This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62024CC0840
Opinion of Advocate General Szpunar delivered on 26 February 2026.###
Conclusie van advocaat-generaal M. Szpunar van 26 februari 2026.
Conclusie van advocaat-generaal M. Szpunar van 26 februari 2026.
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2026:123
Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
M. SZPUNAR
van 26 februari 2026 (1)
Zaak C‑840/24
Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort)
tegen
TL
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Artikel 5, lid 2, onder b) – Uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik – Billijke compensatie – Richtlijn 2006/115/EG – Artikel 6, lid 1 – Afwijking van het openbare uitleenrecht – Recht op vergoeding – Collectieve beheerorganisatie – Richtlijn 2014/26/EU – Artikel 11, lid 4 – Artikel 12, lid 4 – Gebruik van door een collectieve beheerorganisatie beheerde rechteninkomsten – Nationaal voorschrift ter bevordering van cultureel belangrijke werken ”
Inleiding
1. Hoewel het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in artikel 17, lid 2, ervan de bescherming van intellectuele eigendom aan het algemene eigendomsrecht koppelt, staat het mijns inziens buiten kijf dat de intellectuele eigendom een specifieke rol speelt die verschilt van die van de eigendom van materiële objecten.
2. Dit geldt met name voor literaire en artistieke eigendom, die wordt beschermd door het auteursrecht en de naburige rechten. Die eigendom en de rechten ter bescherming daarvan hebben namelijk als belangrijkste functie bij te dragen aan artistieke en wetenschappelijke schepping, die onmisbaar is voor de werking van elke maatschappij. Het is juist dat deze bijdrage voornamelijk erin bestaat auteurs en uitvoerende kunstenaars een billijke financiële vergoeding voor hun inspanningen te verzekeren, zodat deze zich volledig aan hun creatieve activiteiten kunnen wijden. Zij mag zich evenwel niet daartoe beperken maar moet ook meer algemene doelstellingen nastreven die bijdragen aan de culturele ontwikkeling.
3. De hoeksteen van elk stelsel van auteursrechten en naburige rechten wordt gevormd door collectieve beheerorganisaties, die fungeren als tussenpersoon tussen de makers – rechthebbenden – en de exploitanten van hun werken. Deze organisaties verlenen licenties voor de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal en verdelen de daaruit voortvloeiende inkomsten onder de rechthebbenden. Hun rol houdt daar echter niet op. Deze organisaties worden namelijk vaak gevraagd om verschillende andere taken van culturele of maatschappelijke aard te vervullen, in overeenstemming met de maatschappelijke functie van artistieke en literaire eigendom.(2)
4. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of en in hoeverre het Unierecht deze organisaties toestaat om een deel van de geïnde inkomsten, en met name bepaalde categorieën inkomsten, te besteden aan culturele acties die niet alleen ten goede komen aan houders van auteursrechten en naburige rechten, maar ook aan andere categorieën personen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
5. Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(3) luidt:
„De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde reproductierecht stellen ten aanzien van:
[...]
b) de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal”.
6. Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom(4) bepaalt:
„De lidstaten kunnen ten aanzien van openbare uitlening afwijken van het in artikel 1 bedoelde uitsluitende recht, mits ten minste de auteurs een vergoeding krijgen voor deze uitlening. Met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten, kunnen de lidstaten de hoogte van deze vergoeding vrij vaststellen.”
7. Artikel 3, onder h), van richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt(5) definieert het begrip „rechteninkomsten” als „door een collectieve beheerorganisatie namens rechthebbenden geïnde inkomsten, hetzij voortvloeiend uit een exclusief recht, een recht op vergoeding of een recht op schadeloosstelling”.
8. Artikel 4 van die richtlijn bepaalt dat „[d]e lidstaten [...] erop [toezien] dat collectieve beheerorganisaties handelen in het belang van de rechthebbenden [...] wiens rechten zij vertegenwoordigen en dat zij aan hen geen verplichtingen opleggen die objectief beschouwd niet noodzakelijk zijn voor de bescherming van hun rechten en belangen of voor het doeltreffende beheer van hun rechten”.
9. Artikel 8, lid 5, onder d), van deze richtlijn bepaalt dat „[i]n overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel II [...] de algemene ledenvergadering ten minste over de volgende zaken [besluit]:
[...]
d) het algemene beleid betreffende inhoudingen op rechteninkomsten en op inkomsten uit de belegging van rechteninkomsten”.
10. In artikel 11, lid 4, van deze richtlijn wordt bepaald dat „[h]et [...] een collectieve beheerorganisatie niet [is] toegestaan om de rechteninkomsten of inkomsten uit de belegging van rechteninkomsten te gebruiken voor andere doeleinden dan uitkering aan de rechthebbenden, behalve wanneer het haar is toegelaten om haar beheerkosten in te houden of te compenseren in overeenstemming met een besluit genomen overeenkomstig artikel 8, lid 5, onder d), of [zij] deze rechteninkomsten of inkomsten uit de belegging van rechteninkomsten mag gebruiken in overeenstemming met een besluit genomen overeenkomstig artikel 8, lid 5.”
11. Artikel 12, leden 2 en 4, van richtlijn 2014/26 luidt als volgt:
„2. Inhoudingen zijn redelijk, staan in verhouding tot de door de collectieve beheerorganisatie aan de rechthebbenden verleende diensten en in voorkomend geval ook tot de in lid 4 bedoelde diensten, en worden vastgesteld op basis van objectieve criteria.
[...]
4. Wanneer een collectieve beheerorganisatie sociale, culturele of educatieve diensten verleent die worden gefinancierd uit inhoudingen op de rechteninkomsten of uit andere inkomsten die voortvloeien uit de belegging van rechteninkomsten, worden dergelijke diensten geleverd op grond van billijke criteria, in het bijzonder wat betreft de toegang tot en de omvang van die diensten.”
