Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62024CC0045

Conclusie van advocaat-generaal R. Norkus van 19 juni 2025.


ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:468

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

R. NORKUS

van 19 juni 2025 (1)

Zaak C45/24

Verein für Konsumenteninformation

tegen

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 8, lid 1 – Terugbetaling van de prijs van een ticket in geval van annulering van een vlucht – Provisie geïnd door een persoon die bij de aankoop van het ticket als tussenpersoon optreedt tussen de passagier en de luchtvaartmaatschappij – Voorwaarden om daaronder te worden begrepen – Bedrag van de provisie dat buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij zou zijn vastgesteld – Bewijslast ”






I.      Inleiding

1.        Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is op grond van artikel 267 VWEU ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) en betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91(2), en met name artikel 8, lid 1, onder a), van deze verordening.

2.        Het verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen de Verein für Konsumenteninformation, een Oostenrijkse vereniging voor consumentenbescherming (hierna: „VKI”), en de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (hierna: „KLM”), een luchtvaartmaatschappij, met betrekking tot de terugbetaling van de provisie die aan de vennootschap Opodo, een onlinereisbureau, is betaald door passagiers die hun vliegtickets hadden geboekt op de website van Opodo en wier vlucht werd geannuleerd. Deze passagiers hebben hun eventuele recht op terugbetaling van die provisie, ten bedrage van 95,14 EUR, overgedragen aan de VKI, die in haar beroep in Revision van KLM de betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente, vordert op grond van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004. KLM betwist de gegrondheid van deze vordering en betoogt dat er tussen haar en Opodo geen overeenkomst over deze provisie bestaat en dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de vaststelling ervan.

3.        De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om zijn rechtspraak te verduidelijken met betrekking tot de verplichting van een luchtvaartmaatschappij om aan passagiers de provisie terug te betalen die is betaald aan een derde die als tussenpersoon is opgetreden bij de aankoop van een vliegticket. Met name zal moeten worden verduidelijkt aan welke voorwaarden de relatie tussen de tussenpersoon en de luchtvaartmaatschappij moet voldoen, opdat een vordering die rechtstreeks tegen de luchtvaartmaatschappij wordt ingesteld op grond van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, gerechtvaardigd is. Aan de hand van de rechtspraak van het Hof zal ik aantonen dat het van wezenlijk belang is dat de luchtvaartmaatschappij op zijn minst impliciet toestemming geeft voor de activiteit van de tussenpersoon. Tevens zal ik uitleggen waarom de door het Hof gehanteerde aanpak de rechten van de passagiers het best beschermt, zonder daarbij de belangen van de luchtvaartmaatschappijen uit het oog te verliezen.

II.    Toepasselijke bepalingen

4.        Overwegingen 1, 13 en 22 van verordening nr. 261/2004 luiden als volgt:

„(1)      Het optreden van de Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.

[...]

(13)      Passagiers van wie de vlucht geannuleerd wordt, moeten hun tickets terugbetaald kunnen krijgen of onder bevredigende voorwaarden een alternatief reisplan naar hun bestemming krijgen, en moeten tijdens het wachten op een latere vlucht voldoende worden verzorgd.

[...]

(22)      De lidstaten moeten ervoor zorgen en erop toezien dat hun luchtvaartmaatschappijen deze verordening naleven en een passende instantie voor de uitvoering van die handhavingstaken aanwijzen. Dit toezicht mag geen afbreuk doen aan de rechten van passagiers en luchtvaartmaatschappijen om overeenkomstig het nationale procesrecht langs juridische weg schadevergoeding te eisen bij een rechtbank.”

5.        Artikel 2 van deze verordening heeft als opschrift „Definities” en bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

f)      ‚ticket’: een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan;

g)      ‚boeking’: het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator;

[...]”

6.        In artikel 5 („Annulering”) van die verordening is bepaald:

„1.      In geval van annulering van een vlucht:

a)      wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;

[...]”

7.        Artikel 8 van de verordening heeft als opschrift „Recht op terugbetaling of een alternatief reisplan” en bepaalt in lid 1:

„Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen:

a)      –      volledige terugbetaling van het ticket binnen zeven dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was, voor het gedeelte of de gedeelten van de reis die niet zijn gemaakt en voor het gedeelte en de gedeelten die reeds zijn gemaakt indien verder reizen in het licht van het oorspronkelijke reisplan van de passagier geen zin meer heeft, alsmede in voorkomend geval,

–      een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt bij de eerste gelegenheid;

b)      een alternatief reisplan onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden naar hun eindbestemming bij de eerste gelegenheid; of

c)      een alternatief reisplan onder vergelijkbare vervoersvoorwaarden naar hun eindbestemming, op een latere datum naar keuze van de passagier, indien er plaats beschikbaar is.”

8.        In artikel 13 („Recht op schadevergoeding”) van verordening nr. 261/2004 heet het:

„In gevallen waarin een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert compensatie betaalt of aan de overige verplichtingen voldoet die krachtens deze verordening op haar rusten, mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht om volgens het geldend recht compensatie te verlangen van enige persoon, inclusief derden. Deze verordening beperkt met name geenszins het recht van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om terugbetaling te eisen van een touroperator of enige andere persoon waarmee de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft. Ook mag geen enkele bepaling van deze verordening worden uitgelegd als een beperking van het recht van een touroperator of een andere derde partij dan een passagier met wie een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een overeenkomst heeft, om volgens de relevante rechtsregels, terugbetaling of compensatie te verlangen van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.”

III. Feiten, procedure in het hoofdgeding en prejudiciële vragen

9.        De passagiers hadden vliegtickets voor door KLM uit te voeren vluchten gekocht bij het onlineboekingsportaal Opodo, een door de Internationale Luchtvaartorganisatie (IATA) gecertificeerd reisbureau dat het recht heeft om voor deze luchtvaartmaatschappij vliegtickets uit te geven. De passagiers hadden in totaal 2 053,48 EUR aan Opodo betaald. Als gevolg van de annulering van hun vluchten hebben deze passagiers een bedrag van 1 958,34 EUR terugbetaald gekregen voor de prijs van de tickets. Het verschil van 95,14 EUR, dat niet is terugbetaald, komt overeen met de bemiddelingsprovisie van Opodo.

