This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62023CJ0580
Judgment of the Court (First Chamber) of 4 December 2025.#Mio AB and Others v Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag and USM U. Schärer Söhne AG.#Requests for a preliminary ruling from the Svea Hovrätt and Bundesgerichtshof.#References for a preliminary ruling – Harmonisation of certain aspects of copyright and related rights in the information society – Directive 2001/29/EC – Articles 2 to 4 – Reproduction right – Concept of ‘work’ – Copyright protection of works of applied art – Assessment of the originality of subject matter of applied art – Concept of ‘free and creative choices’ – Criteria for the assessment of those choices – Assessment of the infringement of exclusive rights.#Joined Cases C-580/23 and C-795/23.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 december 2025.
Mio AB e.a. tegen Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag en USM U. Schärer Söhne AG.
Verzoeken van de Svea Hovrätt en Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikelen 2 tot en met 4 – Reproductierecht – Begrip ‚werk’ – Auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst – Onderzoek van de oorspronkelijkheid van een voorwerp van toegepaste kunst – Begrip ‚vrije en creatieve keuzen’ – Criteria voor de beoordeling van die keuzen – Beoordeling van een inbreuk op uitsluitende rechten.
Gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 december 2025.
Mio AB e.a. tegen Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag en USM U. Schärer Söhne AG.
Verzoeken van de Svea Hovrätt en Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikelen 2 tot en met 4 – Reproductierecht – Begrip ‚werk’ – Auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst – Onderzoek van de oorspronkelijkheid van een voorwerp van toegepaste kunst – Begrip ‚vrije en creatieve keuzen’ – Criteria voor de beoordeling van die keuzen – Beoordeling van een inbreuk op uitsluitende rechten.
Gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23.
Court reports – general
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:941
Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
4 december 2025 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij – Richtlijn 2001/29/EG – Artikelen 2 tot en met 4 – Reproductierecht – Begrip ‚werk’ – Auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst – Onderzoek van de oorspronkelijkheid van een voorwerp van toegepaste kunst – Begrip ‚vrije en creatieve keuzen’ – Criteria voor de beoordeling van die keuzen – Beoordeling van een inbreuk op uitsluitende rechten ”
In de gevoegde zaken C‑580/23 en C‑795/23,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor industriële-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) (C‑580/23) en het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) (C‑795/23) bij beslissingen van respectievelijk 20 september 2023 en 21 december 2023, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 21 september 2023 en 21 december 2023, in de procedures
Mio AB,
Mio e-handel AB,
Mio Försäljning AB
tegen
Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag (C‑580/23),
en
USM U. Schärer Söhne AG
tegen
konektra GmbH,
LN (C‑795/23),
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele (rapporteur), A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– Mio AB, Mio e‑handel AB en Mio Försäljning AB, vertegenwoordigd door Å. Hellstadius, M. Johansson en R. Wessman, advokater,
– konektra GmbH en LN, vertegenwoordigd door R. Hirsch en N. Tretter, Rechtsanwälte,
– Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag, vertegenwoordigd door M. Bruder en H. Wistam, advokater,
– USM U. Schärer Söhne AG, vertegenwoordigd door E. Keller en V. Zipperich, Rechtsanwälte,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en E. Timmermans als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Faroghi, J. Samnadda en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 De twee verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen, ten eerste, Mio AB, Mio e-handel AB en Mio Försäljning AB, vennootschappen naar Zweeds recht (hierna samen: „Mio”), enerzijds, en Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag, vennootschap naar Zweeds recht (hierna: „Asplund”), anderzijds (C‑580/23), en ten tweede, USM U. Schärer Söhne AG, vennootschap naar Zwitsers recht (hierna: „USM”), enerzijds, en konektra GmbH, vennootschap naar Duits recht, en LN, directeur van deze vennootschap (hierna samen: „Konektra”), anderzijds (C‑795/23), over vermeende inbreuken op het auteursrecht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2001/29
3 De overwegingen 4, 9, 10 en 60 van richtlijn 2001/29 luiden:
„(4) Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie, met inbegrip van de netwerkinfrastructuur, bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, op het gebied van de voorziening van inhoud en de informatietechnologie en, meer in het algemeen, in een hele reeks industriële en culturele sectoren. Hierdoor zal de werkgelegenheid veilig worden gesteld en de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen worden aangemoedigd.
[...]
(9) Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.
(10) Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele-eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.
[...]
(60) De bescherming waarin deze richtlijn voorziet, mag geen afbreuk doen aan nationale of communautaire wettelijke bepalingen op andere gebieden, zoals industriële eigendom, gegevensbescherming, voorwaardelijke toegang, toegang tot overheidsdocumenten en het voorschrift betreffende de volgorde van de exploitatie door de media, welke gevolgen kunnen hebben voor de bescherming van het auteursrecht of naburige rechten.”
4 Artikel 2 („Reproductierecht”) van deze richtlijn bepaalt:
„De lidstaten voorzien ten behoeve van:
a) auteurs, met betrekking tot hun werken,
b) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,
c) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,
d) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
e) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen, in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”
5 Artikel 3 („Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”) van deze richtlijn luidt als volgt:
„1. De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.
2. De lidstaten voorzien ten behoeve van:
a) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,
b) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,
c) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en
d) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,
in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.”
6 In artikel 4 („Distributierecht”) van deze richtlijn is bepaald:
„1. De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.
2. Het distributierecht met betrekking tot het origineel of kopieën van een werk is in de [Europese] Gemeenschap alleen dan uitgeput, wanneer de eerste verkoop of andere eigendomsovergang van dat materiaal in de Gemeenschap geschiedt door de rechthebbende of met diens toestemming.”
7 Artikel 5 („Beperkingen en restricties”) van richtlijn 2001/29 luidt als volgt:
„1. Tijdelijke reproductiehandelingen, als bedoeld in artikel 2, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn, en die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procedé en die worden toegepast met als enig doel:
a) de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of
b) een rechtmatig gebruik
van een werk of ander materiaal mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezitten, zijn van het in artikel 2 bedoelde reproductierecht uitgezonderd.
[...]
5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”
8 Artikel 9 („Voortgezette toepassing van andere wettelijke bepalingen”) van deze richtlijn bepaalt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan bepalingen betreffende andere gebieden.