Duits recht
12. De werking van organisaties voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten werd tot 1 juni 2016 in het Duitse recht geregeld bij het Gesetz über die Wahrnehmung von Urheberrechten und verwandten Schutzrechten (Urheberrechtswahrnehmungsgesetz) (wet inzake het beheer van auteursrechten en naburige rechten) van 9 september 1965(6) en vervolgens bij het Gesetz über die Wahrnehmung von Urheberrechten und verwandten Schutzrechten durch Verwertungsgesellschaften (wet inzake het beheer van auteursrechten en naburige rechten door collectieve beheerorganisaties) van 24 mei 2016(7).
13. Volgens de bewoordingen van die twee handelingen, in de versies die van toepassing zijn op het hoofdgeding, waren collectieve beheerorganisaties verplicht om de inkomsten uit hun activiteiten te verdelen volgens vaste regels (verdelingsregeling) die elke willekeurige praktijk op het gebied van verdeling uitsluiten. Deze organisaties dienden ook werken en diensten van cultureel belang te bevorderen.
Feiten, procedure en prejudiciële vragen
14. Verwertungsgesellschaft Wort (hierna: „VG Wort”) is een organisatie voor het collectieve beheer van auteursrechten op literaire werken in Duitsland. De statuten van VG Wort, in de versies die van kracht waren tijdens de litigieuze periode, namelijk van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2019, voorzagen in de betaling van een subsidie aan het Förderungsfonds Wissenschaft der VG Wort GmbH (fonds voor de bevordering van de wetenschap van VG Wort) (hierna: „FFW”), een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan VG Wort de enige vennoot is. Het FFW heeft de bevordering van wetenschap en onderzoek tot doel. Deze bevordering bestaat in de financiering van de drukkosten voor de publicatie van wetenschappelijke en gespecialiseerde werken, van onderzoek dat moet leiden tot wetenschappelijke of gespecialiseerde werken, en van andere acties ter bevordering van de wetenschappelijke en gespecialiseerde literatuur, waaronder beurzen voor het schrijven van proefschriften over het auteursrecht. Volgens de door VG Wort verstrekte informatie werd de subsidie aan het FFW bekostigd uit inhoudingen op de inkomsten die zijn geïnd krachtens de compensatie voor het kopiëren voor privégebruik en de vergoeding voor het openbaar uitlenen van wetenschappelijke, technische en gespecialiseerde werken. In de litigieuze periode bedroeg de subsidie 0,51 % van de door VG Wort geïnde inkomsten.
15. TL en OS, auteurs van literaire werken, zijn leden van VG Wort en hebben met deze organisatie beheersovereenkomsten gesloten. Tijdens de litigieuze periode hebben zij verschillende werken bij VG Wort aangemeld en hebben zij uitkeringen ontvangen uit de inkomsten die deze organisatie heeft gegenereerd uit hoofde van de „reproductie van een bestaande tekst”. In het hoofdgeding treedt TL op in eigen naam en voor OS, die zijn rechten aan hem heeft overgedragen.
16. TL komt op tegen het feit dat VG Wort bedragen uit de inkomsten die deze organisatie tussen 1 januari 2016 en 30 september 2019 heeft geïnd, aan het FFW heeft toegewezen, waardoor het aandeel van TL en OS is verminderd. In eerste aanleg heeft TL verzocht om vast te stellen dat VG Wort niet het recht had en heeft om de uitkeringen betreffende hun werken te verminderen door betalingen te doen om het FFW te financieren. Bovendien heeft TL verzocht om informatie over de hoogte van de aan het FFW betaalde bedragen.
17. De vordering werd in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen. De rechter in hoger beroep heeft de beslissing ten gunste van OS bevestigd en de vordering van TL volledig afgewezen(8). Hij was immers van oordeel dat de verdelingsregelingen van VG Wort, die in de beheersovereenkomsten zijn opgenomen, algemene voorwaarden vormen waarvan de bedingen betreffende de betalingen aan het FFW nietig zijn naar nationaal recht omdat zij in strijd zijn met de fundamentele beginselen van de wetgeving betreffende de werking van collectieve beheerorganisaties, aangezien personen belang zouden hebben bij de betalingen terwijl zij daar geen recht op hadden.
18. In het kader van een bij hem ingesteld beroep in Revision is de verwijzende rechter van oordeel dat de betalingen aan het FFW rechtmatig kunnen zijn in het licht van de verplichting voor collectieve beheerorganisaties om wetenschap en cultuur te bevorderen, zoals bepaald in de toepasselijke nationale wetgeving. Dit hangt echter af van de verenigbaarheid van die verplichting met het Unierecht.
19. In deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Is het verenigbaar met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn [2001/29], artikel 6, lid 1, eerste volzin, van richtlijn [2006/115] alsook met artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn [2014/26] dat een collectieve beheerorganisatie op grond van een nationaal voorschrift cultureel belangrijke werken dient te bevorderen, met als gevolg dat dit ook ten goede komt aan personen die (in ieder geval nog) niet tot de kring van rechthebbenden behoren?
2) Voor het geval dat sociale, culturele of educatieve diensten als bedoeld in artikel 12, lid 4, van richtlijn [2014/26] slechts aan rechthebbenden mogen worden verleend: mogen dergelijke diensten enkel worden verleend wanneer de ontvanger van deze diensten een actueel recht op vergoeding heeft, of volstaat het dat hij houder is van momenteel niet te vergoeden auteursrechten of naburige rechten? Is voor de toelaatbaarheid van dergelijke diensten vereist dat er een beheersovereenkomst met de collectieve beheerorganisatie bestaat?”
20. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 10 december 2024 bij het Hof ingekomen. Partijen in het hoofdgeding, de Duitse en de Oostenrijkse regering, alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Dezelfde partijen, alsmede de Franse regering, waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 26 november 2025.
Analyse
21. In de onderhavige zaak stelt de verwijzende rechter twee prejudiciële vragen. Aangezien het antwoord op de eerste vraag bepalend is voor het antwoord op de tweede vraag, zal ik deze vragen in de volgorde behandelen waarin zij zijn gesteld.
