Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document EESC-2019-02446-AC

Advies - Europees Economisch en Sociaal Comité - Niemand uitsluiten bij de uitvoering van de agenda voor duurzame ontwikkeling 2030

EESC-2019-02446-AC

NL

Europees Economisch en Sociaal Comité

SC/053

Niemand uitsluiten bij de uitvoering van de agenda voor duurzame ontwikkeling 2030

ADVIES

Europees Economisch en Sociaal Comité

Niemand uitsluiten bij de uitvoering van de agenda voor duurzame ontwikkeling 2030
(initiatiefadvies)

Rapporteur: Peter Schmidt (DE-II)

Corapporteur: Lutz Ribbe (DE-III)

Besluit van de voltallige vergadering

21/02/2019

Rechtsgrondslag

Artikel 32, lid 2, van het reglement van orde

Initiatiefadvies

Bevoegde afdelingen

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de voltallige vergadering

31/10/2019

Zitting nr.

547

Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)

159/21/16



1.Conclusies en aanbevelingen

1.1De VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) maken de weg vrij voor een betere en duurzamere toekomst voor iedereen. Kern van de SDG's is de toezegging dat niemand aan zijn lot zal worden overgelaten en dat degenen met de grootste achterstand het eerst zullen worden geholpen bij de overgang naar duurzaamheid en veerkracht; daarnaast wordt ervan uitgegaan dat een doel pas is bereikt als dat voor iedereen geldt.

1.2Het EESC is van mening dat bij de aanpak van sociale, economische en milieuproblemen naar volledige synergie moet worden gestreefd. Met het oog op de verwezenlijking van de SDG's in de EU moet de sociale dimensie van duurzaamheid worden verenigd met de economische en de milieudimensie; op die manier kan een systemische verandering in gang worden gezet en kan een einde worden gemaakt aan het hokjesdenken van de huidige EU-strategieën. Het staat buiten kijf dat bij de uitwerking van (beleids)maatregelen de multidimensionale aanpak van Agenda 2030 moet worden gevolgd. Bij de uitvoering van deze agenda is het van cruciaal belang dat ook de sociale kwestie aan de orde komt.

1.3Vergeleken met de ecologische en economische dimensie zijn zowel sociale kwesties als regionale samenhang tot nog toe meer beschouwd als afzonderlijke beleidsterreinen dan als een echt integraal onderdeel van het duurzaamheidsbeleid. De sociale dimensie van een algemeen duurzaamheidsbeleid hangt niet alleen samen met de verdere ontwikkeling van het traditionele sociale beleid (zoals betere sociale uitkeringen); belangrijk is dat het beleid zich richt op meer rechtvaardigheid en maatschappelijke participatie — en dat alle mensen en alle regio’s daar garen bij spinnen.

1.4De overgang naar een duurzame, koolstofneutrale en hulpbronnenefficiënte economie vereist fundamentele veranderingen in onze samenleving en onze economie. Deze veranderingen bieden kansen maar brengen ook risico's met zich mee. Niemand uitsluiten betekent dat alle leden van de samenleving, vooral degenen met de grootste achterstand, ook echt nieuwe kansen krijgen en de risico's aankunnen. Daartoe is actief beleid nodig. In dit verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan de meest kwetsbare groepen in de samenleving en de meest kansarme regio's en gebieden.

1.5Niemand uitsluiten houdt met name in dat zo veel mogelijk mensen weer in staat moeten worden gesteld een positieve rol te spelen als actieve burgers; zo moeten alle mensen, groepen en regio’s in het kader van de transitie zo vlot mogelijk toegang krijgen tot investeringen en zich een nieuwe manier van leven, nieuwe consumptiepatronen en duurzame technologie eigen kunnen maken. De overgang naar duurzaamheid kan en mag niet van bovenaf worden opgelegd en heeft enkel kans van slagen met een breed draagvlak en actieve deelname van iedereen.

1.6Met het oog op de tenuitvoerlegging van de SDG’s en om ervoor te zorgen dat niemand buiten de boot valt, roept het EESC de Europese Commissie, het Parlement, de Raad en de lidstaten op om:

·een Europees groen en sociaal pact op te zetten als onderdeel van een overkoepelende “EU-strategie voor duurzame ontwikkeling voor 2050”, waarbij daadwerkelijk wordt afgestapt van het overmatige gebruik van natuurlijke hulpbronnen en waarin het welzijn van de burgers centraal staat. Het EESC is ingenomen met het voornemen van de nieuwe Commissie om een Europese Green Deal te lanceren, maar hamert erop dat hierin ook oog moet zijn voor de sociale dimensie;

·mogelijke negatieve/positieve neveneffecten van de transitie voor de Europese bevolking (met name arme en kwetsbare groepen) en structureel zwakke regio's systematisch te beoordelen en meer inzicht te verwerven in de intergenerationele factoren achter duurzaamheid en ongelijkheid;

·passende bestuursstructuren en -instrumenten voor de tenuitvoerlegging van de SDG's en het nieuwe Europese groene en sociale pact te ontwikkelen; er kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van het Europees Semester, betere regelgeving en het MFK, met inbegrip van het Cohesiefonds en het Sociaal Fonds, om meer vaart te zetten achter de transitie;

