EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62021CJ0529

Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 4 mei 2023.
OP e.a. tegen Glavna direktsia „Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto” kam Ministerstvo na vatreshnite raboti.
Verzoeken van Rayonen sad - Kula om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Artikel 1, lid 3 – Werkingssfeer – Artikel 8 – Artikel 12 – Veiligheid en gezondheid van nachtarbeiders op het werk – Mate van bescherming van nachtarbeiders die op de aard van hun werk is afgestemd – Richtlijn 89/391/EEG – Artikel 2 – Werknemers in de publieke en in de particuliere sector – Artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Gelijke behandeling.
Gevoegde zaken C-529/21–C-536/21 en C-732/21–C-738/21.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2023:374

 ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

4 mei 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Artikel 1, lid 3 – Werkingssfeer – Artikel 8 – Artikel 12 – Veiligheid en gezondheid van nachtarbeiders op het werk – Mate van bescherming van nachtarbeiders die op de aard van hun werk is afgestemd – Richtlijn 89/391/EEG – Artikel 2 – Werknemers in de publieke en in de particuliere sector – Artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Gelijke behandeling”

In de gevoegde zaken C‑529/21 tot en met C‑536/21 en C‑732/21 tot en met C‑738/21,

betreffende vijftien verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rayonen sad – Kula (rechter in eerste aanleg Kula, Bulgarije), bij beslissingen van 10 augustus 2021 en 18 november 2021, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 25 augustus 2021 en 30 november 2021, in de procedures

OP (C‑529/21),

MN (C‑530/21),

KL (C‑531/21),

IJ (C‑532/21),

GH (C‑533/21),

EF (C‑534/21),

CD (C‑535/21),

AB (C‑536/21),

AB (C‑732/21),

BC (C‑733/21),

CD (C‑734/21),

DE (C‑735/21),

EF (C‑736/21),

FG (C‑737/21),

GH (C‑738/21)

tegen

Glavna direktsia „Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto” kam Ministerstvo na vatreshnite raboti,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, T. von Danwitz en I. Ziemele (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Drambozova, D. Recchia en C. Valero als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 1, lid 3, en artikel 12 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9), en van artikel 2, lid 2, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB 1989, L 183, blz. 1).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van vijftien gedingen tussen ambtenaren van een arrondissementsdienst van de Glavna direktsia „Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto” kam Ministerstvo na vatreshnite raboti (algemene directie brandweer en burgerbescherming van het ministerie van Binnenlandse Zaken, Bulgarije), en deze algemene directie, over de berekening en de vergoeding van de uren nachtarbeid die deze ambtenaren hebben verricht.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2003/88

3

Artikel 1 van richtlijn 2003/88, met het opschrift „Doel en toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.   Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd, en

b)

bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.

3.   Onverminderd de artikelen 14, 17, 18 en 19 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn [89/391].

[…]”

4

Artikel 2 van richtlijn 2003/88, met als opschrift „Definities”, bepaalt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

3.   nachttijd: een tijdvak van ten minste zeven uren, als vastgesteld bij de nationale wetgeving, dat in ieder geval de periode tussen vierentwintig uur en vijf uur omvat;

4.   nachtarbeider:

a)

enerzijds, een werknemer die normaal gedurende ten minste drie uren van zijn dagelijkse arbeidstijd werkzaam is binnen de nachttijd;

b)

anderzijds, een werknemer die gedurende een bepaald gedeelte van zijn jaarlijkse arbeidstijd binnen de nachttijd werkzaam kan zijn, als vastgesteld, naar keuze van de betrokken lidstaat, bij:

i)

de nationale wetgeving na raadpleging van de sociale partners, of

ii)

collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners op nationaal of regionaal niveau;

5.   ploegenarbeid: een regeling van de arbeid in ploegen, waarbij de werknemers na elkaar op dezelfde werkplek werken, volgens een bepaald rooster, ook bij toerbeurt en al dan niet continu, met als gevolg dat de werknemers over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijden moeten werken;

6.   werknemer in ploegendienst: een werknemer die volgens een ploegendienstrooster werkt;

[…]”

5

Artikel 8 („Duur van de nachtarbeid”) van deze richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat:

a)

de normale arbeidstijd voor nachtarbeiders gemiddeld niet langer is dan acht uren per tijdvak van vierentwintig uur;

b)

nachtarbeiders wier werk bijzondere risico’s dan wel grote lichamelijke of geestelijke spanningen met zich meebrengt, niet langer werken dan acht uren in een periode van vierentwintig uur waarin zij nachtarbeid verrichten.