10.      Op het tijdstip van de aankoop van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tickets werkten KLM en Opodo al minstens tien jaar samen en was er tussen deze bedrijven sprake van een zogenoemde „Global Incentive”-overeenkomst volgens welke Opodo bepaalde beloningen ontving al naargelang het aantal voor KLM verkochte tickets. Noch in de IATA-overeenkomsten, noch in de zogenoemde „Incentive”-overeenkomsten was geregeld of Opodo een bemiddelingsprovisie aan de passagiers in rekening mocht brengen. Het bedrag van een dergelijke provisie stond dus in elk geval niet vermeld in een van deze overeenkomsten. Bijgevolg heeft KLM in casu aangevoerd dat zij geen kennis had van het bedrag van de bemiddelingsprovisie die Opodo aan de passagiers in rekening bracht.

11.      De VKI, waaraan de passagiers hun vorderingen tot terugbetaling van de kosten van de tickets hebben overgedragen, had voor de rechter in eerste aanleg het bedrag van 95,14 EUR, vermeerderd met rente, teruggevorderd. Die rechter had de vordering van de VKI toegewezen. Vervolgens heeft de rechter in tweede aanleg de vordering dan weer afgewezen. Daarop heeft de VKI bij het Oberste Gerichtshof, de verwijzende rechter, beroep in Revision ingesteld tegen het arrest in hoger beroep.

12.      De verwijzende rechter wijst erop dat het Hof zich reeds over de omvang van het recht van passagiers op terugbetaling heeft gebogen in het arrest van 12 september 2018, Harms (C‑601/17, EU:C:2018:702; hierna: „arrest Harms”), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat de bemiddelingsprovisie deel moet uitmaken van de terugbetaling uit hoofde van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 261/2004, tenzij deze provisie buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij is vastgesteld. De door het Hof vastgestelde uitzondering in verband met de omstandigheid of de luchtvaartmaatschappij al dan niet kennis had van de provisie kan volgens de verwijzende rechter evenwel op verschillende manieren worden uitgelegd. Derhalve rijst de vraag, ten eerste, hoe de luchtvaartmaatschappij in de praktijk op de hoogte moet zijn gebracht van het bestaan van de provisie en, in voorkomend geval, van het bedrag ervan, en ten tweede, bij wie de bewijslast in dat verband ligt.

13.      Zelfs indien de nationale rechterlijke instanties de uit het arrest Harms voortvloeiende rechtspraak op verschillende manieren toepassen, is de verwijzende rechter van oordeel dat de luchtvaartmaatschappij niet kan tegenwerpen dat zij geen kennis had van het exacte bedrag van de provisie, mits de provisie niet ongebruikelijk hoog was, hetgeen door de luchtvaartmaatschappij zou moeten worden bewezen. In dit verband moet de luchtvaartmaatschappij uitgaan van het principe dat een agent doorgaans alleen tegen een bemiddelingsprovisie werkt.

14.      In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Moet [verordening nr. 261/2004], en met name artikel 8, lid 1, onder a), ervan, aldus worden uitgelegd dat de ticketprijs die in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, ook het verschil tussen het door de passagier betaalde bedrag en het door de luchtvaartmaatschappij ontvangen bedrag omvat, welk verschil overeenkomt met de provisie die is betaald aan een onderneming die als tussenpersoon is opgetreden, wanneer de luchtvaartmaatschappij weliswaar op de hoogte is van het feit dat die onderneming voor een bemiddeling doorgaans een provisie (bemiddelingsvergoeding) in rekening brengt, maar in het concrete geval geen kennis heeft van de hoogte ervan?

2)      Ligt de bewijslast voor het vereiste medeweten van de luchtvaartmaatschappij bij de passagier die terugbetaling vordert of moet de luchtvaartmaatschappij bewijzen dat zij geen kennis had van de provisie?”

IV.    Procedure bij het Hof

15.      De verwijzingsbeslissing van 23 november 2023 is op dezelfde dag bij de griffie van het Hof binnengekomen.

16.      Partijen in het hoofdgeding en de Europese Commissie hebben binnen de termijn van artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie schriftelijke opmerkingen ingediend.

17.      Overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Hof beslist geen pleitzitting te houden.

V.      Juridische analyse

A.      Inleidende opmerkingen

18.      De terugbetaling van de prijs van tickets door luchtvaartmaatschappijen is een van de kernkwesties van het recht inzake luchtvervoer van passagiers. Naar de kwestie in verband met de terugbetaling van kosten die voor de boeking van vluchten aan derden zijn betaald, gaat daarentegen minder aandacht uit. Dienstverleners, zoals reisbureaus of onlineportalen, spelen in een groeiende luchtvaartsector nochtans een steeds grotere rol. De sector heeft zich als gevolg van de liberalisering van de reismarkt, de opmars van lagekostenmaatschappijen en technologische ontwikkelingen voortdurend ontwikkeld. Vanwege deze veranderingen verloopt het contact tussen consumenten en luchtvaartmaatschappijen steeds vaker op een indirecte manier, waarbij dienstverleners optreden als tussenpersoon. Daardoor komt een driehoeksverhouding tot stand die in geval van annulering van een vlucht aanleiding geeft tot talrijke juridische vraagstukken.(3)

19.      Hoewel verordening nr. 261/2004 uitdrukkelijk voorziet in de terugbetaling van de aankoopprijs van een vliegticket, namelijk krachtens artikel 8, lid 1, onder a), gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening („volledige terugbetaling van het ticket [...] tegen de prijs waarvoor het gekocht was”)(4), is de vraag of die prijs ook de door passagiers aan tussenpersonen betaalde provisies omvat, lange tijd onbeantwoord gebleven. In die situatie is verandering gebracht door het arrest Harms, waarin het Hof heeft geoordeeld dat luchtvaartmaatschappijen verplicht zijn dergelijke provisies terug te betalen. Het Hof heeft deze verplichting in wezen gerechtvaardigd op grond van het feit dat de provisie die de tussenpersoon van een passagier ontvangt, moet worden geacht „deel uit te maken van” de aankoopprijs van het vliegticket.(5) Deze uitlegging is overtuigend, temeer daar de boeking bij de tussenpersoon moet worden geacht deel uit te maken van één enkele transactie, in het kader waarvan de betaling van de provisie een essentiële voorwaarde is voor de aankoop van het ticket.

