EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62021CC0479

Conclusie van advocaat-generaal J. Kokott van 9 november 2021.
SN en SD.
Verzoek van de Supreme Court om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Artikel 50 VEU – Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie – Artikel 217 VWEU – Handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk – Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Voortbestaan krachtens het terugtrekkingsakkoord, als overgangsregeling, van het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk – Toepassing van het bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk ingestelde overleveringsmechanisme op een Europees aanhoudingsbevel – Bindende regelingen voor Ierland.
Zaak C-479/21 PPU.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:899

 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 9 november 2021 ( 1 )

Zaak C‑479/21 PPU

SN,

SD,

in tegenwoordigheid van:

Governor of Cloverhill Prison,

Ierland,

Attorney General,

Governor of Mountjoy prison

[verzoek van de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Protocol (nr. 21) bij het VEU – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel – Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie – Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds – Rechtsgrondslagen – Artikel 50 VUE – Artikel 217 VWEU”

I. Inleiding

1.

Het Hof wordt verzocht om vast te stellen of Ierland verplicht is om door het Verenigd Koninkrijk uitgevaardigde Europese aanhoudingsbevelen ten uitvoer te leggen, ook al heeft die staat zich uit de Europese Unie teruggetrokken.

2.

Op het eerste gezicht lijken de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord ( 2 ) van 2020 en de handels- en samenwerkingsovereenkomst ( 3 ) van 2021 tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk de tenuitvoerlegging van de betrokken aanhoudingsbevelen te omvatten.

3.

Protocol (nr. 21) bij het VEU en het VWEU ( 4 ), dat is vastgesteld in het kader van het Verdrag van Lissabon van 2007 en dat van kracht is sinds 1 december 2009, bepaalt echter dat Ierland niet gebonden is door de maatregelen van de Unie op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, tenzij die lidstaat daartoe uitdrukkelijk opteert. Ierland heeft niet verklaard te willen deelnemen aan de desbetreffende bepalingen van het akkoord en de overeenkomst. Bijgevolg moet worden onderzocht of Ierland, als gevolg van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, had moeten verklaren te willen deelnemen aan de bepalingen inzake het Europees aanhoudingsbevel om die van toepassing te laten zijn. Dat hangt er dan weer van af of protocol nr. 21 op die bepalingen van toepassing is.

4.

Protocol nr. 21 is echter niet van toepassing indien de Europese Unie dat akkoord en die overeenkomst terecht heeft gebaseerd op haar externe bevoegdheden tot het sluiten van een terugtrekkingsakkoord (artikel 50, lid 2, VEU) en een associatieovereenkomst (artikel 217 VWEU), in plaats van op een bevoegdheid die verband houdt met de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. In dit verband is het van cruciaal belang dat die twee overleveringsregelingen, met name voor Ierland, geen nieuwe verplichtingen in het leven roepen, maar slechts bestaande verplichtingen verlengen.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   VEU

5.

Artikel 50 VEU bevat de regels voor de terugtrekking uit de Europese Unie:

„1.   Een lidstaat kan overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen besluiten zich uit de Unie terug te trekken.

2.   De lidstaat die besluit zich terug te trekken, geeft kennis van zijn voornemen aan de Europese Raad. In het licht van de richtsnoeren van de Europese Raad sluit de Unie na onderhandelingen met deze staat een akkoord over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie. Over dat akkoord wordt onderhandeld overeenkomstig artikel 218, lid 3, [VWEU]. Het akkoord wordt namens de Unie gesloten door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, na goedkeuring door het Europees Parlement.

3.   De Verdragen zijn niet meer van toepassing op de betrokken staat met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de in lid 2 bedoelde kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken lidstaat met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

4.   Voor de toepassing van de leden 2 en 3 nemen het lid van de Europese Raad en het lid van de Raad die de zich terugtrekkende lidstaat vertegenwoordigen, niet deel aan de beraadslagingen of aan de besluiten van de Europese Raad en van de Raad die hem betreffen.

De gekwalificeerde meerderheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 238, lid 3, onder b), [VWEU].

[...]”

B.   VWEU

6.