Voor de toepassing van punt b) wordt arbeid die bijzondere risico’s dan wel grote lichamelijke of geestelijke spanningen met zich meebrengt, gedefinieerd in de nationale wetten en/of gebruiken of in collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners, met inachtneming van de specifieke effecten en risico’s van nachtarbeid.”

6

Artikel 12 van die richtlijn, met als opschrift „Bescherming op het gebied van veiligheid en gezondheid”, bepaalt het volgende:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat:

a)

nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst ten aanzien van hun veiligheid en gezondheid een mate van bescherming genieten die op de aard van hun werk is afgestemd;

b)

de passende beschermings- en preventiediensten of ‑voorzieningen voor de veiligheid en de gezondheid van nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst gelijkwaardig zijn aan die welke voor andere werknemers gelden, en steeds ter beschikking staan.”

Richtlijn 89/391

7

Artikel 2 van richtlijn 89/391, met als opschrift „Werkingssfeer”, luidt:

„1.   Deze richtlijn is van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren (industriële, landbouw-, handels-, administratieve, dienstverlenende, educatieve, culturele, vrijetijdsactiviteiten, enz.).

2.   Deze richtlijn geldt niet wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, [aan] de toepassing ervan in de weg staan.

In dat geval moet ervoor worden gezorgd dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk worden verzekerd, met inachtneming van de doelstellingen van deze richtlijn.”

Bulgaars recht

Wetboek van arbeid

8

Artikel 140 van de kodeks na truda (wetboek van arbeid) (DV nr. 26 van 1 april 1986 en DV nr. 27 van 4 april 1986), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, luidt:

„1.   De normale wekelijkse duur van de nachtarbeid in een vijfdaagse werkweek bedraagt niet meer dan 35 uur. De normale dagelijkse duur van de nachtarbeid in een vijfdaagse werkweek bedraagt niet meer dan zeven uur.

2.   Nachtarbeid is arbeid die wordt verricht tussen 22.00 uur en 6.00 uur, en voor werknemers jonger dan 16 jaar arbeid die wordt verricht tussen 20.00 uur en 6.00 uur.

[…]”

9

Artikel 143 van het wetboek van arbeid luidt:

„1.   Als overwerk wordt aangemerkt de arbeid die de werknemer verricht buiten de voor hem vastgestelde arbeidstijd, terwijl zijn werkgever of leidinggevende daarvan op de hoogte is en zich daartegen niet verzet.

[…]”

Wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken

10

Artikel 142 van de zakon za Ministerstvo na vatreshnite raboti (wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken) van 28 mei en 19 juni 2014 (DV nr. 53 van 27 juni 2014, blz. 2), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie, bepaalt het volgende:

„1.   De werknemers van het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn:

1)

politieagenten en personeel van de algemene directie brandweer en burgerbescherming;

2)

ambtenaren;

3)

arbeidscontractanten.

[…]”

11

Artikel 187 van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van de zakon za izmenenie i dopalnenie na zakona za Ministerstvo na vatreshnite raboti (wet tot wijziging en aanvulling van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken) van 11 juni en 1 juli 2020 (DV nr. 60 van 7 juli 2020, blz. 3), bepaalde:

„1.   De normale arbeidstijd voor de ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken bedraagt 8 uur per dag en 40 uur per week bij een vijfdaagse werkweek.

[…]

3.   De arbeidstijd van ambtenaren wordt per dag in werkdagen berekend, terwijl die van werknemers in ploegendiensten van 8, 12 of 24 uur wordt berekend over een periode van drie maanden. Ploegendiensten van 24 uur vormen een uitzondering. […] In geval van ploegendiensten is nachtarbeid toegestaan tussen 22.00 uur en 6.00 uur, mits de gemiddelde arbeidstijd niet langer duurt dan 8 uur per tijdvak van 24 uur.

[…]

9.   De voorschriften die betrekking hebben op de organisatie en verdeling van de arbeidstijd alsook de berekening daarvan, de vergoeding van de door ambtenaren buiten de normale werktijden verrichte arbeid, de regeling van de beschikbaarheidsdienst, de rusttijden en de vakantiedagen van de ambtenaren worden vastgesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken.