·meer inzicht te bieden in een “rechtvaardige transitie” (waarbij wordt afgestapt van steenkool) en ter ondersteuning daarvan te ijveren voor volledige uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, alsook voor een hervorming van de herverdelingsstelsels (op maat gesneden belastingen, sociale bescherming en duurzame en sociale investeringen) en voor het evenwicht tussen werk en privéleven en gendergelijkheid;

·ervoor te zorgen dat iedereen op het vlak van adequaat onderwijs en adequate opleiding gelijke toegang en gelijke kansen krijgt;

·de belemmeringen weg te nemen voor de actieve participatie van burgers die niet beschikken over het nodige financiële en sociale kapitaal en de nodige kennis en informatie, en geboden kansen niet kunnen benutten;

·beleidsmaatregelen in te voeren die zowel de burgers ten goede komen als het milieu beschermen, zoals plannen ter bestrijding van luchtvervuiling waarbij extra aandacht uitgaat naar kwetsbare groepen, een groen sociaal huisvestingsbeleid, enz.;

·in de context van de overgang naar duurzaamheid ook de sociale en de deeleconomie te stimuleren (bv. vaardigheden, circulaire economie, energietransitie, bevordering van coöperaties);

·kleine en middelgrote ondernemingen steun te verlenen om de overgang te doen slagen en een duurzaam concurrentievermogen tot stand te brengen via een betere toegang tot vaardigheden, financiering, innovatie en technologie;

·het scheppen van kwaliteitsbanen te stimuleren;

·een strategie uit te stippelen om ervoor te zorgen dat niet alleen steden, maar ook plattelandsgemeenschappen inclusiever, veerkrachtiger en duurzamer worden;

·meer aandacht te besteden aan de bescherming van het klimaat en de aanpassing aan de klimaatverandering in Europa, om woestijnvorming tegen te gaan en waterschaarste en ontvolking aan te pakken;

·jongeren en toekomstige generaties mondiger te maken en ervoor te zorgen dat zij hun stempel kunnen drukken op de besluitvorming op het vlak van duurzaamheid;

·zich in te zetten voor een duurzaam handelsbeleid dat de positieve en negatieve sociale en ecologische externe kosten van de handel internaliseert.

2.Inleiding

2.1Al te lang is zowel wereldwijd als op EU-niveau te vaak voorbijgegaan aan de sociale dimensie van duurzaamheid. Vergeleken met de ecologische en de economische dimensie werden sociale kwesties en regionale samenhang tot nu toe meer als afzonderlijke beleidsterreinen dan als echt integraal onderdeel van het duurzaamheidsbeleid beschouwd, terwijl Europa nog steeds kampt met wijdverbreide sociale ongelijkheid en regionale verschillen, een situatie die op sommige plaatsen nog verslechtert. Tot dusver heeft het beleid bepaalde mensen, groepen en regio's aan hun lot overgelaten, omdat geen acht werd geslagen op de grenzen van de planeet en de sociale basisbehoeften van grote delen van de EU-bevolking. De EU wordt vaak verantwoordelijk gehouden voor de gapende kloof tussen de beloften van het sociaal en cohesiebeleid en de praktijk.

2.2Het feit dat economische, sociale en milieukwesties steeds nauwer met elkaar verbonden zijn, zowel in positieve als in negatieve zin, kan en mag niet worden genegeerd. Het recente oproer overal in Europa mag niet worden opgevat als een teken dat het grote publiek de hervormingen zonder meer van de hand wijst. Wel is het zo dat veel mensen, die toch al ontevreden zijn over hun huidige situatie, bang zijn dat zij ook nu weer zullen opdraaien voor de veranderingen die er onvermijdelijk aankomen, zoals de overgang naar een koolstofneutrale economie.

2.3Er is dan ook een nieuw beleidskader voor duurzame ontwikkeling nodig om te kijken waar het huidige niet-duurzame beleid tekortschiet en het pad te effenen voor een nieuw groen en sociaal pact dat de angsten van de mensen serieus neemt en praktische oplossingen aanreikt. Een eerlijke verdeling van de lusten en lasten is de eerste stap om een zo breed mogelijk draagvlak en steun voor deze maatschappelijke maatregelen te bewerkstelligen. Als mensen op een positieve manier aan de transitie deelnemen zal dat het risico op nog meer ontevredenheid en verzet verkleinen en zullen mensen zich minder snel gaan afkeren van de politiek (wat zij bijvoorbeeld uiten door niet te stemmen). Het staat als een paal boven water dat het gebrek aan participatie bijdraagt aan de maatschappelijke verschuiving in de richting van extremisme, populisme, racisme en nationalisme, waar heel wat lidstaten nu mee te maken krijgen.

2.4We kunnen de milieucrisis niet oplossen zonder de sociale dimensie aan te pakken, en vice versa. Er is een maatschappelijk debat nodig om duidelijk te maken dat de sociale dimensie minstens evenveel aandacht verdient als de economische en de milieudimensie.