Richtlijn 98/71
9 Overweging 8 van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PB 1998, L 289, blz. 28) luidt:
„Overwegende dat het bij het ontbreken van harmonisatie van het auteursrecht van belang is het beginsel vast te leggen van cumulatie van bescherming uit hoofde van specifieke wetgeving voor ingeschreven modellen en van auteursrechtelijke bescherming, waarbij de lidstaten vrij blijven om de omvang van de auteursrechtelijke bescherming en de voorwaarden waaronder deze wordt verleend, te bepalen”.
10 Artikel 17 („Verhouding tot het auteursrecht”) van die richtlijn bepaalt:
„Een model dat overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn in of ten aanzien van een lidstaat is ingeschreven, kan tevens beschermd worden door het auteursrecht van die lidstaat vanaf de datum waarop het model is gecreëerd of in vorm is vastgelegd. Elke lidstaat bepaalt de omvang en de voorwaarden van die bescherming, met inbegrip van het vereiste gehalte aan oorspronkelijkheid.”
Verordening nr. 6/2002
11 Overweging 32 van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1) luidt:
„Bij gebreke van een volledige harmonisatie van het auteursrecht is het belangrijk het beginsel vast te leggen dat de bescherming uit hoofde van het gemeenschapsmodel en die uit hoofde van het auteursrecht kunnen worden gecumuleerd, waarbij het de lidstaten vrijstaat de omvang van de auteursrechtelijke bescherming en de voorwaarden waaronder deze wordt verleend, te bepalen.”
12 In artikel 3, onder a), van die verordening wordt het begrip „model” in dezelfde bewoordingen gedefinieerd als die van artikel 1, onder a), van richtlijn 98/71.
13 Artikel 96 („Verhouding tot andere vormen van bescherming uit hoofde van het nationale recht”) van die verordening bepaalt in lid 2:
„Een model dat wordt beschermd door een gemeenschapsmodel, kan tevens worden beschermd door het auteursrecht van lidstaten vanaf de datum waarop het model is gecreëerd of in vorm is vastgelegd. Elke lidstaat bepaalt de omvang en de voorwaarden van die bescherming, met inbegrip van het vereiste gehalte aan oorspronkelijkheid.”
Zweeds recht
14 § 1 van de Lag om upphovsrätt till litterära och konstnärliga verk (1960:729) [wet betreffende het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst (1960:729)] (SFS 1960, nr. 729), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding in zaak C‑580/23 (hierna: „wet betreffende het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst”), bepaalt:
„Wie een werk van letterkunde of kunst heeft gecreëerd, bezit een auteursrecht op dit werk, ongeacht of het gaat om:
1. een fictief of beschrijvend werk in geschreven of gesproken vorm,
2. een computerprogramma,
3. een muziek‑ of toneelstuk,
4. een cinematografisch werk,
5. een fotografisch werk of een ander werk van beeldende kunst,
6. een bouwwerk of een werk van toegepaste kunst, of
7. een werk dat op een andere wijze tot uitdrukking is gebracht.”
15 Volgens § 2 van de wet betreffende het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst omvat het auteursrecht, behoudens bepaalde beperkingen, het uitsluitende recht om over een werk te beschikken door het te reproduceren en het voor het publiek beschikbaar te stellen, in zijn oorspronkelijke of gewijzigde vorm, in vertaling of bewerking, in een andere letterkundige of artistieke vorm of met een andere techniek. Onder „reproductie van een werk” wordt verstaan: elke directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie ervan, op welke wijze en in welke vorm dan ook. Een werk wordt met name aan het publiek beschikbaar gesteld wanneer het aan het publiek wordt doorgegeven of wanneer kopieën ervan te koop, te huur of in bruikleen worden aangeboden of anderszins onder het publiek worden verspreid.
16 § 53b van de wet betreffende het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst bepaalt dat de rechter op straffe van een dwangsom een persoon die een inbreukmakende handeling verricht of daaraan deelneemt, kan verbieden om deze handeling voort te zetten.
Duits recht
17 § 2 („Beschermde werken”) van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte (Urheberrechtsgesetz) [wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (auteurswet)] van 9 september 1965 (BGBl. 1965 I, blz. 1273), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding in zaak C‑795/23, bepaalt in lid 1, punt 4, dat onder beschermde werken van letterkunde, wetenschap en kunst met name werken van beeldende kunst, met inbegrip van bouwwerken en werken van toegepaste kunst, alsmede ontwerpen van dergelijke werken worden verstaan. Krachtens § 2, lid 2, zijn alleen persoonlijke intellectuele scheppingen werken in de zin van die wet.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑580/23
18 Asplund ontwerpt en vervaardigt interieurmeubelen. Het productassortiment van Asplund omvat met name de eetkamertafels uit de serie „Palais Royal”.
19 Mio houdt zich bezig met detailhandel in de sector meubilair en woningdecoratie. Het productassortiment van Mio omvat onder meer de eetkamertafels uit de „Cord”-meubelserie.
20 In oktober 2021 heeft Asplund bij de Patent- och marknadsdomstol (bijzondere rechter in eerste aanleg voor industriële-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) een vordering ingesteld tegen Mio wegens inbreuk op het auteursrecht. In het kader van deze vordering heeft Asplund deze rechter met name verzocht om Mio op straffe van een dwangsom te verbieden eetkamertafels uit de „Cord”-meubelserie te vervaardigen, in de handel te brengen of te verkopen. Asplund voerde aan dat de tafels uit de serie „Palais Royal” auteursrechtelijk waren beschermd als werken van toegepaste kunst en dat de eetkamertafels uit de „Cord”-meubelserie bijgevolg inbreuk maakten op haar auteursrecht, aangezien zij grote gelijkenissen vertoonden met de tafels uit de serie „Palais Royal”.
21 Mio heeft betwist dat de tafels uit de serie „Palais Royal” auteursrechtelijk waren beschermd, aangezien deze tafels onvoldoende oorspronkelijk waren om de desbetreffende bescherming te verkrijgen. Volgens Mio is het ontwerp van deze tafels gebaseerd op eenvoudige variaties op oudere bekende modellen die zijn opgenomen in het register van in de Europese Unie ingeschreven modellen. Hoe dan ook, zelfs indien de tafels uit de serie „Palais Royal” auteursrechtelijk beschermd zouden zijn, zou deze bescherming beperkt en begrensd zijn en zouden de verschillen tussen de twee betrokken tafelmodellen volstaan als bewijs dat de tafels van Mio geen inbreuk maken op het auteursrecht van Asplund.