[…]”

12

Artikel 187 van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken, in de versie die van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de wet van 11 juni en 1 juli 2020 tot wijziging en aanvulling van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken, luidt als volgt:

„1.   De normale arbeidstijd voor de ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken bedraagt 8 uur per dag en 40 uur per week in een vijfdaagse werkweek. De normale duur van nachtarbeid bedraagt 8 uur per tijdvak van 24 uur. Nachtarbeid is de arbeid die wordt verricht tussen 22.00 uur en 6.00 uur.

2.   Een kortere arbeidstijd wordt vastgesteld voor ambtenaren in overheidsdienst die hun functie uitoefenen in specifieke omstandigheden waarin zij zijn blootgesteld aan risico’s voor leven en gezondheid.

3.   De arbeidstijd van ambtenaren in overheidsdienst wordt per dag in werkdagen berekend, terwijl die van werknemers in ploegendiensten van 8, 12 of 24 uur wordt berekend over een periode van drie maanden. Ploegendiensten van 24 uur vormen een uitzondering.

[…]

10.   De voorschriften die betrekking hebben op de organisatie en verdeling van de arbeidstijd alsook de berekening daarvan, de vergoeding van de door ambtenaren buiten de normale werktijden verrichte arbeid, de regeling van de beschikbaarheidsdienst, de rusttijden en de vakantiedagen van de ambtenaren in de zin van artikel 142, lid 1, punt 1, en lid 3, worden vastgesteld bij besluit van de minister van Binnenlandse Zaken.”

13

Artikel 188, lid 2, van deze wet bepaalt het volgende:

„Ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken die arbeid verrichten tussen 22.00 uur en 6.00 uur genieten bijzondere bescherming krachtens het wetboek van arbeid.”

Besluiten van de minister van Binnenlandse Zaken overeenkomstig artikel 187 van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken

14

Artikel 3, lid 3, van naredba nr. 8121z-776 (besluit nr. 8121z-776) van 29 juli 2016 (DV nr. 60 van 2 augustus 2016, blz. 16), ingetrokken op 14 januari 2020, bepaalde:

„Ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken kunnen worden verplicht om ook ’s nachts te werken, tussen 22.00 uur en 6.00 uur, mits het gemiddelde aantal gewerkte uren niet meer bedraagt dan 8 uur per tijdvak van 24 uur.”

15

Artikel 3, lid 2, van naredba nr. 8121z-36 (besluit nr. 8121z-36) van 7 januari 2020 (DV nr. 3 van 10 januari 2020, blz. 3), ingetrokken op 21 oktober 2020, luidde als volgt:

„Ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken kunnen worden verplicht om ook ’s nachts te werken, tussen 22.00 uur en 6.00 uur, mits het gemiddelde aantal gewerkte uren niet meer bedraagt dan 8 uur per tijdvak van 24 uur.”

16

Artikel 3, lid 2, van naredba nr. 8121z-1174 (besluit nr. 8121z-1174) van 21 oktober 2020 (DV nr. 93 van 30 oktober 2020), ingetrokken op 15 december 2020 bepaalde:

„Ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken kunnen worden verplicht om ook ’s nachts te werken, tussen 22.00 uur en 6.00 uur, mits het gemiddelde aantal gewerkte uren niet meer bedraagt dan 8 uur per tijdvak van 24 uur.”

Besluit over de structuur en de organisatie van de lonen

17

Artikel 8 van de naredba za strukturata i organizatsiata na rabotnata zaplata (besluit over de structuur en de organisatie van de lonen) van 17 januari 2007 (DV nr. 9 van 26 januari 2007, blz. 2) luidde als volgt:

„Voor elk uur of gedeelte van een uur waarin nachtarbeid wordt verricht tussen 22.00 uur en 6.00 uur, krijgen de werknemers een toeslag voor nachtarbeid ten bedrage van ten minste 0,25 Bulgaarse lev [(BGN)] (ongeveer 0,13 EUR).”

18

Dit artikel, in de versie die van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de postanovlenie za izmenenie na Naredbata za strukturata i organizatsiata na rabotnata zaplata (besluit tot wijziging van het besluit over de structuur en de organisatie van de lonen) van 21 juli 2020 (DV nr. 66 van 24 juli 2020, blz. 7), bepaalt:

„Voor elk uur of gedeelte van een uur waarin nachtarbeid wordt verricht tussen 22.00 uur en 6.00 uur, krijgen de werknemers een toeslag voor nachtarbeid die gelijk is aan ten minste 0,15 % van het Bulgaarse minimumloon, met een minimum van 1 BGN.”