20.      Het Hof heeft dit rechtsgevolg echter gekoppeld aan de voorwaarde dat de verschillende onderdelen van een dergelijk ticket, waaronder de prijs, door de luchtvaartmaatschappij worden „toegestaan”, aangezien zij niet „buiten haar medeweten” mogen worden vastgesteld.(6)

21.      Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, lijken meerdere nationale rechters deze voorwaarde te hebben opgevat als een subjectief element, namelijk dat de luchtvaartmaatschappij „kennis” heeft van de commerciële activiteit van de tussenpersoon en, in het bijzonder, van het feit dat deze tussenpersoon een provisie in rekening brengt voor de verrichte diensten. Vanuit juridisch oogpunt is dit een voorwaarde die specifiek betrekking heeft op de relatie tussen de luchtvaartmaatschappij en de „door haar erkende agent” in de zin van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004.

22.      De vragen van de verwijzende rechter hebben juist betrekking op dit aspect, voor zover met deze vragen in wezen wordt beoogd vast te stellen, ten eerste, of de luchtvaartmaatschappij kennis moet hebben van het exacte bedrag van de provisie, en ten tweede, bij wie de bewijslast in dat verband ligt. Ik zal deze vragen in dezelfde volgorde behandelen.

B.      Eerste prejudiciële vraag

23.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de ticketprijs die een luchtvaartmaatschappij aan een passagier moet terugbetalen ook de door een tussenpersoon geïnde provisie omvat wanneer die luchtvaartmaatschappij weet dat deze tussenpersoon doorgaans een provisie aanrekent voor zijn diensten, maar in het concrete geval geen kennis heeft van het exacte bedrag ervan.

1.      Subjectief criterium dat het Hof heeft vastgesteld in het arrest Harms

24.      In dit verband verzoekt de verwijzende rechter het Hof om verduidelijking van het arrest Harms met betrekking tot de mate waarin de luchtvaartmaatschappij kennis moet hebben gehad van het bedrag van de door de tussenpersoon geïnde provisie opdat deze provisie kan worden begrepen in de prijs van het ticket dat in aanmerking komt voor terugbetaling. Met zijn vraag doelt de verwijzende rechter op het subjectieve element dat ik in mijn inleidende opmerkingen heb vermeld en dat volgens het Hof een essentiële voorwaarde is om de luchtvaartmaatschappij te kunnen verplichten tot terugbetaling van de provisie, als onderdeel van de aankoopprijs van het ticket, zelfs indien deze provisie in werkelijkheid een tegenprestatie is voor een door een derde verleende dienst.

25.      Om te beginnen wil ik de aandacht vestigen op het feit dat, zoals blijkt uit de lezing van het arrest Harms, een dergelijke verplichting in de eerste plaats afhangt van de wil van de luchtvaartmaatschappij, die volgens het Hof de verschillende onderdelen van een dergelijk ticket, waaronder de provisie, moet hebben „toegestaan”.(7) Deze uitlegging is gebaseerd op de definitie van het begrip „ticket” in artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004, volgens welke een ticket een document is dat recht geeft op vervoer dat niet alleen wordt uitgegeven maar ook wordt „[toegestaan] door de luchtvaartmaatschappij” of door een door haar erkende agent. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat deze toestemming van de luchtvaartmaatschappij zicht uitstrekt tot de verschillende onderdelen van de prijs van een dergelijk ticket. Het Hof is derhalve van oordeel dat de terugbetaling van de kosten door de luchtvaartmaatschappij gerechtvaardigd is aangezien de luchtvaartmaatschappij een bewuste en geïnformeerde beslissing heeft genomen die rechtvaardigt dat dit onderdeel in de prijs van het ticket wordt begrepen. Dat is in elk geval wat het begrip „toestemming” vanuit semantisch oogpunt impliceert.(8) In het arrest Harms wordt het feit dat dit onderdeel niet buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij is vastgesteld evenwel gelijkgesteld met „toestemming”, zodat het volstaat dat de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van de vaststelling van een provisie door de tussenpersoon om aan te nemen dat zij daar ook toestemming voor heeft gegeven.

26.      Het arrest Harms is in wezen gebaseerd op het beginsel dat de luchtvaartmaatschappij de provisie moet terugbetalen indien deze voor de uitvoering van haar taken bewust een beroep doet op een derde. De vaststelling van het Hof dat de verschillende onderdelen van de prijs van een ticket niet „buiten medeweten” van de luchtvaartmaatschappij mogen worden vastgesteld, moet bijgevolg aldus worden opgevat dat de luchtvaartmaatschappij niet kan worden verplicht provisies terug te betalen waarvan zij geen kennis had en waarvoor zij dus geen toestemming had gegeven.

27.      Bovendien wordt een door de luchtvaartmaatschappij „toegestane” provisie die een tussenpersoon ontvangt volgens de uitlegging van het Hof(9) beschouwd als „onvermijdelijk” in de zin van het arrest Mennens(10) en moet deze door de luchtvaartmaatschappij worden terugbetaald. De mogelijkheid om het ticket te kopen zonder gebruik te maken van een tussenpersoon, waardoor geen provisie moet worden betaald, doet mijns inziens niets af aan de „onvermijdelijke” aard van dit onderdeel van de prijs. Mijns inziens vormt deze „onvermijdelijke” aard van de door de passagier betaalde provisie een essentieel onderdeel van de prijs van het ticket aangezien de passagier een beroep doet op een tussenpersoon, die zelf een door de luchtvaartmaatschappij erkende agent is. De omstandigheid dat de passagier de algemene verkoopsvoorwaarden van een tussenpersoon aanvaardt voordat hij een ticket koopt en dat hij instemt met de betaling van de provisie, doet evenmin afbreuk aan deze „onvermijdelijke” aard van de provisie. Anders dan het geval is bij optionele aanvullende diensten die door een tussenpersoon worden aangeboden, zoals een reisverzekering, kan de betaling van de provisie tijdens het aankoopproces niet worden uitgevinkt. De betaling van de provisie kan derhalve niet worden beschouwd als een onderdeel dat kan worden „losgemaakt” van de prijs van het ticket in de zin van artikel 8, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 261/2004.

28.      Deze overweging leidt tot de vraag hoe kan worden vastgesteld dat de luchtvaartmaatschappij er kennis van heeft dat de tussenpersoon provisies ontvangt voor de activiteiten die hij verricht. Dit aspect is bijzonder relevant, aangezien het Hof in het arrest Harms zelf toegeeft dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de luchtvaartmaatschappij niet op de hoogte is van de handelspraktijken van tussenpersonen. Alleen in dergelijke situaties heeft de passagier geen recht om terugbetaling van de provisie te vorderen van de luchtvaartmaatschappij.