2.5Het Comité wijst er nogmaals op dat niemand uitsluiten verder kan en moet gaan dan de specifieke zorgen van individuen en hun economische situatie en omstandigheden 1 . Er zijn namelijk ook huishoudens, gemeenschappen, regio's, sectoren en minderheden die worden uitgesloten en zich in de steek gelaten voelen, bijv. wanneer openbare diensten verdwijnen of verslechteren, en zelfs essentiële diensten niet toegankelijk of betaalbaar zijn (het gaat niet alleen om geld). Een en ander begint bij de fysieke infrastructuur (vervoer, telecommunicatie en internet), maar vervolgens komen ook onderwijs, gezondheidszorg, sociale zorg en vrijetijdsbesteding, alsook administratieve diensten, rechtshandhavingsinstanties, de politie, enz. aan de beurt.

2.6Niemand uitsluiten houdt in dat mensen weer mondige burgers worden, dat naar maximale transparantie wordt gestreefd en dat mensen, groepen en regio's zoveel mogelijk bij het transitieproces worden betrokken.

2.7Dit credo moet overigens ook gelden voor toekomstige generaties, overeenkomstig de definitie van duurzame ontwikkeling uit het Brundtland-rapport 2 . Het EESC is van mening dat het huidige Europese beleidskader en de economie jongeren en toekomstige generaties tekortdoen, en is verheugd dat met name jonge mensen vandaag luid en duidelijk uiting geven aan hun bezorgdheid, bijv. via de “Fridays for Future”-beweging.

2.8Mensen moeten ervan worden overtuigd dat zij de op handen zijnde transitie zonder angst tegemoet kunnen treden: het is dan ook aan de politieke leiders op alle niveaus om het beginsel niemand uitsluiten in praktijk te brengen. Want transformatie betekent verandering — en het staat vast dat bij de overgang naar duurzaamheid niet iedereen als winnaar uit de bus zal komen. Het is daarom even verkeerd als onverstandig om het alleen over “win-win”- of zelfs “win-win-win”-situaties te hebben. Hoewel de samenleving als geheel baat zal hebben bij de transitie, zullen de kosten en baten niet gelijk worden verdeeld zonder beleidsmaatregelen om ervoor te zorgen dat niemand buiten de boot valt.

3.Zorgwekkende trends op het gebied van sociale en ecologische ongelijkheid in Europa

3.1Europa heeft een zeer hoog niveau van menselijke ontwikkeling en de levensverwachting behoort er tot de hoogste ter wereld. Wat de sociale dimensie van de SDG’s betreft heeft Europa echter nog een lange weg te gaan. Volgens de meest recente gegevens van Eurostat 3 dreigden in 2018 109,2 miljoen mensen, ofwel 21,7 % van de EU-bevolking, in armoede of sociale uitsluiting te vervallen. Kinderen en minderheidsgroepen lopen het meeste risico. Ernstige materiële deprivatie, een absolute maatstaf voor armoede, is sinds 2008 afgenomen van 8,5 % tot 5,8 % van de EU-bevolking in 2018 4 , maar ligt nog ver boven de Europa 2020-doelstelling.

3.2Het percentage werkende vrouwen bedraagt amper 67,5 % 5 tegenover 73 % voor mannen (van de vrouwen met drie of meer kinderen werkt slechts 55 %, tegenover 85 % van de mannen) 6 ; 32 % van de vrouwen werkt in deeltijd 7 tegenover niet meer dan 8 % van de mannen. In 2017 lag het bruto-uurloon van vrouwen in de EU gemiddeld 16 % lager dan dat van mannen als gevolg van een combinatie van stereotypen, segregatie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, het feit dat leidinggevende en toezichthoudende functies meestal door mannen worden vervuld, dat vrouwen langere perioden weg zijn van de arbeidsmarkt en onbetaalde zorgtaken op zich nemen, en loondiscriminatie 8 . Het gebrek aan (kinder)opvang blijft de belangrijkste reden waarom vrouwen geen deel uitmaken van de beroepsbevolking. Een op de drie inactieve vrouwen (31,7 %) gaf aan dat hun inactiviteit te maken had met zorgtaken, tegenover slechts 4,6 % van de inactieve mannen. De loonkloof tussen mannen en vrouwen neemt in de loop van de loopbaan en het leven toe, wat leidt tot een gapende genderpensioenkloof van 39 % en een genderarmoedekloof die het grootst is in de oudste leeftijdsgroep (65 jaar of ouder) 9 .

3.3De welvaartsongelijkheid is nog groter: de 10 % meest welvarende huishoudens hebben 50 % van de totale welvaart in handen, terwijl de 40 % minst welvarende huishoudens amper iets meer dan 3 % bezitten 10 . Het inkomensaandeel van de onderste 40 % van de bevolking wat betreft het totale gestandaardiseerd besteedbaar inkomen blijft laag en bedroeg in 2017 21,1 % (Eurostat SDG 2019). Ook in de EU is de inkomensongelijkheid enorm: het inkomen van de bovenste 20 % van de bevolking (met het hoogste inkomen) lag in 2016 5,2 keer hoger dan dat van de onderste 20 % 11 .

