Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62024CJ0837

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 juni 2026.
NOVA IBEROMOLDES - SGPS, S.A. tegen Autoridade Tributária e Aduaneira.
Verzoek van Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa - CAAD) om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Belastingen – Indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal – Richtlijn 2008/7/EG – Artikel 5, lid 1, onder a) en e) – Inbreng van kapitaal – Herstructureringen – Artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c) – Belasting op de overdracht van effecten – Overdrachtsrechten – Oprichting van een kapitaalvennootschap – Storting van maatschappelijk kapitaal middels de inbreng van deelnemingen van de inbrengende vennootschap in vennootschappen die onroerend goed bezitten – Belasting op de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen.
Zaak C-837/24.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2026:445

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

4 juni 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Belastingen – Indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal – Richtlijn 2008/7/EG – Artikel 5, lid 1, onder a) en e) – Inbreng van kapitaal – Herstructureringen – Artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c) – Belasting op de overdracht van effecten – Overdrachtsrechten – Oprichting van een kapitaalvennootschap – Storting van maatschappelijk kapitaal middels de inbreng van deelnemingen van de inbrengende vennootschap in vennootschappen die onroerend goed bezitten – Belasting op de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen ”

In zaak C‑837/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage – CAAD), Portugal] bij beslissing van 3 december 2024, ingekomen bij het Hof op 6 december 2024, in de procedure

NOVA IBEROMOLDES – SGPS, S.A.

tegen

Autoridade Tributária e Aduaneira,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur), S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        NOVA IBEROMOLDES – SGPS, S.A., vertegenwoordigd door V. Faria, advogado,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, H. Gomes Magno en A. Rodrigues als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin, P. Caro de Sousa, G. Coelho en A. Ferrand als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 februari 2026,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, onder a), artikel 4, artikel 5, lid 1, onder a) en e), artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), artikel 8, lid 3, en artikel 11 van richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB 2008, L 46, blz. 11).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen NOVA IBEROMOLDES – SGPS, S.A. (hierna: „Nova Iberomoldes”) en de Autoridade Tributária e Aduaneira (belasting‑ en douanedienst, Portugal; hierna: „belastingdienst”) over een aanvullende aanslag voor de imposto municipal sobre as transmissões onerosas de imóveis (gemeentelijke belasting op de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen; hierna: „IMT”) die is uitgevaardigd naar aanleiding van de bedrijfsherstructurering binnen het concern waartoe Nova Iberomoldes behoort.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 2 tot en met 4 van richtlijn 2008/7 luiden als volgt:

„(2)      De indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, te weten het recht op de inbreng van kapitaal in vennootschappen, hierna ‚het kapitaalrecht’ genoemd, het zegelrecht op effecten en het recht op herstructureringen, ongeacht of deze al dan niet een kapitaalsvermeerdering inhouden, leiden tot discriminaties, dubbele belastingheffing en ongelijkheden, die het vrije kapitaalverkeer hinderen. Hetzelfde geldt voor andere indirecte belastingen die dezelfde kenmerken hebben als het kapitaalrecht en het zegelrecht op effecten.

(3)      Het is derhalve in het belang van de interne markt de wetgeving betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal te harmoniseren, teneinde factoren die de mededingingsvoorwaarden kunnen verstoren of het vrije kapitaalverkeer hinderen, zoveel mogelijk weg te nemen.

(4)      Het kapitaalrecht heeft een ongunstige economische weerslag op de hergroepering en ontwikkeling van ondernemingen. Dit is in het bijzonder het geval in de huidige conjunctuurfase, waarin het beslist noodzakelijk is prioriteit te geven aan een heropleving van de investeringen.”

4        Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Onderwerp”, luidt:

„Deze richtlijn regelt de heffing van indirecte belastingen ter zake van:

a)      de inbreng van kapitaal in kapitaalvennootschappen;

b)      herstructuringsmaatregelen waarbij kapitaalvennootschappen zijn betrokken;

[...]”

5        Artikel 2 van die richtlijn, „Kapitaalvennootschap”, bepaalt in lid 1, onder a):

„Onder ‚kapitaalvennootschap’ in de zin van deze richtlijn wordt verstaan:

a)      iedere vennootschap in een van de in bijlage I opgenomen vormen”.

6        Artikel 3 van richtlijn 2008/7, „Inbreng van kapitaal”, luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn en behoudens artikel 4 worden de volgende verrichtingen aangemerkt als ‚inbreng van kapitaal’:

a)      de oprichting van een kapitaalvennootschap;

[...]”