19

Artikel 9, lid 2, van het besluit over de structuur en de organisatie van de lonen bepaalt:

„Bij de berekening van de totale arbeidstijd wordt nachtarbeid in dagwerk omgezet door een coëfficiënt toe te passen die overeenkomt met de verhouding tussen de normale duur van het dagwerk en die van de nachtarbeid, zoals vastgesteld voor de betrokken functie.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

20

De verzoekers in de hoofdgedingen zijn ambtenaren en bekleden de functie van brandweerman binnen de arrondissementsdienst van Kula (Bulgarije) van de algemene directie brandweer en burgerbescherming van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

21

De hoofdgedingen hebben betrekking op de periode van 31 januari 2018 tot en met 31 december 2020, waarin verzoekers in de hoofdgedingen in ploegendiensten van 24 uur hebben gewerkt, waarbij de arbeidstijd per kwartaal werd berekend. In die periode hebben verzoekers in de hoofdgedingen 8 uur nachtarbeid verricht per tijdvak van 24 uur, en wel tussen 22.00 uur en 6.00 uur.

22

De verwijzende rechter merkt op dat de algemene regeling van nachtarbeid in de Bulgaarse wetgeving is opgenomen in het wetboek van arbeid, waarin is bepaald dat nachtarbeid niet meer mag bedragen dan 7 uur per tijdvak van 24 uur en dat over de overuren – de arbeid die wordt verricht buiten de overeengekomen arbeidstijd – een toeslag wordt betaald, kennelijk ter hoogte van 50 %.

23

Hij voegt daaraan toe dat volgens de bijzondere arbeidsregeling van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken de normale duur van nachtarbeid daarentegen 8 uur per tijdvak van 24 uur bedraagt en dat deze regeling weliswaar, net als de algemene regeling voor nachtarbeid, bepaalt dat overwerk arbeid is die wordt verricht buiten de overeengekomen arbeidstijd, maar dat de normale arbeidstijd van 8 uur enkel recht geeft op een toeslag van 0,25 BGN per uur.

24

Verzoekers in de hoofdgedingen betogen dat, voor zover de nachtarbeid overeenkomt met het verschil tussen de voor hen geldende normale duur van de nachtarbeid en de voor werknemers in de particuliere sector geldende normale duur van de nachtarbeid, te weten één uur, deze nachtarbeid overwerk vormt. Over dit overwerk wordt evenwel geen toeslag betaald zoals is voorzien in het wetboek van arbeid. De bijzondere regeling voor nachtarbeid in de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken bepaalt immers enkel dat over nachtarbeid een toeslag van 0,25 BGN per uur wordt betaald. Verzoekers in de hoofdgedingen zijn derhalve van mening dat de berekeningswijze van de vergoeding van nachtarbeid in de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken discriminerend is en dat voor hen de meest gunstige regeling moet gelden, te weten de algemene regeling.

25

De verwijzende rechter merkt op dat verzoekers in de hoofdgedingen, die ambtenaren zijn binnen een arrondissementsdienst van de algemene directie brandweer en burgerbescherming van het ministerie van Binnenlandse Zaken, bepaalde voordelen genieten ten opzichte van werknemers van wie het werk onder de algemene regeling van nachtarbeid van het wetboek van arbeid valt, zoals langer betaald verlof of een hogere vergoeding bij pensionering.

26

Hij vraagt zich derhalve af of voor deze personen in andere opzichten minder gunstige arbeidsvoorwaarden kunnen gelden, met name wat betreft het feit dat de normale duur van de nachtarbeid voor hen op 8 uur is vastgesteld.

27

In die omstandigheden heeft de Rayonen sad – Kula (rechter in eerste aanleg Kula, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in gelijke bewoordingen zijn geformuleerd in de zaken C‑529/21 tot en met C‑536/21 en in de zaken C‑732/21 tot en met C‑738/21:

„1)

Is richtlijn 2003/88 van toepassing wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, in de weg staan aan de toepassing ervan, gelet op het feit dat

artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88 bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391, en

artikel 2, lid 2, van richtlijn 89/391 bepaalt dat deze richtlijn niet geldt wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, in de weg staan aan toepassing ervan?

2)

Moet bij de beoordeling of de passende beschermingsvoorzieningen in de zin van artikel 12, onder b), van richtlijn 2003/88 ten behoeve van een categorie werknemers die nachtarbeid verrichten gedurende niet meer dan 7 uur per tijdvak van 24 uur, gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor een andere categorie werknemers, die nachtarbeid verrichten gedurende niet meer dan 8 uur maar voordelen genieten zoals meer vakantiedagen, een eerdere pensioendatum, een hogere vergoeding bij pensionering en een hogere extra vergoeding wegens anciënniteit, rekening worden gehouden met de voordelen die de werknemers van de tweede categorie genieten?”