3.4De armen zijn ook armer geworden: de omvang of ernst van de armoede (d.w.z. hoe ver het inkomen van mensen die met armoede worden bedreigd onder de armoederisicogrens ligt) werd in 2016 voor de hele EU berekend op 25 %: dit betekent dat het inkomen van de helft van de mensen die onder de armoedegrens leven, ten minste 25 % onder de relevante armoederisicogrens lag 12 .

3.5Volgens de beschikbare (onvolledige) gegevens leven huishoudens met een laag inkomen meestal in een minder gezonde omgeving dan huishoudens met een hoger inkomen en zijn zij in verschillende opzichten kwetsbaar. Ook komen armere huishoudens voor meer problemen te staan op het vlak van energie en mobiliteit 13 . Waar het gaat om de blootstelling aan vervuiling of andere milieurisico's is er geen sprake van gelijkheid tussen Europese burgers 14 .

3.6Hoewel de economische ongelijkheid tussen de EU-landen in de loop der tijd is afgenomen, bestaan er nog grote verschillen tussen de lidstaten 15 ; het aantal mensen dat in armoede dreigt te vervallen loopt uiteen van 32,8 % (Bulgarije) tot 12,2 % (Tsjechië) 16 . Het besteedbaar gezinsinkomen varieert in de EU met 25,8 %, met hogere niveaus in de noordelijke en westelijke landen en lagere niveaus in de oostelijke en zuidelijke landen. Er zijn ook grote verschillen tussen de lidstaten wat betreft de werkloosheidscijfers en ernstige materiële deprivatie 17 . In totaal dreigt 64,9 % van de werkloze EU-bevolking in armoede te vervallen, variërend van 81,8 % in Duitsland tot 51,5 % in Polen 18 .

3.7Ongelijkheid is een gevolg van onze huidige economische situatie. De theorie dat de voordelen van de groei uiteindelijk iedereen in gelijke mate ten goede komen strookt niet met de Europese realiteit. Niet iedereen vond evenveel baat bij de Europese groei, en huishoudens met een hoger inkomen hebben veel meer geprofiteerd dan de onderste 40 % van de bevolking. Veel mensen hebben moeite om het hoofd boven water te houden, terwijl maar een kleine minderheid de vruchten plukt van de welvaart die we allemaal samen genereren.

4.De verschillende effecten van de overgang naar duurzaamheid

4.1De overgang naar duurzaamheid hangt niet alleen samen met de noodzaak om zorgvuldiger en verantwoordelijker om te gaan met onze natuurlijke hulpbronnen; er zijn daarnaast steeds meer aanwijzingen dat duurzaamheid ook in economisch opzicht interessant is. De wereldwijde markt voor koolstofarme goederen en diensten groeit nu al snel. Een deel van de banen die in de koolstofarme economie worden gecreëerd, is te vinden in regio's en sectoren waar decennialang te weinig werd geïnvesteerd. Een meer circulaire economie zal bijdragen tot een efficiënter gebruik van hulpbronnen, de negatieve milieueffecten verminderen en de werkgelegenheid doen toenemen, onder meer doordat bepaalde activiteiten weer in de EU-lidstaten gaan plaatsvinden, ook in achterstandsgebieden. In een recente studie wordt ervan uitgegaan dat het beleid inzake de circulaire economie tegen 2030 zal leiden tot een nettotoename van de werkgelegenheid met 650 000 à 700 000 banen 19 . Zaak is nu erop toe te zien dat het hier om hoogwaardige banen gaat die voor iedereen toegankelijk zijn. Tegen 2030 zal de overgang naar een klimaatneutrale economie naar verwachting 1,2 miljoen extra banen creëren in de EU, bovenop de 12 miljoen nieuwe banen die er hoe dan ook zouden bijkomen. De huidige polarisatie op de arbeidsmarkt, die het gevolg is van automatisering en digitalisering, kan door de transitie worden opgevangen doordat ook banen worden gecreëerd die zich qua loon- en vaardigheidsverdeling ergens in het midden bevinden, met name in de bouw en de industrie 20 . Alle sectoren zullen hiervan de gevolgen ondervinden, maar de ontwrichting zal duidelijk zwaarder zijn in de auto-industrie en de landbouw.

4.2Toch zien we nog steeds enorme concurrentieverstoringen, omdat onze huidige markteconomie er niet in slaagt verspilling, vervuiling of vernietiging van natuurlijke hulpbronnen te voorkomen. Deze verstoringen, die zowel op Europees als op internationaal niveau een probleem zijn, gaan niet alleen ten koste van het milieu, zij maken het ook lastig om nieuwe en duurzame economische opties snel in praktijk te brengen. Noch het internemarktbeleid noch het handelsbeleid mag leiden tot concurrentievoordelen die ontstaan door onachtzaam om te springen met het welzijn van de bevolking of door de natuurlijke hulpbronnen te plunderen. Het EESC is dan ook ingenomen met het feit dat bijvoorbeeld de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie heeft aangedrongen op de invoering van een koolstofbelasting aan de grens, op voorwaarde dat deze regeling erop gericht is de overgang naar duurzaamheid te bespoedigen en meer sociale rechtvaardigheid te bewerkstelligen. Om tot een degelijke langetermijnoplossing te komen is het belangrijk dat de EU streeft naar een mondiale koolstofprijs.