29.      Verschillende argumenten pleiten voor een ruimere opvatting van dit subjectieve element, in die zin dat de duurzame relatie tussen de luchtvaartmaatschappij en de tussenpersoon in beginsel volstaat om vast te stellen dat de luchtvaartmaatschappij kennis had van en, bijgevolg, impliciet had ingestemd met de aanrekening van een provisie. Om te beginnen volgt uit de definitie van het begrip „ticket” van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004 dat een ticket een document is dat alleen door de luchtvaartmaatschappij zelf of door „een door haar erkende agent” kan worden uitgegeven of toegestaan. Het feit dat elke tussenpersoon die tickets verkoopt, wordt beschouwd als een door de luchtvaartmaatschappij erkende agent, rechtvaardigt het vermoeden van kennis en „toestemming”, in de zin van het arrest Harms(11), daar de luchtvaartmaatschappij heeft aanvaard dat deze agent tickets uitgeeft. Het lijkt mij immers contra-intuïtief om te stellen dat de luchtvaartmaatschappij de verkoop van tickets kan toestaan en aanvaarden zonder tegelijkertijd de handelspraktijk van de door haar erkende agent, namelijk het aanrekenen van een provisie, te aanvaarden. Een dergelijke benadering zou neerkomen op een vorm van „cherrypicking”, waarbij de luchtvaartmaatschappij in éénzelfde handelsrelatie met de door haar erkende agent naar eigen goeddunken kan behouden wat voor haar commercieel voordelig is en kan verwerpen wat voor haar niet voordelig is. Vervolgens lijkt het van essentieel belang om het vertrouwen van de passagier in de regelmatigheid van het proces voor de aankoop van tickets te beschermen, temeer daar de passagier niet wordt geacht op de hoogte te zijn van de aard van de handelsrelatie tussen de agent en de luchtvaartmaatschappij.(12) Het zou evenmin redelijk zijn om van de passagier te verlangen dat hij hieromtrent onderzoek doet. Ten slotte kan in het geval van een aankoop van een ticket bij een tussenpersoon terecht worden aangenomen dat de luchtvaartmaatschappij toestemming heeft gegeven voor de verschillende onderdelen van de prijs van het ticket en dat zij er dus in elk geval kennis van heeft.

30.      Wat immers niet uit het oog mag worden verloren, is dat het de luchtvaartmaatschappij vrijstaat om haar relatie met de tussenpersoon op zodanige wijze vorm te geven dat zij zich kan verzetten tegen bepaalde handelspraktijken. Wanneer de luchtvaartmaatschappij in haar eigen belang gebruikmaakt van een netwerk van tussenpersonen – ongeacht of zij dit doet om haar klantenbestand uit te breiden of om de administratieve kosten in verband met de verkoop van tickets te verlagen – kan in het algemeen worden aangenomen dat zij kennis heeft van de handelspraktijken van deze tussenpersonen en dat zij derhalve heeft „toegestaan”, in de zin van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004, dat de tussenpersoon een provisie ontvangt. In een dergelijk geval lijkt het gerechtvaardigd om hieruit af te leiden dat de luchtvaartmaatschappij zich er niet uitdrukkelijk tegen heeft verzet dat de tussenpersoon een provisie ontvangt.

31.      Wanneer de luchtvaartmaatschappij ervoor kiest om samen te werken met een commerciële bemiddelaar van vliegtickets, mag eveneens redelijkerwijs worden aangenomen dat deze luchtvaartmaatschappij in haar eigen belang wil profiteren van de commerciële kansen die hiermee gepaard gaan. Door te aanvaarden dat de door haar erkende agent in de zin van artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004 een ticket uitgeeft, geeft de luchtvaartmaatschappij deze agent derhalve de toestemming om haar klanten een provisie aan te rekenen, zelfs bij gebreke van een uitdrukkelijke overeenkomst met de tussenpersoon. Omgekeerd geldt dat indien de luchtvaartmaatschappij om redenen die bijvoorbeeld verband houden met haar reputatie of haar bedrijfsbeleid wil voorkomen dat een derde een provisie aanrekent, het aan de luchtvaartmaatschappij staat om geen handelsrelatie met deze derde aan te gaan of deze handelsrelatie te verbreken.

32.      De luchtvaartmaatschappij wordt dus uitsluitend van haar verantwoordelijkheid vrijgesteld in het uitzonderlijke geval dat de tussenpersoon op eigen initiatief handelt, zonder enige betrokkenheid, toestemming of kennis van de luchtvaartmaatschappij. Daaronder valt ook de situatie, die in de schriftelijke opmerkingen van de Commissie wordt uiteengezet, waarin de tussenpersoon screenscraping-diensten aanbiedt(13), waarbij zijn handelsmodel is gebaseerd op het automatisch onttrekken van gegevens aan websites van luchtvaartmaatschappijen zonder dat deze daarvoor toestemming hebben gegeven. Dat een tussenpersoon in dergelijke omstandigheden een provisie aanrekent voor zijn bemiddelingsdiensten kan niet worden geacht te zijn „toegestaan” door de luchtvaartmaatschappij in de zin van de rechtspraak.

33.      Vanuit dit oogpunt lijkt het door het Hof vastgestelde element van toestemming een nuttige indicator om te bepalen of er een voldoende nauwe band bestaat tussen de luchtvaartmaatschappij en de tussenpersoon. Bovendien is het een relatief eenvoudig criterium dat kan worden gebruikt ongeacht de juridische aard van hun relatie. Voor zover het de luchtvaartmaatschappij vrijstaat om een handelsrelatie aan te gaan met de tussenpersoon van haar keuze, kan zij zich immers niet beroepen op een vermeend gebrek aan kennis of op haar passiviteit teneinde te ontsnappen aan haar verantwoordelijkheid om aan de passagier de provisie terug te betalen die hij aan de tussenpersoon heeft betaald. Doorslaggevend is in elk geval de kennis die de luchtvaartmaatschappij heeft van het handelsgedrag van haar handelspartner, die neerkomt op een uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van dit gedrag.

34.      Bovendien moet eraan worden herinnerd dat, zoals het Hof in het arrest Harms heeft geopperd, de toepassing van het criterium van de toestemming een manier is om de doelstellingen van verordening nr. 261/2004 te verwezenlijken, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de passagiers en een evenwicht tussen de belangen van deze passagiers en die van de luchtvaartmaatschappijen.(14) Dit wordt des te duidelijker wanneer rekening wordt gehouden met de volgende aspecten in verband met de praktische toepassing van dit criterium.

