Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document E2012C0157

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 157/12/COL van 9 mei 2012 betreffende de verkoop van grond gnr 271/8 door de gemeente Oppdal (Noorwegen)

OJ L 350, 20.12.2012, p. 109–113 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2012/157(2)/oj

20.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 350/109


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 157/12/COL

van 9 mei 2012

betreffende de verkoop van grond gnr 271/8 door de gemeente Oppdal (Noorwegen)

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (HIERNA “DE AUTORITEIT” GENOEMD),

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-Overeenkomst” genoemd), en met name artikel 61 en Protocol 26,

Gezien de Overeenkomst tussen de EVA-Staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna “de Toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24,

Gezien Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst (hierna “Protocol 3” genoemd), en met name artikel 1, lid 2, van deel I en artikel 7, lid 2, van deel II,

Gezien de geconsolideerde versie van het Besluit van de Autoriteit nr. 195/04/COL van 14 juli 2004 betreffende de uitvoeringsbepalingen als bedoeld in artikel 27 van deel II van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst (hierna „het uitvoeringsbepalingenbesluit” genoemd) (1),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (2) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   FEITEN

1   Procedure

Bij brief van 3 juli 2008 (feit nr. 484519) heeft Oppdal Booking AS (hierna „OB” genoemd), de klager, een klacht ingediend tegen de geplande verkoop van grondstuk gnr 271/8 (hierna „het grondstuk” genoemd) in Oppdal door de gemeente Oppdal (hierna „de gemeente” genoemd) aan Strand Drift Oppdal AS (hierna “SDO” genoemd).

Bij schrijven van 9 juli 2008 (feit nr. 485146) heeft de Autoriteit de Noorse overheid om verdere informatie verzocht.

Bij schrijven van 8 september 2008 (feit nr. 491369) heeft de koper, SDO, opmerkingen bij de Autoriteit ingediend. Bij schrijven van 9 september 2008 (feit nr. 490914) reageerden de Noorse autoriteiten op het verzoek om informatie. Bij schrijven van 1 oktober 2008 (feit nr. 493593) diende de klager verdere informatie in.

Besluit nr. 417/10/COL van de Autoriteit om de formele onderzoeksprocedure van artikel 1, lid 2, van deel I van Protocol 3 in te leiden (hierna „het inleidingsbesluit” genoemd) werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het EER-supplement daarbij (3). De Autoriteit maande belanghebbenden aan hun opmerkingen over dat besluit kenbaar te maken.

De Noorse autoriteiten hebben bij brief van 3 december 2010 (feit nr. 579649) hun opmerkingen (en die van SDO) over het inleidingsbesluit ingediend.

2   Chronologie van gebeurtenissen

Bij brief van 7 februari 2007 (4) heeft SDO via een aanvraag bij de gemeente voorgesteld op grondstuk gnr 271/8 een dienstfaciliteit voor klanten van een skioord te bouwen. Het grondstuk zou een andere bestemming moeten krijgen om het gebied voor dat doel te gebruiken.

Bij brief van 19 oktober 2007 (5) deelde SDO mee de grond te willen kopen. In een brief van 30 november 2007 (6) heeft de gemeente geantwoord dat met dit blijken van belangstelling geen rekening zou worden gehouden tot het gebied een andere bestemming had gekregen.

Op 31 maart 2008 kreeg het gebied een andere bestemming (7). Bij brief van 23 april 2008 (8) heeft OB een klacht ingediend met betrekking tot de beslissing om het grondstuk een nieuwe bestemming te geven. Bij brief van 7 mei 2008 (9) heeft de gemeente SDO meegedeeld dat zijn blijken van belangstelling om het grondstuk te kopen, niet in overweging kon worden genomen tot een beslissing over de klacht werd genomen. Op 26 mei 2008 heeft de gemeente besloten de klacht van OB met betrekking tot de bestemmingswijziging niet te behandelen, maar deze door te verwijzen naar de plaatselijke gouverneur van Oppland (Fylkesmannen) (10).

