EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document E2020P0015

Verzoek van Borgarting lagmannsrett aan het EVA-Hof om een advies in de strafzaak tegen P (Zaak E-15/20) 2021/C 58/14

OJ C 58, 18.2.2021, p. 58–59 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

18.2.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 58/58


Verzoek van Borgarting lagmannsrett aan het EVA-Hof om een advies in de strafzaak tegen P

(Zaak E-15/20)

(2021/C 58/14)

Bij schrijven van 16 oktober 2020 van Borgarting lagmannsrett (hof van beroep) is bij het EVA-Hof een verzoek ingediend, dat op 21 oktober 2020 bij de griffie van het Hof is binnengekomen, om een advies in de strafzaak tegen P, betreffende onderstaande vragen:

Vraag 1

Staan de artikelen 3 en 7, punt a), van de EER-overeenkomst, gelezen in samenhang met Verordening (EG) nr. 883/2004, met name de artikelen 4, 5 en 7, gelezen in samenhang met hoofdstuk 6, een nationale regeling in de weg:

a)

op grond waarvan voor het recht op werkloosheidsuitkeringen de voorwaarde wordt gesteld dat de werkloze in Noorwegen verblijft (“oppholder seg”) (zie artikel 4-2 van de Nationale Verzekeringswet); en

b)

die in het Nationale Reglement betreffende werkloosheidsuitkeringen voorziet in een vrijstelling van de verplichting tot verblijf, daaronder begrepen de bepaling van artikel 64 van Verordening (EG) nr. 883/2004, die ook in het omzettingsreglement is geïmplementeerd?

Vraag 2

Ongeacht hoe het antwoord op vraag 1 luidt, is een regeling als die welke in vraag 1 is beschreven, een beperking op grond van de regels van de EER-Overeenkomst inzake vrij verkeer, daaronder begrepen de artikelen 28, 29 en 36?

Zo ja, kan een dergelijke beperking worden gerechtvaardigd door de volgende redenen:

i.

er wordt van uitgegaan dat het verblijf in de bevoegde staat de werkloze doorgaans betere stimulansen en mogelijkheden geeft om werk te zoeken en te vinden, onder meer doordat hij snel in een mogelijke baan kan starten;

ii.

er wordt van uitgegaan dat het verblijf in de bevoegde staat de werkloze doorgaans helpt om beschikbaar te zijn voor de diensten voor arbeidsvoorziening, en dat aanwezigheid in Noorwegen het voor de overheidsdiensten mogelijk maakt om te controleren of de werkloze voldoet aan de voorwaarden om de uitkering te ontvangen die in geval van werkloosheid wordt betaald, onder meer dat de werkloze daadwerkelijk werkloos is en geen verborgen bronnen van inkomen heeft, een echte werkzoekende is, actief naar werk zoekt of deelneemt aan andere activiteiten die gericht zijn op het vinden van werk;

iii.

er wordt van uitgegaan dat het verblijf in de bevoegde staat de diensten voor arbeidsvoorziening doorgaans betere mogelijkheden biedt om te beoordelen of de werkloze passende follow-up krijgt; en

iv.

de nationale regeling maakt het mogelijk om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen in een andere EER-staat onder de voorwaarden waarin Verordening (EG) nr. 883/2004 voorziet.

Vraag 3

In zoverre de antwoorden op de vragen 1 en 2 dit nodig maken, worden gelijkwaardige vragen gesteld met betrekking tot Richtlijn 2004/38/EG, daaronder begrepen de artikelen 4, 6 en 7.

Vraag 4

De verdachte wordt aangeklaagd voor het verstrekken van valse informatie aan het bestuursorgaan NAV met betrekking tot verblijf in een andere EER-staat, waardoor de NAV was misleid en werkloosheidsuitkeringen heeft betaald waarop de betrokkene geen recht had omdat de Nationale Verzekeringswet verblijf (“opphold”) in Noorwegen als voorwaarde stelt om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen. Is het gebruik van de bepalingen van het strafwetboek betreffende fraude en het verstrekken van valse verklaringen in een zaak als de onderhavige zaak gelet op de Noorse omzetting van Verordening (EG) nr. 883/2004 (zie vraag 1) in overeenstemming met fundamentele beginselen van het EER-recht, zoals het beginsel van duidelijkheid en het rechtszekerheidsbeginsel?

Vraag 5

Is de strafrechtelijke sanctie in het licht van de specifieke zaak zoals de onderhavige zaak en de omzetting door Noorwegen van Verordening (EG) nr. 883/2004 (zie vraag 1) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel?


Top