Eerste prejudiciële vraag
22. Met zijn eerste prejudiciële vraag vraagt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115, alsmede artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26. Ook al stelt deze rechter die bepalingen op één lijn, zij hebben betrekking op verschillende zaken. Terwijl de betreffende bepalingen van richtlijn 2014/26 namelijk in het algemeen betrekking hebben op het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten, verlenen die van de richtlijnen 2001/29 en 2006/115 auteurs specifieke rechten, namelijk een recht op compensatie en een recht op vergoeding, wegens bepaalde vormen van gebruik van hun werken.
23. Zoals echter blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en zoals VG Wort ter terechtzitting ook heeft bevestigd, betreft het hoofdgeding het gebruik door deze organisatie van de inkomsten waarop de betreffende bepalingen van de richtlijnen 2001/29 en 2006/115 betrekking hebben. Het lijkt mij dan ook dat de verwijzende rechter in werkelijkheid om opheldering vraagt over de uitlegging van de betreffende bepalingen van richtlijn 2014/26 in het licht van die van de richtlijnen 2001/29 en 2006/115, alsmede van de relevante rechtspraak van het Hof.
24. Aldus wenst de verwijzende rechter met zijn eerste prejudiciële vraag in essentie te vernemen of artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die een collectieve beheerorganisatie toestaat om een deel van de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, te besteden aan culturele activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede kunnen komen aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn. Deze vraag is gebaseerd op de – door partijen onbetwiste – premisse dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde diensten „culturele” of „educatieve” diensten in de zin van richtlijn 2014/26 zijn.
25. Om deze vraag te beantwoorden moeten zowel de bepalingen van richtlijn 2014/26 als artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115 worden uitgelegd. Alvorens deze bepalingen tegen het licht te houden, lijkt het mij nodig om vooraf enkele algemene opmerkingen te maken.
Opmerkingen vooraf
26. Zoals ik al in de inleiding van deze conclusie heb vermeld, beperkt de rol van organisaties voor het collectieve beheer van auteursrechten zich, in overeenstemming met de specifieke rol van literaire en artistieke eigendom in de samenleving, niet tot het uitkeren van inkomsten uit de exploitatie van deze rechten aan de rechthebbenden. Die organisaties hebben van oudsher ook andere taken, aanvankelijk sociale (die teruggaan tot 1897(9)) en vervolgens culturele en educatieve.(10) Hun rol kan dus niet worden gelijkgesteld, zoals verzoekers in het hoofdgeding lijken te doen, met die van een beleggingsfonds, dat als enig doel heeft inkomsten te genereren en deze onder de leden te verdelen op basis van het geïnvesteerde kapitaal. Het collectieve beheer van rechten op literaire en artistieke eigendom gebeurt in het collectieve belang, niet alleen van de rechthebbenden maar ook van de gebruikers van werken en het publiek.
27. Op internationaal niveau lijkt er een consensus te bestaan dat sociale, culturele en educatieve activiteiten kunnen worden gefinancierd door de inhouding van een relatief bescheiden deel van de inkomsten die collectieve beheerorganisaties hebben geïnd in het kader van de exploitatie van de auteursrechten. Een maximum van 10 % van deze inkomsten wordt meestal als aanvaardbaar beschouwd.(11) Deze drempel heeft echter betrekking op inhoudingen op inkomsten uit de exploitatie van exclusieve rechten. Wat betreft vergoedingsrechten, zoals de compensatie voor het kopiëren voor privégebruik of de vergoeding voor openbare uitlening, lijkt de speelruimte van de nationale wetgevers of de collectieve beheerorganisaties zelf groter te zijn.(12)
28. De activiteiten die aldus door collectieve beheerorganisaties worden bekostigd, kunnen van verschillende aard zijn en verschillende categorieën personen ten goede komen. Terwijl sociale acties, zoals pensioen‑ of steunfondsen, doorgaans ten goede komen aan rechthebbenden die lid zijn van deze organisaties, is dit niet altijd het geval voor culturele en educatieve activiteiten. Deze laatste kunnen immers niet alleen rechthebbenden ten goede komen, maar ook het grote publiek of specifieke categorieën personen, zoals het geval is in het hoofdgeding, waarin het met name gaat om beurzen voor jonge auteurs, potentiële toekomstige auteursrechthebbenden.
29. Het Unierecht houdt rekening met deze culturele dimensie van de activiteiten van collectieve beheerorganisaties. Zo staat in overweging 3 van richtlijn 2014/26 te lezen dat „[c]ollectieve beheerorganisaties [...] een belangrijke rol [spelen], en [...] deze rol [moeten] blijven spelen, in de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, enerzijds doordat zij de markt toegankelijk maken voor kleine en minder populaire repertoires, anderzijds doordat zij sociale, culturele en educatieve diensten ten behoeve van hun rechthebbenden en van het publiek aanbieden”. De vraag die in casu evenwel rijst, is of de bepalingen van deze richtlijn deze organisaties toestaan om dergelijke diensten te verlenen.
Bepalingen van richtlijn 2014/26
30. Ingevolge artikel 3, onder h), van richtlijn 2014/26 worden onder het begrip „rechteninkomsten” alle door een collectieve beheerorganisatie namens rechthebbenden geïnde inkomsten verstaan, waaronder inkomsten voortvloeiend uit een recht op vergoeding of een recht op schadeloosstelling, zoals de vergoeding voor openbare uitlening of de compensatie voor het kopiëren voor privégebruik. Al deze inkomsten zijn dus in beginsel onderworpen aan dezelfde regels.