7        Artikel 4 van deze richtlijn, „Herstructureringen”, bepaalt in lid 1:

„Voor de toepassing van deze richtlijn worden de volgende ‚herstructureringen’ niet als inbreng van kapitaal aangemerkt:

[...]

b)      de verwerving, door een in oprichting zijnde of reeds bestaande kapitaalvennootschap, van aandelen die een meerderheid van de stemrechten van een andere kapitaalvennootschap vertegenwoordigen, mits de vergoeding voor de verworven aandelen ten minste gedeeltelijk bestaat uit effecten die het kapitaal van de eerstgenoemde vennootschap vertegenwoordigen. [...]”

8        Artikel 5 van die richtlijn, „Verrichtingen die niet aan indirecte belastingen zijn onderworpen”, bepaalt in lid 1 het volgende:

„De lidstaten heffen bij kapitaalvennootschappen geen enkele indirecte belasting, in welke vorm ook, ter zake van:

a)      de inbreng van kapitaal;

[...]

e)      de in artikel 4 genoemde herstructureringen.”

9        Artikel 6 van voornoemde richtlijn, „Rechten en btw”, bepaalt in lid 1:

„Niettegenstaande artikel 5 kunnen de lidstaten de volgende rechten en belastingen heffen:

a)      al dan niet forfaitaire rechten op de overdrachten van effecten;

b)      overdrachtsrechten, daaronder begrepen kadastrale rechten, wegens inbreng van op hun grondgebied gelegen onroerende goederen of handelseigendommen in een kapitaalvennootschap;

c)      overdrachtsrechten wegens inbreng van zaken van welke aard ook in een kapitaalvennootschap, voor zover de overdracht van deze zaken geschiedt tegen toekenning van andere waarden dan aandelen;

[...]”

10      Artikel 7 van richtlijn 2008/7, „Heffing van het kapitaalrecht in bepaalde lidstaten”, bepaalt in lid 1:

„Niettegenstaande artikel 5, lid 1, onder a), mag een lidstaat die op 1 januari 2006 een recht op de inbreng van kapitaal in kapitaalvennootschappen hief, hierna ‚het kapitaalrecht’ genoemd, dit recht blijven heffen, mits hij de artikelen 8 tot en met 14 in acht neemt.”

11      Artikel 8 van deze richtlijn, „Tarief van het kapitaalrecht”, luidt:

„1.      Het kapitaalrecht wordt geheven tegen een uniform tarief.

[...]

3.      Het tarief van het kapitaalrecht mag in ieder geval ten hoogste 1 % bedragen.”

12      Artikel 11 van die richtlijn regelt hoe de belastinggrondslag van het kapitaalrecht wordt bepaald.

13      Punt 22 van bijlage I bij richtlijn 2008/7 verwijst onder meer naar de sociedade anónima, dat wil zeggen de naamloze vennootschap naar Portugees recht.

 Portugees recht

14      Artikel 2 van de Código do Imposto Municipal sobre as Transmissões Onerosas de Imóveis (wetboek inzake de gemeentelijke belasting op de overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen), vastgesteld bij Decreto-Lei n.º 287/2003 (wetsbesluit nr. 287/2003) van 12 november 2003, in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „IMT-wetboek”) luidt:

„1 – De IMT wordt geheven over de overdrachten, onder bezwarende titel, van het eigendomsrecht of delen daarvan, op onroerende goederen die op het nationale grondgebied zijn gelegen.

2 – Voor de toepassing van lid 1 omvat het begrip ‚overdracht van onroerende goederen’ voorts:

[...]

d)      de verwerving van deelnemingen of aandelen in vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, wanneer deze vennootschappen onroerende goederen bezitten en wanneer ten gevolge van deze verwerving, ten gevolge van intrekking of een andere gebeurtenis een van de aandeelhouders ten minste 75 % van het maatschappelijk kapitaal verkrijgt of het aantal aandeelhouders wordt teruggebracht tot een echtpaar of een ongehuwd samenwonend paar.

[...]”

15      In het geval van de in artikel 2, lid 2, onder d), van dit wetboek bedoelde verrichtingen, wordt op grond van artikel 12, lid 4, punt 19, onder a), en artikel 17, een IMT‑tarief toegepast van tussen 1 % en 8 % van de belastinggrondslag, die overeenkomt met de fiscale referentiewaarde van de onroerende goederen of, indien deze hoger is, de boekwaarde volgens de balans.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16      Nova Iberomoldes is op 28 maart 2019 opgericht als naamloze vennootschap naar Portugees recht. Haar maatschappelijk kapitaal is volledig volgestort door inbreng in natura, in de vorm van deelnemingen van de enig aandeelhouder in verschillende vennootschappen. Een deel van de activa van een van deze vennootschappen, te weten een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan het maatschappelijk kapitaal thans volledig in handen is van Nova Iberomoldes, bestond uit twee onroerende goederen.