Artikel 217 VWEU is de rechtsgrondslag voor het sluiten van associatieovereenkomsten:

„De Unie kan met een of meer derde landen of internationale organisaties akkoorden sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.”

7.

Artikel 218, leden 6 en 8, VWEU noemt de vormvoorschriften voor het sluiten van internationale overeenkomsten, met name associatieovereenkomsten:

„6.   De Raad stelt op voorstel van de onderhandelaar een besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast.

Tenzij de overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, stelt de Raad het besluit houdende sluiting van de overeenkomst vast:

a)

na goedkeuring door het Europees Parlement, in de volgende gevallen:

i)

associatieovereenkomsten;

[...]

[...]

8.   Tijdens de gehele procedure besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

De Raad besluit evenwel met eenparigheid van stemmen wanneer de overeenkomst een gebied betreft waarop handelingen van de Unie met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld, alsmede ten aanzien van de associatieovereenkomsten [...].”

C.   Protocol nr. 21

8.

Volgens artikel 1 van protocol nr. 21 neemt Ierland niet deel aan de maatregelen die met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zijn aangenomen:

„Onder voorbehoud van artikel 3 nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de aanneming door de Raad van overeenkomstig deel III, titel V, [VWEU] voorgestelde maatregelen. [...]”

9.

Artikel 2 van protocol nr. 21 is gewijd aan de werking van artikel 1:

„Ingevolge artikel 1 en onder voorbehoud van de artikelen 3, 4 en 6 zijn de bepalingen van deel III, titel V, [VWEU], de overeenkomstig die titel aangenomen maatregelen, de bepalingen in door de Unie overeenkomstig die titel gesloten internationale overeenkomsten en de beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie ter uitlegging van die bepalingen of maatregelen niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk en Ierland; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van deze staten onverlet; bedoelde bepalingen, maatregelen en beslissingen laten zowel het op het Verenigd Koninkrijk en Ierland van toepassing zijnde communautair acquis als het acquis van de Unie onverlet en maken geen deel uit van het op die staten van toepassing zijnde recht van de Unie.”

10.

Krachtens artikel 3 van protocol nr. 21 kan Ierland de Raad evenwel ervan in kennis stellen dat het wenst deel te nemen aan de aanneming en toepassing van dergelijke maatregelen, en overeenkomstig artikel 4 kan deze lidstaat die maatregelen na de aanneming ervan aanvaarden.

D.   Kaderbesluit 2002/584

11.

De Raad heeft kaderbesluit 2002/584/JBZ ( 5 ) en kaderbesluit 2009/299/JBZ ( 6 ) tot wijziging daarvan met eenparigheid van stemmen in het kader van het VEU, en met name onder verwijzing naar de artikelen 31, lid 1, onder a), en 34, lid 2, onder b), vastgesteld vóór de inwerkingtreding op 1 december 2009 van de wijzigingen van het Verdrag van Lissabon en van protocol nr. 21. Bijgevolg zijn de twee kaderbesluiten bindend voor Ierland, ofschoon Ierland de Raad er niet uitdrukkelijk van in kennis had gesteld dat het wenste deel te nemen aan de aanneming en toepassing ervan of dat het deze aanvaardde.

12.

Artikel 1, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2002/584 legt de fundamentele verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot het Europees aanhoudingsbevel vast:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.”

13.

Aangezien het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat meer was op het moment dat zijn autoriteiten de betrokken aanhoudingsbevelen hadden uitgevaardigd, kan kaderbesluit 2002/584 niet rechtstreeks als grondslag voor de tenuitvoerlegging ervan dienen.

E.   Terugtrekkingsakkoord

14.

Het terugtrekkingsakkoord is gebaseerd op artikel 50, lid 2, VEU. ( 7 ) Het is op 1 februari 2020 in werking getreden. ( 8 )

15.

Volgens artikel 126 van het terugtrekkingsakkoord bestond er een overgangsperiode, die begon op de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord en eindigde op 31 december 2020. Artikel 127 bepaalt dat tijdens de overgangsperiode het recht van de Unie van toepassing was op en in het Verenigd Koninkrijk, tenzij in het terugtrekkingsakkoord anders is bepaald. Aangezien het terugtrekkingsakkoord niet voorzag in een afwijking van artikel 127 voor wat de bepalingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel betreft, bleven deze bepalingen gedurende de overgangsperiode van toepassing.