22 De Patent- och marknadsdomstol heeft de vordering van Asplund toegewezen op grond dat de tafels uit de serie „Palais Royal” auteursrechtelijk beschermd waren als werken van toegepaste kunst en dat de eetkamertafels uit de „Cord”-meubelserie inbreuk maakten op het auteursrecht van Asplund.
23 Mio heeft tegen de beslissing van de Patent- och marknadsdomstol beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor industriële-eigendomszaken en handelszaken, Zweden), de verwijzende rechter.
24 De verwijzende rechter heeft in essentie twijfels over de vraag of de tafels uit de serie „Palais Royal” auteursrechtelijke bescherming genieten als „werken”. Hij vraagt zich af aan de hand van welke criteria kan worden bepaald of een voorwerp oorspronkelijk is, zodat het kan worden beschouwd als een „werk” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 overeenkomstig de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 12 september 2019, Cofemel (C‑683/17, EU:C:2019:721).
25 De verwijzende rechter verduidelijkt dat, om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, het zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen. Wanneer voor de verwezenlijking van een voorwerp technische overwegingen, regels of andere beperkingen bepalend waren die geen ruimte hebben gelaten voor creatieve vrijheid, kan dat voorwerp niet worden geacht de oorspronkelijkheid te hebben die vereist is om een werk te kunnen vormen. De verwijzende rechter merkt echter op dat een voorwerp aan dat vereiste van oorspronkelijkheid kan voldoen, ook al is de verwezenlijking ervan bepaald door technische overwegingen, voor zover de auteur hierdoor niet werd belet om zijn persoonlijkheid in dat voorwerp tot uitdrukking te brengen door blijk te geven van vrije en creatieve keuzen.
26 De verwijzende rechter herinnert er in dit verband aan dat hij bij de beoordeling of een voorwerp een oorspronkelijke schepping is, rekening dient te houden met alle relevante elementen zoals die bij het ontwerpen ervan bestonden, ongeacht factoren die losstaan van en plaatsvinden na de creatie van dat voorwerp.
27 Evenwel blijft onzekerheid bestaan over de wijze waarop de concrete beoordeling van de oorspronkelijkheid van een voorwerp moet worden verricht en met welke elementen rekening moet worden gehouden om te bepalen of een voorwerp van toegepaste kunst de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan diens vrije en creatieve keuzen.
28 Volgens de verwijzende rechter volstaat het dat de auteur van een voorwerp over manoeuvreerruimte beschikte en daadwerkelijk keuzen van verschillende aard heeft gemaakt bij de creatie ervan, dat deze keuzen niet zijn ingegeven door technische overwegingen, regels of vereisten en dat die keuzen in zekere zin worden weerspiegeld en tot uitdrukking zijn gebracht in dat voorwerp. Een dergelijke ruime uitlegging zou in de praktijk betekenen dat de beoordeling of een voorwerp oorspronkelijk is, moet worden gebaseerd op het scheppingsproces zelf en op de keuzen die de auteur tijdens dat proces heeft gemaakt. Dat zou ook betekenen dat in beginsel alle keuzen die de auteur in kwestie bij het scheppen van dat voorwerp heeft gemaakt en die niet zijn ingegeven door technische overwegingen, regels of vereisten, als vrij en creatief moeten worden beschouwd.
29 In dit verband is de verwijzende rechter van mening dat bij die uitlegging de beoordeling van de oorspronkelijkheid van een voorwerp door de bevoegde rechter zich toespitst op het scheppingsproces en de keuzen die de auteur tijdens dat proces heeft gemaakt, en niet op de vraag of het voorwerp zelf – of het eindresultaat van het scheppingsproces – daadwerkelijk de uiting is van een artistieke verwezenlijking. De vraag of dat voorwerp voldoende oorspronkelijk is, wordt dan „een kwestie van bewijsvoering in plaats van een rechtsvraag”.
30 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat een dergelijke uitlegging van het oorspronkelijkheidsvereiste erop zou neerkomen dat vrij lage eisen worden gesteld aan de creatieve en vrije keuzen die de auteur ervan moet hebben gemaakt en die dit voorwerp geacht wordt tot uitdrukking te brengen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat voorwerpen die het niet verdienen om als „werken” te worden aangemerkt, auteursrechtelijke bescherming genieten. Bovendien zou dit als gevolg kunnen hebben dat eenvoudige voorwerpen, die niet voor artistieke doeleinden zijn ontworpen of die in elk geval geen „artistieke persoonlijkheid” bezitten, als werken worden beschermd.
31 Volgens de verwijzende rechter brengt een laag oorspronkelijkheidsvereiste voor voorwerpen van toegepaste kunst ook het risico met zich mee dat de minder uitgebreide bescherming van modellen volledig wordt uitgehold. In die context heeft deze rechter twijfels over de wijze waarop een laag oorspronkelijkheidsvereiste voor voorwerpen van toegepaste kunst zich verhoudt tot het vereiste van het eigen karakter dat noodzakelijk is om modelrechtelijke bescherming te verkrijgen. Hoewel het auteursrecht en het modellenrecht verschillende doelstellingen hebben, lijkt het niet redelijk dat een model auteursrechtelijk als werk kan worden beschermd, terwijl het onvoldoende eigen karakter heeft om bescherming als model te verkrijgen. De verwijzende rechter wijst erop dat het Hof in het arrest van 12 september 2019, Cofemel (C‑683/17, EU:C:2019:721), heeft geoordeeld dat modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming weliswaar cumulatief kunnen worden verleend aan eenzelfde voorwerp van toegepaste kunst, maar dat een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen. Een zeer laag oorspronkelijkheidsvereiste zou evenwel kunnen leiden tot een situatie waarin werken van toegepaste kunst in de meeste gevallen cumulatieve bescherming genieten.
32 Daarentegen kan ook een andere uitlegging worden overwogen, namelijk dat bij de beoordeling van de vraag of een voorwerp van toegepaste kunst de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, moet worden uitgegaan van het betrokken voorwerp zelf. Dat voorwerp moet op zich de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelen en een zekere mate van kunstzinnigheid vertonen of bereiken wat – althans in het verleden – in Zweden en met name in Duitsland de „drempel van oorspronkelijkheid” („verkshöjd”/„Werkhöhe”) werd genoemd. Een beoordeling volgens deze andere uitlegging zou kunnen betekenen dat dit voorwerp een zeker eigen karakter moet hebben en in zekere zin uniek moet zijn. Met andere woorden, het voorwerp moet een zekere mate van onafhankelijkheid en oorspronkelijkheid hebben en de persoonlijkheid van de auteur ervan tot uitdrukking brengen.