4.3Het probleem met de belastingstelsels in de lidstaten is dat zij voor het overgrote deel berusten op het belasten van arbeid. Milieubelastingen vertegenwoordigden in 2016 amper 6,3 % van de totale belastinginkomsten, terwijl de belasting op arbeid goed was voor 49,8 % van het totaal. Dankzij een brede belastinghervorming, in overeenstemming met de SDG's, zou het mogelijk moeten zijn de focus te verleggen van belastingen op arbeid naar belastingen op buitensporige vermogens, consumptie, vervuiling of digitalisering 21 . Bij een dergelijke verschuiving zou rekening moeten worden gehouden met de groeiende inkomensongelijkheid in Europa en de correlatie tussen inkomensniveau en koolstofvoetafdruk. Milieubelastingen moeten zo worden opgezet dat ze een gedragsverandering teweegbrengen bij de grootste verbruikers en tegelijk de negatieve gevolgen op het vlak van inkomens- en vermogensongelijkheid tot een minimum beperken. Zo kunnen bijvoorbeeld het stopzetten van de subsidies voor fossiele energiebronnen en de invoering van een koolstofheffing, waarvan de opbrengst aan de ontwikkeling van het openbaar vervoer zou worden besteed, een gunstig effect hebben op de inkomensongelijkheid en de sociale resultaten.

4.4Alleen als Europa op dit vlak zijn huiswerk doet, kan de EU uitgroeien tot geloofwaardige wereldleider op het gebied van duurzaamheid. Dit is in de eerste plaats een voorwaarde om te kunnen profiteren van de snelgroeiende toekomstige markten, bijvoorbeeld op het gebied van de circulaire economie, groene technologie, biotechnologie en duurzame financiering. Tegelijkertijd draagt het wereldwijde duurzaamheidsstreven bij tot de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen op andere gebieden (zoals het aanpakken van de oorzaken van migratie, eerlijke wereldhandel en het verminderen van de afhankelijkheid van olierijke landen vanuit het oogpunt van buitenlands beleid).

4.5De overgang naar duurzaamheid vereist echter enorme publieke en private investeringen of hoge investeringen in duurzame consumptiegoederen, die op de lange termijn hun vruchten zullen afwerpen, zowel op het niveau van huishoudens en bedrijven als op gemeentelijk, regionaal en nationaal niveau. De hamvraag waar het gaat om sociale duurzaamheid luidt: wie kan dit geld investeren of uitgeven? Aan de hand van deze vraag kan worden bepaald wie van de economische voordelen in kwestie profiteert — en wie niet. De sociale duurzaamheid wordt ondermijnd:

-als alleen grote bedrijven in staat zijn om te investeren en kleine en middelgrote ondernemingen niet,

-als startende ondernemingen geen toegang hebben tot de toekomstige markten van een duurzame economie,

-als alleen de publieke sector in welvarende — en niet in structureel zwakke regio's — beschikt over het budget om de infrastructuur op duurzame leest te schoeien,

-en bovenal, als mensen met lagere inkomens en beperkte financiële draagkracht, een lagere opleiding en kennis, minder kredietwaardigheid, minder sociaal kapitaal en minder vertrouwen, niet echt in staat zijn of denken te zijn om te investeren of over te schakelen op duurzame consumptiepatronen. In een dergelijk scenario zal alleen wie het nu al goed heeft baat hebben bij de overgang naar duurzaamheid. De sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid zouden toenemen, evenals de regionale verschillen.

4.6Sociale duurzaamheid wordt niet bepaald door de vraag of het traditionele sociale beleid (zoals betere sociale uitkeringen) verder wordt ontwikkeld; waar het om gaat is of meer mensen op gelijk voet kunnen deelnemen aan de economie. Daartoe moeten kleine en middelgrote ondernemingen, startende ondernemingen, de publieke sector in structureel zwakke regio's en vooral ook de burgers (met name de meest kwetsbare) in staat worden gesteld actief deel te nemen aan de overgang naar duurzaamheid. In dit verband moet rekening worden gehouden met andere factoren, zoals geslacht, individuele capaciteiten en leeftijd, aangezien deze de bestaande ongelijkheid in Europa nog kunnen vergroten.

4.7Voorts moet rekening worden gehouden met de territoriale gevolgen van de overgang. Wereldwijd zal tegen 2050 67 % van de mensen in steden wonen. In Europa zal de verstedelijking naar verwachting oplopen tot 80 %. Het feit dat niet iedereen het milieu in dezelfde mate belast moet in de beleidsontwikkeling worden meegenomen. Zo produceren Londenaren bijvoorbeeld iets meer dan de helft van de emissies van het Britse gemiddelde 22 . De plattelandsbevolking speelt dan weer vaak een belangrijke rol bij het leveren en in stand houden van ecosysteemdiensten. Landelijke gebieden, kleine steden en ultraperifere EU-regio's mogen dan ook niet worden vergeten maar moeten worden betrokken bij de transitie.