31. Wat het gebruik van deze inkomsten betreft, bepaalt artikel 11, lid 4, van richtlijn 2014/26 dat het een collectieve beheerorganisatie niet is toegestaan om deze inkomsten te gebruiken voor andere doeleinden dan uitkering aan de rechthebbenden, „behalve wanneer het haar is toegelaten om haar beheerkosten in te houden of te compenseren in overeenstemming met een besluit genomen overeenkomstig artikel 8, lid 5, onder d), of [zij] deze rechteninkomsten [...] mag gebruiken in overeenstemming met een besluit genomen overeenkomstig artikel 8, lid 5”(13).
32. Die bepaling is niet glashelder. Het onderscheid tussen enerzijds de inhouding of de compensatie van beheerkosten op grond van een besluit genomen overeenkomstig artikel 8, lid 5, onder d), van richtlijn 2014/26 en anderzijds het gebruik van inkomsten dat krachtens dat lid 5 in het algemeen is toegestaan, zou in die zin kunnen worden opgevat dat de enige inhoudingen die overeenkomstig deze bepaling kunnen worden toegestaan, die bedoeld zijn om de kosten van het beheer van de auteursrechten te dekken. Deze uitlegging wordt, mijns inziens, overigens door de Commissie bepleit.
33. Een dergelijke beperking blijkt evenwel geenszins uit de bewoordingen van artikel 8, lid 5, onder d), van richtlijn 2014/26, dat betrekking heeft op „het algemene beleid betreffende inhoudingen op rechteninkomsten”, zonder dat het doel van die inhoudingen wordt gespecificeerd. Ik ben van mening dat indien de Uniewetgever had willen bepalen dat de algemene ledenvergadering van een collectieve beheerorganisatie inhoudingen op rechteninkomsten uitsluitend mag toestaan met het oog op de dekking van beheerskosten, dit uitdrukkelijk zou zijn bepaald in artikel 8, lid 5, onder d), van richtlijn 2014/26. Bij gebreke van een dergelijke uitdrukkelijke beperking kan deze niet impliciet worden afgeleid uit artikel 11, lid 4, van die richtlijn.
34. Deze slotsom vindt steun in artikel 12 van richtlijn 2014/26, dat specifiek betrekking heeft op inhoudingen op rechteninkomsten. In lid 4 ervan wordt namelijk uitdrukkelijk bepaald dat „sociale, culturele of educatieve diensten” kunnen worden „gefinancierd uit inhoudingen op de rechteninkomsten”. Zou artikel 11, lid 4, van deze richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de mogelijke inhoudingen worden beperkt tot die welke de beheerkosten dekken, dan zou dit in tegenspraak zijn met artikel 12, lid 4, van die richtlijn.
35. Ik ben dan ook van mening dat artikel 11, lid 4, van richtlijn 2014/26 aldus moet worden uitgelegd dat inhoudingen op rechteninkomsten ter financiering van sociale, culturele of educatieve diensten een van de vormen van gebruik van deze inkomsten zijn die overeenkomstig artikel 8, lid 5, van deze richtlijn kunnen worden toegestaan.
36. Wat artikel 12 van richtlijn 2014/26 betreft, bepaalt lid 2 ervan dat inhoudingen op rechteninkomsten met name „in verhouding [staan] tot de door de collectieve beheerorganisatie aan de rechthebbenden verleende diensten en in voorkomend geval ook tot de in lid 4 [van dat artikel] bedoelde diensten”. Zoals ik reeds heb vermeld, heeft dat lid 4 betrekking op sociale, culturele en educatieve diensten.
37. Evenals de Commissie heeft gedaan, zou uit de bewoordingen „door de collectieve beheerorganisatie aan de rechthebbenden verleende diensten en [...] ook [..] de in lid 4 bedoelde diensten” kunnen worden afgeleid dat deze laatste diensten noodzakelijkerwijs aan rechthebbenden moeten worden verleend om te kunnen worden gefinancierd uit inhoudingen op de rechteninkomsten.
38. Zoals ik echter zojuist heb aangetoond met betrekking tot artikel 11, lid 4, van richtlijn 2014/26, zijn de bepalingen van deze richtlijn niet volstrekt duidelijk, zodat mij een andere uitlegging van dat artikel 12, leden 2 en 4, mogelijk lijkt.
39. De diensten die naar hun aard „door de collectieve beheerorganisatie aan de rechthebbenden [worden verleend]” zijn immers de diensten bestaande in het beheer van de rechten, dat wil zeggen diensten die betrekking hebben op het verlenen van exploitatielicenties en het innen en verdelen van de daaruit voortvloeiende inkomsten. De inhoudingen als bedoeld in artikel 12, lid 2, van richtlijn 2014/26 zijn hoofdzakelijk bestemd voor de financiering van deze beheerdiensten. Dat geldt ook voor de sociale diensten, die gewoonlijk door collectieve beheerorganisaties aan hun leden worden verleend.
40. Culturele en educatieve diensten kunnen daarentegen ten goede komen aan andere categorieën personen dan de rechthebbenden. Deze diensten hebben vaak meerdere groepen begunstigden, zowel directe als indirecte. Hoewel ze rechtstreeks kunnen worden verleend aan het grote publiek of aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn, komt elke activiteit ter bevordering van cultuur of onderwijs op dit gebied doorgaans ook indirect ten goede aan die rechthebbenden.
41. Geen enkele bepaling van richtlijn 2014/26 vereist uitdrukkelijk dat culturele of educatieve diensten die worden gefinancierd uit inhoudingen op rechteninkomsten, door de collectieve beheerorganisaties uitsluitend rechtstreeks aan de houders van die rechten worden verleend. Artikel 12, lid 4, van deze richtlijn bepaalt alleen dat deze diensten op grond van billijke criteria moeten worden geleverd. Een dergelijke eis vloeit evenmin voort uit artikel 13, lid 6, van de richtlijn, waarop de Commissie zich beroept. Deze bepaling heeft namelijk, om te beginnen, geen betrekking op inhoudingen op rechteninkomsten, maar op het gebruik van niet‑verdeelbare bedragen, en beoogt voorts niet de beslissingsbevoegdheid van de algemene vergadering van een collectieve beheerorganisatie te beperken, maar die van de lidstaten. Wat verder overweging 28 van diezelfde richtlijn betreft, waarnaar de Commissie eveneens heeft verwezen, deze kan geen autonome betekenis hebben die verschilt van die van artikel 8, lid 5, artikel 11, lid 4, en artikel 12, leden 2 en 4, ervan, die ik zojuist heb geanalyseerd.