33 Tegen deze achtergrond heeft de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Hoe moet in het kader van de beoordeling of een voorwerp van toegepaste kunst de ruime auteursrechtelijke bescherming als werk geniet in de zin van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn [2001/29], het onderzoek worden verricht of het voorwerp de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt door uitdrukking te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, en welke factoren moeten daarbij in aanmerking worden genomen? Moet met name het onderzoek van de oorspronkelijkheid zich toespitsen op factoren die verband houden met het scheppingsproces en op de uitleg door de auteur van de daadwerkelijke keuzen die hij bij het creëren van het voorwerp heeft gemaakt, dan wel op factoren die verband houden met het voorwerp zelf en het eindresultaat van het scheppingsproces en op de vraag of het voorwerp zelf een artistiek effect weergeeft?
2) Wat is voor het antwoord op de eerste vraag en de vraag of een voorwerp van toegepaste kunst de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt door uitdrukking te geven aan zijn vrije en creatieve keuzen, het belang van het feit dat
a) het voorwerp bestaat uit elementen die voorkomen in gangbare modellen;
b) het voorwerp voortbouwt en een variatie vormt op een ouder bekend model of een aanhoudende modellentrend;
c) identieke of gelijkaardige voorwerpen gecreëerd werden vóór of – onafhankelijk en zonder kennis van het voorwerp van toegepaste kunst waarvoor aanspraak wordt gemaakt op bescherming als werk – na de creatie van het betrokken voorwerp?
3) Hoe moet de gelijkenis worden beoordeeld – en welke gelijkenis is vereist – bij het onderzoek of een vermeend inbreukmakend voorwerp van toegepaste kunst binnen de beschermingsomvang van een werk valt en inbreuk maakt op het uitsluitende recht op het werk dat op grond van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn [2001/29] aan de auteur moet worden verleend? Moet in dit verband het onderzoek zich toespitsen op de vraag of het werk herkenbaar is in het vermeend inbreukmakende voorwerp of op de vraag of het vermeend inbreukmakende voorwerp dezelfde algemene indruk wekt als het werk, of op wat anders moet het onderzoek zich toespitsen?
4) Voor het antwoord op de derde vraag en de vraag of een vermeend inbreukmakend voorwerp van toegepaste kunst binnen de beschermingsomvang van een werk valt en inbreuk maakt op het uitsluitende recht op het werk, wat is het belang van
a) de mate van oorspronkelijkheid van het werk voor de beschermingsomvang van het werk;
b) het feit dat het werk en het vermeend inbreukmakende voorwerp van toegepaste kunst bestaan uit elementen die voorkomen in gangbare modellen of voortbouwen en variaties vormen op oudere bekende modellen of een aanhoudende modellentrend;
c) het feit dat andere identieke of gelijkaardige voorwerpen werden gecreëerd vóór of – onafhankelijk en zonder kennis van het werk – na de creatie van het werk?”
Zaak C‑795/23
34 USM vervaardigt en verkoopt al decennialang een modulair meubelsysteem onder de naam USM Haller. Dit meubelsysteem wordt gekenmerkt door hoogglanzend verchroomde ronde buizen die via bolvormige koppelstukken met elkaar zijn verbonden en een structuur vormen waarin gekleurde metalen panelen worden geplaatst. De aldus gecreëerde structuren kunnen vrij worden gecombineerd en op elkaar of naast elkaar worden gemonteerd.
35 Konektra biedt via haar onlinewinkel reserve‑ en uitbreidingsonderdelen voor het modulaire meubelsysteem van USM Haller aan waarvan de vorm en, voor het grootste deel, de kleur overeenkomen met die van de componenten van USM. Nadat Konektra zich aanvankelijk had beperkt tot de verkoop van reserveonderdelen, waartegen USM niet opkwam, heeft zij in 2017 haar onlinewinkel in een geheel nieuw jasje gestoken. Sinds 2018 vermeldt de website van Konektra alle componenten die nodig zijn voor de volledige montage van „USM Haller”-meubelen en wordt op de website eveneens reclame gemaakt voor die meubelen met afbeeldingen van gemonteerde meubelen. Bovendien biedt Konektra haar klanten een montagedienst aan waarbij de geleverde onderdelen worden gemonteerd tot het complete meubel en gaan haar leveringen vergezeld van montage-instructies.
36 Volgens USM beperkt Konektra zich thans niet langer tot het aanbieden van reserveonderdelen voor het „USM Haller”-systeem, maar gaat zij over tot het vervaardigen, aanbieden en verkopen van haar eigen meubelsysteem, dat identiek is aan dat van USM. Deze laatste is van mening dat het aanbod van Konektra inbreuk maakt op haar auteursrecht op het „USM Haller”-systeem als werk van toegepaste kunst of op zijn minst ongeoorloofde namaak is in de zin van het mededingingsrecht.
37 Bijgevolg heeft USM tegen Konektra een vordering tot „staking, informatieverstrekking, en rekening en verantwoording” alsmede tot „vergoeding van ingebrekestellingskosten en vaststelling van haar schadevergoedingsplicht” ingesteld bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland). Die rechter heeft deze vorderingen toegewezen, waarbij hij zich voornamelijk op het auteursrecht heeft gebaseerd.
38 Daarentegen heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) in hoger beroep de op het auteursrecht gebaseerde vorderingen afgewezen. Deze rechter was van oordeel dat het modulaire meubelsysteem van USM Haller geen auteursrechtelijk beschermd werk van toegepaste kunst was, aangezien het niet voldeed aan de voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof zijn gesteld – met name de arresten van 12 september 2019, Cofemel (C‑683/17, EU:C:2019:721), en 11 juni 2020, Brompton Bicycle (C‑833/18, EU:C:2020:461), – om te kunnen worden beschouwd als een werk van toegepaste kunst in de zin van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29.
