EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62021CJ0189

Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 5 mei 2022.
R. en R. tegen Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – Verordening (EU) nr. 1306/2013 – Bijlage II – Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis 10 – Verordening (EU) nr. 1107/2009 – Artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin – Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening – Gemeenschappelijke voorschriften – Gehele of gedeeltelijke verlaging of uitsluiting van de in het kader van het GLB ontvangen steun – Niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden – Gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat in de betrokken lidstaat niet of niet langer is toegelaten en waarvan, in dit laatste geval, de opgebruiktermijn is verstreken.
Zaak C-189/21.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2022:360

 ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

5 mei 2022 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – Verordening (EU) nr. 1306/2013 – Bijlage II – Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis 10 – Verordening (EU) nr. 1107/2009 – Artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin – Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening – Gemeenschappelijke voorschriften – Gehele of gedeeltelijke verlaging of uitsluiting van de in het kader van het GLB ontvangen steun – Niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden – Gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat in de betrokken lidstaat niet of niet langer is toegelaten en waarvan, in dit laatste geval, de opgebruiktermijn is verstreken”

In zaak C‑189/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Nederland) bij beslissing van 23 maart 2021, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2021, in de procedure

R. en R.

tegen

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, D. Gratsias en Z. Csehi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. S. Schillemans en M. K. Bulterman als gemachtigden,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Tsaousi en I.‑E. Krompa als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. van Vliet, A. Sauka en F. Castilla Contreras als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis 10 (hierna: „RBE 10”) – zoals neergelegd in bijlage II bij verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549) – voor zover daarin wordt verwezen naar artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB 2009, L 309, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. en R. en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: „minister”) over de verlaging van het bedrag aan rechtstreekse betalingen dat voor 2018 aan R. en R. moet worden verleend op grond van verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1306/2013

3

Verordening nr. 1306/2013 betreft de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

4

In overweging 53 van deze verordening staat te lezen:

„In verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad [van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB 2003, L 270, blz. 1)], die later is vervangen door verordening (EG) nr. 73/2009 [van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB 2009, L 30, blz. 16)] is het beginsel vastgelegd dat de volledige betaling aan begunstigden van sommige steunbedragen in het kader van het GLB gekoppeld moet zijn aan de naleving van voorschriften voor het grondbeheer, de landbouwproductie en de landbouwactiviteiten. [...]

In het daaruit voortvloeiende systeem van randvoorwaarden moeten de lidstaten sancties opleggen in de vorm van de gehele of gedeeltelijke verlaging of uitsluiting van de steun die in het kader van het GLB is ontvangen.”

5

In overweging 54 van verordening nr. 1306/2013 wordt verklaard:

„Dat systeem van randvoorwaarden integreert in het GLB basisnormen voor het milieu, de klimaatverandering, een goede landbouw‑ en milieuconditie van de grond, de gezondheid van mensen, dieren en planten, en het dierenwelzijn. Randvoorwaarden zijn erop gericht de ontwikkeling van duurzame landbouw te bevorderen door de begunstigden beter bewust te maken van de noodzaak om deze basisnormen in acht te nemen. Zij hebben ook tot doel bij te dragen aan het nauwer laten aansluiten van het GLB bij de verwachtingen van de maatschappij door de samenhang van dit beleid met het beleid op het gebied van het milieu, de gezondheid van mensen, dieren en planten, en dierenwelzijn te verbeteren. Dit systeem van randvoorwaarden maakt integraal deel uit van het GLB en moet daarom worden behouden. Het toepassingsgebied ervan, dat tot dusver bestaat uit aparte lijsten van uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en normen voor een goede landbouw‑ en milieuconditie van de grond, moet evenwel zodanig worden gestroomlijnd dat de consistentie van het systeem van randvoorwaarden gewaarborgd is en beter zichtbaar wordt. Daartoe moeten de eisen en normen in één lijst worden samengebracht en in gebieden en aspecten worden ingedeeld. [...]”