Procedure bij het Hof

28

De verwijzende rechter heeft verzocht om de prejudiciële verwijzingen in de zaken C‑529/21 tot en met C‑536/21 te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

29

Op 9 september 2021 heeft het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen.

30

Bij beslissingen van de president van het Hof van 24 september respectievelijk 16 december 2021 zijn de zaken C‑529/21 tot en met C‑536/21 en de zaken C‑732/21 tot en met C‑738/21 gevoegd en is de behandeling van de zaak voor het Hof opgeschort tot de uitspraak van het arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto (C‑262/20, EU:C:2022:117).

31

De onderhavige procedure is hervat op 28 februari 2022.

32

Bij beslissing van het Hof van 13 december 2022 zijn de zaken C‑529/21 tot en met C‑536/21 en de zaken C‑732/21 tot en met C‑738/21 gevoegd voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

33

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2003/88 van toepassing is op activiteiten als die van verzoekers in de hoofdgedingen, die ambtenaren zijn en de functie van brandweerman bekleden binnen de algemene directie brandweer en burgerbescherming van het ministerie van Binnenlandse Zaken en als nachtarbeiders worden beschouwd, gezien het feit dat artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88 het toepassingsgebied van deze richtlijn definieert en uitdrukkelijk verwijst naar artikel 2 van richtlijn 89/391, terwijl richtlijn 89/391 volgens artikel 2 ervan niet geldt wanneer bijzondere aspecten die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst, bijvoorbeeld bij de strijdkrachten of de politie, of aan bepaalde activiteiten in het kader van de bevolkingsbescherming, in de weg staan aan toepassing ervan.

34

Vooraf zij eraan herinnerd dat de bij de verwijzende rechter aanhangige zaken enkel betrekking hebben op de toepassing van richtlijn 2003/88 ten aanzien van ambtenaren die de functie van brandweerman bekleden en regelmatig nachtarbeid verrichten. Zoals de Europese Commissie suggereert, moet de eerste vraag derhalve aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88, gelezen in samenhang met artikel 2 van richtlijn 89/391, aldus moet worden uitgelegd dat richtlijn 2003/88 van toepassing is op werknemers in de publieke sector – zoals brandweerlieden – die als nachtarbeiders worden beschouwd.

35

In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat volgens artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88 juncto artikel 2 van richtlijn 89/391, waarnaar artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88 verwijst, deze richtlijnen van toepassing zijn op alle particuliere of openbare sectoren, teneinde de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk te bevorderen en bepaalde aspecten van hun arbeidstijd te regelen (arrest van 3 mei 2012, Neidel, C‑337/10, EU:C:2012:263, punt 20).

36

Ten tweede volgt hieruit dat de werkingssfeer van richtlijn 89/391 ruim moet worden opgevat zodat de in artikel 2, lid 2, eerste alinea, ervan bedoelde uitzonderingen op haar werkingssfeer restrictief moeten worden uitgelegd. Deze uitzonderingen zijn immers enkel vastgesteld om de goede werking te verzekeren van de diensten die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de openbare orde in omstandigheden van uitzonderlijke ernst en omvang (arrest van 3 mei 2012, Neidel, C‑337/10, EU:C:2012:263, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

Ten derde heeft het Hof geoordeeld dat het criterium dat in artikel 2, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 89/391 wordt gehanteerd om bepaalde activiteiten uit te sluiten van de werkingssfeer van die richtlijn en dus van de werkingssfeer van richtlijn 2003/88, er niet op berust dat werknemers tot een van de in dat artikel genoemde algemene sectoren van de overheidsdienst behoren, maar alleen erop berust dat bepaalde bijzondere taken die werknemers van de in dat artikel genoemde sectoren uitoefenen, van specifieke aard zijn, welke aard wegens de absolute noodzaak om een daadwerkelijke bescherming van de gemeenschap te garanderen, een uitzondering op de regels inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers rechtvaardigt (arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 56).

38

Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat bepaalde diensten weliswaar het hoofd moet bieden aan gebeurtenissen die per definitie niet zijn te voorzien, maar dat dit niet wegneemt dat de activiteiten die in het kader van deze dienst onder normale omstandigheden moeten worden verricht en die overigens precies de taak vormen waarmee die diensten zijn belast, van tevoren kunnen worden georganiseerd, met inbegrip van de arbeidsuren van het personeel van deze dienst (arrest van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punt 57).