39 USM en Konektra hebben tegen het arrest van het Oberlandesgericht Düsseldorf beroep in Revision ingesteld bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
40 De verwijzende rechter is van mening dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van het begrip „werk” in de zin van artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, volgens welke een voorwerp twee kenmerken moet hebben om als werk te kunnen worden aangemerkt. Ten eerste moet het voorwerp in kwestie oorspronkelijk zijn, in die zin dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan is, door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van laatstgenoemde. Ten tweede mogen voor de vervaardiging ervan geen technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid.
41 De verwijzende rechter erkent in dit verband dat het modulaire meubelsysteem van USM Haller een „voldoende uitdrukking” vormt in de zin van het tweede element waarnaar wordt verwezen in de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 12 september 2019, Cofemel (C‑683/17, EU:C:2019:721). Dat tweede element veronderstelt het bestaan van een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd, ook al is deze uitdrukking niet noodzakelijkerwijs permanent. Volgens hem maakt het modulaire meubelsysteem van USM Haller een „objectieve identificatie” mogelijk, aangezien het bestaat uit een beperkt aantal afzonderlijke elementen die in een systeem met elkaar worden gecombineerd en een kenmerkende en terugkerende totaalindruk overbrengen.
42 De verwijzende rechter sluit in dit verband de mogelijkheid niet uit dat er bij voorwerpen van toegepaste kunst een regel-uitzondering-relatie bestaat tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming, in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid van deze voorwerpen op grond van het auteursrecht hogere eisen moeten worden gesteld aan de vrije en creatieve keuzen van de auteur dan bij andere soorten voorwerpen.
43 Voorts rijst volgens hem de vraag of in het kader van het onderzoek van de oorspronkelijkheid van een voorwerp dient te worden uitgegaan van de subjectieve visie van de auteur ervan, dan wel of een objectief criterium dient te worden gehanteerd. De verwijzende rechter is in dit verband van mening dat in de rechtspraak van het Hof nog niet duidelijk is vastgesteld of bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid van een voorwerp omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen die losstaan van en plaatsvinden na de creatie van het voorwerp, zoals de presentatie ervan in kunsttentoonstellingen of musea of de erkenning ervan in vakkringen.
44 Tegen deze achtergrond heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Bestaat er bij werken van toegepaste kunst tussen de modelrechtelijke en auteursrechtelijke bescherming een regel-uitzondering-relatie, in die zin dat bij het auteursrechtelijk onderzoek van de oorspronkelijkheid van deze werken hogere eisen moeten worden gesteld aan de vrije en creatieve keuzen van de auteur dan bij andere soorten werken?
2) Moet bij het auteursrechtelijk onderzoek van de oorspronkelijkheid (mede) worden uitgegaan van de subjectieve visie van de auteur op het scheppingsproces, en moeten met name de vrije en creatieve keuzen bewust door hem worden gemaakt om te kunnen worden beschouwd als vrije en creatieve keuzen in de zin van de rechtspraak van het Hof?
3) Indien, in het kader van het onderzoek van de oorspronkelijkheid, beslissend is of en in welke mate in het werk de artistieke schepping objectief tot uitdrukking is gekomen: kunnen bij dit onderzoek ook omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich hebben voorgedaan na de voor de beoordeling van de oorspronkelijkheid relevante datum van het ontstaan van het ontwerp, zoals de presentatie ervan in kunsttentoonstellingen of musea of de erkenning ervan in vakkringen?”
Procedure bij het Hof
45 Bij beslissing van de president van het Hof van 13 mei 2024 zijn de zaken C‑580/23 en C‑795/23 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag in zaak C‑795/23
46 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in zaak C‑795/23 in essentie te vernemen of richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat er een regel-uitzondering-relatie bestaat tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen moeten worden gesteld dan die welke gelden voor andere soorten werken.
47 In casu heeft de vraag van de verwijzende rechter specifiek betrekking op de kwalificatie van een gebruiksvoorwerp als „werk” in de zin van richtlijn 2001/29. Deze rechter verzoekt met name om verduidelijking van de strekking van punt 52 van het arrest van 12 september 2019, Cofemel (C‑683/17, EU:C:2019:721), waarin het Hof heeft geoordeeld dat modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming krachtens het recht van de Unie weliswaar cumulatief kunnen worden verleend aan hetzelfde voorwerp, maar een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen.
48 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het begrip „werk” als bedoeld in artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 volgens vaste rechtspraak een autonoom begrip van het recht van de Unie vormt dat op uniforme wijze moet worden uitgelegd en toegepast en de combinatie van twee cumulatieve elementen veronderstelt. Ten eerste impliceert dit begrip dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als „werk” worden aangemerkt (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Met betrekking tot dat eerste element volgt uit de rechtspraak dat het, om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Wanneer daarentegen voor de vervaardiging van een voorwerp technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, kan dat voorwerp niet worden geacht de oorspronkelijkheid te hebben die vereist is om een werk te kunnen vormen (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 De voorwaarde dat de persoonlijkheid van de auteur wordt weerspiegeld in het voorwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd, doordat uiting wordt gegeven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur, is in het Unierecht dus doorslaggevend voor „oorspronkelijkheid” en bijgevolg voor auteursrechtelijke bescherming.
51 Wat daarentegen de bescherming betreft van modellen die vallen hetzij onder richtlijn 98/71, die van toepassing is op modellen die zijn ingeschreven in of voor een lidstaat, hetzij onder verordening nr. 6/2002, die van toepassing is op modellen die op Unieniveau worden beschermd, geldt een ander objectief criterium voor bescherming, te weten dat van nieuwheid en eigen karakter. Dit criterium wordt beoordeeld ten opzichte van de oudere modellen en hierbij komt elk model dat zich voldoende van de oudere modellen onderscheidt om een andere algemene visuele indruk te wekken, in aanmerking voor bescherming.
52 Dit verschil tussen de criteria voor bescherming wordt verklaard door het feit dat modelrechtelijke bescherming enerzijds en auteursrechtelijke bescherming anderzijds verschillende doelstellingen nastreven en aan verschillende regelingen onderworpen zijn. Modelrechtelijke bescherming heeft namelijk tot doel voorwerpen te beschermen die niet alleen nieuw zijn en een eigen karakter hebben, maar daarnaast ook een utilitair karakter hebben en bedoeld zijn om op grote schaal te worden geproduceerd. Bovendien geldt deze bescherming gedurende een beperkte, maar voldoende lange periode om de investeringen die nodig zijn voor de creatie en vervaardiging van die voorwerpen te laten renderen, zonder de concurrentie echter al te zeer te belemmeren. Auteursrechtelijke bescherming, waarvan de duur aanzienlijk langer is, is dan weer voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 50).
