe vloot van de Unie beter te monitoren en, daar het om een gedeeltelijk openbaar register gaat, de transparantie van deze activiteiten te vergroten. Mensen moeten te allen tijde kunnen weten welk vaartuig is gemachtigd om waar en op welke bestanden te vissen.

2015/0289 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 12 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 13 ,

Gezien het advies van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming 14 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Bij Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad 15 ("de verordening betreffende vismachtigingen") is een systeem vastgesteld inzake machtigingen voor visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de wateren van de Unie.

(2)De Unie is een partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 16 (Unclos) en heeft de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden van 4 augustus 1995 (de VN-overeenkomst inzake visbestanden) 17 geratificeerd. Deze internationale bepalingen gaan uit van het beginsel dat alle staten passende maatregelen voor een duurzaam beheer van de rijkdommen van de zee moeten vaststellen en daartoe met elkaar moeten samenwerken.

(3)De Unie heeft de van 24 november 1993 daterende Overeenkomst van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (FAO-Nalevingsovereenkomst) 18 , aanvaard. Deze overeenkomst bepaalt dat een verdragsluitende partij geen toestemming mag geven om een vaartuig te gebruiken voor de visserij op volle zee indien niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan, en sancties moet opleggen indien bepaalde rapportageverplichtingen niet worden nagekomen.

(4)De Unie heeft het in 2001 aangenomen internationale actieplan van de FAO om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (IAP-IOO), bekrachtigd. Het IAP-IOO en de in 2014 bekrachtigde vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat liggen ten grondslag aan de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat om de instandhouding en het duurzame gebruik van levende mariene rijkdommen en mariene ecosystemen op lange termijn te waarborgen. In het IAP-IOO is bepaald dat een vlaggenstaat aan vaartuigen die zijn vlag voeren, machtigingen moet afgeven om visserijactiviteiten te verrichten in wateren die buiten zijn soevereiniteit of jurisdictie vallen. In de vrijwillige richtsnoeren wordt ook aanbevolen dat de vlaggenstaat en de kuststaat een machtiging verlenen wanneer de visserijactiviteiten in het kader van een overeenkomst inzake toegang tot visserij of zelfs buiten het kader van een dergelijke overeenkomst plaatsvinden. Zij moeten er beide van overtuigd zijn dat zulke activiteiten de duurzaamheid van de bestanden in de wateren van de kuststaat niet zullen ondermijnen (paragrafen 40 en 41).

(5)Op internationaal niveau gaat de aandacht in toenemende mate uit naar de kwestie van de verplichtingen en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden van de vlaggenstaat en, in voorkomend geval, de als vlaggenstaat optredende internationale organisatie, met betrekking tot de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de volle zee in het kader van Unclos. Dat was ook het geval met de afbakening van de jurisdictie van kuststaten, vlaggenstaten en, in voorkomend geval, als vlaggenstaat optredende internationale organisaties, in het kader van een uit Unclos voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichting om de deugdelijke instandhouding van mariene biologische rijkdommen in onder nationale jurisdictie vallende zeegebieden te verzekeren. Een zorgvuldigheidsverplichting is een verplichting voor een staat om al het mogelijke te doen om illegale visserij te voorkomen, onder meer door bestuursrechtelijke en handhavingsmaatregelen vast te stellen die ervoor moeten zorgen dat noch de onder zijn vlag varende vissersvaartuigen, noch zijn onderdanen, noch de vissersvaartuigen die actief zijn in zijn wateren, betrokken zijn bij activiteiten die een inbreuk vormen op de geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen. Om deze redenen is het belangrijk om zowel de activiteiten van de vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie als het desbetreffende governancesysteem zo te organiseren dat de internationale verplichtingen van de Unie doelmatig en doeltreffend kunnen worden nagekomen en dat situaties worden voorkomen waarin de Unie handelingen kunnen worden verweten die in strijd zijn met het internationaal recht.

(6)De resultaten van de in 2012 gehouden conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling "Rio +20" 19 alsook de internationale ontwikkelingen in de strijd tegen de illegale handel in wilde dieren moeten in het externe visserijbeleid van de Unie worden weerspiegeld.

(7)Het doel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (de "basisverordening") 20 , is ervoor te zorgen dat visserijactiviteiten ecologisch, economisch en sociaal duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, en dat ze bijdragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden.

(8)In Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt de noodzaak benadrukt om de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid op internationaal niveau te bevorderen door ervoor te zorgen dat de visserijactiviteiten van de Unie buiten de wateren van de Unie gebaseerd zijn op dezelfde beginselen en normen als krachtens het toepasselijke Unierecht en door daarbij gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers uit de Unie en de marktdeelnemers uit derde landen te stimuleren.

(9)Met Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad werd beoogd een gemeenschappelijke basis te leggen voor de machtiging van visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie, teneinde de strijd tegen IOO-visserij te ondersteunen en de EU-vloot wereldwijd beter te controleren en te monitoren.

(10)Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad 21 inzake IOO-visserij is parallel met Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad vastgesteld en een jaar later is Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (de "controleverordening") 22 vastgesteld. Deze verordeningen zijn de drie uitvoerende pijlers van de controle- en handhavingsbepalingen van het GVB.

(11)Deze drie verordeningen zijn echter niet op consistente wijze ten uitvoer gelegd; er waren met name inconsistenties tussen de verordening betreffende vismachtigingen en de controleverordening, die na de verordening betreffende vismachtigingen is aangenomen. De uitvoering van de verordening betreffende vismachtigingen legde ook verscheidene lacunes bloot, aangezien bepaalde uitdagingen op het gebied van controle niet aan bod kwamen, zoals chartering, omvlagging en vismachtigingen die door de bevoegde autoriteit van een derde land aan een vissersvaartuig van de Unie worden afgegeven buiten het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij ("rechtstreekse machtigingen"). Daarnaast zijn bepaalde rapportageverplichtingen en de verdeling van de administratieve taken tussen de lidstaten en de Commissie problematisch gebleken.

(12)Het grondbeginsel van de huidige verordening is dat elk vaartuig van de Unie dat buiten de wateren van de Unie vist, daartoe door zijn vlaggenlidstaat moet worden gemachtigd en dienovereenkomstig moet worden gemonitord, ongeacht waar het actief is en binnen welk kader. De afgifte van een machtiging moet afhankelijk zijn van de vervulling van een basisreeks gemeenschappelijke machtigingscriteria. De door de lidstaten vergaarde en aan de Commissie verstrekte informatie moet het de Commissie mogelijk maken te allen tijde in elk gebied buiten de wateren van de Unie te interveniëren in de monitoring van de visserijactiviteiten van alle vaartuigen van de Unie.

(13)Ondersteuningsvaartuigen kunnen een aanzienlijke impact hebben op de wijze waarop vissersvaartuigen in staat zijn hun visserijactiviteiten te verrichten en op de hoeveelheid vis die zij kunnen vangen; daarom moeten de machtigings- en rapportageprocedures in deze verordening rekening houden met ondersteuningsvaartuigen.