Bij brief van 30 mei 2008 (11) heeft OB aangegeven de grond te willen kopen, indien haar klacht niet door de plaatselijke gouverneur zou worden gesteund. Bij brief van 6 juni 2008 (12) heeft de gemeente SDO ingelicht dat ze dit blijken van belangstelling van SDO om het grondstuk te kopen, niet in overweging zou nemen vooraleer de plaatselijke gouverneur een beslissing had genomen in de klachtenzaak. Bovendien beklemtoonde de gemeente dat zij SDO geen optie had verstrekt om het grondstuk te kopen (13).

Op 30 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur van de gemeente besloten twee afzonderlijke waardebeoordelingen van het grondstuk te laten verrichten en vervolgens de verkoopsonderhandelingen met SDO voort te zetten (14). Bij brief van 3 juli 2008 (15) heeft OB een klacht bij de Autoriteit ingediend tegen de geplande verkoop van het grondstuk aan SDO door de gemeente.

Bij brief van 10 juli 2008 (16) heeft OB toegang tot de twee onafhankelijke taxaties aangevraagd.

Op 16 juli 2008 (17) zijn SDO en de gemeente bijeengekomen om een ontwerp-verkoopscontract voor het grondstuk te bespreken. De gemeente heeft SDO ingelicht over de onafhankelijke taxaties en de verkoopprijs voor het grondstuk. De verkoopprijs werd op 850 000 NOK vastgelegd (in overeenstemming met de onafhankelijke taxaties). SDO kreeg tot 17 juli 2008 de tijd om het contract te beoordelen, terwijl de gemeente een beslissing over de verkoop plande te nemen tijdens een vergadering op 24 juli 2008 (18). SDO heeft het contract op 18 juli 2008 ondertekend (19).

Bij brief van 23 juli 2008 (20) heeft OB een bod van 3,1 miljoen NOK op het grondstuk gedaan.

De gemeente Oppdal heeft op 31 juli 2008 (21) het verkoopscontract met SDO ondertekend.

3   De klacht

In juli 2008 heeft OB een klacht bij de Autoriteit ingediend waarin de onderneming stelt dat de gemeente Oppdal voornemens was grondstuk gnr 271/8 aan SDO te verkopen zonder openbare aanbesteding. Vóór de bestemmingswijziging maakte het grondstuk deel uit van een parkeerzone voor de klanten van een nabijgelegen skioord.

OB is eigenaar van en exploiteert het skioord Oppdal en de aanverwante activiteiten. De koper van het perceel in kwestie, SDO, is een concurrent van OB die voorheen een stuk grond van OB leasede voor haar activiteiten met betrekking tot diensten op het gebied van ski-uitrusting en skilessen. Toen OB de huur verhoogde, ging SDO op zoek naar nieuwe bedrijfsruimte (22).

In haar klacht beweerde OB dat het grondstuk zonder een openbare aanbesteding zou worden verkocht, en dus niet zoals voorgeschreven in de richtsnoeren staatssteun van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (hierna „de richtsnoeren” genoemd) (23), deel 2.1. Voorts beweerde OB dat de gemeente niet overeenkomstig de alternatieve procedure had gehandeld zoals beschreven in deel 2.2 van de richtsnoeren, aangezien verkoopsonderhandelingen met de mogelijke koper werden opgestart vooraleer een onafhankelijke taxatie van het grondstuk werd verkregen (24).

Bovendien stelde OB dat het onduidelijk was op welke criteria de taxatierapporten waren gebaseerd. OB beweerde dat haar bod van 3,1 miljoen NOK, gebaseerd op dezelfde exploitatie van het grondstuk als de koper, aantoonde dat de marktprijs niet in de verkoopprijs werd weerspiegeld. Voorts beweerde OB dat zij niet als een koper met een bijzonder belang in het grondstuk kon worden beschouwd (25).

4   Redenen voor de inleiding van de procedure

De Autoriteit heeft de formele onderzoeksprocedure ingeleid op basis van het feit dat de verkoop van grond door de gemeente Oppdal aan Strand Drift Oppdal AS mogelijk met staatssteun gepaard gaat. De Autoriteit betwijfelde in het bijzonder of de verkoopprijs de marktprijs van het grondstuk weerspiegelde en of er sprake was van onrechtmatige staatssteun. Volgens de Autoriteit dienen de gemeenten als algemene regel, in situaties waarin zij een conflicterend hoger bod op een grondstuk ontvangen na een taxatie door een onafhankelijke deskundige, dit hogere bod nader te onderzoeken om te garanderen dat het desbetreffende grondstuk tegen de marktwaarde wordt verkocht, ofwel door om nog een taxatie van het grondstuk te verzoeken of door een nieuwe schatting door de onafhankelijke taxateur te laten uitvoeren.