53 Om die redenen mag de verlening van auteursrechtelijke bescherming aan een als model beschermd voorwerp er niet toe leiden dat het doel en de doeltreffendheid van deze twee vormen van bescherming worden aangetast (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 51).
54 Hieruit volgt, ten eerste, dat voorwerpen die zijn beschermd als model in beginsel niet vergelijkbaar zijn met voorwerpen die door richtlijn 2001/29 beschermde werken vormen (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 40). Ten tweede bestaat er geen enkel automatisme tussen de verlening van modelrechtelijke bescherming en de verlening van auteursrechtelijke bescherming. Ten derde mogen de voorwaarden voor die bescherming, te weten nieuwheid en eigen karakter, enerzijds, en oorspronkelijkheid, anderzijds, niet met elkaar worden verward.
55 Hoewel modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming elkaar niet uitsluiten (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 43) en cumulatief kunnen worden verleend aan hetzelfde voorwerp, blijft een dergelijke cumulatie beperkt tot bepaalde gevallen (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 52), aangezien een auteur een uniek werk dient te creëren dat zijn persoonlijkheid weerspiegelt en als zodanig beschermd is overeenkomstig richtlijn 2001/29.
56 Evenwel bestaat er geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming.
57 Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat een model kan worden aangemerkt als „werk” in de zin van richtlijn 2001/29 indien het voldoet aan de twee in punt 48 van het onderhavige arrest genoemde vereisten (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 48), en dat de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst moet worden beoordeeld aan de hand van dezelfde vereisten als die welke gelden voor de beoordeling van de oorspronkelijkheid van andere soorten voorwerpen.
58 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag in zaak C‑795/23 te worden geantwoord dat richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat er geen regel-uitzondering-relatie bestaat tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen moeten worden gesteld dan die welke gelden voor andere soorten werken.
Eerste en tweede vraag in zaak C‑580/23 alsmede tweede en derde vraag in zaak C‑795/23
59 Met de eerste en de tweede vraag in zaak C‑580/23 alsook de tweede en de derde vraag in zaak C‑795/23, die tezamen dienen te worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in essentie te vernemen of artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst rekening dient te worden gehouden met factoren die verband houden met het scheppingsproces en de bedoeling van de auteur, dan wel alleen met factoren die zichtbaar zijn in het voorwerp zelf. In dit verband vragen deze rechters zich af welke rol bij deze beoordeling is weggelegd voor bijkomende factoren zoals het gebruik van reeds beschikbare vormen bij het scheppen van het betrokken voorwerp, het feit dat de auteur zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen, de mogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning ervan in vakkringen.
Beoordeling van de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst
60 Wat de beoordeling van het oorspronkelijkheidscriterium betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat in casu de twee verwijzende rechters zich afvragen hoe creatieve keuzen bij het ontwerpen van gebruiksvoorwerpen, zoals meubelen, moeten worden beoordeeld.
61 Uit de in de punten 48 en 49 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat, om vast te stellen dat een werk oorspronkelijk is in de zin van het auteursrecht, de aangezochte rechter moet beoordelen of het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, uitdrukking geeft aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen.
62 Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft benadrukt, moet bij deze beoordeling rekening worden gehouden met de specifieke aard van de betrokken soort werken. Werken van toegepaste kunst onderscheiden zich immers van andere categorieën werken door het feit dat zij in de eerste plaats gebruiksvoorwerpen zijn. Dergelijke voorwerpen zijn het resultaat van de knowhow en de keuzen van hun makers. Die keuzen kunnen worden ingegeven door technische, ergonomische of veiligheidsbeperkingen of kunnen voortvloeien uit normen of overeenkomsten die in de betrokken sector zijn vastgesteld.
63 Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat een voorwerp dat aan de voorwaarde van oorspronkelijkheid voldoet, voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kan komen, ook al wordt de verwezenlijking ervan deels door technische overwegingen bepaald, op voorwaarde dat een dergelijke bepaling de auteur niet heeft belet om zijn persoonlijkheid in dat voorwerp te weerspiegelen door vrije en creatieve keuzen tot uiting te brengen (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 26).
64 Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat aan het criterium van oorspronkelijkheid niet kan worden voldaan door onderdelen van een voorwerp die uitsluitend door hun technische functie worden gekenmerkt, aangezien auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt tot ideeën. Wanneer de uitdrukking van die onderdelen door hun technische functie wordt bepaald, zijn de verschillende manieren om een idee uit te voeren immers zodanig beperkt dat dit idee samenvalt met de uitdrukking ervan (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Hieruit volgt dat in het kader van het auteursrecht niet mag worden verondersteld dat de keuzen van de auteur van het voorwerp creatief zijn. De rechter die dient te oordelen of een gebruiksvoorwerp oorspronkelijk is, moet dus de creatieve keuzen in de vorm ervan onderzoeken en identificeren om het als auteursrechtelijk beschermd te kunnen aanmerken, met dien verstande dat, zelfs wanneer de auteur ervan keuzen heeft gemaakt die niet door technische of andere beperkingen zijn ingegeven, de creatieve aard van die keuzen in de zin van het auteursrecht niet mag worden verondersteld (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 32).
66 De componenten van een gebruiksvoorwerp zijn onderworpen aan dezelfde regeling als het voorwerp in zijn geheel. Componenten van een werk genieten dus bescherming krachtens artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 op voorwaarde dat zij bepaalde van de elementen bevatten die de oorspronkelijke uitdrukking van de auteur van dat werk zijn en zij als dusdanig de oorspronkelijkheid van het volledige werk in zich dragen (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punten 38 en 39).
67 Hieraan dient te worden toegevoegd dat artistieke of esthetische overwegingen weliswaar deel uitmaken van de creatieve activiteit, maar dat de omstandigheid dat een model een dergelijk effect teweegbrengt, het op zich niet mogelijk maakt om vast te stellen of dit model een intellectuele schepping is die de keuzevrijheid en de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt en dus voldoet aan het vereiste van oorspronkelijkheid (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 54).