(14)Omvlagging is problematisch wanneer ze is bedoeld om GVB-regels of bestaande instandhoudings- en beheersmaatregelen te omzeilen. De Unie moet daarom zulke omvlaggingspraktijken kunnen definiëren, opsporen en tegengaan. Gedurende de gehele levensduur van het vaartuig moeten traceerbaarheid en een goede follow-up van de antecedenten van het vaartuig op het gebied van naleving worden gewaarborgd. Ook het vereiste dat door de Internationale Maritieme Organisatie een uniek vaartuignummer wordt toegekend, moet daartoe strekken.

(15)Vaartuigen van de Unie mogen activiteiten verrichten in de wateren van derde landen hetzij overeenkomstig de bepalingen van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij tussen de Unie en derde landen, hetzij door van derde landen rechtstreekse vismachtigingen te verkrijgen indien er geen dergelijke partnerschapsovereenkomst van kracht is. In beide gevallen moeten deze activiteiten op een transparante en duurzame wijze worden verricht. Daarom moeten de vlaggenlidstaten de bevoegdheid krijgen om, op grond van een welomschreven reeks criteria en op voorwaarde dat er monitoring plaatsvindt, de onder hun vlag varende vaartuigen het recht te geven rechtstreekse machtigingen aan te vragen bij en te verkrijgen van derde kuststaten. Er moet een machtiging voor een visserijactiviteit worden verleend zodra de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat die visserijactiviteit de duurzaamheid niet zal ondermijnen. Tenzij de Commissie verdere bezwaren heeft, moet de marktdeelnemer aan wie de machtiging van zowel de vlaggenlidstaat als de kuststaat is verleend, worden toegestaan zijn visserijactiviteit aan te vangen.

(16)Een specifieke kwestie met betrekking tot partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij is het opnieuw toewijzen van onvolledig benutte vangstmogelijkheden waarvan sprake is wanneer de bij de desbetreffende Raadsverordeningen aan de lidstaten toegewezen vangstmogelijkheden niet volledig zijn benut. Aangezien de in de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij vastgestelde toegangskosten voor een groot deel uit de begroting van de Unie worden gefinancierd, is een systeem voor het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden belangrijk om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren en te waarborgen dat vangstmogelijkheden waarvoor is betaald, niet worden verspild. Daarom is het noodzakelijk het systeem voor het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden, dat een laatste redmiddel moet zijn, te verduidelijken en te verbeteren. De toepassing ervan moet tijdelijk zijn en mag niet van invloed zijn op de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan de lidstaten. Vangstmogelijkheden mogen pas opnieuw worden toegewezen wanneer de betrokken lidstaten afstand hebben gedaan van hun recht om onderling vangstmogelijkheden uit te wisselen.

(17)Ook voor visserijactiviteiten onder auspiciën van regionale organisaties voor visserijbeheer en op volle zee moet door de vlaggenlidstaat een machtiging worden verleend en geldt dat zij in overeenstemming moeten zijn met de specifieke regels van de regionale organisatie voor visserijbeheer of de Uniewetgeving inzake visserijactiviteiten op volle zee.

(18)Charterovereenkomsten kunnen de doeltreffendheid van instandhoudings- en beheersmaatregelen ondermijnen en een negatief effect op de duurzame exploitatie van levende mariene rijkdommen hebben. Daarom is het noodzakelijk een juridisch kader op te zetten dat de Unie helpt de activiteiten van gecharterde vissersvaartuigen van de Unie beter te monitoren op basis van hetgeen door de betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer is vastgesteld.

(19)De procedures moeten transparant en voorspelbaar zijn voor marktdeelnemers van de Unie en van derde landen, alsmede voor hun respectieve bevoegde autoriteiten.

(20)Zoals is vastgesteld in de controleverordening moet worden voorzien in de elektronische uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten en de Commissie. De lidstaten moeten alle vereiste gegevens over hun vloten en de door die vloten verrichte visserijactiviteiten verzamelen, ze beheren en ze ter beschikking van de Commissie stellen. Voorts moeten zij waar nodig met elkaar, met de Commissie en met derde landen samenwerken om deze activiteiten op het gebied van gegevensvergaring te coördineren.

(21)Met het oog op het verbeteren van de transparantie en de toegankelijkheid van informatie over vismachtigingen van de Unie, moet de Commissie een elektronisch register inzake vismachtigingen aanleggen dat zowel een openbaar als een beveiligd deel omvat. De informatie in het Unieregister inzake vismachtigingen omvat persoonsgegevens. De verwerking van de persoonsgegevens op basis van deze verordening dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad 23 , Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad 24 en de toepasselijke nationale wetgeving. 

(22)Met het oog op een adequate benadering van de toegang tot de wateren van de Unie door vaartuigen die de vlag van een derde land voeren, moeten de desbetreffende regels consistent zijn met die welke gelden voor vaartuigen van de Unie, overeenkomstig de controleverordening. Met name moet artikel 33 van die verordening inzake de rapportage van vangsten en vangstgerelateerde gegevens ook van toepassing zijn op vissersvaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie vissen.

(23)Vissersvaartuigen van derde landen zonder machtiging uit hoofde van deze verordening moeten, wanneer zij in de wateren van de Unie varen, worden verplicht te waarborgen dat hun vistuig op zodanige wijze is opgeborgen dat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.

(24)De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de controle van de visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie en, in het geval van inbreuken, voor de registratie daarvan in het in artikel 93 van de controleverordening bedoelde nationale register van inbreuken.

(25)Met het oog op de vereenvoudiging van de machtigingsprocedures moet door de lidstaten en de Commissie een gemeenschappelijk systeem voor gegevensuitwisseling en gegevensopslag worden gebruikt om noodzakelijke informatie en actualiseringen te verstrekken en tegelijk de administratieve lasten tot een minimum te beperken. In dit verband moet ten volle worden gebruikgemaakt van de gegevens in het vlootregister van de Unie.

(26)Teneinde rekening te houden met de technologische vooruitgang, en mogelijke nieuwe internationaalrechtelijke vereisten die daaruit volgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanneming van wijzigingen van de bijlagen bij de onderhavige verordening waarin de lijst is vastgelegd van informatie die een marktdeelnemer moet verstrekken met het oog op het verkrijgen van een vismachtiging. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(27)Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om uniforme voorwaarden te waarborgen voor het uitvoeren van de bepalingen van deze verordening wat betreft de registratie, het formaat en de verzending van gegevens met betrekking tot vismachtigingen van de lidstaten aan de Commissie en naar het Unieregister inzake vismachtigingen, alsook om een methode vast te stellen voor het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 25 .

(28)De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(29)Gezien het aantal aan te brengen wijzigingen en het belang ervan, dient Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Onderwerp

Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de afgifte en het beheer van vismachtigingen voor:

(a)vissersvaartuigen van de Unie in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land vallen, onder auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer, in of buiten wateren van de Unie, of op volle zee; en

(b)vissersvaartuigen van derde landen die actief zijn in de wateren van de Unie.