35.      Bij de mogelijkheid voor de passagier om de provisie terug te vorderen door middel van het recht op terugbetaling waarin wordt voorzien door het Unierecht, wordt rekening gehouden met de belangen in verband met de consumentenbescherming(15), aangezien de passagier in een dergelijk geval te maken heeft met één enkele schuldenaar. Anders zou de passagier een vordering moeten instellen tegen zowel de luchtvaartmaatschappij voor de prijs van het ticket, als de tussenpersoon voor de provisie. Een dergelijke benadering zou niet alleen extra kosten met zich meebrengen, maar zou ook gepaard gaan met een aanzienlijk risico voor de passagier, aangezien de juridische relatie tussen de luchtvaartmaatschappij en de agent verschillend gestructureerd kan zijn al naargelang het contract en de rechtsorde van de lidstaat in kwestie. De erkenning van één enkel recht op terugbetaling op basis van het Unierecht, te weten artikel 8, lid 1, onder a), gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004(16), zorgt derhalve voor een aanzienlijke verbetering van zijn rechtspositie.

36.      Het gebruik van een criterium dat in het Unierecht is vastgesteld en dat is bedoeld om op een uniforme manier te worden toegepast, zoals het door het Hof in het arrest Harms ontwikkelde criterium, brengt naar mijn mening met zich mee dat elke discussie over de precieze aard van de aan de tussenpersoon betaalde vergoeding overbodig is. Uit de opmerkingen van KLM in dit verband blijkt duidelijk dat de terminologische aanduiding en de economische indeling van deze vergoeding verschillen naargelang de betrokken juridische relatie met de tussenpersoon en, binnen een relatie, soms zelfs naargelang de contractvoorwaarden die van toepassing zijn tussen de partijen.(17) De rechtszekerheid zou in het gedrang komen indien de relatie tussen de luchtvaartmaatschappij en de derde telkens vanuit economisch en juridisch oogpunt zou moeten worden onderzocht om de onderdelen te bepalen van de door de luchtvaartmaatschappij terug te betalen prijs. Vandaar dat er een eenvoudig te gebruiken criterium moet worden vastgesteld, zoals het criterium van de „toestemming”, dat ongeacht het nationale recht van toepassing is.

37.      Het subjectieve criterium in het arrest Harms heeft tot doel de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij tot op zekere hoogte te beperken teneinde ook rekening te houden met haar belangen. Zoals ik reeds heb opgemerkt in deze conclusie is de luchtvaartmaatschappij slechts verantwoordelijk voor het handelsgedrag van haar agenten indien zij, al was het maar stilzwijgend(18), daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit moet worden vastgesteld overeenkomstig de regels inzake de verdeling van de bewijslast, die zullen worden onderzocht in het kader van de tweede prejudiciële vraag. Dit criterium voorkomt dus dat de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij ten onrechte wordt uitgebreid tot omstandigheden waarop zij geen invloed uitoefent.

38.      Verder moet worden opgemerkt dat de luchtvaartmaatschappij geen enkel nadeel ondervindt van het feit dat zij de verantwoordelijkheid op zich neemt die voortvloeit uit haar handelsrelatie met de tussenpersoon, aangezien zij over de mogelijkheid beschikt om tegen hem een regresvordering in te stellen. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het Hof in het arrest Airhelp heeft geoordeeld dat het feit dat de luchtvaartmaatschappij voldoet aan de verplichtingen die krachtens verordening nr. 261/2004 op haar rusten, haar recht onverlet laat om van eenieder die ervoor verantwoordelijk is dat zij haar verplichtingen niet heeft kunnen nakomen, inclusief derden, schadevergoeding te vorderen volgens het geldende nationale recht, zoals artikel 13 van deze verordening bepaalt. Volgens het Hof stelt de verordening het recht van de luchtvaartmaatschappij om terugbetaling te eisen niet afhankelijk van het bestaan van een overeenkomst tussen haar en de tussenpersoon tot wie de luchtreiziger zich heeft gewend om zijn vlucht te boeken.(19)

39.      Hoewel het arrest Airhelp slechts betrekking heeft op een specifiek geval, te weten de niet-nakoming door de tussenpersoon van een op de luchtvaartmaatschappij rustende verplichting, ben ik van mening dat artikel 13 van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op andere vormen van compensatie waarin wordt voorzien door het nationale recht, waaronder regresvorderingen.(20) Vanuit dit oogpunt bevestigt deze bepaling mijns inziens het beginsel dat het nationale recht deze verordening aanvult om een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de partijen.

2.      Vereiste dat de luchtvaartmaatschappij het precieze bedrag kent van de provisie die aan de tussenpersoon is betaald

40.      In het licht van deze overwegingen moet de door de verwijzende rechter gestelde materiële vraag worden onderzocht, namelijk of het voor de terugbetaling krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 noodzakelijk is dat de luchtvaartmaatschappij het precieze bedrag kent van de door de tussenpersoon aangerekende provisie. Zoals ik hieronder zal uitleggen, zouden te strenge vereisten met betrekking tot dit subjectieve element mijns inziens meerdere moeilijkheden opwerpen.

41.      Ten eerste lijkt het Hof met zijn voorbehoud in punt 20 van het arrest Harms („tenzij deze provisie is vastgesteld buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij”) uitsluitend te hebben onderstreept dat de luchtvaartmaatschappij, wil zij worden vrijgesteld van terugbetaling, geen kennis mag hebben van de vaststelling van de provisie, zonder in te gaan op het feit dat zij geen kennis heeft van het bedrag ervan. Dit lijkt mij logisch, want zodra de luchtvaartmaatschappij er in het algemeen kennis van heeft dat er een provisie wordt ontvangen, is zij in staat om bij de door haar erkende agent navraag te doen naar het precieze bedrag ervan. Indien de terugbetaling van de provisie afhankelijk wordt gesteld van een factor zoals het feit dat de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van het bedrag ervan, zou het daarentegen niet mogelijk zijn om voor de passagier een voldoende mate van voorspelbaarheid te waarborgen en zou zijn vertrouwen in het proces van de aankoop van een ticket worden ondermijnd.