42. Daarentegen staat in overweging 3 van richtlijn 2014/26(14) te lezen dat, volgens de Uniewetgever, collectieve beheerorganisaties „een belangrijke rol [...] moeten [...] blijven spelen, in de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, [...] doordat zij sociale, culturele en educatieve diensten ten behoeve van hun rechthebbenden en van het publiek aanbieden”.(15) Aangezien artikel 12, lid 2, van deze richtlijn alleen tot doel heeft te waarborgen dat de inhoudingen op de rechteninkomsten niet hoger zijn dan redelijk is, gelet op de diensten die zij financieren, zie ik geen reden om uit deze bepaling conclusies te trekken die verder gaan dan dit doel en in strijd zijn met de duidelijk door de wetgever in overweging 3 tot uitdrukking gebrachte bedoeling.
43. Naar mijn mening staan de relevante bepalingen van richtlijn 2014/26 er dus niet aan in de weg dat een collectieve beheerorganisatie, door middel van inhoudingen op de inkomsten uit rechten die zij beheert, diensten financiert, met name culturele en educatieve diensten, die niet alleen aan de rechthebbenden maar ook aan andere personen rechtstreeks worden verleend. Uiteraard moet het aandeel van de aldus gebruikte middelen binnen redelijke grenzen blijven, wat niet alleen rechtstreeks voortvloeit uit artikel 12, lid 2, van deze richtlijn maar ook uit het algemene beginsel dat is neergelegd in artikel 4 ervan, volgens hetwelk deze organisaties in het belang van de rechthebbenden moeten handelen. Wat de inkomsten uit de compensatie voor het kopiëren voor privégebruik en uit de vergoeding voor openbare uitlening betreft, vloeit een beperking van de hoogte van de inhoudingen ook voort uit de bepalingen van het Unierecht betreffende deze twee categorieën inkomsten, zoals uitgelegd door het Hof.
Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29
44. Artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 bepaalt dat de lidstaten in hun nationale wetgeving een beperking kunnen opnemen op het uitsluitende reproductierecht ten aanzien van reproducties door een natuurlijke persoon voor privégebruik en zonder commercieel oogmerk gemaakt (zogenoemde „privékopieën”), „mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen”.
45. Deze beperking vindt haar oorsprong in de vaststelling dat moderne technische middelen leden van het publiek in staat stellen om relatief gemakkelijk en tegen geringe kosten werken en ander beschermd materiaal te reproduceren voor eigen gebruik of voor gebruik door hun privékring, zonder dat de rechthebbenden over doeltreffende middelen beschikken om een dergelijke reproductie te controleren of tegen te gaan. Hoewel dit fenomeen niet zozeer als een inbreuk op de uitsluitende rechten kan worden beschouwd, maar eerder als een natuurlijke „beperking” van deze rechten, aangezien deze niet van toepassing zijn in de privésfeer van leden van het publiek(16), wordt algemeen aanvaard dat privékopieën de rechthebbenden een nadeel berokkenen dat moet worden gecompenseerd. Aangezien het in de praktijk onmogelijk is om deze compensatie te innen bij de betrokken leden van het publiek, is een stelsel in het leven geroepen waarin deze compensatie wordt gefinancierd door een heffing op tussenpersonen – verkopers van opnameapparatuur of aanbieders van reproductiediensten – en het bedrag ervan vervolgens kan worden terugverdiend in de prijs van deze apparatuur of diensten. Een dergelijk stelsel bestond al in het nationale recht van vele lidstaten toen richtlijn 2001/29 in werking trad.
46. In het kader van artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 heeft het Hof een analoge redenering gevolgd, waarbij het zich meer op de overwegingen van die richtlijn heeft gebaseerd dan op de beknopte formulering van de betrokken bepaling.
47. Het Hof heeft namelijk verklaard dat de in deze bepaling bedoelde billijke compensatie ertoe strekt de rechthebbenden te vergoeden voor het nadeel dat hun wordt berokkend door personen die reproducties maken in het kader van de daarin voorziene uitzondering, en dat die personen in beginsel verplicht zijn dat nadeel te vergoeden, door het bekostigen van die compensatie.(17) Het Hof heeft evenwel aanvaard dat de lidstaten, gelet op de praktische moeilijkheden om de compensatie te doen betalen door de personen die de reproducties daadwerkelijk maken(18), een stelsel van vergoedingen kunnen invoeren die dienen te worden geheven bij verkopers van opnameapparatuur of leveranciers van reproductiediensten, die deze vergoedingen doorberekenen aan de gebruikers in de prijs van die apparatuur of diensten.(19) Het Hof heeft ook gepreciseerd dat een dergelijke vergoeding niet mag worden geïnd voor apparaten of diensten die duidelijk voor andere doelen dan het kopiëren voor privégebruik zijn aangeschaft, of zijn verworven door rechtspersonen die geen aanspraak kunnen maken op die uitzondering.(20)
48. Wat betreft de wijze van betaling van de billijke compensatie aan de rechthebbenden, heeft het Hof aanvaard dat een – zelfs aanzienlijk – deel van deze compensatie indirect aan hen wordt uitgekeerd via sociale en culturele instellingen die ten behoeve van hen zijn opgericht, voor zover deze instellingen zich daadwerkelijk inzetten voor deze rechthebbenden.(21)
49. Het verband dat het Hof aldus heeft gelegd tussen de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik, het nadeel dat rechthebbenden lijden als gevolg van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik en de billijke compensatie, lijkt de beoordelingsvrijheid – die nochtans wordt aangemerkt als een „grote mate”(22) van vrijheid – van de lidstaten op dit gebied aanzienlijk aan banden te leggen. Mijns inziens heeft richtlijn 2014/26 op dit punt geen wijziging aangebracht, aangezien deze richtlijn niet ziet op de omvang van de rechten van de houders, maar uitsluitend op de regels voor de werking van collectieve beheerorganisaties.