17      Na een controle van de fiscale situatie van de enig aandeelhouder van Nova Iberomoldes heeft de belastingdienst vastgesteld dat de inbreng van activa bij de oprichting van Nova Iberomoldes niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van de zogenoemde „regeling inzake fiscale neutraliteit” en dat deze verrichting onderworpen was aan de IMT krachtens artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek.

18      Nova Iberomoldes heeft bij de verwijzende rechter, de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage – CAAD), Portugal], een arbitrageverzoek ingediend met het oog op nietigverklaring van de door de belastingdienst afgegeven aanvullende aanslag voor de IMT. Volgens deze vennootschap is de regel van artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek niet in overeenstemming met richtlijn 2008/7. In casu heeft de oprichting van een kapitaalvennootschap geleid tot een inbreng van kapitaal in de zin van artikel 3, onder a), van deze richtlijn, waarover op grond van artikel 5, lid 1, onder a), daarvan geen enkele vorm van indirecte belasting mag worden geheven.

19      Nova Iberomoldes heeft voorts aangevoerd dat de aandelenoverdracht waarmee de kapitaalinbreng plaatsvond en waarop de aanvullende aanslag voor de IMT betrekking heeft, niet valt onder de uitzondering van artikel 6 van richtlijn 2008/7, aangezien de aandelen in kwestie geen „effecten” in de zin van artikel 6, lid 1, onder a), van deze richtlijn zijn en de IMT geen „overdrachtsrecht” is in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), daarvan. Zelfs al zou het toegestaan zijn om IMT te heffen over die inbreng, is deze heffing hoe dan ook in strijd met het in die richtlijn vastgestelde beginsel van het uniforme tarief, aangezien de toegepaste tarieven hoger zijn dan het in artikel 8, lid 3, daarvan vastgestelde plafond van 1 %.

20      De belastingdienst heeft aangevoerd dat richtlijn 2008/7 de lidstaten niet alleen niet verbiedt om belasting te heffen op de overdracht van effecten, en dat artikel 6, lid 1, onder a), van die richtlijn dit bovendien uitdrukkelijk toestaat. Het IMT-wetboek bepaalt dat bepaalde transacties houdende de indirecte overdracht van onroerende goederen worden onderworpen aan de IMT, waarmee wordt beoogd te vermijden dat middels de verwerving van aandelen in vennootschappen die onroerende goederen bezitten, op indirecte wijze de eigendom van een onroerend goed kan worden verkregen zonder te worden belast.

21      De Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) twijfelt over de verenigbaarheid van de nationale wetgeving met richtlijn 2008/7 en heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Moet een belasting die wordt geheven over de overdracht onder bezwarende titel van het eigendomsrecht, of delen daarvan, op een onroerend goed en die elke gebeurtenis waardoor een aandeelhouder ten minste 75 % van het maatschappelijk kapitaal verkrijgt van een vennootschap die onroerend goed bezit (zoals de in casu aan de orde zijnde IMT) gelijkstelt aan een overdracht van onroerende goederen, worden aangemerkt als een ‚indirecte belasting’ op het bijeenbrengen van kapitaal in de zin van richtlijn [2008/7]?

2)      Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moet een verrichting als hier aan de orde, waarbij een kapitaalvennootschap in de zin van artikel 2 van richtlijn [2008/7] wordt opgericht met het oog op het beheer van aandelen en waarbij het volledig maatschappelijk kapitaal wordt volgestort middels de inbreng van aandelen van de inbrengende vennootschap (waarvan de activiteit ook bestaat in het beheer van aandelen) in andere vennootschappen, zonder overdracht van andere bestanddelen en middelen en zonder overdracht van alle eigenvermogensinstrumenten, en waarbij de inbrengende vennootschap als tegenprestatie het volledige maatschappelijk kapitaal van de ontvangende vennootschap verkrijgt, dan worden aangemerkt als inbreng van kapitaal (in de zin van artikel 3 van de richtlijn) of als herstructurering (in de zin van artikel 4 van de richtlijn)?

3)      Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, verzet artikel 5, lid 1, onder a) of e), van richtlijn [2008/7] zich dan tegen belastingheffing over de betrokken verrichting op grond van artikel 2, lid 2, onder b), van het IMT-wetboek, dat de overdracht van aandelen die ten minste 75 % van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap die eigenaar is van onroerend goed, gelijkstelt aan een overdracht van onroerend goed?