6

De in titel VI van deze verordening vastgestelde regels hebben betrekking op de randvoorwaarden, waarbij in hoofdstuk I van deze titel het toepassingsgebied ervan wordt afgebakend. Artikel 91 („Algemeen beginsel”) van die verordening bepaalt in lid 1:

„Wanneer een in artikel 92 bedoelde begunstigde niet voldoet aan de in artikel 93 vastgelegde voorschriften inzake de randvoorwaarden, krijgt hij een administratieve sanctie opgelegd.”

7

Artikel 91, lid 3, onder b), van verordening nr. 1306/2013 luidt:

„Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

[...]

b)

‚eis’: elke afzonderlijke uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis in een bepaalde handeling, waarnaar verwezen wordt in het in bijlage II genoemde recht van de Unie, en die inhoudelijk verschilt van de andere in diezelfde handeling gestelde eisen.”

8

Artikel 92 („Betrokken begunstigden”) van deze verordening bepaalt in de eerste alinea:

„Artikel 91 is van toepassing op begunstigden die rechtstreekse betalingen op grond van verordening [nr. 1307/2013] [...] ontvangen.”

9

Artikel 93 („Voorschriften betreffende de randvoorwaarden”) van verordening nr. 1306/2013 bepaalt in lid 1:

„De voorschriften betreffende de randvoorwaarden bevatten de uit het recht van de Unie voortvloeiende beheerseisen en de op nationaal niveau vastgestelde normen voor een goede landbouw‑ en milieuconditie van grond die zijn vermeld in bijlage II en betrekking hebben op:

a)

het milieu, klimaatverandering en een goede landbouwconditie van grond;

b)

de volksgezondheid, de diergezondheid en de gezondheid van planten;

c)

het dierenwelzijn.”

10

Bijlage II bij deze verordening („In artikel 93 bedoelde voorschriften betreffende randvoorwaarden”) luidt als volgt:

„RBE: Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis

[...]

Gebied

Aspect

Eisen en normen

[...]

[...]

[...]

Volksgezondheid, diergezondheid en gezondheid van planten

Gewasbeschermingsmiddelen

RBE 10

Verordening [nr. 1107/2009]

Artikel 55, [eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin]”

11

Hoofdstuk II („Controlesysteem en administratieve sancties met betrekking tot de randvoorwaarden”) van titel VI van verordening nr. 1306/2013 bevat de artikelen 96 tot en met 101.

12

Artikel 99 („Berekening van de administratieve sanctie”) van deze verordening bepaalt:

„1.   De in artikel 91 bedoelde administratieve sanctie wordt opgelegd in de vorm van een verlaging of uitsluiting van het totale bedrag van de in artikel 92 bedoelde betalingen die aan de desbetreffende begunstigde zijn toegekend of moeten worden toegekend voor steunaanvragen die hij in het kalenderjaar van de constatering van de niet-naleving heeft ingediend of zal indienen.

[...]

2.   [...]

Gevallen van niet-naleving die een rechtstreeks gevaar voor de volksgezondheid of de gezondheid van dieren vormen, geven altijd aanleiding tot verlaging of uitsluiting.

[...]”

Verordening nr. 1107/2009

13

Verordening nr. 1107/2009 betreft het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. De overwegingen 24 en 35 van deze verordening luiden:

„(24)

De toelatingsvoorschriften moeten een goede bescherming garanderen. Wanneer toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen worden verleend, moet met name de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang hebben op de verbetering van de teelt van planten. Alvorens gewasbeschermingsmiddelen op de markt worden gebracht, moet dan ook worden aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en zij geen schadelijke effecten hebben op de gezondheid van mensen en dieren, met inbegrip van die van kwetsbare groepen, noch onaanvaardbare effecten hebben voor het milieu.

[...]

(35)

Om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu te waarborgen, moeten gewasbeschermingsmiddelen op juiste wijze, overeenkomstig de toelating ervoor, worden gebruikt, [...].”

14

Artikel 1 van die verordening bepaalt:

„1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in hun commerciële aanbiedingsvorm en voor het op de markt brengen, het gebruik en de controle ervan binnen de [Europese] Gemeenschap.