Artikel 2
Verhouding tot het internationaal recht en het recht van de Unie

Deze verordening geldt onverminderd de bepalingen:

(a)in partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij en soortgelijke visserijovereenkomsten tussen de Unie en derde landen;

(b)die zijn aangenomen door regionale organisaties voor visserijbeheer of soortgelijke visserijorganisaties waarbij de Unie een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij is;

(c)in wetgeving van de Unie ter uitvoering of ter omzetting van de onder a) en b) bedoelde bepalingen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Daarnaast wordt verstaan onder:

(a)"ondersteuningsvaartuig": een vaartuig dat niet is uitgerust met operationeel vistuig en dat visserijactiviteiten faciliteert, begeleidt of voorbereidt;

(b)"vismachtiging": een machtiging die wordt afgegeven voor een vissersvaartuig van de Unie of een vissersvaartuig van een derde land en die dit vaartuig het recht geeft om onder bepaalde voorwaarden tijdens een bepaalde periode, in een bepaald gebied of binnen een bepaalde visserij visserijactiviteiten te verrichten;

(c)"register inzake vismachtigingen": het systeem voor het beheer van vismachtigingen en de bijbehorende databank;

(d)"rechtstreekse machtiging": een vismachtiging die buiten het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij door een bevoegde autoriteit van een derde land wordt afgegeven aan een vissersvaartuig van de Unie;

(e)"wateren van derde landen": wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een derde land;

(f)"waarnemersprogramma": een regeling onder auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer waarbij waarnemers onder bepaalde voorwaarden aan boord van vissersvaartuigen verifiëren of het vaartuig aan de door die organisatie vastgestelde voorschriften voldoet.

TITEL II
VISSERIJACTIVITEITEN VAN VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE BUITEN DE WATEREN VAN DE UNIE

HOOFDSTUK I
Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 4
Algemeen beginsel

Onverminderd het vereiste om een machtiging van de bevoegde organisatie of het derde land te verkrijgen, mag een vissersvaartuig van de Unie geen visserijactiviteiten verrichten buiten de wateren van de Unie, tenzij het een vismachtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen.

Artikel 5
Machtigingscriteria

1.Een vlaggenlidstaat mag slechts een vismachtiging voor visserijactiviteiten buiten de wateren van de Unie afgegeven indien:

(a)hij volledige en accurate informatie heeft ontvangen, overeenkomstig de bijlagen 1 en 2, over het vissersvaartuig en het (de) bijbehorende ondersteuneningsvaartuig(en), met inbegrip van niet-uniale ondersteuningsvaartuigen.

(b)het vissersvaartuig beschikt over een geldige visvergunning uit hoofde van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

(c)het vissersvaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig een IMO-nummer hebben;

(d)de marktdeelnemer en het vissersvaartuig in de 12 maanden vóór de aanvraag van de vismachtiging niet krachtens artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad zijn onderworpen aan een sanctie voor een ernstige inbreuk overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat;

(e)het vissersvaartuig niet is opgenomen op een door een regionale organisatie voor visserijbeheer en/of de Unie krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad vastgestelde lijst van IOO-vaartuigen;

(f)in voorkomend geval, in het kader van de betrokken visserijovereenkomst of de desbetreffende bepalingen van de regionale organisatie voor visserijbeheer vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor de vlaggenlidstaat; en

(g)in voorkomend geval, het vissersvaartuig voldoet aan de in artikel 6 vastgestelde vereisten.

2.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen 1 en 2.

Artikel 6
Omvlagging

1.Dit artikel is van toepassing op vaartuigen die binnen vijf jaar vanaf de datum van de aanvraag voor een vismachtiging:

(a)uit het vissersvlootregister van de Unie zijn geschrapt en naar een derde land zijn omgevlagd; en

(b)binnen 24 maanden na de datum van de schrapping opnieuw in het vissersvlootregister van de Unie zijn opgenomen.

2.Een vlaggenlidstaat mag slechts een vismachtiging afgeven indien hij ervan overtuigd is dat gedurende de periode dat het in lid 1 bedoelde vaartuig actief was onder de vlag van een derde land:

(a)het geen IOO-visserijactiviteiten heeft bedreven; en

(b)het niet actief was in de wateren van een land dat overeenkomstig de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad als een niet-meewerkend derde land is geïdentificeerd.

3.Hiertoe verstrekt een marktdeelnemer alle door de vlaggenlidstaat verlangde informatie met betrekking tot de desbetreffende periode, waaronder ten minste het volgende:

(a)een aangifte van de vangsten en de visserijinspanningen gedurende de desbetreffende periode;

(b)een kopie van de door de vlaggenstaat voor de desbetreffende periode afgegeven vismachtiging;

(c)een kopie van de vismachtiging(en) op grond waarvan gedurende de desbetreffende periode visserijactiviteiten in de wateren van derde landen zijn toegestaan;

(d)een officiële verklaring van het derde land waar het vaartuig is omgevlagd waarin de sancties waaraan het vaartuig of de marktdeelnemer gedurende de desbetreffende periode onderworpen was, zijn opgesomd.

4.Een vlaggenlidstaat geeft geen vismachtiging af aan een vaartuig dat is omgevlagd:

(a)in een derde land dat krachtens de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad is aangemerkt als een land dat niet meewerkt bij de bestrijding van IOO-visserij of is opgenomen op de lijst van niet-meewerkende derde landen; of

(b)in een derde land dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1026/2012 26 is aangemerkt als een land dat niet-duurzame visserij toelaat.

5.Lid 4 is niet van toepassing indien de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat, zodra het land is aangemerkt als een land dat niet meewerkt bij de bestrijding van IOO-visserij of als een land dat niet-duurzame visserij toelaat, de marktdeelnemer:

(a)de visserijactiviteiten heeft stopgezet; en

(b)de desbetreffende administratieve procedures om het vaartuig uit het vissersvlootregister van het derde land te schrappen, heeft opgestart.

Artikel 7    
Monitoring van vismachtigingen

1.Bij de aanvraag van een vismachtiging verstrekt de marktdeelnemer de vlaggenlidstaat volledige en accurate gegevens.

2.De marktdeelnemer stelt de vlaggenlidstaat onverwijld in kennis van elke wijziging van de desbetreffende gegevens.

3.Een vlaggenlidstaat monitort of de voorwaarden op grond waarvan een vismachtiging is afgegeven, vervuld blijven tijdens de geldigheidsduur van die machtiging.

4.Indien een voorwaarde op grond waarvan een vismachtiging is afgegeven, niet langer is vervuld, wijzigt een vlaggenlidstaat de machtiging of trekt hij ze en stelt hij de marktdeelnemer en de Commissie daarvan in kennis.