50. Daarentegen moet worden vastgesteld dat het onmogelijk is om de verschillende bedragen die hierbij een rol spelen nauwkeurig te berekenen, wat een belangrijke bron van onzekerheid in dit stelsel vormt.
51. Het is juist dat reeds in het „analoge” tijdperk – toen in verschillende landen en op internationaal niveau stelsels van vergoedingen voor het kopiëren voor privégebruik werden ingevoerd – ervan kon worden uitgegaan dat het grootste deel van de toen voor particulieren beschikbare opnameapparatuur bestemd was voor de reproductie van beschermd materiaal(23), maar het was niettemin moeilijk om precies te bepalen welk materiaal daadwerkelijk was gereproduceerd. De betaling van deze vergoeding moest dus op basis van benaderende criteria en forfaitair gebeuren.
52. In de digitale omgeving bevat hetzelfde opslagmedium, dat vaak in technische apparatuur is geïntegreerd, zowel door de gebruiker gecreëerde privéwerken als beschermd materiaal dat op rechtmatige wijze van de houders kan zijn verkregen, dat gereproduceerd kan zijn in het kader van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik of dat onrechtmatig kan zijn verkregen, zonder dat precies kan worden bepaald in welke verhouding deze verschillende categorieën werken opslagcapaciteit innemen. Dit is overigens expliciet door het Hof in aanmerking genomen, uitgaande van een juridische fictie volgens welke dragers die geschikt zijn voor reproductie en die ter beschikking worden gesteld aan natuurlijke personen, geacht worden volledig te worden gebruikt voor het reproduceren van beschermd materiaal in het kader van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik(24), terwijl het duidelijk is dat dit in de praktijk geenszins het geval is.
53. De berekening van het nadeel dat rechthebbenden door deze uitzondering lijden en van het bedrag van de vergoeding die moet worden geïnd om dit nadeel te compenseren, is dan ook noodzakelijkerwijs onderhevig aan een hoge mate van onzekerheid en zij geschiedt bij ruwe benadering. Hetzelfde geldt voor de verdeling van de inkomsten uit deze vergoeding, omdat – zoals het Hof zelf heeft verklaard – „het in de praktijk onmogelijk is vast te stellen welk werk door welke gebruiker is gereproduceerd en op welke drager”(25).
54. Het is dus bij de berekening van deze bedragen dat de lidstaten over een reële beoordelingsmarge beschikken, aangezien richtlijn 2001/29 alleen vereist dat de rechthebbenden een billijke compensatie krijgen uit hoofde van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik en, zoals in overweging 31 ervan staat te lezen, dat een rechtvaardig evenwicht wordt gewaarborgd tussen de belangen van deze rechthebbenden en die van de gebruikers. Wat onder „billijk” en „rechtvaardig” moet worden verstaan, wordt daarentegen aan het oordeel van de lidstaten overgelaten, mits de algemene Unierechtelijke beginselen, zoals het non‑discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel, in acht worden genomen.
55. In dit kader lijkt het mij volstrekt aanvaardbaar dat een relatief klein deel van de bedragen die worden geïnd uit hoofde van de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik, door de collectieve beheerorganisaties wordt toegewezen aan de financiering van culturele en educatieve activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede komen aan personen die geen rechthebbenden zijn, terwijl tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat deze laatsten daadwerkelijk een billijke compensatie ontvangen voor het nadeel dat zij geacht worden te hebben geleden als gevolg van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik.
56. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het arrest Hewlett‑Packard Belgium(26), waarin het Hof heeft geoordeeld dat „overcompensatie” van het door de rechthebbenden geleden nadeel niet strookt met artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29. Dit arrest had namelijk betrekking op een specifieke situatie, waarin de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik in twee fasen werd geïnd, namelijk vóór de reproductie, op basis van de reproductiesnelheid van de apparatuur, en na de reproductie, op basis van het aantal vervaardigde reproducties. Aldus was de redenering van het Hof gebaseerd op de premisse dat deze vergoeding volledig aan de rechthebbenden werd uitgekeerd en had zij voorts betrekking op de specifieke situatie waarin het aantal vervaardigde reproducties, en dus de omvang van het door de rechthebbenden geleden nadeel, bekend was.(27) Een dergelijke situatie is echter uitzonderlijk en doet zich in de praktijk alleen voor bij vergoedingen die worden geheven op reproductiediensten. Wanneer de vergoeding daarentegen wordt geheven op het moment dat opnameapparatuur aan natuurlijke personen ter beschikking wordt gesteld, is een nauwkeurige berekening van het nadeel op basis van het aantal reproducties niet mogelijk. De lessen die uit dit arrest kunnen worden getrokken, hebben dus slechts een beperkte reikwijdte.
57. Naar mijn mening staat artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 derhalve niet eraan in de weg dat een redelijk beperkt deel van de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik wordt gebruikt voor de financiering van culturele of educatieve activiteiten die ten goede kunnen komen aan personen die geen rechthebbenden zijn, op voorwaarde dat de rechthebbenden direct of indirect een billijke compensatie uit hoofde van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik ontvangen.
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115
58. Ik herinner eraan dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115 de lidstaten de mogelijkheid biedt om af te wijken van het uitsluitende uitleenrecht(28) ten aanzien van „openbare uitlening”, mits ten minste de auteurs een vergoeding krijgen voor deze uitlening, waarbij de lidstaten de hoogte van deze vergoeding vrij kunnen vaststellen met inachtneming van hun doelstellingen voor bevordering van culturele activiteiten.