4)      Indien de derde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten de overgedragen ‚aandelen’ dan voor de toepassing van artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn [2008/7] worden beschouwd als ‚effecten’?

5)      Indien de derde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de IMT dan voor de toepassing van artikel 6, lid 1, onder b) of c), van richtlijn [2008/7] worden beschouwd als een ‚overdrachtsrecht’?

6)      Indien artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek verenigbaar wordt geacht met richtlijn [2008/7], verzetten artikel 8, lid 3, en artikel 11 van de richtlijn zich dan tegen de regels van artikel 12, lid 4, punt 19, onder a), en artikel 17 van het IMT-wetboek, op grond waarvan een belastingtarief van 1 % tot 8 % wordt toegepast al naargelang de waarde van de heffingsgrondslag, die wordt bepaald aan de hand van de fiscale referentiewaarde van de onroerende goederen of de boekwaarde volgens de balans, indien deze hoger is?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste tot en met vijfde vraag

22      Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (zie in die zin arresten van 13 december 1984, Haug-Adrion, 251/83, EU:C:1984:397, punt 9, en 23 oktober 2025, Zlakov, C‑744/23, EU:C:2025:816, punt 17).

23      In casu moeten de eerste tot en met de vijfde vraag, gelet op de feiten zoals uiteengezet in de verwijzingsbeslissing, aldus worden opgevat dat het Hof daarmee wordt verzocht om vast te stellen of artikel 3, onder a), artikel 4, lid 1, onder b), artikel 5, lid 1, onder a) en e), en artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van richtlijn 2008/7 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een verrichting tot oprichting van een kapitaalvennootschap waarvan het maatschappelijk kapitaal volledig is volgestort middels de inbreng van deelnemingen van de inbrengende vennootschap in andere vennootschappen die onroerend goed bezitten, waarbij de inbrengende vennootschap als tegenprestatie het volledige maatschappelijk kapitaal van de aldus opgerichte vennootschap ontvangt, wordt onderworpen aan een belasting waarvan de grondslag wordt bepaald aan de hand van de fiscale referentiewaarde van die onroerende goederen of, in voorkomend geval, de boekwaarde volgens de balans.

 Artikel 3, onder a), artikel 4, lid 1, onder b), en artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/7

24      Om de aldus geherformuleerde vraag te beantwoorden, dient in herinnering te worden gebracht dat bij richtlijn 2008/7 de gevallen waarin de lidstaten indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal kunnen heffen volledig zijn geharmoniseerd (arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Zoals blijkt uit de overwegingen 2 tot en met 4 van deze richtlijn wordt met die harmonisatie beoogt om factoren die de mededingingsvoorwaarden kunnen verstoren of het vrije kapitaalverkeer kunnen hinderen zo veel mogelijk weg te nemen teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen (arrest van 22 april 2015, Drukarnia Multipress, C‑357/13, EU:C:2015:253, punt 31).

26      Deze doelstellingen kunnen enkel ten volle worden verwezenlijkt wanneer er op het bijeenbrengen van kapitaal alleen onder de door de Uniewetgever gestelde strikte voorwaarden indirecte belastingen worden geheven (zie in die zin arrest van 22 april 2015, Drukarnia Multipress, C‑357/13, EU:C:2015:253, punt 32).

27      Artikel 5, lid 1, onder a) en e), van richtlijn 2008/7 bepaalt dat de lidstaten bij kapitaalvennootschappen geen enkele indirecte belasting heffen op de inbreng van kapitaal in de zin van artikel 3 van deze richtlijn en op herstructureringen in de zin van artikel 4 daarvan.

28      Volgens artikel 3, onder a), van richtlijn 2008/7 omvat het begrip „inbreng van kapitaal” de oprichting van een kapitaalvennootschap. Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt echter dat onder meer de in punt b) van deze bepaling bedoelde herstructurering, te weten „de verwerving, door een in oprichting zijnde of reeds bestaande kapitaalvennootschap, van aandelen die een meerderheid van de stemrechten van een andere kapitaalvennootschap vertegenwoordigen, mits de vergoeding voor de verworven aandelen ten minste gedeeltelijk bestaat uit effecten die het kapitaal van de eerstgenoemde vennootschap vertegenwoordigen”, niet wordt aangemerkt als inbreng van kapitaal.