De Autoriteit heeft hierbij naar Besluit C 35/2006 (26) van de Commissie verwezen betreffende de verkoop van grond door de Zweedse gemeente Åre, waarbij de gemeente een conflicterend hoger bod op het grondstuk had ontvangen.

Bovendien betwijfelde de Autoriteit of de verkoop van de grond als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst kon worden beschouwd, in het bijzonder op basis van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst.

5   Opmerkingen van de Noorse autoriteiten

In een brief van 3 december 2010 (27) verwijzen de Noorse autoriteiten naar hun brief aan de Autoriteit van 9 september 2008 (28).

In de brief van 9 september 2008 brengen de Noorse autoriteiten naar voren dat de procedure van deel 2.2 van de richtsnoeren werd gevolgd en de transactie bijgevolg niet met staatssteun gepaard gaat. Voorts beweren de Noorse autoriteiten dat de taxaties verkregen werden voor de verkoopsonderhandelingen met SDO en dat de rapporten de marktprijs van het grondstuk weergeven. Daarenboven hebben de Noorse autoriteiten een door de gemeente Oppdal opgesteld overzicht ingediend waaruit blijkt dat de prijs voor het grondstuk de hoogste prijs per vierkante meter is die ooit in het gebied in kwestie werd betaald waarvan de gemeente weet heeft.

Voorts verklaren de Noorse autoriteiten dat de marktprijs de waarde dient te weerspiegelen die een gewone koper voor het grondstuk zou willen betalen, met uitzondering van kopers met specifieke belangen. De Noorse autoriteiten stellen bijgevolg dat het bod van OB van 3,1 miljoen NOK moet worden beschouwd als dat van een partij met een bijzonder belang, aangezien OB een machtspositie op de plaatselijke markt voor skidiensten bekleedt en derhalve bereid is een excessief hoge prijs te betalen om concurrenten van de markt te verdrijven. Daarom stellen de Noorse autoriteiten dat de door de taxateurs aangegeven waarde de werkelijke marktwaarde van het grondstuk weergeeft.

6   Opmerkingen van Strand Drift Oppdal AS  (29)

SDO beweert dat deze zaak en Besluit C35/2006 van de Commissie niet mogen worden vergeleken. In Besluit C35/2006 werd de onafhankelijke taxatie van het grondstuk uitgevoerd bijna tweeënhalf jaar voor de verkoop plaatsvond. Gedurende zo'n lange periode kan de waarde van de grond aanzienlijk veranderd zijn. Ten tweede beweert SDO dat de feiten in zaak C35/2006 niet duidelijk maken of de onafhankelijke taxatie gebruikt werd om de contractwaarde te bepalen. In deze zaak daarentegen is de verkoop van de grond volgens SDO overeenkomstig de richtsnoeren van de Autoriteit, deel 2.2., uitgevoerd.

SDO stelt voorts dat het bod van OP onderdeel van een strategie lijkt om de enige aanbieder van skidiensten te worden op de plaatselijke markt, wat volgens SDO verklaard waarom OB een bod heeft uitgebracht dat de marktwaarde van het grondstuk ruimschoots overstijgt. SDO verwijst tevens naar de informatie van de gemeente Oppdal in een overzicht van 29 augustus 2008 (30) waaruit blijkt dat de verkoopprijs voor het grondstuk de hoogste prijs per vierkante meter is waarmee de gemeente bekend is.

SDO stelt voorts dat de klager grondstukmen in de regio heeft gekocht tegen prijzen die aanzienlijk lager waren dan de verkoopprijs in deze zaak. SDO brengt tevens naar voren dat een contract volgens het Noorse verbintenissenrecht gesloten en bindend wordt wanneer de partijen met de voorwaarden akkoord zijn gegaan, of het eigenlijke contract is ondertekend of niet. SDO is bijgevolg van mening dat de gemeente Oppdal wettelijk verplicht was het grondstuk aan SDO te verkopen toen OB haar bod indiende.