39

In die context heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn 2003/88 van toepassing is op de activiteiten van de brandweer, ook al worden deze activiteiten – ongeacht of zij brandbestrijding of andere hulpverlening tot doel hebben – uitgeoefend door interventieteams, voor zover zij onder normale omstandigheden overeenkomstig de aan de betrokken dienst opgedragen taak worden uitgeoefend en ook al zijn de interventies die met deze activiteiten zijn verbonden, naar hun aard niet te voorzien en kunnen de ingezette werknemers aan bepaalde gevaren voor hun veiligheid en/of gezondheid worden blootgesteld (arrest van 21 februari 2018, Matzak, C‑518/15, EU:C:2018:82, punt 27).

40

Bijgevolg is richtlijn 2003/88 van toepassing op de activiteiten van werknemers in de publieke sector – zoals brandweerlieden – die als nachtarbeiders worden beschouwd, voor zover deze activiteiten onder normale omstandigheden worden verricht. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de activiteiten van verzoekers in de hoofdgedingen onder dergelijke omstandigheden worden verricht.

41

Uit het voorgaande volgt dat artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88, gelezen in samenhang met artikel 2 van richtlijn 89/391, aldus moet worden uitgelegd dat richtlijn 2003/88 van toepassing is op werknemers in de publieke sector – zoals brandweerlieden – die als nachtarbeiders worden beschouwd, voor zover deze werknemers hun activiteiten onder normale omstandigheden verrichten.

Tweede vraag

42

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van passende beschermings- en preventiediensten of -voorzieningen voor de veiligheid en de gezondheid van nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst, zoals vereist door artikel 12, onder b), van richtlijn 2003/88, rekening moet worden gehouden met de eventuele verschillen tussen de verschillende categorieën nachtarbeiders in een lidstaat.

43

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 12, onder b), van richtlijn 2003/88 bepaalt dat nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst voor de veiligheid en de gezondheid over passende beschermings- en preventiediensten of ‑voorzieningen beschikken die gelijkwaardig zijn aan die welke voor „andere werknemers” gelden. Deze bepaling regelt niet de verhouding tussen nachtarbeiders in verschillende sectoren of gebieden, maar wel de verhouding tussen nachtarbeiders en werknemers die dagwerk verrichten ten aanzien van de beschermings- en preventiediensten of -voorzieningen waarover zij beschikken.

44

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, evenwel de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arresten van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 31, en 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, С-262/20, EU:C:2022:117, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

Zoals blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing, heeft de tweede vraag in casu in feite betrekking op de toepasselijkheid van het algemene beginsel van gelijke behandeling dat is verankerd in artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). De verwijzende rechter vraagt zich namelijk af of de eventueel gunstigere arbeidsvoorwaarden die op nachtarbeiders in de particuliere sector van toepassing zijn, ook op nachtarbeiders in de publieke sector van toepassing moeten zijn, overeenkomstig artikel 12, onder a), van richtlijn 2003/88.

46

De tweede vraag moet derhalve in wezen aldus worden opgevat dat zij ertoe strekt dat wordt nagegaan of artikel 12 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 20 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de kortere normale duur van nachtarbeid die in het nationale recht is vastgelegd voor werknemers in de particuliere sector, niet geldt voor werknemers in de publieke sector, zoals brandweerlieden.

47

Wat in de eerste plaats de mate van bescherming betreft die de lidstaten moeten bieden aan nachtarbeiders ten aanzien van hun veiligheid en gezondheid, moet ten eerste worden opgemerkt dat artikel 12, onder a), van richtlijn 2003/88 vereist dat de lidstaten bij de vaststelling van deze mate van bescherming rekening houden met de aard van nachtarbeid, terwijl nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst volgens artikel 12, onder b), van deze richtlijn beschikken over passende beschermings- en preventiediensten of -voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die welke voor „andere werknemers” gelden.

48

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 31, lid 1, van het Handvest bepaalt dat „[i]edere werknemer […] recht [heeft] op gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden” en dat artikel 31, lid 2, van dat Handvest bepaalt dat „[i]edere werknemer […] recht [heeft] op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon.” In artikel 12 van richtlijn 2003/88 wordt invulling gegeven aan dit in artikel 31 van het Handvest geformuleerde grondrecht.