29      In casu valt de oprichting van Nova Iberomoldes, waarvan vaststaat dat zij een kapitaalvennootschap in de zin van artikel 2 van richtlijn 2008/7 is, in beginsel onder het begrip „inbreng van kapitaal” overeenkomstig artikel 3, onder a), van deze richtlijn. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat het maatschappelijk kapitaal van Nova Iberomoldes, door de vennootschap die haar enig aandeelhouder is, volledig is volgestort middels de inbreng van aandelen van deze vennootschap in het kapitaal van andere vennootschappen, die telkens tussen 50 en 100 % van het maatschappelijk kapitaal van deze laatsten vertegenwoordigden. In ruil voor deze aandelen heeft de inbrengende vennootschap alle bewijzen van deelgerechtigdheid in het kapitaal van Nova Iberomoldes ontvangen.

30      Aangezien die aldus door Nova Iberomoldes verworven aandelen de meerderheid van de stemrechten in andere kapitaalvennootschappen vertegenwoordigden, en aangezien deze aandelen werden vergoed met bewijzen van deelgerechtigdheid in het kapitaal van Nova Iberomoldes, voldoet de verrichting waarbij deze laatste is opgericht aan de criteria van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/7 en vormt die verrichting dus, zoals ook de Duitse regering en de Europese Commissie hebben opgemerkt, een herstructurering in de zin van die bepaling. Dat er geen overdracht van andere bestanddelen en middelen of van alle eigenvermogensinstrumenten heeft plaatsgevonden, is in dit verband irrelevant.

31      Bijgevolg moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder e), van richtlijn 2008/7 kapitaalvennootschappen vrijstellen van enige vorm van indirecte belasting op een herstructurering als die in het hoofdgeding.

32      Wat de uitlegging van dit begrip „indirecte belasting” betreft, is het vaste rechtspraak dat artikel 5 van richtlijn 2008/7, gelet op de in punt 25 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstelling van deze richtlijn, ruim moet worden uitgelegd om te voorkomen dat het daarin opgelegde belastingverbod zijn nuttig effect verliest (zie in die zin arresten van 28 juni 2007, Albert Reiss Beteiligungsgesellschaft, C‑466/03, EU:C:2007:385, punt 39; 19 oktober 2017, Air Berlin, C‑573/16, EU:C:2017:772, punt 31, en 5 juni 2025, Corner and Border, C‑685/23, EU:C:2025:398, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33      De lidstaten hoeven op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/7 de in lid 1 daarvan bedoelde verrichtingen evenwel niet vrij te stellen van elke vorm van directe belastingheffing (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punt 71). In het bijzonder heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bij die richtlijn ingevoerde harmonisatie geen betrekking heeft op directe belastingen, die, zoals de vennootschapsbelasting, in overeenstemming met het Unierecht in beginsel onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen (zie in die zin arresten van 26 september 1996, Frederiksen, C‑287/94, EU:C:1996:354, punt 21, en 24 februari 2022, Viva Telecom Bulgaria, C‑257/20, EU:C:2022:125, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Het Hof dient een belasting, recht of heffing vanuit Unierechtelijk oogpunt te kwalificeren aan de hand van de objectieve kenmerken van de belasting, onafhankelijk van de wijze waarop deze naar nationaal recht wordt gekwalificeerd (zie in die zin arresten van 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime, C‑197/94 en C‑252/94, EU:C:1996:47, punt 39; 19 maart 2002, Commissie/Griekenland, C‑426/98, EU:C:2002:180, punt 23, en 30 maart 2006, Aro Tubi Trafilerie, C‑46/04, EU:C:2006:210, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Wat de kwalificatie betreft van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting, die voortvloeit uit de toepassing van artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek, moet om te beginnen worden opgemerkt dat het overeenkomstig de in het vorige punt in herinnering gebrachte vaste rechtspraak irrelevant is dat die belasting volgens het nationale recht aldus kan worden opgevat dat deze de in artikel 2, lid 1, van dat wetboek bedoelde belasting uitbreidt door elke verrichting waarbij aan een vennoot of aandeelhouder ten minste 75 % van het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap die onroerende goederen bezit, wordt toegekend, gelijk te stellen met het begrip „overdracht van onroerende goederen”.

36      Bovendien moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting verschilt van de categorie directe belastingen, aangezien zij niet wordt geheven over de ontvangst van inkomsten of het bezit van vermogen door een belastingplichtige, maar over de verhandeling van aandelen in vennootschappen die onroerende goederen bezitten, zonder dat hierbij doorslaggevend is welke van de bij de transactie betreffende deze aandelen betrokken partijen naar nationaal recht als belastingplichtige wordt aangemerkt.

37      Meer in het bijzonder worden er op grond van artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek specifieke verrichtingen belast, waaronder de verwerving van aandelen in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid wanneer deze vennootschap onroerend goed bezit en de verwerver van de aandelen na deze transactie ten minste 75 % van het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap in handen heeft. Dit geldt ook in het geval van een inbreng in een kapitaalvennootschap van aandelen in een vennootschap die onroerend goed bezit, waarbij de inbrengende vennootschap als tegenprestatie aandelen ontvangt in de ontvangende vennootschap.