42.      Ten tweede zou de luchtvaartmaatschappij, indien met het oog op de terugbetaling aan de passagier wordt geëist dat zij kennis had van het precieze bedrag van de door de tussenpersoon in rekening gebrachte provisie, in de verleiding kunnen komen om zich te kwader trouw aan haar verplichting tot terugbetaling overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 te onttrekken door geen navraag te doen naar het bedrag. Zij zou eveneens kunnen beweren dat zij geen kennis had van de handelspraktijken van de tussenpersoon, en met name van de aanrekening van een provisie, wat voor de nationale rechterlijke instanties tot moeilijke bewijsvraagstukken zou leiden. In het kader van een geschil zouden vragen omtrent de waarheidsgetrouwheid van deze verklaringen rijzen, ook al is het mijns inziens volstrekt legitiem om van een luchtvaartmaatschappij te eisen dat zij voldoende gedetailleerde informatie inwint over de handelspraktijken van haar partners. Dit aspect, dat vanuit praktisch oogpunt relevant is, zal worden onderzocht in het kader van de analyse van de tweede prejudiciële vraag.

43.      Indien de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van de activiteiten van de tussenpersoon – en deze mogelijk zelfs aanmoedigt – zou het vereiste dat zij het precieze bedrag van de door de tussenpersoon aangerekende provisie kent, bijgevolg betekenen dat zij uiteindelijk in staat wordt gesteld zelf te bepalen in welke mate zij een terugbetaling moet verrichten krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004. Deze bepaling zou dan een deel van haar betekenis ten gunste van de passagiers verliezen.

44.      Ten derde kan het vereiste dat de luchtvaartmaatschappij in hoge mate kennis heeft van de handelspraktijken van de tussenpersoon, en met name van de aangerekende provisie, tot gevolg hebben dat de passagier ervan afziet een beroep te doen op een tussenpersoon en er de voorkeur aan geeft rechtstreeks bij de luchtvaartmaatschappij te boeken, ondanks de voordeligere ticketprijzen die worden aangeboden door tussenpersonen. Een dergelijke verandering in het koopgedrag van de passagiers zou economische schade kunnen berokkenen aan de tussenpersonen, terwijl zij een positieve rol spelen op de markt door het reisaanbod voor consumenten te diversifiëren en door het klantenbestand van luchtvaartmaatschappijen ten gunste van deze laatsten uit te breiden.(21)

45.      Ten vierde en ten slotte zou het vereiste dat de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van het exacte bedrag van de provisie er naar alle waarschijnlijkheid toe leiden dat zij wordt vrijgesteld van haar verplichting om de provisie terug te betalen aan de passagier, waardoor deze zou worden gedwongen verhaal te nemen op de tussenpersoon teneinde, via een mogelijk dure procedure, de terugbetaling te verkrijgen. Zoals uit het onderhavige geval blijkt, is het betwiste bedrag, namelijk de provisie, echter eerder bescheiden. Dit zou uiteraard indruisen tegen de in overweging 1 van verordening nr. 261/2004 geformuleerde doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen en tegen de door deze verordening ingevoerde vereenvoudiging van de procedures voor terugbetaling. Om de in de voorgaande punten uiteengezette redenen ben ik van mening dat het met betrekking tot de „kennis” in de zin van het arrest Harms volstaat dat de luchtvaartmaatschappij op de hoogte is van de rol van de tussenpersoon en dat zij ermee instemt dat de activiteiten van de tussenpersoon tegen een provisie worden verricht, zonder dat zij in het concrete geval kennis moet hebben van het precieze bedrag van de provisie.

C.      Tweede prejudiciële vraag

46.      Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of met betrekking tot het recht op terugbetaling krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 het bewijs dat de luchtvaartmaatschappij op de hoogte was van de bemiddelingsprovisie moet worden geleverd door de passagier die terugbetaling vordert van de luchtvaartmaatschappij.

47.      Indien het Hof de eerste prejudiciële vraag beantwoordt zoals ik heb voorgesteld, lijkt het niet nodig de tweede vraag te beantwoorden om het geschil in het hoofdgeding te beslechten. In casu wordt immers niet betwist dat KLM wist dat de tussenpersoon Opodo een provisie in rekening bracht. De bemiddeling maakte bovendien deel uit van een samenwerking die werd geregeld door een overeenkomst tussen verweerder en Opodo. Daarnaast wordt niet betwist dat KLM, die kennis had van het handelsgedrag van de tussenpersoon, in beginsel had ingestemd met de betaling van een provisie.

48.      Aangezien de door het arrest Harms vereiste „kennis” van de luchtvaartmaatschappij in casu is aangetoond, is het in het hoofdgeding niet langer relevant om te bepalen bij wie in dit verband de bewijslast ligt. Bijgevolg zal ik slechts voor de volledigheid een aantal opmerkingen maken over de verdeling van de bewijslast in het kader van een „gebruikelijke situatie” waarin een passagier om terugbetaling van de prijs van zijn ticket verzoekt.

49.      Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat passagiers en luchtvaartmaatschappijen hun recht om schadevergoeding te eisen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten overeenkomstig het nationale procesrecht moeten uitoefenen, zoals met name blijkt uit overweging 22 van verordening nr. 261/2004. De regels inzake de bewijslast op het gebied van wettelijke aansprakelijkheid zijn in beginsel vastgesteld in dat nationale procesrecht.

50.      In afwijking van dit beginsel voorziet verordening nr. 261/2004 in een reeks bepalingen die uitdrukkelijk betrekking hebben op de bewijslast, teneinde te waarborgen dat de rechten van passagiers worden geëerbiedigd. Het gaat met name om de bepalingen van artikel 5, leden 3 en 4, van deze verordening, waarbij bepaalde verplichtingen aan de luchtvaartmaatschappij worden opgelegd in het geval van annulering van een vlucht en tevens de bewijslast in verband met de naleving van deze verplichtingen bij haar wordt gelegd. Bovendien kunnen regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast eveneens worden afgeleid uit een uitlegging van de bepalingen van deze verordening, wat bovendien is bevestigd door de rechtspraak.

51.      In die zin heeft het Hof reeds geoordeeld dat de verantwoordelijkheid van de betrokken luchtvaartmaatschappij om overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 261/2004 een alternatief reisplan aan te bieden en te organiseren, de bewijslast met zich meebrengt om aan te tonen dat het aldus georganiseerde alternatieve reisplan bij de eerste gelegenheid heeft plaatsgevonden.(22) In het licht van deze overwegingen en bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in de verordening of van enige formele verduidelijking door het Hof in het arrest Harms, is het nodig de relevante bepalingen van die verordening uit te leggen.