[...]

3.   Het doel van deze verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren.

[...]”

15

In onderafdeling 1 („Eisen en inhoud”) van afdeling 1 („Toelating”) van hoofdstuk III („Gewasbeschermingsmiddelen”) van verordening nr. 1107/2009 bepaalt artikel 28 („Toelating voor het op de markt brengen en het gebruik”) in lid 1:

„Een gewasbeschermingsmiddel wordt alleen op de markt gebracht of gebruikt wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig deze verordening is toegelaten.”

16

Artikel 32 („Duur”) van deze verordening bepaalt in lid 1:

„1.   De toelatingsperiode wordt in de toelating vastgesteld.

Onverminderd artikel 44 wordt de duur van een toelating bepaald op een periode die loopt tot ten hoogste een jaar vanaf de datum waarop de goedkeuring van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten in het gewasbeschermingsmiddel verstrijkt, en daarna voor zolang de werkzame stoffen, de beschermstoffen en synergisten die zijn opgenomen in het gewasbeschermingsmiddel zijn goedgekeurd.

[...]”

17

Artikel 46 („Respijtperiode”) van die verordening luidt als volgt:

„Wanneer een lidstaat een toelating intrekt, wijzigt of niet verlengt, kan hij een respijtperiode toekennen om de bestaande voorraden te verwijderen, op te slaan, op de markt te brengen en te gebruiken.

Voor zover de redenen waarom de toelating wordt ingetrokken, gewijzigd of niet wordt verlengd geen verband houden met de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu, is de respijtperiode beperkt en bedraagt zij ten hoogste zes maanden voor de verkoop en distributie, en ten hoogste nogmaals één jaar voor de verwijdering, de opslag en het gebruik van bestaande voorraden van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen.”

18

In afdeling 2 („Gebruik en informatie”) van hoofdstuk III van genoemde verordening bepaalt artikel 55 („Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen”) van deze verordening in de eerste alinea en in de tweede alinea, eerste zin:

„Gewasbeschermingsmiddelen moeten op juiste wijze worden gebruikt.

Een juist gebruik houdt in dat de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken worden toegepast, en dat wordt voldaan aan de voorschriften die overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven.”

19

Artikel 83, tweede alinea, van verordening nr. 1107/2009 bepaalt:

„Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze verordening. Met name verwijzingen in andere communautaire wetgeving, zoals in verordening [nr. 1782/2003], naar artikel 3 van richtlijn 91/414/EEG [van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 1991, L 230, blz. 1)], gelden als verwijzingen naar artikel 55 van onderhavige verordening.”

Richtlijn 91/414

20

Richtlijn 91/414 is ingetrokken bij verordening nr. 1107/2009 en was van toepassing tot en met 13 juni 2011.

21

Artikel 3 van deze richtlijn luidde:

„1.   De lidstaten bepalen dat een [gewasbeschermingsmiddel] alleen op hun grondgebied op de markt mag worden gebracht en gebruikt, indien zij het betrokken gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig deze richtlijn hebben toegelaten, tenzij het beoogde gebruik valt onder het bepaalde in artikel 22.

[...]

3.   De lidstaten bepalen dat gewasbeschermingsmiddelen op juiste wijze moeten worden gebruikt. Een juist gebruik houdt in dat wordt voldaan aan de voorschriften die overeenkomstig artikel 4 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven, en dat de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken alsmede, waar mogelijk, de beginselen van geïntegreerde bestrijding worden toegepast.

[...]”

Nederlands recht

22

Artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van 17 februari 2007 (Stb. 2007, 125), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, luidt als volgt:

„Overtredingen van de verordening

1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 28, eerste lid, 52, eerste en vijfde lid, 55, 56, eerste lid, 58, eerste lid, en 64, van verordening [nr. 1107/2009] of de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.”