59. Deze bepaling vertoont niet alleen overeenkomsten maar ook belangrijke verschillen met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29.
60. Enerzijds kan, zoals het Hof reeds heeft bevestigd(29), de uitzondering voor openbare uitlening, net als de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik, aan de rechthebbenden een nadeel berokkenen dat door de betrokken vergoeding moet worden gecompenseerd, net als de billijke compensatie bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29.(30)
61. Anderzijds zijn het niet de gebruikers die dit nadeel veroorzaken, maar de openbare instellingen die in het kader van deze uitzondering beschermd materiaal uitlenen. Het is dus aan deze instellingen om de aan de rechthebbenden verschuldigde vergoeding te betalen.(31) Aangezien niet wordt gespecificeerd dat deze vergoeding „billijk” moet zijn, is er geen verplichting om rekening te houden met de economische waarde van het betrokken beschermde materiaal en kan deze vergoeding veel geringer zijn dan de billijke vergoeding waarin andere bepalingen van richtlijn 2006/115 voorzien.(32) Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn laat de lidstaten dus een ruime beoordelingsmarge bij het vaststellen van het bedrag van de vergoeding in het kader van de uitzondering voor openbare uitlening.(33)
62. De enige beperkingen die gelden voor deze beoordelingsmarge betreffen de criteria die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding, namelijk de omvang van het door de rechthebbenden geleden nadeel, uitgedrukt in het aantal werken dat door de betrokken instelling ter beschikking wordt gesteld en het aantal bij die instelling ingeschreven leners.(34) Bovendien moet deze vergoeding het de rechthebbenden mogelijk maken om een passend inkomen te ontvangen, zodat het niet om een zuiver symbolisch bedrag kan gaan.(35) Het zijn de lidstaten die beslissen wat het „passende” niveau van dit inkomen is.
63. Naar analogie met wat geldt voor de billijke compensatie voor het kopiëren voor privégebruik, staat er naar mijn mening niets aan in de weg dat de vergoeding voor openbare uitlening indirect aan de rechthebbenden wordt betaald, via sociale of culturele instellingen die ten behoeve van hen zijn opgericht.(36)
64. Hieruit volgt dat de beoordelingsmarge van de lidstaten nog groter is voor het vaststellen van de vergoeding voor de uitzondering voor openbare uitlening dan voor het vaststellen van het bedrag van de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik. Het staat hun dus a fortiori vrij om collectieve beheerorganisaties toe te staan een deel van deze vergoeding te besteden aan de financiering van culturele of educatieve activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede kunnen komen aan personen die geen rechthebbenden zijn.
65. Ik ben dan ook van mening dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115 zich er niet tegen verzet dat een deel van de vergoeding uit hoofde van de uitzondering voor openbare uitlening wordt besteed aan de financiering van dergelijke activiteiten, op voorwaarde dat de rechthebbenden een passende vergoeding uit hoofde van die uitzondering ontvangen.
Voorstel voor een antwoord
66. Ik geef dan ook in overweging om de eerste prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die een collectieve beheerorganisatie toestaat om een deel van de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, te besteden aan culturele activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede kunnen komen aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn, mits de rechthebbenden direct of indirect een dergelijke billijke compensatie en een dergelijke passende vergoeding ontvangen.
Tweede prejudiciële vraag
67. De tweede prejudiciële vraag wordt gesteld voor het geval het Hof op de eerste vraag antwoordt dat artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115, zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat die een collectieve beheerorganisatie toestaat om een deel van de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, te besteden aan culturele activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede kunnen komen aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn. Volgt het Hof evenwel mijn in overweging gegeven antwoord op de eerste vraag, dan is het niet nodig om de tweede vraag te beantwoorden. Ter wille van de volledigheid zal ik mij niettemin kort over deze vraag buigen.
68. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115, aldus moeten worden uitgelegd dat de sociale, culturele en educatieve diensten die door een collectieve beheerorganisatie worden verleend en worden gefinancierd door inhoudingen op de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, alleen ten goede mogen komen aan rechthebbenden die een actueel recht op vergoeding hebben of een beheersovereenkomst met de betrokken organisatie hebben gesloten. Mijns inziens verstaat de verwijzende rechter onder „actueel recht op vergoeding” het recht om deel te nemen aan de verdeling van de rechteninkomsten, dat wil zeggen dat de beschermde werken die aan deze rechthebbenden toebehoren, dergelijke inkomsten hebben gegenereerd.
69. Voor de beantwoording van deze vraag moet ervan worden uitgegaan dat een dergelijke beperking van de mogelijke bestemming van de betrokken inkomsten zou voortvloeien uit de uitlegging van artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26, of uit de rechtspraak betreffende artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29, in voorkomend geval ook naar analogie toegepast op artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115.
70. Zowel deze bepalingen als deze rechtspraak spreken echter in algemene termen over „rechthebbenden”, zonder verdere precisering. Het zou, naar mijn mening, dan ook ongerechtvaardigd zijn om daaruit aanvullende eisen af te leiden die verband houden met het bestaan van een actueel recht op vergoeding of met de contractuele relatie van die rechthebbenden met de betrokken collectieve beheerorganisatie.
71. Dit geldt a fortiori voor het recht op billijke compensatie voor het kopiëren voor privégebruik of het recht op vergoeding voor openbare uitlening. Het beheer van dergelijke rechten wordt namelijk normaal gesproken toevertrouwd aan wettelijk aangewezen collectieve beheerorganisaties, zonder dat een contractuele relatie tussen deze organisaties en de rechthebbenden nodig is. Alle houders van die rechten komen dus in aanmerking voor de inkomsten die daaruit voortvloeien.
72. Bovendien ontvangen niet alle rechthebbenden permanent inkomsten uit hun rechten. Het genot van de culturele diensten die door een collectieve beheerorganisatie worden verleend, gebeurt niet noodzakelijkerwijs op hetzelfde moment als het verkrijgen van dergelijke inkomsten. Het zou dan ook zowel onrechtvaardig als in de praktijk onmogelijk zijn om het eerste afhankelijk te maken van het tweede.