52.      In dit kader zij eraan herinnerd dat artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 aan de luchtvaartmaatschappij de verplichting oplegt om de prijs van het ticket terug te betalen, ongeacht de oorzaak van de annulering van de vlucht. In tegenstelling tot de verplichting van artikel 7 van deze verordening om de passagiers een compensatie te betalen, geldt voor de verplichting tot terugbetaling geen uitzondering in verband met het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden.(23) De verplichting tot terugbetaling lijkt derhalve ruimer dan de verplichting om de passagiers een compensatie te betalen. Vanuit dat oogpunt brengt de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij om het ticket terug te betalen tegen de prijs waarvoor het is gekocht naar mijn mening ook de bewijslast met zich mee om aan te tonen dat bepaalde onderdelen van deze prijs in voorkomend geval niet moeten worden terugbetaald.

53.      Deze slotsom is des te overtuigender wanneer erop wordt gewezen dat de tussenpersoon optreedt als de door de luchtvaartmaatschappij erkende agent, wat het vermoeden rechtvaardigt dat de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van de handelspraktijken van die agent.(24) De luchtvaartmaatschappij is immers het best geïnformeerd over de praktijken van haar tussenpersonen. Zoals ik reeds heb vermeld in deze conclusie(25), is de luchtvaartmaatschappij eveneens het best geplaatst om zich te verzetten tegen hun provisiepraktijken, en wordt zij derhalve geacht ermee te hebben ingestemd dat een dergelijke provisie wordt gevraagd van de passagiers, terwijl de passagiers hierop geen enkele invloed kunnen uitoefenen.(26) Daarentegen is het duidelijk dat de verlegging van de bewijslast naar de passagier aanzienlijke moeilijkheden zou veroorzaken voor passagiers, wat niet zou stroken met de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen.

54.      Tot slot vind ik in het arrest Harms enkele aanwijzingen ten gunste van een uitlegging volgens welke de bewijslast bij de luchtvaartmaatschappij ligt. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de door een tussenpersoon aangerekende provisie onder de terugbetalingsverplichting valt die krachtens artikel 8, lid 1, onder a), gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van verordening nr. 261/2004 op de luchtvaartmaatschappij rust, tenzij de luchtvaartmaatschappij niet over de nodige kennis omtrent deze provisie beschikte. Hieruit kan worden afgeleid dat het feit dat de luchtvaartmaatschappij geen kennis heeft van de provisie, een uitzondering op de regel vormt. Door dit verband tussen de regel en de uitzondering in te voeren, heeft het Hof impliciet een regel met betrekking tot de bewijslast vastgesteld, volgens welke het aan de luchtvaartmaatschappij staat om te bewijzen dat zij niet het vereiste medeweten had omtrent de activiteiten van de tussenpersoon en dat zij er niet mee had ingestemd dat dergelijke activiteiten tegen een provisie worden uitgevoerd.(27)

55.      Dit gezegd zijnde, ben ik niet ongevoelig voor het argument van de Commissie dat moet worden vermeden dat de bewijslast wordt verdeeld ten nadele van de luchtvaartmaatschappij, aangezien zij in dat geval zou moeten bewijzen dat een feit niet bestaat.(28) De luchtvaartmaatschappij zou in een dergelijk geval worden gedwongen een „negatief feit” te bewijzen, wat in de praktijk onmogelijk is(29), temeer daar dit betrekking zou hebben op haar forum internum. Om een dergelijk ongewenst gevolg te vermijden en voldoende rekening te houden met de belangen van de luchtvaartmaatschappij, mogen de vereisten met betrekking tot de omkering van de bewijslast niet te streng zijn.

56.      Daarom ben ik, net als de Commissie, van mening dat de luchtvaartmaatschappijen reeds aan hun bewijslast voldoen wanneer zij op geloofwaardige wijze alle relevante contextuele omstandigheden uiteenzetten om te bewijzen dat zij geen kennis hadden van het feit dat de tussenpersoon provisies ontvangt bij de uitvoering van zijn activiteiten, en dat zij daarmee niet hadden ingestemd. In dit geval zou de passagier op gemotiveerde wijze moeten aantonen dat de samenwerking tussen de luchtvaartmaatschappij en de tussenpersoon zodanig was opgezet dat de luchtvaartmaatschappij er kennis van had dat bij de verkoop van haar tickets door de tussenpersoon een provisie in rekening werd gebracht en dat zij daarmee had ingestemd.

57.      Deze uitlegging strookt mijns inziens het best met de doelstelling om de belangen van de passagiers en die van de luchtvaartmaatschappijen te verzoenen, die de Uniewetgever met de vaststelling van verordening nr. 261/2004 heeft willen nastreven.(30) Derhalve geef ik in overweging de vraag van de verwijzende rechter aldus te beantwoorden dat de luchtvaartmaatschappij, wil zij worden vrijgesteld van de verplichting om de desbetreffende provisie terug te betalen, moet bewijzen dat zij er geen kennis van had dat de tussenpersoon bij de uitvoering van zijn activiteiten een provisie ontving en dat zij hiermee niet had ingestemd. De luchtvaartmaatschappij voldoet reeds aan de bewijslast indien zij op een geloofwaardige manier alle relevante contextuele omstandigheden uiteenzet.

VI.    Conclusie

58.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vragen van het Oberste Gerichtshof te beantwoorden als volgt:

„Artikel 8, lid 1, onder a), gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91

moet aldus worden uitgelegd dat

–        de ticketprijs die in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, ook het verschil tussen het door de passagier betaalde bedrag en het door de luchtvaartmaatschappij ontvangen bedrag omvat, welk verschil overeenkomt met de provisie die is betaald aan een onderneming die als tussenpersoon is opgetreden, waarbij niet vereist is dat de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van de exacte hoogte van deze provisie;

–        de luchtvaartmaatschappij, wil zij worden vrijgesteld van de verplichting om de voornoemde provisie terug te betalen, moet bewijzen dat zij er geen kennis van had dat de tussenpersoon bij de uitvoering van zijn activiteiten een provisie ontving en dat zij hiermee niet had ingestemd. De luchtvaartmaatschappij voldoet reeds aan de bewijslast indien zij op een geloofwaardige manier alle relevante contextuele omstandigheden uiteenzet.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificaties in PB 2006, L 365, blz. 89, en PB 2021, L 420, blz. 134.