5.Strategische actiegebieden — de zoektocht naar oplossingen

5.1Beleid inzake duurzame ontwikkeling maakt over het algemeen gebruik van economische stimulansen om milieuvriendelijk gedrag aan te moedigen en/of gedrag dat het milieu schade toebrengt te bestraffen. Zo stoelt de CO2-prijsstelling op de overtuiging dat de marktprijs de kosten van de CO2-uitstoot moet weerspiegelen. Deze benadering kan worden veralgemeend, zodat externe effecten op het natuurlijke milieu in de prijs kunnen worden doorberekend. Er bestaat een breed draagvlak voor de internalisering van externe effecten; het gaat immers om een uiterst efficiënte aanpak die verenigbaar is met het basisconcept van de markteconomie.

5.2Het is een goede zaak dat ook de Europese Commissie het nut van een dergelijke aanpak begint in te zien. Zo erkent zij dat hernieuwbare energie in het nadeel is zolang de externe kosten van fossiele brandstoffen niet volledig in de marktprijs worden weerspiegeld 23 , en streeft zij ernaar het beginsel dat “de vervuiler betaalt” 24 toe te passen in de vervoerssector. De ecologische en de economische dimensie van duurzaamheid worden op deze manier met elkaar verzoend, maar de sociale dimensie blijft onderbelicht. Er moet een kader komen waarmee alle maatschappelijke groepen en belanghebbenden een eerlijke kans krijgen om op een duurzame manier te produceren en te consumeren. Gebeurt dat niet, dan zullen de kleine en middelgrote ondernemingen inboeten aan concurrentievermogen, terwijl structureel zwakke regio's verder verzwakken en de kansen van (sociaal) achtergestelde groepen om deel te nemen aan de maatschappelijke welvaart nog afnemen.

5.3We kunnen dan ook niet volstaan met een duurzaamheidsstrategie die uitsluitend steunt op een markt waar idealiter alle externe effecten worden doorberekend, omdat dit niet automatisch duurzame resultaten voor de samenleving oplevert. Een beleid dat zich ook richt op sociale duurzaamheid moet verder gaan dan internalisering van externe effecten. Bestaande barrières die individuen, maatschappelijke groepen, coöperaties, specifieke bedrijven of de publieke sector verhinderen deel te nemen aan duurzame ontwikkeling, moeten worden geslecht.

5.4De overgang naar duurzaamheid zal met name in specifieke sectoren zoals voeding, vervoer, huisvesting en energie, een rol van cruciaal belang spelen. Met name drie voorbeelden uit de energiesector illustreren dit punt:

·Een hogere CO2-prijs verhoogt de kosten van elektriciteit, tenzij deze volledig CO2-vrij wordt geproduceerd. Dit maakt het aantrekkelijker om zelf elektriciteit op te wekken uit hernieuwbare bronnen, zoals zonne-energie (die in de toekomst in een stroomversnelling zal komen dankzij opslag van elektriciteit). Prosumeren is zinvol vanuit het oogpunt van ecologische en economische duurzaamheid. Wel heeft wie in een eigen huis woont of een groot bedrijf heeft en over voldoende (dak)oppervlakte beschikt, veel meer kans om daarvan ook echt profijt te trekken. Voor huurders of kleine ambachtelijke bedrijven is het daarentegen lastiger of eenvoudigweg onmogelijk om prosument te worden. Elektriciteit zal voor deze groepen steeds duurder worden, terwijl zelfvoorzieners geld kunnen besparen en hun investering terugverdienen, in bepaalde gevallen zelfs met belastinggeld. Dit vergroot de sociale ongelijkheid en de concurrentienadelen van kleine bedrijven. Vergelijkbare problemen doen zich voor in de verwarmingssector.

·Een hogere CO2-prijs maakt ook fossiele brandstoffen duur. Met andere woorden, de kosten voor de aanschaf van een elektrische auto worden sneller terugverdiend. Dit vereist echter financiële liquiditeit of in ieder geval kredietwaardigheid. Anders is het voor particulieren, of zelfs kleine bedrijven, onmogelijk om een elektrische auto te kopen, wat betekent dat zij een hogere prijs voor benzine zullen moeten blijven betalen. Een andere optie, althans in de grote steden, is het openbaar vervoer of de fiets. In veel landelijke gebieden is dit evenwel geen realistisch alternatief. Gevolg is dat de problemen zich niet beperken tot elektriciteit of verwarming, en dat ook de regionale samenhang verder onder druk komt te staan.

·Ten slotte is de beste manier om de ontwikkeling van de circulaire economie echt een boost te geven waarschijnlijk het duurder maken van het grondstoffenverbruik, bijvoorbeeld door middel van de btw. Het vermijden of recyclen van grondstoffen door de industrie en de handel vereist echter in de meeste gevallen dat eerst wordt geïnvesteerd in apparatuur en technologie, wat ook hier weer in het voordeel zou spelen van grote bedrijven, ten koste van het midden- en kleinbedrijf.