23

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB nr. WJZ/14194346 van 11 december 2014 (Stcrt. 2014, 36127), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „Uitvoeringsregeling”) bepaalt in artikel 3.1, lid 1, onder a):

„Randvoorwaarden

1. Een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen [...] neemt de volgende bepalingen in acht:

a. de beheerseisen, bedoeld in artikel 93, eerste lid, van verordening [nr. 1306/2013], opgenomen in bijlage 3, [...]”

24

Bijlage 3 bij artikel 3.1, lid 1, onder a), van de Uitvoeringsregeling luidt als volgt:

„Beheerseisen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, van verordening [nr. 1306/2013]

[...]

Aspect: gewasbeschermingsmiddelen

RBE 10. Artikel 55, [eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin], van verordening [nr. 1107/2009]:

10.1

Artikel 55, [eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin], van verordening [nr. 1107/2009]

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

25

Op 20 maart 2018 heeft R. en R. bij de minister een gecombineerde opgave ingediend waarin zij verzocht om uitbetaling van rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB.

26

Op 11 oktober 2018 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel‑ en Warenautoriteit vastgesteld dat een van de maten van R. en R. het gewasbeschermingsmiddel MECOP PP‑2 (toelatingsnummer 12678N) gebruikte om ridderzuring (Rumex obtusifolius) te bestrijden. Dit gewasbeschermingsmiddel heeft mecoprop‑P als werkzame stof. De toelating van dit middel is verstreken op 30 januari 2016. De aflevertermijn was bepaald op 30 juli 2016 en de opgebruiktermijn op 30 januari 2017.

27

Op 4 april 2019 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling de aan R. en R. voor het jaar 2018 te verlenen rechtstreekse betalingen met 3 % verlaagd wegens het niet-naleven van de randvoorwaarden omdat zij een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel had gebruikt.

28

Bij besluit van 21 augustus 2019 heeft de minister het door R. en R. tegen deze verlaging ingediende bezwaar ongegrond verklaard. In dat besluit is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedraging beschouwd als een geval van niet-naleving van de voorschriften inzake de randvoorwaarden, omdat het gebruik van een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel valt onder RBE 10, waarin wordt verwezen naar artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009.

29

R. en R. betwist dat besluit voor de verwijzende rechter.

30

Voor deze rechter betwist R. en R. niet dat zij een niet langer toegelaten gewasbeschermingsmiddel heeft gebruikt. Zij voert evenwel aan dat dit geen schending van artikel 55 van verordening nr. 1107/2009 is, aangezien dit artikel enkel bepaalt dat gewasbeschermingsmiddelen „op juiste wijze” moeten worden gebruikt. R. en R. betoogt dat er bij gebruik van een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel geen sprake is van schending van artikel 55 van verordening nr. 1107/2009, maar van artikel 28 van die verordening, volgens hetwelk een gewasbeschermingsmiddel alleen op de markt mag worden gebracht of gebruikt wanneer het is toegelaten. Aangezien artikel 28 van die verordening niet in bijlage II bij verordening nr. 1306/2013 wordt vermeld, is een inbreuk op deze bepaling geen schending van de voorschriften inzake de randvoorwaarden. Voor de verwijzende rechter voert R. en R. bijgevolg aan dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat RBE 10 was geschonden, zodat hij niet bevoegd was om het bedrag van de aan haar voor 2018 te verlenen rechtstreekse betalingen met 3 % te verlagen wegens het niet-naleven van de randvoorwaarden.

31

Volgens de verwijzende rechter volgt uit een letterlijke uitlegging van artikel 55 van verordening nr. 1107/2009, waarnaar RBE 10 verwijst, dat dit artikel niet ziet op de situatie waarin een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt. Een dergelijke uitleg heeft echter het „merkwaardige en mogelijk ook ongewenste” gevolg dat in een situatie waarin een landbouwer een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel heeft gebruikt, geen enkele verlaging wegens het niet-naleven van de randvoorwaarden zou kunnen worden toegepast, terwijl dit bij onjuist gebruik van een toegelaten gewasbeschermingsmiddel wel zou kunnen.