68 De omstandigheid dat een model, afgezien van het utilitaire doel ervan, een eigen en vanuit esthetisch of artistiek oogpunt opvallend visueel effect opwekt, volstaat op zich dus niet om het als „werk” in de zin van richtlijn 2001/29 aan te merken (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 55).
Inaanmerkingneming van het scheppingsproces en de bedoeling van de auteur
69 De verwijzende rechters vragen of bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid van een gebruiksvoorwerp, zoals in dit geval meubelen waarvoor aanspraak wordt gemaakt op auteursrechtelijke bescherming, rekening moet worden gehouden met de bedoeling van de auteur ervan tijdens het scheppingsproces.
70 Uit de in de punten 48 en 49 hierboven aangehaalde rechtspraak vloeit voort dat het, om een voorwerp als een oorspronkelijke schepping te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan „weerspiegelt” door „uitdrukking te geven” aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur.
71 Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft benadrukt, blijkt uit het gebruik van de termen „weerspiegelt” en „uitdrukking te geven” duidelijk dat deze keuzen en de persoonlijkheid van de auteur zichtbaar moeten zijn in het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt.
72 Wat betreft het tweede element waarnaar in punt 48 van het onderhavige arrest wordt verwezen, heeft het Hof verduidelijkt dat het begrip „werk” als bedoeld in richtlijn 2001/29 het bestaan impliceert van een voorwerp dat voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd. Ten eerste moeten de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de bescherming van de aan het auteursrecht inherente uitsluitende rechten, namelijk duidelijk en nauwkeurig kunnen onderkennen welk voorwerp aldus wordt beschermd. Hetzelfde geldt voor de derden tegen wie de bescherming waarop de auteur van dat voorwerp aanspraak maakt, kan worden ingeroepen. Ten tweede vereist de noodzaak om elke – de rechtszekerheid aantastende – subjectiviteit bij de vaststelling van het voorwerp van de bescherming uit te sluiten, dat dit voorwerp objectief is uitgedrukt (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punten 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Zoals in punt 65 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet de rechter die de oorspronkelijkheid van een voorwerp moet onderzoeken, de creatieve keuzen „in de vorm” ervan onderzoeken en identificeren om het als auteursrechtelijk beschermd werk te kunnen aanmerken.
74 Dit vereiste van een identificeerbaar voorwerp vindt zijn grondslag in het basisbeginsel van het auteursrecht dat niet de ideeën zelf maar alleen de uitdrukkingen ervan worden beschermd (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 27). De bedoelingen van de auteur maken deel uit van de ideeën. Zij kunnen dus slechts worden beschermd voor zover de auteur deze in het betrokken werk tot uitdrukking heeft gebracht.
75 De rechter die de oorspronkelijkheid van het voorwerp dient te beoordelen, kan bijgevolg rekening houden met het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur, op voorwaarde dat die elementen tot uitdrukking zijn gebracht in het voorwerp zelf, zonder dat hij evenwel zijn beoordeling uitsluitend op die elementen mag baseren.
Inaanmerkingneming van andere factoren
76 De verwijzende rechters wensen te vernemen welk gewicht bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid van een voorwerp van toegepaste kunst moet worden toegekend aan factoren zoals het gebruik van reeds beschikbare vormen door de auteur ervan, het feit dat de auteur zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen, het feit of de mogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd, of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de schepping van dat voorwerp, zoals de presentatie ervan in tentoonstellingen of musea of, meer in het algemeen, de erkenning ervan in vakkringen.
77 Volgens vaste rechtspraak moet de aangezochte rechter, om te beoordelen of een voorwerp een oorspronkelijke schepping is en dus door het auteursrecht wordt beschermd, rekening houden met alle relevante elementen van de zaak, zoals deze bestonden op het tijdstip waarop dit voorwerp werd ontworpen, ongeacht de factoren die na de creatie van het voorwerp en los daarvan zijn ontstaan (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 37).
78 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat – zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht – het feit dat de auteur van een voorwerp gebruik heeft gemaakt van reeds beschikbare vormen, op zich niet uitsluit dat dit voorwerp oorspronkelijk kan zijn. Een voorwerp dat uitsluitend uit beschikbare vormen bestaat, kan immers een oorspronkelijk werk zijn wanneer de auteur zijn creatieve keuzen tot uitdrukking heeft gebracht in de schikking van die vormen.
79 Wat ten tweede het geval betreft waarin de auteur van een voorwerp zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen, zal de auteursrechtelijke bescherming beperkt blijven tot de geïdentificeerde creatieve elementen die eigen zijn aan die auteur. Wanneer het voorwerp in kwestie een „variant” is van een bestaand werk dat afkomstig is van dezelfde auteur en per definitie oorspronkelijk is, kan het immers auteursrechtelijke bescherming genieten zolang de overgenomen creatieve elementen daarin aanwezig blijven en de persoonlijkheid van diezelfde auteur weerspiegelen. Wanneer het daarentegen gaat om andere auteurs, moet dat voorwerp worden beschouwd als een geïnspireerd werk, te weten een werk dat de creatieve elementen van een andere werk niet letterlijk overneemt, maar er op een andere manier door is geïnspireerd. Dat nieuwe werk kan niettemin ook als zodanig die bescherming genieten, op voorwaarde dat is voldaan aan de vereisten die worden gesteld door de in punt 48 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
80 Ten derde dient te worden vastgesteld dat, ook al wordt in het kader van het auteursrecht geen nieuwheidsvoorwaarde gesteld, de schepping door een andere auteur van voorwerpen die soortgelijk of identiek zijn aan een bepaald voorwerp, vóór de schepping van dit voorwerp, een indicatie kan zijn van de lage graad of zelfs het ontbreken van oorspronkelijkheid van dit voorwerp. Dit neemt niet weg dat in het geval van voorwerpen van toegepaste kunst, waarbij de vrijheid van de auteurs wordt beteugeld door verschillende beperkingen die verband houden met de technische functie ervan, de mogelijkheid dat twee auteurs onafhankelijk gelijkaardige of zelfs identieke creatieve keuzen maken, niet volledig kan worden uitgesloten.
81 Wat ten vierde en ten slotte omstandigheden betreft als de presentatie van een voorwerp in kunsttentoonstellingen of musea en de erkenning ervan in vakkringen, zijn deze omstandigheden – die na de creatie van het voorwerp en los daarvan zijn ontstaan – overeenkomstig de in punt 77 hierboven aangehaalde rechtspraak op zich noch noodzakelijk noch doorslaggevend.