3      Zie arrest van 21 december 2021, Airhelp (C‑263/20, EU:C:2021:1039; hierna: „arrest Airhelp”), voor wat betreft de verplichtingen die bij verordening nr. 261/2004 aan luchtvaartmaatschappijen worden opgelegd indien de luchtvervoerovereenkomst is gesloten via een onlineboekingsplatform.


4      Cursivering van mij.


5      Zie arrest Harms, punt 16.


6      Zie arrest Harms, punt 17.


7      Zie arrest Harms, punt 17.


8      Deze opvatting ligt ten grondslag aan alle taalversies van het arrest die ik in het kader van mijn analyse heb geraadpleegd. Zie de Spaanse (deben haber sido autorizados), de Deense (skal være autoriseret), de Duitse (genehmigt werden müssen), de Engelse (must [...] be authorised), de Italiaanse (devono [...] essere [...] autorizzato), de Litouwse (turi būti gautas jo sutikimas), de Nederlandse (worden toegestaan) en de Portugese (devem [...] ser autorizados) versie.


9      Zie arrest Harms, punt 18.


10      Arrest van 22 juni 2016, Mennens (C‑255/15, EU:C:2016:472, punt 36). In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat bij de berekening van de in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met c), van verordening nr. 261/2004 bedoelde gedeeltelijke terugbetaling van de „prijs van het ticket”, ingeval de passagier op een vlucht in een lagere klasse wordt geplaatst dan die waarvoor een ticket is gekocht, uitsluitend rekening moet worden gehouden met de „onvermijdelijke” onderdelen van deze prijs; dit zijn de onderdelen waarvan de betaling noodzakelijk is om in ruil daarvoor gebruik te kunnen maken van de door de luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten.


11      Zie arrest Harms, punt 17.


12      Zie Dejonckheere, J., „Reimbursement of commissions charged by intermediaries after flight cancellation. A legal analysis of the Harms Case (C‑601/17) and its impact on the objectives of Regulation (EC) No 261/2004”, Air & Space Law, 2019, 44, nr. 1, blz. 114, waarin de auteur zich afvraagt hoe de passagier wordt geacht te weten welk percentage van de prijs van een ticket wordt betaald aan de luchtvaartmaatschappij en of de luchtvaartmaatschappij kennis heeft van het bedrag van de door de tussenpersoon vastgestelde provisie.


13      Zie arrest van 15 januari 2015, Ryanair (C‑30/14, EU:C:2015:10, punt 16).


14      Zie arrest Harms, punt 15.


15      De noodzaak om op het gebied van luchtvervoer ten volle rekening te houden met de vereisten op het gebied van consumentenbescherming wordt erkend in overweging 1 van verordening nr. 261/2004.


16      Zie punt 19 van deze conclusie.


17      In het kader van deze conclusie heeft het onderscheid dat KLM in haar opmerkingen hanteert tussen een „bemiddelingsprovisie” ten laste van de luchtvaartmaatschappij en „bemiddelingskosten” ten laste van de passagier in elk geval geen juridische betekenis. De onderhavige zaak heeft uitsluitend betrekking op de terugbetaling van het bedrag dat de tussenpersoon bij een passagier heeft geïnd in een feitelijke situatie die identiek is aan die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest Harms.


18      Zie de punten 26 en 33 van deze conclusie.


19      Zie het arrest Airhelp, punten 54 en 55.


20      Zie in die zin Maruhn, J., BeckOK Fluggastrechte-Verordnung (Ronald Schmidt), 33e druk, München, 2025, artikel 13, punten 1 e.v., waarin wordt gesteld dat artikel 13 van verordening nr. 261/2004 het recht op beroep van de luchtvaartmaatschappij niet beperkt. Volgens de auteur brengt deze bepaling op zich geen recht op beroep tot stand, maar veronderstelt zij dat dit recht bestaat. Een dergelijk beroep kan voortvloeien uit de onderliggende overeenkomst of uit de beginselen van zaakwaarneming („negotiorum gestio”).


21      Zie Seyffert, W., Conradt, L., en Laib, S., Flugbuchung über Dritte – warum Online-Reiseportale unter dem (Haftungs)-Radar fliegen, Neue Zeitschrift für Verkehrsrecht, 2021, nr. 11, blz. 563, waarin. de auteurs erop wijzen dat het gebruik van onlineportalen in het belang van de consument is, die gemakkelijker aanbiedingen van vluchten kan vergelijken, maar dat ook de luchtvaartmaatschappijen er baat bij hebben.


22      Arrest van 29 juli 2019, Rusu (C‑354/18, EU:C:2019:637, punt 61).


23      Zie arrest van 8 juni 2023, Austrian Airlines (Repatriëringsvlucht) (C‑49/22, EU:C:2023:454, punt 45).


24      Zie punt 29 van deze conclusie.


25      Zie punt 30 van deze conclusie.


26      Zie punt 27 van deze conclusie.


27      Zie in die zin Degott, P., Schmidt, R., BeckOK Fluggastrechte-Verordnung, C.H. Beck, 33e druk, München, 2025, artikel 8, punt 4b.


28      Zie Dejonckheere, J., „Reimbursement of commissions charged by intermediaries after flight cancellation. A legal analysis of the Harms Case (C‑601/17) and its impact on the objectives of Regulation (EC) No 261/2004”, op. cit, waarin de auteur moeilijkheden aankaart in verband met de eerlijke verdeling van de bewijslast. Enerzijds is de auteur van mening dat de bewijslast niet bij de passagier mag liggen. Anderzijds denkt hij dat een wettelijk vermoeden dat de luchtvaartmaatschappij kennis had van de provisie de belangen van luchtvaartmaatschappijen onnodig zou schaden.


29      Het Hof heeft consequent geoordeeld dat de Unierechtelijke regels niet vereisen dat het bewijs wordt geleverd van een negatief feit [zie arresten van 24 maart 1988, Commissie/Italië (104/86, EU:C:1988:171, punt 11), en 4 juli 2024, EUIPO/KD (C‑5/23 P, EU:C:2024:575, punt 47)].


30      Zie arresten van 19 november 2009, Sturgeon e.a. (C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 67), en 22 april 2021, Austrian Airlines (C‑826/19, EU:C:2021:318, punt 39).

Top