38      De IMT wordt dus geheven bij de overdracht van aandelen in een vennootschap die onroerend goed bezit, ook in geval van een inbreng in een kapitaalvennootschap van dergelijke aandelen. In dit laatste geval valt de belasting onder artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/7 (zie naar analogie arrest van 11 december 1997, Immobiliare SIF, C‑42/96, EU:C:1997:602, punt 25).

39      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het betoog van de Portugese en de Duitse regering dat het belastbare feit voor een belasting als die welke voortvloeit uit de toepassing van artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek niet gelegen is in de overdracht van aandelen in het kader van inbrengingen in natura, maar in de economische overdracht van de eigendom van onroerend goed.

40      Voor zover deze regeringen zich beroepen op de omstandigheid dat de IMT niet verschuldigd is wanneer de vennootschappen waarvan de aandelen worden overgedragen geen onroerend goed bezitten, neemt dit immers niet weg dat die belasting wel wordt geheven wanneer deze vennootschappen toch onroerend goed bezitten en tevens aan de overige voorwaarden in artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek is voldaan.

41      Wat daarnaast het argument van de Duitse regering betreft dat de heffingsgrondslag voor de IMT in casu niet overeenkomt met de waarde van de ingebrachte aandelen maar met de fiscale referentiewaarde van de betrokken onroerende goederen, moet worden opgemerkt dat het belastingverbod van artikel 5 van richtlijn 2008/7 geenszins beperkt is tot belastingen die worden geheven op een inbreng als zodanig, omdat dit artikel anders zijn nuttig effect kan verliezen (zie in die zin arresten van 5 maart 1998, Solred, C‑347/96, EU:C:1998:87, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 27 oktober 1998, FECSA en ACESA, C‑31/97 en C‑32/97, EU:C:1998:508, punt 22, en 29 september 1999, Modelo, C‑56/98, EU:C:1999:460, punt 27). De heffing van de IMT bij de inbreng in een kapitaalvennootschap van aandelen in een vennootschap die onroerend goed bezit, heeft tot gevolg dat deze inbreng aan die belasting wordt onderworpen (zie naar analogie arrest van 11 december 1997, Immobiliare SIF, C‑42/96, EU:C:1997:602, punt 31).

42      Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat een belasting als die in het hoofdgeding, die voortvloeit uit de toepassing van artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek, een indirecte belasting is die valt onder het verbod op iedere belasting van deze aard, zoals ingesteld bij artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/7 voor de in die bepaling bedoelde verrichtingen, waaronder herstructureringen.

 Artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van richtlijn 2008/7

43      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/7 geeft een uitputtende opsomming van de andere belastingen en rechten dan het in artikel 7 daarvan bedoelde kapitaalrecht waaraan kapitaalvennootschappen, in afwijking van artikel 5 van deze richtlijn, ter zake van de in laatstgenoemde bepaling bedoelde verrichtingen kunnen worden onderworpen.

44      Aangezien artikel 6 van richtlijn 2008/7 een uitzondering vormt op het principiële verbod van artikel 5 van deze richtlijn, moet eerstgenoemd artikel strikt worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 15 juli 2004, Commissie/België, C‑415/02, EU:C:2004:450, punt 37, en 9 oktober 2014, Gielen, C‑299/13, EU:C:2014:2266, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      In casu wenst de verwijzende rechter meer in het bijzonder te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting valt onder een van de uitzonderingen in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van richtlijn 2008/7.

–       Artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/7

46      Volgens artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/7 kunnen de lidstaten „al dan niet forfaitaire rechten op de overdrachten van effecten” heffen.

47      Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat op grond van deze bepaling een belasting kan worden geheven in geval van overdracht van effecten zoals aandelen, ongeacht of de vennootschap die deze effecten heeft uitgegeven beursgenoteerd is en of de overdracht geschiedt op de beurs dan wel rechtstreeks tussen de vervreemder en de verkrijger (zie in die zin arrest van 17 december 1998, Codan, C‑236/97, EU:C:1998:617, punt 31, en beschikking van 6 oktober 2010, INMOGOLF, C‑487/09, EU:C:2010:586, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ook heeft het Hof geoordeeld dat de overdracht van aandelen onder het begrip „overdracht van effecten” valt (arrest van 7 september 2006, Organon Portuguesa, C‑193/04, EU:C:2006:519, punt 20).