5.Op verzoek van de Commissie wordt een machtiging door de vlaggenlidstaat geweigerd, geschorst of ingetrokken in gevallen van doorslaggevende beleidsoverwegingen met betrekking tot de duurzame exploitatie, het duurzame beheer en de duurzame instandhouding van mariene biologische rijkdommen of de voorkoming of beteugeling van illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij, of in gevallen waarin de Unie heeft besloten de betrekkingen met het betrokken derde land te schorsen of te verbreken.

6.Indien een vlaggenlidstaat de machtiging niet weigert, aanpast, schorst of intrekt overeenkomstig de leden 4 en 5, kan de Commissie besluiten de machtiging in te trekken en de vlaggenlidstaat en de marktdeelnemer daarvan in kennis te stellen.

HOOFDSTUK II

Visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van derde landen

Afdeling 1
Visserijactiviteiten in het kader van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij

Artikel 8
ROVB-lidmaatschap

Een vissersvaartuig van de Unie mag enkel visserijactiviteiten in de wateren van een derde land op door een ROVB beheerde bestanden verrichten indien dat land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij bij die ROVB is.

Artikel 9
Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op visserijactiviteiten die door vissersvaartuigen van de Unie in de wateren van een derde land worden verricht in het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij.

Artikel 10
Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten in de wateren van een derde land in het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij verrichten tenzij het een vismachtiging heeft ontvangen:

(a)    van zijn vlaggenlidstaat; en

(b)    van het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de activiteiten plaatsvinden.

Artikel 11
Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen in het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij afgeven indien:

(a)de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

(b)de in de desbetreffende partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij vastgestelde voorwaarden worden nageleefd;

(c)de marktdeelnemer alle in de afgelopen 12 maanden door de bevoegde autoriteit van het derde land gevorderde vergoedingen en financiële sancties heeft betaald.

Artikel 12
Beheer van vismachtigingen

1.Zodra een vlaggenlidstaat een vismachtiging heeft afgegeven, zendt hij de Commissie de desbetreffende aanvraag voor de machtiging van het derde land toe.

2.De in lid 1 bedoelde aanvraag bevat de in de bijlagen 1 en 2 opgenomen informatie, samen met alle andere in het kader van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij vereiste gegevens.

3.Ten minste 10 kalenderdagen vóór de in de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij vastgestelde datum voor de verzending van aanvragen zendt de vlaggenlidstaat de aanvraag aan de Commissie toe. De Commissie kan de vlaggenlidstaat verzoeken om alle aanvullende informatie die zij noodzakelijk acht.

4.Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat de voorwaarden van artikel 11 zijn vervuld, zendt zij de aanvraag aan het derde land toe.

5.Indien een derde land de Commissie ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een vismachtiging voor een vissersvaartuig van de Unie af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat daarvan in kennis.

Artikel 13
Het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden in het kader van partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij

1.Gedurende een bepaald jaar of een andere relevante uitvoeringsperiode van een protocol bij een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij kan de Commissie vaststellen dat er vangstmogelijkheden onbenut zijn gebleven en de lidstaten die over de desbetreffende aandelen van de toewijzing beschikken, daarvan in kennis stellen.

2.Binnen 10 dagen na ontvangst van deze informatie van de Commissie kunnen de in lid 1 bedoelde lidstaten:

(a)de Commissie meedelen dat zij hun vangstmogelijkheden later in het jaar of in de relevante uitvoeringsperiode zullen gebruiken, door een visserijplan te verstrekken met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode; of

(b)de Commissie in kennis stellen van uitwisselingen van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.Indien bepaalde lidstaten de Commissie niet op de hoogte hebben gebracht van een van de in lid 2 bedoelde maatregelen en, indien er als gevolg daarvan vangstmogelijkheden onbenut blijven, kan de Commissie een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de beschikbare onbenutte vangstmogelijkheden bekendmaken onder de andere lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken.

4.Binnen 10 dagen na ontvangst van deze oproep tot het indienen van blijken van belangstelling kunnen deze lidstaten hun belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden aan de Commissie kenbaar maken. Ter ondersteuning van hun verzoek verstrekken zij een visserijplan met gedetailleerde informatie over het aantal aangevraagde vismachtigingen, de geraamde vangsten, de visserijzone en de visserijperiode.

5.Indien dit nodig wordt geacht voor de beoordeling van het verzoek, kan de Commissie de betrokken lidstaten om aanvullende informatie vragen.

6.Indien de lidstaten die over een aandeel van de toewijzing beschikken, geen belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden hebben, kan de Commissie een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling bekendmaken die voor alle lidstaten openstaat. Een lidstaat kan zijn belangstelling voor de onbenutte vangstmogelijkheden kenbaar maken onder de in lid 4 bedoelde voorwaarden.

7.Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig lid 4 of lid 5 verstrekte informatie wijst de Commissie de onbenutte vangstmogelijkheden op tijdelijke basis opnieuw toe door de in artikel 14 vastgestelde methode toe te passen.

Artikel 14
Methode voor het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden

1.De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen een methode voor het opnieuw toewijzen van onbenutte vangstmogelijkheden vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met de beperkte tijd die overblijft om de onbenutte vangstmogelijkheden te gebruiken, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 45, lid 3, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. Die handelingen blijven voor een termijn van ten hoogste zes maanden van kracht.

3.Bij de vaststelling van de methode voor het opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden hanteert de Commissie de volgende criteria:

(a)de vangstmogelijkheden die beschikbaar zijn om opnieuw te worden toegewezen;

(b)het aantal verzoekende lidstaten;

(c)het bij de initiële toewijzing van vangstmogelijkheden aan elke verzoekende lidstaat toegewezen aandeel;

(d)de historische vangst- en inspanningsniveaus van elke verzoekende lidstaat;

(e)het aantal, het type en de kenmerken van de vaartuigen en het gebruikte vistuig;

(f)de consistentie van het door de verzoekende lidstaten verstrekte visserijplan met de in de punten a) tot en met e) vermelde elementen.

Artikel 15
Toewijzing van een jaarlijks quotum uitgesplitst in verscheidene opeenvolgende vangstbeperkingen

1.Wanneer in het protocol bij een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij maandelijkse of driemaandelijkse vangstbeperkingen of andere onderverdelingen van een jaarlijks quotum zijn vastgesteld, kan de Commissie een uitvoeringshandeling aannemen tot vaststelling van een methode om maandelijks, driemaandelijks of voor een andere periode, de overeenkomstige vangstmogelijkheden over de lidstaten te verdelen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.De in lid 1 bedoelde toewijzing van vangstmogelijkheden dient in overeenstemming te zijn met de in het kader van de desbetreffende verordening van de Raad aan de lidstaten toegewezen jaarlijkse vangstmogelijkheden.

Afdeling 2    
Visserijactiviteiten in het kader van rechtstreekse machtigingen

Artikel 16
Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op visserijactiviteiten die door vissersvaartuigen van de Unie buiten het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij in de wateren van een derde land worden verricht.