16.

Artikel 185 van het terugtrekkingsakkoord bepaalt onder meer dat „delen twee en drie, met uitzondering van artikel 19, artikel 34, lid 1, artikel 44 en artikel 96, lid 1, alsook titel I van deel zes en de artikelen 169 tot en met 181 [...] van toepassing [zijn] vanaf het eind van de overgangsperiode”.

17.

Deel drie van het terugtrekkingsakkoord bevat artikel 62, lid 1, betreffende lopende justitiële samenwerking in strafzaken, dat bepaalt:

„In het Verenigd Koninkrijk, alsook in de lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, zijn de volgende handelingen als volgt van toepassing:

[...]

b)

kaderbesluit [2002/584] van de Raad is van toepassing op Europese aanhoudingsbevelen wanneer de gezochte persoon voor het eind van de overgangsperiode is aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, [...].

[...]”

18.

Artikel 185 van het terugtrekkingsakkoord bepaalt eveneens dat de lidstaten kunnen besluiten hun onderdanen niet aan het Verenigd Koninkrijk over te leveren. De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk en de Republiek Slovenië hebben van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. ( 9 )

F.   Handels- en samenwerkingsovereenkomst

19.

De handels- en samenwerkingsovereenkomst is een op artikel 217 VWEU gebaseerde associatieovereenkomst. ( 10 ) Ze is op 1 mei 2021, na ratificatie door de Unie en het Verenigd Koninkrijk, in werking getreden. ( 11 )

20.

Deel drie, titel VII, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst (artikelen 596‑632) voorziet in een uitleveringsregeling tussen de lidstaten en het Verenigd Koninkrijk.

21.

Artikel 632 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat titel VII „van toepassing [is] op Europese aanhoudingsbevelen die overeenkomstig kaderbesluit [2002/584] van de Raad vóór het eind van de overgangsperiode door een staat zijn uitgevaardigd, indien de gezochte persoon niet voor het eind van de overgangsperiode met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is aangehouden”.

III. Feiten en het verzoek om een prejudiciële beslissing

22.

Jegens SD is op 20 maart 2020 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit van het Verenigd Koninkrijk, die verzoekt om zijn overlevering aan het Verenigd Koninkrijk voor de voltrekking van een gevangenisstraf van acht jaar. SD is op 9 september 2020 in Ierland aangehouden. Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) gelast dat SD aan het Verenigd Koninkrijk moest worden overgeleverd en bij daaropvolgende beschikking zijn gevangenhouding gelast in afwachting van zijn overlevering.

23.

Jegens SN is op 5 oktober 2020 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd, eveneens door een rechterlijke autoriteit in het Verenigd Koninkrijk, die verzoekt om zijn overlevering met het oog op de vervolging van 14 strafbare feiten. SN is op 25 februari 2021 in Ierland aangehouden en in voorlopige hechtenis geplaatst in afwachting van de behandeling van het verzoek om zijn overlevering.

24.

Op 16 februari 2021 is namens SD een verzoek ingediend bij de High Court, waarbij werd gevraagd om een onderzoek op grond van artikel 40.4.2 van de Ierse grondwet naar de rechtmatigheid van de detentie van SD. SD zou onterecht vastzitten, omdat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk niet meer van toepassing zou zijn. Op 5 maart 2021 is namens SN een soortgelijk verzoek ingediend.

25.

De High Court heeft geoordeeld dat zowel SD als SN rechtmatig in hechtenis zat en heeft bijgevolg geweigerd hun vrijlating te gelasten. Beiden hebben toestemming gekregen om rechtstreeks beroep in te stellen bij de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland), maar moesten in afwachting van de uitkomst van hun respectieve beroepen bij de Supreme Court in hechtenis blijven.

26.

De Supreme Court acht het mogelijk dat de afspraken in het terugtrekkingsakkoord en in de handels- en samenwerkingsovereenkomst, voor zover zij de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel betreffen, Ierland niet binden. Indien dat het geval zou zijn, zouden de nationale maatregelen die Ierland heeft vastgesteld met het oog op de voortzetting van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk, ongeldig zijn en zou bijgevolg ook de voortgezette detentie van verzoekers onrechtmatig zijn.