48      Artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/7 is echter, als uitzonderingsbepaling, enkel van toepassing op overdrachten van effecten die een autonome verrichting vormen, en niet op overdrachten van effecten die een bijkomende verrichting vormen die deel uitmaakt van een in artikel 5 van die richtlijn bedoelde verrichting (zie in die zin arresten van 15 juli 2004, Commissie/België, C‑415/02, EU:C:2004:450, punten 38 en 39; 1 oktober 2009, HSBC Holdings en Vidacos Nominees, C‑569/07, EU:C:2009:594, punt 34, en 19 oktober 2017, Air Berlin, C‑573/16, EU:C:2017:772, punt 36).

49      Het klopt dat er in casu sprake is van een overdracht van aandelen, aangezien het kapitaal van Nova Iberomoldes door haar enig aandeelhouder is volgestort middels de inbrenging van aandelen die deze enig aandeelhouder hield in het kapitaal van andere vennootschappen. Deze overdracht vormde echter geen autonome verrichting maar een bijkomende verrichting die onderdeel uitmaakte van een herstructurering als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder e), van richtlijn 2008/7. Op dit punt verschilt de onderhavige zaak dus van de zaak die heeft geleid tot de door de Commissie aangehaalde beschikking van 6 oktober 2010, INMOGOLF (C‑487/09, EU:C:2010:586).

50      Een belasting als die in het hoofdgeding valt dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/7.

–       Artikel 6, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/7

51      Krachtens artikel 6, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/7 kunnen de lidstaten respectievelijk „overdrachtsrechten, daaronder begrepen kadastrale rechten, wegens inbreng van op hun grondgebied gelegen onroerende goederen of handelseigendommen in een kapitaalvennootschap”, en „overdrachtsrechten wegens inbreng van zaken van welke aard ook in een kapitaalvennootschap, voor zover de overdracht van deze zaken geschiedt tegen toekenning van andere waarden dan aandelen” heffen.

52      Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat een verrichting als die in het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/7 kan vallen, al is het alleen maar omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de overdracht van activa anders dan met aandelen wordt vergoed. De inbreng in Nova Iberomoldes, door haar enig aandeelhouder, van aandelen in andere vennootschappen, vond immers plaats in ruil voor aandelen in Nova Iberomoldes.

53      Met betrekking tot artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/7 volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling het mogelijk maakt om, aan de hand van algemene en objectieve criteria, rechten te heffen bij de overdracht van het eigendomsrecht op onroerende goederen of handelseigendommen (zie in die zin arrest van 15 juni 2006, Badischer Winzerkeller, C‑264/04, EU:C:2006:402, punten 32‑34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      In casu staat vast dat er geen enkele overdracht van een eigendomsrecht heeft plaatsgevonden. De twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde onroerende goederen zijn immers eigendom gebleven van de vennootschap waarvan de aandelen zijn ingebracht in Nova Iberomoldes door haar enig aandeelhouder.

55      De Duitse regering voert echter aan dat onder artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/7 niet alleen de overdracht van de juridische eigendom van onroerende goederen valt, maar ook economische overdrachten die daar volgens deze regering mee gelijkgesteld kunnen worden. Vanuit economisch oogpunt wordt in casu juist een daadwerkelijke overdracht belast.

56      Dit betoog kan niet slagen. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanvullende aanslag voor de IMT opgelegd naar aanleiding van een bedrijfsherstructurering binnen het concern waartoe Nova Iberomoldes behoort. Deze laatste is opgericht met het oog op het beheer van aandelen, waarbij haar maatschappelijk kapitaal volledig is volgestort middels de inbreng van deelnemingen die haar enig aandeelhouder, waarvan de activiteit ook bestaat in het beheer van aandelen, hield in andere vennootschappen.

57      Zelfs indien wordt aangenomen dat, zoals de Duitse regering betoogt, deze kwestie vanuit economisch oogpunt moet worden beoordeeld, blijkt dat bij een verrichting als die in het hoofdgeding, betreffende een bedrijfsherstructurering binnen een concern, niet alleen geen overdracht van de juridische eigendom van onroerende goederen heeft plaatsgevonden, maar evenmin een overdracht van de feitelijke eigendom van die goederen.

58      In deze omstandigheden is artikel 6, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/7 niet van toepassing.

59      Deze uitlegging wordt bevestigd door overwegingen in verband met de context van die bepaling en met de doelstellingen van richtlijn 2008/7.

60      Zoals in herinnering gebracht in punt 44 van dit arrest, vormt artikel 6 van richtlijn 2008/7 immers een uitzondering op het verbod van artikel 5 daarvan, zodat dit artikel 6, als uitzondering op de regel dat geen belasting wordt geheven, strikt moet worden uitgelegd.