SDO is van oordeel dat de verkoop van het grondstuk tegen marktwaarde werd uitgevoerd, aangezien de verkoopprijs gebaseerd is op de taxatie van de twee onafhankelijke taxateurs, in overeenstemming met de richtsnoeren van de Autoriteit. SDO beweert dan ook dat er geen sprake is van staatssteun.

II.   BEOORDELING

Artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst luidt:

Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de EG, de EVA-Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigt, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producten vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.

6.1   De richtsnoeren betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties.  (31)

De steun moet door de staat zijn verleend of met staatsmiddelen zijn bekostigd. Gemeentes worden in het kader van staatssteun als onderdeel van de staat beschouwd. De middelen van de gemeente Oppdal kunnen bijgevolg als staatsmiddelen worden aangemerkt.

De richtsnoeren staatssteun betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties verschaffen verdere informatie over de wijze waarop de Autoriteit de bepalingen van de EER-overeenkomst die betrekking hebben op staatssteun, uitlegt en toepast bij de beoordeling van de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties. In deel 2.1 wordt een verkoop via een onvoorwaardelijke biedprocedure beschreven, terwijl in deel 2.2 een verkoop via een onafhankelijke taxatie wordt beschreven.

Wanneer gronden en gebouwen die in overheidshanden berusten, onder de marktwaarde worden verkocht, moet die transactie geacht worden staatsmiddelen te behelzen. De richtsnoeren voorzien echter in twee situaties waarbij de voor het grondstuk betaalde prijs als overeenkomstig de marktwaarde wordt beschouwd en bijgevolg de aanwezigheid van staatsmiddelen uitsluit. Zoals hierboven vermeld, zijn deze twee situaties de volgende: (a) de verkoop heeft plaatsgevonden via een onvoorwaardelijke biedprocedure; (b) de verkoop heeft plaatsgevonden na een onafhankelijke taxatie.

In deze zaak heeft de gemeente geen onvoorwaardelijke biedprocedure georganiseerd, maar wel twee onafhankelijke taxaties als basis voor het bepalen van de verkoopprijs gebruikt.

In deel 2.2 van de richtsnoeren van de Autoriteit wordt bepaald dat „indien openbare instanties geen gebruikmaken van de onder afdeling 2.1 beschreven procedure, vóór de verkooponderhandelingen een taxatie door een of meer onafhankelijke taxateurs van onroerend goed moet worden verricht om de marktwaarde vast te stellen op grond van algemeen aanvaarde marktindicaties en taxatiecriteria. De aldus vastgestelde marktprijs is de minimale aankoopprijs die kan worden overeengekomen zonder dat staatssteun verleend wordt.”

De Noorse autoriteiten hebben aangegeven dat de gemeente Oppdal twee taxatierapporten besteld heeft, door de onafhankelijke taxateurs Geir Husebø en Ragnar Lian. Deze werden uitgevoerd in juli 2008, respectievelijk op 7 en 9 juli. Hoewel SDO in februari 2007 interesse voor het grondstuk toonde en later datzelfde jaar opnieuw bekendmaakte het grondstuk te willen kopen, verleenden de Noorse autoriteiten geen optie om het grondstuk te kopen, en er zijn geen indicaties in de door de Noorse autoriteiten verstrekte correspondentie dat er een akkoord was bereikt over verkoopsonderhandelingen of een overeenkomst over de verkoopprijs alvorens de conclusies van beide taxaties gekend waren. Beide rapporten schatten de marktwaarde voor het grondstuk gelijklopend in, respectievelijk 800 000 NOK en 850 000 NOK.

6.2   De verkoop van het grondstuk

Zoals de Autoriteit in het inleidingsbesluit aangaf, is in de richtsnoeren geen situatie opgenomen waarbij een hoger conflicterend bod wordt ontvangen na de taxatie, maar voor het contract wordt gesloten. De Autoriteit is van oordeel dat het indienen van een hoger bod twijfels kan opwekken over het feit of de taxaties al dan niet de werkelijke marktwaarde van het grondstuk weerspiegelen.