73. Daarentegen hebben collectieve beheerorganisaties werkterreinen die zijn afgebakend naargelang van het soort beschermd materiaal of de rechtencategorieën, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 5, lid 2, van richtlijn 2014/26. Het is dan ook logisch dat, wanneer de betrokken bepalingen van deze richtlijn zien op rechthebbenden, het gaat om de houders van rechten waarvan het beheer onder het werkterrein van de betrokken organisatie valt.
74. Naar mijn mening dient dezelfde regel te gelden voor het gebruik van rechteninkomsten om sociale, culturele en educatieve diensten te financieren. Indien het genot van deze diensten beperkt zou moeten blijven tot de rechthebbenden, zou het moeten gaan om de houders van rechten waarvan het beheer onder het werkterrein van de betrokken organisatie valt. Als bijvoorbeeld een organisatie voor het collectief beheer van rechten op literaire werken de inkomsten uit deze rechten zou gebruiken ten behoeve van de houders van rechten op muziekwerken, zou dit neerkomen op het gebruik ervan ten behoeve van personen die geen rechthebbenden zijn, waardoor de beperking elke betekenis zou verliezen.
75. Mocht het Hof mijn in overweging gegeven antwoord op de eerste prejudiciële vraag niet overnemen, dan dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115, aldus moeten worden uitgelegd dat de sociale, culturele en educatieve diensten die door een collectieve beheerorganisatie worden verleend en worden gefinancierd uit inhoudingen op de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, ten goede mogen komen aan alle houders van rechten waarvan het beheer onder het werkterrein van de betrokken organisatie valt.
Conclusie
76. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
„Artikel 11, lid 4, en artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die een collectieve beheerorganisatie toestaat om een deel van de inkomsten uit het recht op billijke compensatie en het recht op vergoeding, bedoeld in deze laatste twee respectieve bepalingen, te besteden aan culturele activiteiten die, in voorkomend geval, ten goede kunnen komen aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn, mits de rechthebbenden direct of indirect een billijke compensatie en een passende vergoeding ontvangen.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Zie dienaangaande met name Gervais, D., The Cultural Role(s) of Collective Management Organizations, European Intellectual Property Review, 2018, nr. 6, blz. 349‑356 en aangehaalde literatuur.
3 PB 2001, L 167, blz. 10.
4 PB 2006, L 376, blz. 28.
5 PB 2014, L 84, blz. 72.
6 BGBl. 1965 I, blz. 1294.
7 BGBl. 2016 I, blz. 1190.
8 Na vastgesteld te hebben dat er geen inhoudingen waren gedaan op de aan TL verschuldigde inkomsten.
9 Zie Melichar, F., Deductions Made by Collecting Societies for Social and Cultural Purposes in the Light of International Copyright Law, International Review of Industrial Property and Copyright Law, 1991, nr. 1, blz. 47.
10 In een ander verband merk ik op dat deze organisaties vaak ook een rol spelen bij de bestrijding van inbreuken op het auteursrecht.
11 Zie met name Ficsor, M., Collective Management of Copyright and Related Rights, WIPO Publication, nr. 855E/22, Genève, 2022, blz. 225 en 226.
12 Ficsor, M., Collective Management of Copyright and Related Rights, op. cit., blz. 228.
13 Deze bepaling somt de besluiten op die voorbehouden zijn aan de algemene ledenvergadering van de collectieve beheerorganisatie.
14 Zie punt 29 van deze conclusie.
15 Cursivering van mij.
16 Zie met name Vivant, M., Bruguière, J.‑M., Droit d’auteur et droits voisins, Dalloz, Parijs, 2016, blz. 548 e.v.
17 Zie met name arrest van 11 juli 2013, Amazon.com International Sales e.a. (C‑521/11, EU:C:2013:515, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest Amazon”).
18 Overigens moet worden opgemerkt dat het in het geval van een dergelijke betaling niet langer zou gaan om een compensatie op grond van een uitzondering, maar om een betaald gebruik van beschermd materiaal. De reden voor het bestaan van de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik ligt namelijk in de moeilijkheid voor rechthebbenden om controle uit te oefenen op het gebruik van beschermd materiaal in de privésfeer van de leden van het publiek en om daarvoor een vergoeding te ontvangen.
19 Arrest Amazon, punten 24 en 25.
20 Arrest Amazon, punt 28.
21 Arrest Amazon, punten 49‑55.
22 Arrest Amazon, punt 20.
23 Omdat er weinig andere gebruiksmogelijkheden waren.
24 Zie in die zin het arrest Amazon, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
25 Arrest Amazon, punt 51.
26 Arrest van 12 november 2015 (C‑572/13, EU:C:2015:750, punten 85 en 86). Ik breng in herinnering dat artikel 5, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/29 voorziet in de zogenoemde „reprografie-uitzondering”, waar ook een billijke compensatie tegenover staat.
27 Arrest van 12 november 2015, Hewlett-Packard Belgium (C‑572/13, EU:C:2015:750, punt 84).
28 Het begrip „uitlening” wordt in artikel 2, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 gedefinieerd als „het voor gebruik ter beschikking stellen [van werken] voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen”.
29 Met betrekking tot artikel 5, lid 1, van richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 1992, L 346, blz. 61), ingetrokken en vervangen door richtlijn 2006/115.
30 Arrest van 30 juni 2011, VEWA (C‑271/10, EU:C:2011:442, punt 29; hierna: „arrest VEWA”).
31 Arrest VEWA, punt 23.
32 Arrest VEWA, punt 33.
33 Arrest VEWA, punt 36.
34 Arrest VEWA, punten 37‑39.
35 Arrest VEWA, punt 34.
36 Zie punt 48 van deze conclusie.