Artikel 17
Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten in de wateren van een derde land buiten het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij verrichten tenzij het een vismachtiging heeft ontvangen:

(a)van zijn vlaggenlidstaat; en

(b)    van het derde land met soevereiniteit of jurisdictie over de wateren waar de activiteiten plaatsvinden.

Artikel 18
Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten in de wateren van derde landen buiten het kader van een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij afgeven indien:

(a)er geen partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij met het betrokken derde land van kracht is of de van kracht zijnde partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij uitdrukkelijk in de mogelijkheid van rechtstreekse machtigingen voorziet;

(b)de in artikel 5 vastgestelde machtigingscriteria zijn vervuld;

(c)de marktdeelnemer elk van de volgende elementen heeft verstrekt:

een schriftelijke bevestiging van het derde land, naar aanleiding van de besprekingen tussen de marktdeelnemer en het derde land, van de voorwaarden voor de voorgenomen rechtstreekse machtiging om de marktdeelnemer toegang tot zijn visbestanden te geven, met inbegrip van de duur, voorwaarden en vangstmogelijkheden uitgedrukt als inspannings- of vangstbeperkingen;

bewijs van de duurzaamheid van de geplande visserijactiviteiten, op basis van:

een door het derde land en/of door een regionale organisatie voor visserijbeheer verstrekte wetenschappelijke evaluatie; en

een onderzoek van deze evaluatie door de vlaggenlidstaat op basis van de beoordeling van zijn nationaal wetenschappelijk instituut;

een kopie van de visserijwetgeving van het derde land;

een officieel rekeningnummer bij een overheidsbank dat voor de betaling van alle vergoedingen is aangewezen; en

(d)in het geval dat de visserijactiviteiten worden verricht op een door een regionale organisatie voor visserijbeheer beheerde soort, het derde land een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij bij die organisatie is.


Artikel 19
Beheer van rechtstreekse vismachtigingen

1.Zodra een vlaggenlidstaat een vismachtiging heeft afgegeven, zendt hij de in de bijlagen 1 en 2, en in artikel 18 vermelde relevante informatie aan de Commissie toe.

2.Indien de Commissie binnen vijftien kalender na de verzending van de in lid 1 bedoelde informatie niet om nadere informatie of motivering heeft verzocht, stelt de vlaggenlidstaat de marktdeelnemer ervan in kennis dat hij de visserijactiviteiten in kwestie mag aanvangen, op voorwaarde dat hij ook de rechtstreekse machtiging van het derde land heeft ontvangen.

3.Indien de Commissie, na het in lid 2 bedoelde verzoek om nadere informatie of motivering, oordeelt dat niet aan de voorwaarden van artikel 18 is voldaan, kan zij binnen twee maanden na de ontvangst van de gevraagde informatie of motivering, bezwaar tegen de verlening van de vismachtiging aantekenen.

4.Indien een derde land de Commissie ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een rechtstreekse machtiging voor een vissersvaartuig van de Unie af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat daarvan in kennis.

5.Indien een derde land de vlaggenlidstaat ervan in kennis stelt dat het heeft besloten een rechtstreekse machtiging voor een vissersvaartuig van de Unie af te geven, te weigeren, te schorsen of in te trekken, stelt de vlaggenlidstaat de Commissie daarvan in kennis.

6.Een marktdeelnemer verstrekt aan de vlaggenlidstaat een kopie van de tussen hem en het derde land overeengekomen definitieve voorwaarden, met inbegrip van een kopie van de rechtstreekse machtiging.

Hoofdstuk III
Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie onder auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer

Artikel 20
Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op visserijactiviteiten die worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie op bestanden onder auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer, in wateren van de Unie, op volle zee en in de wateren van derde landen.

Artikel 21
Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten op door een regionale organisatie voor visserijbeheer beheerde bestanden, tenzij:

(a)het een vismachtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen;

(b)het in het desbetreffende register of de desbetreffende lijst van de regionale organisatie voor visserijbeheer is opgenomen; en

(c)wanneer de visserijactiviteiten in de wateren van derde landen worden verricht: het een vismachtiging van het betrokken derde land heeft ontvangen overeenkomstig hoofdstuk II.

Artikel 22
Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging afgegeven indien:

(a) de machtigingscriteria in artikel 5 zijn vervuld;

(b) de door de regionale organisatie voor visserijbeheer vastgestelde regels of de Uniewetgeving ter omzetting daarvan worden nageleefd; en

(c)wanneer de visserijactiviteiten in de wateren van derde landen worden verricht: de in artikel 11 of artikel 18 vastgestelde criteria zijn vervuld.

Artikel 23
Registratie door regionale organisaties voor visserijbeheer

1.Een vlaggenlidstaat zendt de Commissie de lijst (lijsten) toe van de vaartuigen die hij heeft gemachtigd tot het verrichten van visserijactiviteiten onder auspiciën van een regionale organisatie voor visserijbeheer.

2.De in lid 1 bedoelde lijst (lijsten) wordt (worden) opgesteld overeenkomstig de vereisten van de regionale organisatie voor visserijbeheer en gaat (gaan) vergezeld van de informatie in de bijlagen 1 en 2.

3.De Commissie kan de vlaggenlidstaat verzoeken om alle aanvullende informatie die zij nodig acht.

4.Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat aan de voorwaarden in artikel 22 is voldaan, zendt zij de lijst (lijsten) van gemachtigde vaartuigen toe aan de regionale organisatie voor visserijbeheer.

5.Indien het register of de lijst van de regionale organisatie voor visserijbeheer niet openbaar is, stelt de Commissie de vlaggenlidstaat in kennis van de vaartuigen die erin zijn opgenomen.

Hoofdstuk IV
Visserijactiviteiten door vissersvaartuigen van de Unie op volle zee

Artikel 24
Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de visserijactiviteiten die op volle zee worden verricht door vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van meer dan 24 meter.

Artikel 25
Vismachtigingen

Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten op volle zee, tenzij:

(a)het een vismachtiging van zijn vlaggenlidstaat heeft ontvangen; en

(b)de Commissie overeenkomstig artikel 27 van de vismachtiging in kennis is gesteld.

Artikel 26
Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen door de vlaggenlidstaten

Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging voor visserijactiviteiten op volle zee afgegeven indien de machtigingscriteria in artikel 5 zijn vervuld.

Artikel 27
Kennisgeving aan de Commissie

Een vlaggenlidstaat stelt de Commissie uiterlijk 15 kalenderdagen vóór de aanvang van de geplande visserijactiviteiten op volle zee in kennis van de vismachtiging, en verstrekt daarbij de informatie in de bijlagen 1 en 2.

Hoofdstuk V
Charteren van vissersvaartuigen van de Unie

Artikel 28
Beginselen

1.Een vissersvaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten in het kader van charterovereenkomsten wanneer er een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij van kracht is, tenzij in die overeenkomst anders is bepaald.