61      Daarnaast volgt uit de overwegingen 3 en 4 van richtlijn 2008/7 dat deze richtlijn onder meer beoogt de fiscale belemmeringen voor de herstructurering van ondernemingen te verminderen (zie ook, naar analogie, arrest van 13 oktober 1992, Commerz-Credit-Bank, C‑50/91, EU:C:1992:386, punt 11). Deze doelstelling zou echter in het gedrang komen indien het door de Duitse regering verdedigde standpunt zou worden gevolgd.

62      Een belasting als die in het hoofdgeding valt dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/7.

 Voorkoming van belastingfraude en belastingontwijking

63      De Portugese regering betoogt voorts dat de uit de toepassing van artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek voortvloeiende belasting wordt gerechtvaardigd door de doelstelling van het voorkomen van belastingfraude en -ontwijking.

64      Dienaangaande zij opgemerkt dat richtlijn 2008/7 geen enkele specifieke regel bevat die erop is gericht om het risico van belastingfraude en -ontwijking te voorkomen, maar dat de lidstaten zich kunnen verzetten tegen de toepassing van het Unierecht in omstandigheden waarin sprake is van fraude of misbruik (zie in die zin arresten van 8 november 2007, Ing. Auer, C‑251/06, EU:C:2007:658, punten 40 en 41, en 9 juli 2009, Commissie/Spanje, C‑397/07, EU:C:2009:436, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      De lidstaten kunnen zich in dit verband echter niet baseren op algemene vermoedens (zie in die zin arrest van 9 juli 2009, Commissie/Spanje, C‑397/07, EU:C:2009:436, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      Vastgesteld moet worden dat een bepaling als artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek is gebaseerd op een algemeen vermoeden, aangezien deze bepaling, gelet op de bewoordingen ervan, zonder uitzondering van toepassing lijkt te zijn op iedere verrichting in het kader waarvan aandelen worden overgedragen van vennootschappen waarvan de activa onroerende goederen omvatten, ongeacht of er een concrete aanwijzing van fraude of misbruik bestaat.

67      Wat onder artikel 5 van richtlijn 2008/7 vallende verrichtingen betreft, gaat de toepassing van een bepaling als artikel 2, lid 2, onder d), van het IMT-wetboek verder dan wat nodig is om de beoogde doelstelling van bestrijding van belastingfraude en ‑ontwijking te verwezenlijken, en is deze toepassing dus niet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel dat de lidstaten bij het nastreven van die doelstelling in acht moeten nemen (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Deister Holding en Juhler Holding, C‑504/16 en C‑613/16, EU:C:2017:1009, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Bovendien heeft de Portugese regering hoe dan ook niet aangevoerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichting fraude of misbruik vormde, en overigens blijkt uit niets in het dossier waarover het Hof beschikt dat dit het geval is (zie naar analogie arrest van 13 maart 2025, John Cockerill, C‑135/24, EU:C:2025:176, punt 51).

69      Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste tot en met de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 3, onder a), artikel 4, lid 1, onder b), artikel 5, lid 1, onder a) en e), en artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van richtlijn 2008/7 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een verrichting tot oprichting van een kapitaalvennootschap waarvan het maatschappelijk kapitaal volledig is volgestort middels de inbreng van deelnemingen van de inbrengende vennootschap in andere vennootschappen die onroerend goed bezitten, waarbij de inbrengende vennootschap als tegenprestatie het volledige maatschappelijk kapitaal van de aldus opgerichte vennootschap ontvangt, wordt onderworpen aan een belasting waarvan de grondslag wordt bepaald aan de hand van de fiscale referentiewaarde van die onroerende goederen of, in voorkomend geval, de boekwaarde volgens de balans.

 Zesde vraag

70      Gelet op het antwoord op de eerste tot en met de vijfde vraag, hoeft de zesde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

71      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, onder a), artikel 4, lid 1, onder b), artikel 5, lid 1, onder a) en e), en artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c), van richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een verrichting tot oprichting van een kapitaalvennootschap waarvan het maatschappelijk kapitaal volledig is volgestort middels de inbreng van deelnemingen van de inbrengende vennootschap in andere vennootschappen die onroerend goed bezitten, waarbij de inbrengende vennootschap als tegenprestatie het volledige maatschappelijk kapitaal van de aldus opgerichte vennootschap ontvangt, wordt onderworpen aan een belasting waarvan de grondslag wordt bepaald aan de hand van de fiscale referentiewaarde van die onroerende goederen of, in voorkomend geval, de boekwaarde volgens de balans.

ondertekeningen


*      Procestaal: Portugees.

Top