32

De verwijzende rechter vraagt zich af of de in het vorige punt gegeven uitlegging valt te verzoenen met de door de verordeningen nr. 1306/2013 en nr. 1107/2009 nagestreefde doelstellingen om de gezondheid van mensen, dieren en planten en het milieu te beschermen.

33

De verwijzende rechter vraagt zich in wezen ook af waarom de Uniewetgever er in artikel 83 van verordening nr. 1107/2009 voor heeft gekozen om te bepalen dat verwijzingen in andere communautaire wetgeving naar artikel 3 van richtlijn 91/414 gelden als verwijzingen naar enkel artikel 55 van verordening nr. 1107/2009 en niet eveneens naar artikel 28 van deze verordening.

34

Tegen deze achtergrond heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet [RBE 10], waarin wordt verwezen naar artikel 55, [eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin], van verordening [nr. 1107/2009], aldus worden uitgelegd dat die beheerseis ook ziet op de situatie waarin een gewasbeschermingsmiddel is gebruikt dat in de betrokken lidstaat niet overeenkomstig laatstgenoemde verordening is toegelaten”?

Beantwoording van de prejudiciële vraag

35

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of RBE 10, waarin wordt verwezen naar artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009, aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat in de betrokken lidstaat niet of niet langer is toegelaten, en waarvan, in dit laatste geval, de opgebruiktermijn is verstreken.

36

Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 22 januari 2020, Ursa Major Services, C‑814/18, EU:C:2020:27, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens de verwijzende rechter tussen partijen in het hoofdgeding niet in geschil is dat de toelating van het betrokken gewasbeschermingsmiddel was vervallen met ingang van 30 januari 2016 en dat ten tijde van het gebruik van dit middel door verzoekster in het hoofdgeding de maximale opgebruiktermijn, die op 30 januari 2017 was gesteld, eveneens was verstreken.

38

In de eerste plaats zij erop gewezen dat een gewasbeschermingsmiddel volgens overweging 35 van verordening nr. 1107/2009 „op juiste wijze wordt gebruikt” wanneer het „overeenkomstig de toelating ervoor” wordt gebruikt.

39

In dit verband moet het begrip „juist gebruik” in artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009, wat het eerste bestanddeel ervan betreft, worden opgevat als een verwijzing naar artikel 28, lid 1, van deze verordening, dat bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel alleen kan worden „gebruikt” wanneer het in de betrokken lidstaat is „toegelaten”.

40

Verder blijkt uit artikel 32, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009 dat de toelatingsperiode wordt vastgesteld in het besluit waarmee het gewasbeschermingsmiddel wordt toegelaten, en uit artikel 46 van deze verordening dat aan de intrekking, de wijziging of het verstrijken van een vergunning een respijtperiode kan worden verbonden, met name om de bestaande voorraden te gebruiken.

41

Hieruit volgt dat het juiste gebruik dat overeenkomstig artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009 van gewasbeschermingsmiddelen moet worden gemaakt, een gebruik veronderstelt dat zowel ratione materiae als ratione temporis is gedekt door een overeenkomstig artikel 28, lid 1, van die verordening verleende toelating die uitwerking heeft overeenkomstig de voorschriften van artikel 32, lid 1, en in voorkomend geval artikel 46 van deze verordening.

42

In de tweede plaats bepaalt artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1107/2009 dat bij deze verordening regels worden vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in hun commerciële aanbiedingsvorm en voor met name het gebruik en de controle ervan binnen de Europese Gemeenschap. Volgens artikel 1, lid 3, van die verordening heeft zij in het bijzonder tot doel om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen.

43

Zoals in overweging 24 van verordening nr. 1107/2009 is uiteengezet, moeten de toelatingsvoorschriften een goede bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu garanderen. Volgens overweging 35 van deze verordening wordt dit doel nagestreefd met het op juiste wijze gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig de toelating ervoor. In dit verband zij eraan herinnerd dat RBE 10 inzake de naleving van artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009 volgens bijlage II bij verordening nr. 1306/2013 juist de bescherming beoogt van de gezondheid van mensen, dieren en planten. RBE 10 maakt dus deel uit van de in het systeem van de randvoorwaarden geïntegreerde basisnormen van het GLB voor de gezondheid van mensen, dieren en planten, die overeenkomstig de overwegingen 53 en 54 van verordening nr. 1306/2013 door de begunstigden moeten worden nageleefd om in aanmerking te komen voor de volledige uitbetaling van bepaalde steun in het kader van het GLB.