49

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de verplichting in artikel 12, onder a), van die richtlijn om de nodige maatregelen te treffen opdat nachtarbeiders en werknemers in ploegendienst een mate van bescherming genieten die is afgestemd op de aard van hun werk, de lidstaten een zekere marge laat om te beoordelen welke maatregelen passend zijn (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

Ten tweede dient deze verplichting zodanig te worden ingevuld dat de door de richtlijn zelf gestelde beschermingsdoelen worden verwezenlijkt. De lidstaten moeten bij de vaststelling van het vereiste beschermingsniveau met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van nachtarbeiders in het bijzonder de beginselen van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in acht nemen. Daarom moeten zij er zorg voor dragen dat nachtarbeiders andere beschermingsmaatregelen genieten op het gebied van arbeidsduur, loon, vergoedingen of soortgelijke voordelen, om de bijzondere belasting van dit type arbeid, waarop met name richtlijn 2003/88 wijst, te compenseren en dus de erkenning van de aard van nachtarbeid te weerspiegelen (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 51).

51

Ten derde zij er eveneens op gewezen dat, gelet op het feit dat nachtarbeid zwaarder is dan dagarbeid, een kortere normale duur van de nachtarbeid in verhouding tot die van de dagarbeid een passende, zij het niet de enige mogelijke, oplossing kan vormen om de gezondheid en veiligheid van de betrokken werknemers te beschermen. Naargelang van de aard van de betrokken activiteit kan ook door bijvoorbeeld extra perioden van rust of vrije tijd toe te kennen, worden bijgedragen aan de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van deze werknemers (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 53).

52

Wat in de tweede plaats de relevantie betreft van het in artikel 20 van het Handvest verankerde beginsel van gelijke behandeling, volgens hetwelk „eenieder […] gelijk [is] voor de wet”, dient ten eerste in herinnering te worden gebracht dat dit beginsel naar het oordeel van het Hof een algemeen beginsel van het Unierecht is op grond waarvan vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53

Wat ten tweede de handelingen van de lidstaten betreft is de werkingssfeer van het Handvest in artikel 51, lid 1, ervan aldus verwoord dat de bepalingen van het Handvest tot de instellingen van de Europese Unie en de lidstaten zijn gericht uitsluitend wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen, en volgens vaste rechtspraak veronderstelt het begrip „het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in de zin van die bepaling dat er tussen een Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel een verband bestaat dat, rekening houdend met de door het Hof vastgestelde beoordelingscriteria, verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54

Dienaangaande zij opgemerkt dat artikel 140, lid 1, van het wetboek van arbeid bepaalt dat de normale duur van de nachtarbeid in een vijfdaagse werkweek 7 uur bedraagt. Zoals de verwijzende rechter benadrukt, geldt deze bepaling voor werknemers in de particuliere sector. Voorts kan de nachtarbeid in geval van ploegendienst volgens artikel 187, lid 3, van de wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken worden verricht tussen 22.00 uur en 6.00 uur, mits de ambtenaren van dat ministerie gemiddeld niet langer werken dan 8 uur per tijdvak van 24 uur. Zoals het Hof heeft vastgesteld wordt in deze bepalingen verduidelijkt welke arbeidsvoorwaarden er gelden voor nachtarbeid op het gebied van de veiligheid en de gezondheid, met name de beperking van de duur van nachtarbeid. Die bepalingen leggen richtlijn 2003/88 ten uitvoer en vallen dus binnen de werkingssfeer van het Unierecht (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punten 6163).

55

Ten derde moet worden opgemerkt dat, voor zover de verwijzende rechter van oordeel is dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling voor werknemers in de particuliere sector gunstiger is dan de regeling voor werknemers in de publieke sector, waaronder verzoekers in de hoofdgedingen, het Hof heeft geoordeeld dat een verschil in behandeling op grond van het statutaire of contractuele karakter van de arbeidsverhouding in beginsel kan worden beoordeeld in het licht van het beginsel van gelijke behandeling, dat een algemeen beginsel van het Unierecht vormt dat thans is vastgelegd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 65).