2.Een vaartuig van de Unie mag geen visserijactiviteiten verrichten in het kader van meer dan een charterovereenkomst tegelijk en mag geen subchartering verrichten.

3.Een gecharterd vaartuig van de Unie mag niet de vangstmogelijkheden van zijn vlaggenlidstaat gebruiken. De vangsten van een gecharterd vaartuig worden in mindering gebracht op de vangstmogelijkheden van de charterende staat.

Artikel 29
Beheer van vismachtigingen in het kader van een charterovereenkomst

Bij de afgifte van een vismachtiging voor een vaartuig overeenkomstig artikel 11, 18, 22 of 26, en wanneer de betrokken visserijactiviteiten worden verricht in het kader van een charterovereenkomst, verifiëren de lidstaten dat:

(a)de bevoegde autoriteit van de charterende staat officieel heeft bevestigd dat de overeenkomst in overeenstemming is met de nationale wetgeving; en

(b)de charterovereenkomst in de vismachtiging wordt vermeld.

Hoofdstuk VI
Controle- en rapportageverplichtingen

Artikel 30
Waanemersprogrammagegevens

Indien aan boord van een vissersvaartuig van de Unie gegevens worden verzameld in het kader van een waarnemersprogramma, zendt de marktdeelnemer van dat vaartuig die gegevens toe aan zijn vlaggenlidstaat.

Artikel 31
Toezending van informatie aan derde landen

1.Bij de verrichting van visserijactiviteiten in het kader van deze titel, en indien de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij met het derde land daarin voorziet, zendt een marktdeelnemer van een vissersvaartuig van de Unie de relevante vangstaangiften en aanlandingsaangiften toe aan het derde land, en zendt hij zijn vlaggenlidstaat een kopie van dat bericht toe.

2.De vlaggenlidstaat beoordeelt de consistentie van de aan het derde land toegezonden gegevens, als bedoeld in lid 1, met de gegevens die hij heeft ontvangen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009.

3.Niet-verzending van vangstaangiften en aanlandingsaangiften aan het derde land als bedoeld in lid 1, wordt met het oog op de toepassing van de sancties en andere maatregelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid beschouwd als een ernstige inbreuk. De ernst van de inbreuk wordt door de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat beoordeeld, op grond van criteria als de aard en de waarde van de schade, de economische situatie van degene die de inbreuk pleegt en de omvang van de inbreuk of de herhaling ervan.

TITEL III
VISSERIJACTIVITEITEN VAN VISSERSVAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN DE WATEREN VAN DE UNIE

Artikel 32
Algemene beginselen

1.Een vissersvaartuig van een derde land mag geen visserijactiviteiten in de wateren van de Unie verrichten tenzij het een vismachtiging van de Commissie heeft ontvangen.

2.Een vissersvaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de regels die gelden voor de visserijactiviteiten van vaartuigen van de Unie in de visserijzone waar het zijn activiteiten verricht, en aan de in de desbetreffende visserijovereenkomst vastgestelde bepalingen.

3.Indien een vissersvaartuig van een derde land in de wateren van de Unie vaart zonder een in het kader van deze verordening afgegeven machtiging, is zijn vistuig vastgemaakt en opgeborgen zodat het niet meteen voor visserijactiviteiten kan worden gebruikt.

Artikel 33
Voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen

De Commissie mag enkel een machtiging aan een vissersvaartuig van een derde land voor visserijactiviteiten in de wateren van de Unie afgeven indien:

(a)de informatie in de bijlagen 1 en 2 over het vissersvaartuig en het bijbehorende ondersteuningsvaartuig (de bijbehorende ondersteuningsvaartuigen) volledig en accuraat is; het vaartuig en elk bijbehorend ondersteuningsvaartuig een IMO-nummer hebben;

(b)de marktdeelnemer en het vissersvaartuig in de 12 maanden vóór de aanvraag van de vismachtiging niet krachtens artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad en artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad zijn onderworpen aan een sanctie voor een ernstige inbreuk overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat;

(c)het vissersvaartuig niet op een IOO-lijst is opgenomen en/of het derde land niet krachtens Verordening (EU) nr. 1005/2008 van de Raad als een niet-meewerkend derde land is geïdentificeerd of op een lijst van niet-meewerkende derde landen is opgenomen en niet krachtens Verordening (EU) nr. 1026/2012 is geïdentificeerd als een land dat niet-duurzame visserij toelaat of is opgenomen op een lijst van landen die niet-duurzame visserij toelaten;

(d)het vissersvaartuig op grond van de visserijovereenkomst met het betrokken derde land in aanmerking komt en, indien van toepassing, is opgenomen op de lijst van vaartuigen in het kader van die overeenkomst.

Artikel 34
Procedure voor de afgifte van vismachtigingen

1.Het derde land zendt aan de Commissie de aanvragen voor zijn vissersvaartuigen toe uiterlijk op de in de betrokken overeenkomst of de door de Commissie vastgestelde uiterste datum.

2.De Commissie kan het derde land verzoeken om alle aanvullende informatie die zij noodzakelijk acht.

3.Wanneer de Commissie ervan overtuigd is dat de voorwaarden in artikel 33 zijn vervuld, geeft zij een vismachtiging af en stelt zij het derde land en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 35    
Monitoring van vismachtigingen

1.Indien een voorwaarde in artikel 33 niet langer is vervuld, wijzigt de Commissie de machtiging of trekt zij ze in en stelt zij het derde land en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

2.De Commissie kan de machtiging weigeren, schorsen of intrekken in gevallen waarin de omstandigheden fundamenteel zijn gewijzigd of in gevallen waarin doorslaggevende beleidsoverwegingen met betrekking tot onder meer internationale normen op het vlak van mensenrechten of de strijd tegen illegale, ongemelde of ongereglementeerde visserij een dergelijke maatregel rechtvaardigen, of in gevallen waarin de Unie, om dergelijke of andere doorslaggevende beleidsoverwegingen, heeft besloten de betrekkingen met het betrokken derde land te schorsen of te verbreken.

Artikel 36
Sluiting van visserijactiviteiten

1.Indien de aan een derde land toegekende vangstmogelijkheden worden geacht te zijn opgebruikt, stelt de Commissie het betrokken derde land en de bevoegde controle-instanties van de lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis. Met het oog op de voortzetting van visserijactiviteiten in het kader van niet-opgebruikte vangstmogelijkheden, die ook van invloed kunnen zijn op opgebruikte vangstmogelijkheden, legt het derde land aan de Commissie technische maatregelen ter voorkoming van nadelige effecten op de opgebruikte vangstmogelijkheden voor. Vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde kennisgeving worden de vismachtigingen die zijn afgegeven voor de vaartuigen die de vlag van het betrokken derde land voeren, geacht te zijn geschorst voor de betrokken visserijactiviteiten en mogen de vaartuigen die visserijactiviteiten niet langer verrichten.