44

Een uitlegging waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die in de betrokken lidstaat niet of niet langer zijn toegelaten en waarvan de opgebruiktermijn is verstreken, van de werkingssfeer van RBE 10 wordt uitgesloten, zou dan ook indruisen tegen de aan het beginsel van randvoorwaarden ten grondslag liggende doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en planten en van het milieu te waarborgen. Een dergelijke uitlegging zou immers betekenen dat een begunstigde die een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel gebruikt, niet wordt onderworpen aan de administratieve sanctie die erin bestaat het bedrag van de rechtstreekse betalingen te verlagen, terwijl een begunstigde die een toegelaten gewasbeschermingsmiddel gebruikt maar daarbij de daaraan verbonden voorwaarden schendt, wel aan een dergelijke sanctie wordt onderworpen. Een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel zou dus uitgesloten zijn van de werkingssfeer van het beginsel dat er in het kader van het GLB moet worden voldaan aan randvoorwaarden, hetgeen onverenigbaar is met de doelstellingen ervan.

45

Bijgevolg is het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat niet is toegelaten, of waarvan de toelating en, in voorkomend geval, de opgebruiktermijn zijn verstreken, een geval van niet-naleving van RBE 10, die deel uitmaakt van bijlage II bij verordening nr. 1306/2013 („In artikel 93 bedoelde voorschriften betreffende randvoorwaarden”), waarvoor overeenkomstig de artikelen 91 en 99 van verordening nr. 1306/2013 een administratieve sanctie wordt opgelegd.

46

Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat verwijzingen in andere regelgevingsteksten, zoals verordening nr. 1782/2003, naar artikel 3 van richtlijn 91/414 volgens artikel 83 van verordening nr. 1107/2009 gelden als verwijzingen naar artikel 55 van verordening nr. 1107/2009 en niet naar artikel 28 daarvan. Artikel 3, lid 1, van richtlijn 91/414 legt de lidstaten namelijk de verplichting op om voor te schrijven dat een gewasbestrijdingsmiddel alleen op hun grondgebied op de markt mag worden gebracht en worden gebruikt indien het is toegelaten. Deze bepaling komt overeen met artikel 28, lid 1, van verordening nr. 1107/2009. Artikel 3, lid 3, van richtlijn 91/414 heeft de lidstaten de verplichting opgelegd om te bepalen dat gewasbeschermingsmiddelen op juiste wijze worden gebruikt, en stemt overeen met artikel 55 van verordening nr. 1107/2009. Om de in de punten 39 en 40 van dit arrest uiteengezette redenen veronderstelt naleving van artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009 dat het gebruikte gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig de artikelen 28 en 32 van deze verordening is toegelaten. Bijgevolg hoefde in artikel 83 van deze verordening niet uitdrukkelijk naar artikel 28 van verordening nr. 1107/2009 te worden verwezen.

47

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat RBE 10, waarin wordt verwezen naar artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 1107/2009, aldus moet worden uitgelegd dat hij ook betrekking heeft op het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat in de betrokken lidstaat niet of niet langer is toegelaten, en waarvan, in dit laatste geval, de opgebruiktermijn is verstreken.

Kosten

48

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

 

Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis 10 – zoals vastgesteld in bijlage II van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad – waarin wordt verwezen naar artikel 55, eerste alinea, en tweede alinea, eerste zin, van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat die beheerseis ook betrekking heeft op het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat in de betrokken lidstaat niet of niet langer is toegelaten, en waarvan, in dit laatste geval, de opgebruiktermijn is verstreken.

 

Jarukaitis

Gratsias

Csehi

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 5 mei 2022.

De griffier

A. Calot Escobar

De president van de Tiende kamer

I. Jarukaitis


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top