In haar inleidingsbesluit verwees de Autoriteit naar Besluit C35/2006 van de Commissie betreffende een situatie waarbij een bod werd uitgebracht na de taxatie. De Commissie verklaarde in haar besluit:

Zelfs indien, overeenkomstig de mededeling  (32), een taxatie door een deskundige had plaatsgevonden (dat wil zeggen indien de grond was getaxeerd die daadwerkelijk werd verkocht en de taxatie in haar geheel vóór de verkoop en op basis van algemeen aanvaarde taxatiecriteria was verricht), dan was die evaluatie, zonder echt bod, nog niets anders geweest dan het op één na beste instrument om de marktwaarde van de grond te bepalen. Zodra er een geloofwaardig en bindend bod wordt gedaan dat direct vergelijkbaar is met en hoger dan de waarde volgens de taxatie door een deskundige, moet het bod voorrang krijgen. Het bod legt de daadwerkelijke marktwaarde vast en dient als een betere indicatie voor de gederfde staatsmiddelen te worden beschouwd dan een taxatie (33).

Tegen het besluit van de Commissie werd bij het Gerecht beroep aangetekend. Het Gerecht (34) was het niet eens met de beoordeling van de Commissie en was van oordeel dat de verkoop van grond niet met staatssteun gepaard ging. Het Gerecht kwam tot de conclusie dat het hoger bod niet geloofwaardig was en evenmin vergelijkbaar met het bod dat de gemeente had aanvaard (35). Voorts heeft het Gerecht erop gewezen dat het belangrijk is de specifieke omstandigheden van de zaak in overweging te nemen wanneer wordt bepaald of een hoger bod als vergelijkbaar kan worden beschouwd (36).

In deze zaak hebben de Noorse autoriteiten verklaard dat OB een koper met een bijzonder belang in het grondstuk was en dat OB derhalve bereid was een abnormaal hoge prijs voor het grondstuk te betalen om te verhinderen dat SDO activiteiten zou opzetten die concurrentie voor haar eigen activiteiten zouden kunnen vormen. OB is de dominante leverancier van skidiensten in het skioord. De activiteiten van SDO zouden rechtstreekse concurrentie vormen voor de door OB aangeboden diensten en de marktpositie van OB bedreigen. OB tekende bezwaar aan tegen de bestemmingswijziging van het grondstuk en toen haar klacht verworpen werd, wilde OB het grondstuk kopen. Dit toont de intenties van OB aan. Van OB dient bijgevolg te worden aangenomen dat zij een bijzonder belang in het grondstuk heeft. Het specifieke belang van OB wordt weerspiegeld in het hoge bod; het door OB uitgebrachte bod was meer dan drie keer hoger (3 100 000 NOK) dan de door de onafhankelijke taxateurs vastgestelde prijs en de Autoriteit beschikt niet over indicaties dat de taxaties van de onafhankelijke taxateurs tekortkomingen hadden. In deze zaak is de Autoriteit van oordeel dat de door SDO en OB uitgebrachte biedingen niet kunnen worden vergeleken door het specifieke belang dat OB in het grondstuk had. Als gevolg van dit specifieke belang is OB bereid een buitensporig hoog bod op het grondstuk uit te brengen. Dit bod kan bijgevolg niet als vergelijkbaar met dat van SDO worden beschouwd, dat de door de onafhankelijke taxateurs bepaalde waarde van het grondstuk weerspiegelt.

De Autoriteit concludeert dan ook, rekening houdende met de omstandigheden in deze zaak, dat het grondstuk tegen de marktprijs werd verkocht overeenkomstig de procedure van deel 2.2 van de richtsnoeren van de Autoriteit betreffende de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties.

In het licht van het voorgaande is de Autoriteit van oordeel dat de verkoop van het grondstuk door de gemeente Oppdal aan SDO niet met staatssteun gepaard ging, aangezien het hogere bod van OB moet worden beschouwd als een bod van een koper met een bijzonder belang in het grondstuk. De Autoriteit is bijgevolg van oordeel dat de verkoop tegen marktwaarde werd uitgevoerd overeenkomstig de procedure van deel 2.2 van de richtsnoeren van de Autoriteit betreffende de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties.