82 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag in zaak C‑580/23 en op de tweede en de derde vraag in zaak C‑795/23 te worden geantwoord dat artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat onder een werk in de zin van deze bepalingen een voorwerp wordt verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij en creatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ook keuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteur tijdens het scheppingsproces, zijn inspiratiebronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, de mogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning van dat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen, maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen.
Derde en vierde vraag in zaak C‑580/23
83 Met zijn derde en vierde vraag in zaak C‑580/23, die tezamen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat, om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, ten eerste dient te worden vastgesteld of de creatieve elementen op een herkenbare manier in het voorwerp zijn overgenomen, dan wel of dezelfde algemene visuele indruk in dit verband volstaat, en ten tweede rekening dient te worden gehouden met de mate van oorspronkelijkheid van het werk in kwestie en met het bestaan van een gelijkaardig voorwerp.
84 In de eerste plaats dient er in dit verband aan te worden herinnerd dat in het kader van het auteursrecht de inbreuk het gevolg is van het gebruik van een werk zonder de toestemming van de auteur ervan (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 21).
85 Het Hof heeft geoordeeld dat het ongeoorloofde gebruik van een werk een dergelijke inbreuk kan vormen, zelfs indien dat gebruik betrekking heeft op een relatief klein deel van dat werk, voor zover dat deel als dusdanig uitdrukking geeft aan de eigen intellectuele schepping van de auteur ervan (zie in die zin arrest van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punt 47).
86 Om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, staat het dus aan de verwijzende rechter om, ten eerste, vast te stellen dat ten minste oorspronkelijke creatieve elementen van het beschermde werk zonder toestemming zijn gebruikt en, ten tweede, te bepalen of deze elementen, dat wil zeggen elementen die uitdrukking geven aan de keuzen die de persoonlijkheid van de auteur van dat werk weerspiegelen, op herkenbare wijze zijn overgenomen in het beweerdelijk inbreukmakende voorwerp (zie in die zin en naar analogie arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a., C‑476/17, EU:C:2019:624, punt 39).
87 Daarentegen kan voor de beoordeling van een inbreuk op het auteursrecht overeenkomstig artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 de vergelijking van de door elk van de conflicterende voorwerpen gewekte algemene indruk niet doorslaggevend zijn, aangezien dit criterium geldt voor de bescherming van modellen.
88 Wat in de tweede plaats de inaanmerkingneming van de mate van oorspronkelijkheid van het beschermde werk betreft, dient eraan te worden herinnerd dat wanneer een voorwerp de in punt 48 van het onderhavige arrest beschreven kenmerken heeft en derhalve een werk is, het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moet genieten overeenkomstig richtlijn 2001/29; de omvang van die bescherming hangt niet af van de mate van creatieve vrijheid waarover de auteur ervan heeft beschikt en kan derhalve niet geringer zijn dan de bescherming die elk werk dat onder die richtlijn valt, geniet (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 35).
89 In dit verband dient te worden benadrukt dat het Hof met name met betrekking tot gebruiksvoorwerpen heeft geoordeeld dat het bestaan van verschillende mogelijke verschijningsvormen waarmee hetzelfde technische resultaat kan worden bereikt, weliswaar aantoont dat er keuzemogelijkheden zijn, doch dit niet doorslaggevend is voor de beoordeling van de factoren die de keuze van de auteur hebben beïnvloed. Ook de wil van de vermeende inbreukmaker is bij die beoordeling irrelevant (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 35).
90 Wat in de derde plaats het feit betreft dat de twee conflicterende voorwerpen een gemeenschappelijke inspiratiebron hebben, dient – zoals de advocaat-generaal in punt 71 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt – ten eerste te worden vastgesteld dat wanneer de twee betrokken voorwerpen zijn geïnspireerd op eenzelfde werk of een ouder model, alleen de „nieuwe” creatieve elementen in het afgeleide werk oorspronkelijk zijn en alleen de overname van deze nieuwe elementen een eventuele inbreuk op het auteursrecht vormt. Ten tweede maakt het enkele feit dat iemand dezelfde trend of dezelfde artistieke stroming volgt als de auteur van een ouder werk, geen inbreuk uit indien er geen concreet identificeerbare creatieve elementen uit dat oudere werk zijn overgenomen.
91 Wat, ten slotte, het bestaan van een onafhankelijk gecreëerd gelijkaardig voorwerp betreft, zijn de creatieve mogelijkheden om technische redenen weliswaar beperkt in het geval van voorwerpen van toegepaste kunst, maar een dergelijke situatie is niet volledig uitgesloten en vormt – gesteld dat zij is aangetoond – geen inbreuk op het auteursrecht. Om een eventuele inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient de aangezochte rechter te beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van een dergelijk onafhankelijk gecreëerd gelijkaardig voorwerp, rekening houdend met alle revelante elementen van het specifieke geval, zoals die bestonden op het moment van de creatie van de voorwerpen in kwestie, ongeacht factoren die losstaan van en plaatsvinden na die creatie. De loutere mogelijkheid van een dergelijke situatie kan geen rechtvaardiging vormen voor de weigering van auteursrechtelijke bescherming.
92 Gelet op een en ander dient op de derde en de vierde vraag in zaak C‑580/23 te worden geantwoord dat artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moeten worden uitgelegd dat, om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermde werk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreukmakende voorwerp. Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterende voorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant. Het mogelijke bestaan van een gelijkaardig voorwerp kan niet rechtvaardigen dat bescherming wordt geweigerd.
Kosten
93 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechters over de kosten hebben te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij
moet aldus worden uitgelegd dat
er geen regel-uitzondering-relatie bestaat tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid van voorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen moeten worden gesteld dan die welke gelden voor andere soorten werken.
2) Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29
moeten aldus worden uitgelegd dat
onder een werk in de zin van deze bepalingen een voorwerp wordt verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij en creatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ook keuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteur tijdens het scheppingsproces, zijn inspiratiebronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, de mogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning van dat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen, maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen.
3) Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29
moeten aldus worden uitgelegd dat
om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermde werk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreukmakende voorwerp. Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterende voorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant. Het mogelijke bestaan van een gelijkaardig voorwerp kan niet rechtvaardigen dat bescherming wordt geweigerd.
ondertekeningen
* Procestalen: Duits en Zweeds.