2.Vismachtigingen worden geacht te zijn ingetrokken wanneer een schorsing van de visserijactiviteiten overeenkomstig lid 2 alle activiteiten betreft waarvoor zij zijn verleend.

3.Het derde land ziet erop toe dat de betrokken vissersvaartuigen onverwijld in kennis worden gesteld van de toepassing van dit artikel en dat zij alle betrokken visserijactiviteiten stopzetten.

Artikel 37
Overschrijding van quota in de wateren van de Unie

1.Wanneer de Commissie vaststelt dat een derde land de quota heeft overschreden die het voor een bestand of een groep bestanden toegewezen heeft gekregen, past de Commissie in de daaropvolgende jaren verlagingen toe op de aan dat land voor dat bestand of die groep bestanden toegewezen quota.

2.Indien een verlaging zoals bedoeld in lid 1 niet kan worden toegepast op het quotum voor een bestand of groep bestanden dat/die als zodanig is overbevist, omdat dat quotum voor een bestand of groep bestanden niet voldoende beschikbaar is voor het betrokken derde land, kan de Commissie, na raadpleging van het betrokken derde land, de daaropvolgende jaren verlagingen toepassen op de quota voor andere bestanden of groepen bestanden van dat derde land in hetzelfde geografische gebied of met dezelfde handelswaarde.

Artikel 38
Controle en handhaving

1.Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, houdt zich aan de controleregels die van toepassing zijn op de visserijactiviteiten van vaartuigen van de Unie in de visserijzone waar het actief is.

2.Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, verstrekt aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie, en, indien van toepassing, aan de kuststaat, de gegevens die vaartuigen van de Unie krachtens Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad aan de vlaggenlidstaat moeten toezenden.

3.De Commissie, of de door haar aangewezen instantie, zendt de in lid 2 bedoelde gegevens toe aan de kustlidstaat.

4.Een vaartuig van een derde land dat is gemachtigd om in de wateren van de Unie te vissen, verstrekt op verzoek aan de Commissie of aan de door haar aangewezen instantie, de in het kader van de toepasselijke waarnemersprogramma's opgestelde waarnemersverslagen.

5.Een kustlidstaat registreert alle door vissersvaartuigen van derde landen begane inbreuken, met inbegrip van de bijbehorende sancties, in het in artikel 93 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad bedoelde nationale register.

6.De Commissie zendt de in lid 5 bedoelde informatie toe aan het derde land om te waarborgen dat het derde land passende maatregelen neemt.

Lid 1 laat het overleg tussen de Unie en derde landen onverlet. In dit verband wordt de Commissie gemachtigd om gedelegeerde handelingen vast te stellen, overeenkomstig artikel 44, om de uitkomst van het overleg met derde landen met betrekking tot toegangsregelingen in Unierecht om te zetten.

TITEL IV    
Gegevens en informatie

Artikel 39
Unieregister inzake vismachtigingen

1.Door de Commissie wordt een elektronisch Unieregister inzake vismachtigingen aangelegd en bijgehouden, dat uit een openbaar en een beveiligd deel bestaat. Het register:

(a) bevat alle informatie in de bijlagen 1 en 2, en geeft de status van elke machtiging in realtime weer;

(b)wordt gebruikt voor de uitwisseling van gegevens en informatie tussen de Commissie en een lidstaat; en

(c)wordt enkel gebruikt voor het duurzame beheer van vissersvloten.

2.De lijst van vismachtigingen in het register is openbaar en bevat de volgende informatie:

(a)naam en vlag van het vaartuig;

(b)type machtiging; en

(c)tijd en zone van de visserijactiviteit waarvoor een machtiging is verleend (begin- en einddatums; visserijzone).

3.Een lidstaat gebruikt het register om vismachtigingen bij de Commissie in te dienen en om de gegevens ervan actueel te houden, zoals voorgeschreven in de artikelen 12, 19, 23 en 27. 

Artikel 40
Technische vereisten

De in de titels II, III en IV bedoelde uitwisseling van informatie vindt plaats in elektronisch formaat. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2007/2/EG 27 , tot vaststelling van technische operationele vereisten voor de registratie, formattering en verzending van de in die titels bedoelde informatie. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 45 bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 41
Toegang tot gegevens

Onverminderd artikel 110 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad verlenen de lidstaten of de Commissie alle relevante bevoegde administratieve diensten die bij het beheer van vissersvloten betrokken zijn, toegang tot het beveiligde deel van het in artikel 39 bedoelde Unieregister inzake vismachtigen.

Artikel 42
Gegevensbeheer, bescherming van persoonsgegevens en vertrouwelijkheid

In het kader van deze verordening verkregen gegevens worden behandeld overeenkomstig de artikelen 109, 110, 111 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, Verordening (EG) nr. 45/2001 en Richtlijn 95/46/EG en de nationale uitvoeringsbepalingen daarvan.

Artikel 43
Betrekkingen met derde landen en regionale organisaties voor visserijbeheer

1.Lidstaten die van een derde land of een regionale organisatie voor visserijbeheer informatie ontvangen die relevant is voor de doeltreffende toepassing van de onderhavige verordening, delen deze informatie mee aan de andere betrokken lidstaten, de Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie, voor zover hun dit is toegestaan op grond van bilaterale overeenkomsten met het betrokken derde land of overeenkomstig de voorschriften van de betrokken regionale organisatie voor visserijbeheer.

2.De Commissie of de door de Commissie aangewezen instantie kan, in het kader van de visserijovereenkomsten tussen de Unie en derde landen, onder auspiciën van regionale organisaties voor visserijbeheer of soortgelijke visserijorganisaties waarbij de Commissie een verdrag- of overeenkomstsluitende partij of een samenwerkende niet-verdrag- of niet-overeenkomstsluitende partij is, relevante informatie betreffende niet-naleving van de regels van deze verordening of betreffende in artikel 42, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1005/2008 en in artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde ernstige inbreuken, meedelen aan de andere partijen bij die overeenkomsten of organisaties, afhankelijk van de toestemming van de lidstaat die de informatie heeft verstrekt en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.

TITEL V
Procedures, delegatie en uitvoeringsmaatregelen

Artikel 44
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.De in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend.

3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.Een overeenkomstig artikel 5, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 45
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van toepassing.

TITEL VI
SLOTBEPALINGEN

Artikel 46
Intrekking

1.Verordening (EG) nr. 1006/2008 wordt ingetrokken.

2.Verwijzingen naar bepalingen van Verordening (EG) nr. 1006/2008 gelden als verwijzingen naar de bepalingen van deze verordening.