7   Conclusie

Op basis van de voorgaande beoordeling is de Autoriteit van oordeel dat de verkoop van grondstuk gnr 271/8 door de gemeente Oppdal aan Strand Drift Oppdal AS geen staatssteun vormde in de zin van de bepalingen inzake staatssteun van de EER-Overeenkomst,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Autoriteit is van oordeel dat de verkoop van grondstuk gnr 271/8 door de gemeente Oppdal aan Strand Drift Oppdal AS geen staatssteun vormde in de zin van artikel 61 van de EER-Overeenkomst.

Artikel 2

De op grond van artikel 4, lid 4, in samenhang met artikel 13 ingeleide procedure van deel II van Protocol nr. 3 betreffende de verkoop van grondstuk gnr 271/8 door de gemeente Oppdal wordt hierbij afgesloten.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.

Artikel 4

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 9 mei 2012.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Oda Helen SLETNES

De voorzitter

Sabine MONAUNI-TÖMÖRDY

Lid van het College


(1)  Beschikbaar op: http://www.eftasurv.int/media/decisions/195-04-COL.pdf

(2)  Bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, PB C 34 van 3.2.2011, en in het EER-Supplement bij het Publicatieblad nr. 6 van 3.2.2011.

(3)  Deze documenten werden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, PB C 34 van 3.2.2011, en in het EER-supplement bij het Publicatieblad nr. 6 van 3.2.2011.

(4)  Feit nr. 491369.

(5)  Feit nr. 491369.

(6)  Feit nr. 491369.

(7)  Zie de notulen van de vergadering op 31.3.2008 in de gemeente Oppdal (dienst gebouwen)(feit nr. 490914).

(8)  Feit nr. 491369.

(9)  Feit nr. 491369.

(10)  Zie de notulen van de vergadering op 26.5.2008 in de gemeente Oppdal (dienst gebouwen)(feit nr. 490914).

(11)  Feit nr. 491369.

(12)  Feit nr. 491369.

(13)  Feit nr. 491369.

(14)  Zie de notulen van de vergadering op 30.6.2008 in de gemeente Oppdal (dienst gebouwen)(feit nr. 493593).

(15)  Feit nr. 484869.

(16)  Feit nr. 490914.

(17)  Zie de notulen van de vergadering op 16.7.2008 – Feit nr. 491369.

(18)  Zie de notulen van de vergadering op 16.7.2008 – Feit nr. 491369.

(19)  Zie het ondertekende verkoopscontract tussen SDO en de gemeente Oppdal (feit nr. 490914).

(20)  Feiten nr. 491369 en 493593.

(21)  Zie het ondertekende verkoopscontract tussen SDO en de gemeente Oppdal (feit nr. 490914).

(22)  Feit nr. 491369.

(23)  Dit hoofdstuk van de richtsnoeren komt overeen met de mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (PB C 209 van 10.7.1997, blz. 3), tevens beschikbaar op: http://www.eftasurv.int/state-aid/legal-framework/state-aid-guidelines/

(24)  Feit nr. 493593.

(25)  Feit nr. 493593.

(26)  Besluit van de Commissie van 30.1.2008 in zaak C 35/06, PB 2008 van 14.5.2008, L 126/3.

(27)  Feit nr. 579649.

(28)  Feit nr. 490914.

(29)  Feit nr. 579649.

(30)  Feit nr. 490914.

(31)  Beschikbaar op: http://www.eftasurv.int/state-aid/legal-framework/state-aid-guidelines/

(32)  Deel 2.2 van de richtsnoeren staatssteun betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties komt overeen met de mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (PB C 209 van 10.7.1997, blz. 3).

(33)  Besluit van de Commissie van 30.1.2008 in zaak C 35/06, PB L 126/2008 van 14.5.2008, blz. 3, punt 59.

(34)  Arrest van 13 december 2011 in zaak T-244/08, Konsum Nord/Commissie (nog niet gepubliceerd).

(35)  Zaak T-244/08, Konsum Nord/Commissie, punt 72-76.

(36)  Zaak T-244/08, Konsum Nord/Commissie, punt 73.


Top