EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C2007/042/22

Zaak C-513/06 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 december 2006 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer — uitgebreid) van 27 september 2006 in zaak T-168/01, GlaxoSmithKline Services Unlimited, voorheen Glaxo Wellcome plc/Commissie van de Europese Gemeenschappen

OJ C 42, 24.2.2007, p. 13–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

24.2.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 42/13


Hogere voorziening ingesteld op 18 december 2006 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer — uitgebreid) van 27 september 2006 in zaak T-168/01, GlaxoSmithKline Services Unlimited, voorheen Glaxo Wellcome plc/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-513/06 P)

(2007/C 42/22)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Christoforou, F. Castillo de la Torre en E. Gippini Fournier, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: European Association of Euro Pharmaceutical Companies (EAEPC), Bundesverband der Arzneimittel-Importeure eV, Spain Pharma, SA, Asociación de exportadores españoles de productos farmacéuticos (Aseprofar), GlaxoSmithKline Services Unlimited, voorheen Glaxo Wellcome plc

Conclusies

vernietiging van de punten 1 en 3 tot en met 5 van het dictum van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 september 2006 in zaak T-168/01, GlaxoSmithKline Services Unlimited/Commissie van de Europese Gemeenschappen;

afdoening van de zaak door de vordering tot nietigverklaring in zaak T-168/01 ongegrond te verklaren;

verwijzing van verzoekster in zaak T-168/01 in de kosten van de Commissie in die zaak en in de onderhavige hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie is het eens met de conclusies van het Gerecht van eerste aanleg inzake de motivering van de litigieuze beschikking, het bestaan van een overeenkomst tussen ondernemingen, het gestelde misbruik van bevoegdheid en de gestelde schending van het subsidiariteitsbeginsel en van artikel 43 EG.

Met betrekking tot het gedeelte van het arrest waarin het bestaan van mededingingsverstorende „gevolgen” wordt behandeld, betwist de Commissie de redenering van het Gerecht van eerste aanleg. Het onderzoek door het Gerecht waarbij het bestaan van de mededingingsverstorende „gevolgen” wordt bevestigd, vormt in werkelijkheid een onderzoek van het mededingingsverstorende „doel” van de overeenkomst, met inachtneming van de juridische en economische context, en had het Gerecht ertoe moeten brengen de conclusie in de beschikking dat de overeenkomst een mededingingsverstorend doel had, te bevestigen. Wat de andere conclusies met betrekking tot „gevolgen” betreft, heeft de Commissie ernstige bezwaren tegen in het bijzonder de afbakening van de relevante markt, de verwerping van de conclusies van de Commissie met betrekking tot artikel 81, lid 1, sub d, EG met het juridisch onjuiste argument dat de verschillende prijzen op verschillende geografische markten werden toegepast, en een aantal andere vaststellingen in het arrest waar het Gerecht zijn eigen beoordeling van het feitelijke en economische bewijs in de plaats stelt van die van de Commissie, hetgeen van rechterlijke toetsing is uitgesloten. Aangezien de Commissie evenwel de uiteindelijke conclusies van het Gerecht deelt, te weten dat de betrokken overeenkomst mededingingsverstorende gevolgen had, is zij niet voornemens om in dit stadium middelen aan te voeren tegen dit gedeelte van het arrest.

In de onderhavige hogere voorziening worden twee groepen middelen aangevoerd. De eerste groep heeft betrekking op de conclusies met betrekking tot artikel 81, lid 1, EG, in het bijzonder de onjuiste rechtsopvattingen en verdraaiingen in de uitlegging en de toepassing van het begrip „doel” in deze bepaling, alsmede de vele verdraaiingen, onjuiste rechtsopvattingen, incoherenties en tegenstrijdigheden in de motivering met betrekking tot de „juridische en economische context” van de overeenkomst. De tweede groep middelen heeft betrekking op de conclusies met betrekking tot artikel 81, lid 3, EG: in de eerste plaats die met betrekking tot de eerste voorwaarde in deze bepaling, maar ook de gebrekkige beoordeling van verscheidene andere voorwaarden.


Top