5.5Hoezeer het ook gerechtvaardigd is om hernieuwbare energie, elektromobiliteit en de circulaire economie te bevorderen door emissies of grondstoffen duurder te maken, deze voorbeelden maken duidelijk dat ook naar andere maatregelen moet worden gekeken willen we de sociale duurzaamheid niet in het gedrang brengen. Zo zijn ook initiatieven nodig die specifiek gericht zijn op de situatie van achtergestelde marktdeelnemers en op zijn minst compensatie bieden voor hun situatie. Compensatie zonder meer is echter vaak niet voldoende om de sociale duurzaamheid te bevorderen. Kansarme groepen moeten soms daadwerkelijk betere kansen krijgen.

5.6Overigens is het in dit verband zo dat deelname aan bijvoorbeeld de energietransitie ook afhangt van opleiding en informatie over mogelijke acties; het is dus van het grootste belang mensen te helpen meer zelfvertrouwen te krijgen, zodat zij sneller zullen deelnemen aan activiteiten die gericht zijn op duurzame ontwikkeling. Als hieraan geen aandacht wordt besteed, zullen de administratieve procedures en de bureaucratische rompslomp onoverkomelijk lijken. Ook de aanpassing van de infrastructuur mag niet worden veronachtzaamd.

5.7Andere strategische actieterreinen zijn kwalificatie, onderwijs, begeleiding en bijstand. De overgang naar een klimaatneutrale economie zal een enorme impact hebben op de vaardigheidsbehoeften. Er moet dringend worden geïnvesteerd in menselijk kapitaal (onderwijs, opleiding, een leven lang leren) om de huidige en toekomstige generaties toe te rusten met de nodige vaardigheden op het gebied van groene en digitale technologieën. Scholen en universiteiten moeten lessen in duurzame ontwikkeling opnemen in hun programma’s, zodat ook meer aandacht uitgaat naar leren op de werkplek met oog voor de situatie op de arbeidsmarkt. Investeringen in omscholing en bijscholing van de bevolking zijn cruciaal om ervoor te zorgen dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten.

5.8Evenzeer van belang zijn sociale overdrachten (bv. gefinancierd door “progressieve belastingen” en innovatieve belastingen zoals de heffing op financiële transacties). Door de veranderende aard van werk als gevolg van de technologische ontwikkelingen zal de kwestie van nieuwe rechten, zoals een toereikend inkomen voor iedereen, hoog op de agenda komen te staan; het gaat hier om een belangrijk debat waarbij de sociale partners ten volle moeten worden betrokken. Zaak is ervoor te zorgen dat de opzet ervan de duurzaamheid niet in de weg staat maar juist ten goede komt.

5.9Het sociaal beleid gaat voorbij aan de milieuproblemen. Het Europees Sociaal Fonds bijvoorbeeld houdt zich niet bezig met de klimaatverandering: naar schatting wordt slechts 7 % van de middelen toegewezen aan het streven naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie via hervorming van de onderwijs- en opleidingsstelsels, aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, bijscholing van de beroepsbevolking en het scheppen van nieuwe banen 25 . Bovendien betekent het gebrek aan samenhang tussen de beleidskaders dat in het debat voorbij wordt gegaan aan wisselwerkingen, synergieën en de noodzaak van flankerende maatregelen, of dat het moeilijk is daarvan een inschatting te maken door een gebrek aan de juiste gegevens, instrumenten of processen.

5.10Met het oog op de bevordering van een paradigmaverschuiving van compensatie- en mitigatie-inspanningen achteraf naar maatregelen om kansarmen in regio's met een structurele achterstand in staat te stellen zelf bottom-upprojecten te ontwikkelen en geleidelijk echt duurzame, participatieve en inclusieve economische modellen uit te werken 26 , moet aandacht uitgaan naar de volgende punten:

·een gegarandeerd toereikend inkomen voor hulpbehoevenden;

·gegarandeerde toegang tot microfinanciering of overheidsleningen voor mensen die in de ogen van particuliere banken niet voldoende kredietwaardig zijn;

·steun voor zelfvoorziening (met name op gemeenschapsniveau), bijvoorbeeld op het gebied van energie, huisvesting en landbouw, die binnen de structuren van de sociale economie, met name coöperaties, verschillende vormen kan aannemen;

·terugdringen van de administratieve belemmeringen waar deze mensen mee te maken krijgen;

·juridisch en technisch advies;

·versterking van de overheidsinvesteringen op sociaal en infrastructuurgebied.

6.De rol van de Europese pijler van sociale rechten in de context van duurzaamheid

6.1De Europese Pijler van sociale rechten (EPSR) werd door de EU in november 2017 afgekondigd om de sociale uitdagingen aan te gaan; zo worden beginselen en rechten vastgelegd die van cruciaal belang zijn voor eerlijke en goed functionerende arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels in het Europa van de 21e eeuw en is het de bedoeling alle burgers nieuwe en effectievere rechten te geven, uitgaande van 20 kernbeginselen die zijn onderverdeeld in drie categorieën: i) gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, ii) billijke arbeidsvoorwaarden, en iii) sociale bescherming en integratie voor iedereen.