Artikel 47
Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de […] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1) Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33).
(2) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(4) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(5) COM(2011) 424 van 13.7.2011.
(6) Resolutie van het Europees Parlement van 22 november 2012 over de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2011/2318(INI)).
(7) http://www.fao.org/fishery/ipoa-iuu/en
(8) COFI/2014/4.2 (paragraaf 29).
(9) Idem (paragrafen 40 en 41).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).
(11) Artikel 28.
(12) PB C van , blz. .
(13) PB C van , blz. .
(14) PB C van , blz. .
(15) Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33).
(16) Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de Overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).
(17) Besluit 98/414/EG van de Raad van 8 juni 1998 inzake de bekrachtiging door de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 189 van 3.7.1998, blz. 14).
(18) Besluit 96/428/EG van de Raad van 25 juni 1996 inzake de aanvaarding door de Gemeenschap van de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen (PB L 177/26 van 16.7.1996, blz. 24).
(19) Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Resolutie A/Res/66/288 van 27 juli 2012 over de resultaten van de Rio+20-conferentie, met als titel "The future we want".
(20) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(21) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(22) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(23) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(24) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(25) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(26) Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 34).
(27) Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
Top

Brussel, 10.12.2015

COM(2015) 636 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad

inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad

{SWD(2015) 276 final}
{SWD(2015) 279 final}


Bijlage 1
Lijst van met het oog op de afgifte van een vismachtiging te verstrekken informatie

* verplichte velden (de punten 22 tot en met 25 en 28 tot en met 48 mogen niet worden ingevuld als de informatie automatisch kan worden opgevraagd uit het vlootregister van de Unie aan de hand van het CFR- of het IMO-nummer)

I

AANVRAGER

1

Naam van de marktdeelnemer*

2

E-mailadres*

3

Adres

4

Fax

5

Fiscaal nummer (SIRET, NIF…)*

6

Telefoon

7

Naam van de agent (volgens de bepalingen van protocol) *

8

E-mailadres*

9

Adres

10

Fax

11

Telefoon

12

Naam van de organisatie of van de agent die de marktdeelnemer vertegenwoordigt*

13

E-mailadres*

14

Adres

15

Fax

16

Telefoon

17

Naam van de kapitein(s)*

18

E-mailadres*

19

Nationaliteit*

20

Fax

21

Telefoon

II

IDENTIFICATIE, TECHNISCHE KENMERKEN EN UITRUSTING VAN HET VAARTUIG

22

Naam van het vaartuig*

23

Vlaggenstaat*

24

Vaart onder de huidige vlag sinds*

25

Externe kentekens*

26

IMO-nummer (UVI)*

27

CFR-nummer*

28

Internationale radioroepnaam (IRCS)*

29

Radiofrequentie*

30

Satelliettelefoonnummer

31

MMSI-nummer*

32

Bouwjaar en bouwplaats*

33

Vroegere vlag en datum van vlagverlening (indien van toepassing) *

34

Materiaal van de romp: staal / hout / polyester / ander*

35

VMS-transponder*

36

Model*

37

Serienummer*

38

Softwareversie*

39

Satellietexploitant*

40

VMS-fabrikant (naam)

41

Lengte over alles van het vaartuig*

42

Breedte van het vaartuig*

43

Diepgang*

44

Tonnage (bt)*

45

Vermogen van de hoofdmotor (kW) *

46

Motortype

47

Merkteken

48

Motorserienummer*

III

VISSERIJCATEGORIE WAARVOOR EEN VISMACHTIGING WORDT AANGEVRAAGD

49

FAO-code vaartuigtype*

50

FAO-code vistuigtype*

53

FAO-code visserijzones*

54

Visserijsectoren – FAO of kuststaat*

55

Haven(s) van aanlanding

56

Haven(s) van overlading

57

FAO-code doelsoorten of visserijcategorie (partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij)*

58

Aangevraagde machtigingsperiode (begin- en einddatum)

59

Registratienummer ROVB's* (indien bekend)

60

Datum inschrijving in het ROVB-register* (indien bekend)

61

Maximaal aantal bemanningsleden*

62

Van [PARTNERLAND]:

63

Uit de ACS-staten:

64

Methode van visconservering/-bewerking aan boord* Verse vis / Koelen / Invriezen / Vismeel / Olie / Fileren

65

Lijst van ondersteuningsvaartuigen: Naam / IMO-nummer / CFR-nummer

IV

CHARTERING

66

Vaartuig actief in het kader van een charterovereenkomst*: Ja / Nee

67

Type charterovereenkomst

68

Charterperiode (begin- en einddatum)*

69

Vangstmogelijkheden (in ton) toegewezen aan het gecharterde vaartuig*

70

Derde land dat vangstmogelijkheden toewijst aan het gecharterde vaartuig*

Bijlagen (lijst documenten):

Bijlage 2
Lijst van informatie die moet worden verstrekt voor een ondersteuningsvaartuig van een in bijlage 1 beschreven vissersvaartuig

* verplichte velden (de punten 22 tot en met 25 en 28 tot en met 33 mogen niet worden ingevuld voor een vaartuig dat de vlag van de Unie voert als de informatie automatisch kan worden opgevraagd uit het vlootregister van de Unie aan de hand van het CFR-nummer)

I

EXPLOITANT VAN HET ONDERSTEUNINGSVAARTUIG

1

Naam van de marktdeelnemer*

2

E-mailadres*

3

Adres

4

Fax

5

Fiscaal nummer (SIRET, NIF…)*

6

Telefoon

7

Naam van de agent (volgens de bepalingen van protocol) *

8

E-mailadres*

9

Adres

10

Fax

11

Telefoon

12

Naam van de organisatie of van de agent die de marktdeelnemer vertegenwoordigt*

13

E-mailadres*

14

Adres

15

Fax

16

Telefoon

17

Naam van de kapitein(s)*

18

E-mailadres*

19

Nationaliteit*

20

Fax

21

Telefoon

II

IDENTIFICATIE, TECHNISCHE KENMERKEN EN UITRUSTING VAN HET ONDERSTEUNINGSVAARTUIG

22

Naam van het vaartuig*

23

Vlaggenstaat*

24

Vaart onder de huidige vlag sinds*

25

Externe kentekens*

26

IMO-nummer (UVI)*

27

CFR-nummer (voor vaartuigen van de Unie, indien bekend)*

28

Internationale radioroepnaam (IRCS)*

29

Radiofrequentie*

30

Satelliettelefoonnummer

31

MMSI-nummer*

32

Bouwjaar en bouwplaats

33

Vroegere vlag en datum van vlagverlening (indien van toepassing) *

34

Materiaal van de romp: staal / hout / polyester / ander

35

VMS-transponder

36

Model

37

Serienummer

38

Softwareversie

39

Satellietexploitant

40

VMS-fabrikant (naam)

41

Lengte over alles van het vaartuig

42

Breedte vaartuig

43

Diepgang

44

Tonnage (bt)

45

Vermogen van de hoofdmotor (kW)

47

Motortype

48

Merkteken

49

Motorserienummer

III

INFORMATIE OVER ONDERSTEUNDE VISSERIJACTIVITEITEN

50

FAO-code visserijgebieden

51

Visserijsectoren – FAO

52

FAO-code doelsoorten

53

Registratienummer ROVB's*

54

Datum inschrijving in het ROVB-register*

Bijlagen (lijst documenten):

Top