56

Wat betreft het vereiste dat de betrokken situaties vergelijkbaar zijn om te kunnen vaststellen of het beginsel van gelijke behandeling is geschonden, heeft het Hof allereerst verduidelijkt dat deze vergelijkbaarheid niet algemeen en abstract moet worden beoordeeld, maar specifiek en concreet aan de hand van alle elementen waardoor die situaties worden gekenmerkt, en met name in het licht van het voorwerp en het doel van de nationale regeling die het betrokken onderscheid invoert en, eventueel, de beginselen en de doelstellingen van het gebied waarvan die nationale regeling deel uitmaakt (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57

Het staat aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om de nodige verificaties uit te voeren teneinde de relevante categorieën werknemers te bepalen en vast te stellen of in casu is voldaan aan het vereiste dat de situaties vergelijkbaar zijn (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58

Niettemin is het Hof in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing, na inzage van de gegevens uit de stukken waarover het beschikt, bevoegd om preciseringen te geven teneinde de verwijzende rechter bij de beslechting van het hoofdgeding richting te geven (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59

In dit verband moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter onderscheid maakt tussen abstracte categorieën nachtarbeiders, te weten enerzijds de categorie „nachtarbeiders in de publieke sector”, alhoewel hij daarbij als voorbeeld verwijst naar de bijzondere categorie van de ambtenaren van de algemene directie brandweer en burgerbescherming van het ministerie van Binnenlandse Zaken, en anderzijds de categorie „nachtarbeiders in de particuliere sector”.

60

Het Hof heeft geoordeeld dat, om te kunnen vaststellen of het beginsel van gelijke behandeling is geschonden, de vergelijkbaarheid van situaties niet algemeen en abstract moet worden beoordeeld krachtens artikel 20 van het Handvest, maar specifiek en concreet aan de hand van alle elementen waardoor die situaties worden gekenmerkt, en met name in het licht van het voorwerp en het doel van de nationale regeling die het betrokken onderscheid invoert en, eventueel, de beginselen en de doelstellingen van het gebied waarvan die nationale regeling deel uitmaakt (arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 67).

61

Voorts blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing weliswaar dat de werknemers in de publieke sector extra voordelen genieten ten opzichte van de werknemers in de particuliere sector, maar is niet duidelijk gemaakt of deze voordelen rechtstreeks verband houden met de aard van de nachtarbeid die wordt verricht door de werknemers in de publieke sector op wie de hoofdgedingen betrekking hebben – te weten de ambtenaren van de algemene directie brandweer en burgerbescherming van het ministerie van Binnenlandse Zaken – dan wel een ander doel hebben.

62

Tevens moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter, voor het geval dat moet worden vastgesteld dat twee categorieën werknemers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden verschillend worden behandeld, niet heeft gepreciseerd welke doelstellingen eventueel worden nagestreefd door de nationale wettelijke regeling die een dergelijk verschil in behandeling invoert.

63

Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om vast te stellen, ten eerste, of de betrokken categorieën werknemers zich in een vergelijkbare situatie bevinden, ten tweede, of er sprake is van een verschil in behandeling van deze categorieën en, ten derde, of dit verschil in behandeling berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen of het verband houdt met een door de betrokken wettelijke regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en of dit verschil in behandeling in verhouding staat tot dat doel (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Glavna direktsia Pozharna bezopasnost i zashtita na naselenieto, C‑262/20, EU:C:2022:117, punt 80).

64

Uit een en ander volgt dat artikel 12 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 20 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de normale duur van de nachtarbeid, die in de wettelijke regeling van een lidstaat is vastgesteld op zeven uur voor werknemers in de particuliere sector, niet geldt voor werknemers in de publieke sector, zoals brandweerlieden, indien dat verschil in behandeling – voor zover de betrokken categorieën werknemers zich in een vergelijkbare situatie bevinden – is gebaseerd op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door deze wettelijke regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot dat doel.

Kosten

65

Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 1, lid 3, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, gelezen in samenhang met artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk,

moet aldus worden uitgelegd dat

richtlijn 2003/88 van toepassing is op werknemers in de publieke sector – zoals brandweerlieden – die als nachtarbeiders worden beschouwd, voor zover deze werknemers hun activiteiten onder normale omstandigheden verrichten.

 

2)

Artikel 12 van richtlijn 2003/88, gelezen in het licht van artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich er niet tegen verzet dat de normale duur van de nachtarbeid, die in de wettelijke regeling van een lidstaat is vastgesteld op zeven uur voor werknemers in de particuliere sector, niet geldt voor werknemers in de publieke sector, zoals brandweerlieden, indien dat verschil in behandeling – voor zover de betrokken categorieën werknemers zich in een vergelijkbare situatie bevinden – is gebaseerd op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door deze wettelijke regeling nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel, en dit verschil in verhouding staat tot dat doel.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Top