6.2Om werk te kunnen maken van de EPSR zijn er heel wat begrotingsmiddelen en investeringen nodig. Enerzijds moet het volgende meerjarig financieel kader zorgen voor de nodige financiering, anderzijds kunnen sociale investeringen worden vergemakkelijkt door te verwijzen naar een “gulden regel” 27 voor overheidsinvesteringen met sociale en milieudoelstellingen. Dankzij een adequaat belastingbeleid, met inbegrip van doeltreffende maatregelen om belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning aan te pakken, zouden de lidstaten en de EU extra middelen moeten kunnen vrijmaken om bij te dragen aan de financiering van de sociale pijler 28 en de SDG’s. Particuliere investeringen kunnen op sommige gebieden een aanvulling vormen op de overheidsuitgaven/-investeringen, op voorwaarde dat er specifieke en transparante criteria worden gehanteerd die een toereikend maatschappelijk rendement ten voordele van het algemeen belang garanderen 29 .

6.3Hoewel er veel overeenkomsten zijn tussen de 17 SDG's en de 20 rechten en beginselen van de EPSR, is er nog geen voorstel gedaan om nuttige synergieën tussen beide te creëren. Een eerste stap in die richting zou zijn om de 14 indicatoren van het sociaal scorebord beter af te stemmen op de 20 rechten en beginselen van de EPSR en de SDG's. Voorts zou de Europese Commissie op basis van een uitgebreide en meer specifieke reeks gemeenschappelijke indicatoren een strategie moeten lanceren om deze twee essentiële instrumenten voor sociale en ecologische vooruitgang beter te combineren en verwarrende overlappingen te vermijden. De website www.inequalityin.eu 30 is een mooi voorbeeld van een instrument dat inkomen en milieuparameters hanteert als indicatoren voor de levenskwaliteit in de lidstaten.

6.4Er is een debat gaande over de wijze waarop het begrip “rechtvaardige transitie” in Europa in de praktijk kan worden gebracht. Een actief arbeidsmarktbeleid moet met name de overgang naar koolstofarme banen vergemakkelijken (denk aan opleiding en hulp bij het zoeken naar werk) en de participatie van werknemers verhogen; ook kunnen betalingen voor milieudiensten worden ingevoerd om kansarme groepen tijdens de transitie te ondersteunen 31 .

Brussel, 31 oktober 2019.

Luca JAHIER

Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

_____________

(1)      Advies van het EESC over de transitie naar een duurzamere Europese toekomst ( PB C 81 van 2.3.2018, blz. 44-56 ).
(2)    Het Brundtland-rapport “ Our Common Future ”.
(3)       https://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/10163468/3-16102019-CP-EN.pdf/edc3178f-ae3e-9973-f147-b839ee522578
(4)    Zie voetnoot 3.
(5)      Idem.
(6)       https://eige.europa.eu/publications/poverty-gender-and-intersecting-inequalities-in-the-eu
(7)       Eurostat .
(8)       https://ec.europa.eu/info/policies/justice-and-fundamental-rights/gender-equality/equal-pay/gender-pay-gap-situation-eu_en
(9)       https://www.equalpayday.be/europa/ en Eurostat .
(10)     Achtergrondverslag van de OESO, Understanding the Socio-Economic Divide in Europe, 2017 .
(11)       Income inequality in the EU , Eurostat, 2016.
(12)       Wat is armoede – Feiten en Trends ”, EAPN 2016.
(13)    30x30 Actions for a Sustainable Europe, #Think2030 Action Plan, IEEP.
(14)    EEA (2018).
(15)      Eurostat 2019.
(16)    Zie voetnoot 3.
(17)    ESPAS 2019 en Eurostat 2019.
(18)      Eurostat 2018.
(19)    “Impacts of circular economy policies on the labour market”, verslag voor de Europese Commissie door Cambridge Econometrics, Trinomics, en ICF mei 2018.
(20)    ESDE 2019.
(21)      Advies van het EESC over een sociaal duurzaam concept voor het digitale tijdperk ( PB C 129 van 11.4.2018, blz. 7 ).
(22)    IIED.
(23)    Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (2014/C 200/01).
(24)    Witboek: Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte — werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem (COM 2011/0144).
(25)    Baldock, David en Charveriat, Céline. 2018. De voetnoot in dit rapport luidt als volgt: “Own calculations based on Ricardo (2017). Climate mainstreaming in the EU Budget: preparing for the next MFF”.
(26)    Advies van het EESC over nieuwe duurzame economische modellen ( PB C 81 van 2.3.2018, blz. 57 ).
(27)       PB C 227 van 28.6.2018, blz. 1 par. 1.6; PB C 197 van 8.6.2018, blz. 33 , par. 1.8 en 3.6; PB 327 van 12.11.2013, blz. 11 ; PB C 227 van 28.6.2018, blz. 95 , par. 1.4; PB 226 van 16.7.2014, blz. 21 ; PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1 ; par. 3.14 en PB 190 van 5.6.2019, blz. 24 ; par. 1.8; ECO/498 (zie blz. xx in PB).
(28)       PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1 , par. 1.6.
(29)       PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1 , par. 1.4.
(30)     https://www.inequalityin.eu
(31)     ITUC met verwijzing naar de IAO-richtsnoeren voor een rechtvaardige transitie.
Top