27.

In dat kader heeft de Supreme Court het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„Gelet op het feit dat Ierland zijn soevereiniteit in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht heeft behouden onder voorbehoud van zijn recht om deel te nemen aan maatregelen die de Unie op dat gebied overeenkomstig titel V van het derde deel van het VWEU aanneemt;

Gelet op het feit dat artikel 50 VEU de uitdrukkelijke materiële rechtsgrondslag is voor het terugtrekkingsakkoord (en van het besluit betreffende de sluiting daarvan);

Gelet op het feit dat artikel 217 VWEU de uitdrukkelijke materiële rechtsgrondslag is voor de handels- en samenwerkingsovereenkomst (en van het besluit betreffende de sluiting daarvan), en

Gelet op het feit dat daaruit volgt dat een opt-in van Ierland niet vereist of geoorloofd werd geacht, zodat geen dergelijke opt-in heeft plaatsgevonden:

a)

Kunnen de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord op grond waarvan de regeling van het Europees aanhoudingsbevel tijdens de in dat akkoord vastgestelde overgangsperiode wordt voortgezet ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk, bindend worden geacht voor Ierland, gelet op de grote mate waarin de inhoud van dat akkoord betrekking heeft op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en

b)

Kunnen de bepalingen van de handels- en samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan de regeling van het Europees aanhoudingsbevel na de betrokken overgangsperiode wordt voortgezet ten aanzien van het Verenigd Koninkrijk, bindend worden geacht voor Ierland, gelet op de grote mate waarin de inhoud van dat akkoord betrekking heeft op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht?”

28.

De verwijzende rechter heeft verzocht om het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie. Op 18 augustus 2021 heeft de Eerste kamer van het Hof dit verzoek ingewilligd. Op 7 september 2021 heeft de algemene vergadering van het Hof de zaak naar de Grote kamer verwezen.

29.

Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door SD en SN, Ierland, de Europese Raad en de Europese Commissie. Deze partijen en het Koninkrijk Denemarken hebben eveneens deelgenomen aan de terechtzitting van 27 september 2021.

IV. Juridische beoordeling

30.

In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of de bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen die in het terugtrekkingsakkoord en in de handels- en samenwerkingsovereenkomst zijn opgenomen, bindend zijn voor Ierland.

31.

De Supreme Court zet uiteen dat, naar Iers recht, de tenuitvoerlegging van een door het Verenigd Koninkrijk uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel en de detentie van de gezochte persoon slechts toelaatbaar zijn indien het Unierecht een overeenkomstige verplichting bevat die bindend is voor Ierland.

32.

Voordat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie op 31 januari 2020 van kracht werd, vloeide deze verplichting rechtstreeks voort uit kaderbesluit 2002/584. Tijdens de daaropvolgende overgangsperiode, die op 31 december 2020 is geëindigd, is het kaderbesluit krachtens artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord van toepassing gebleven. De zaken van SD en SN vallen echter niet onder die regels, omdat zij niet vóór het einde van de overgangsperiode aan het Verenigd Koninkrijk zijn overgeleverd.

33.

Aangezien SD vóór het einde van de overgangsperiode is aangehouden, valt zijn situatie onder artikel 62, lid 1, onder b), en artikel 185 van het terugtrekkingsakkoord. Volgens die bepalingen blijft kaderbesluit 2002/584 op zijn Europees aanhoudingsbevel van toepassing.

34.

SN is daarentegen na het einde van de overgangsperiode door de Ierse autoriteiten aangehouden, ofschoon de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk het Europees aanhoudingsbevel tijdens de overgangsperiode overeenkomstig kaderbesluit 2002/584 hadden uitgevaardigd. Wat die situatie betreft, bepaalt artikel 632 van de handels- en samenwerkingsovereenkomst dat de bij deel drie, titel VII, van deze overeenkomst ingevoerde nieuwe uitleveringsregeling van toepassing is.

35.

SD en SN verzetten zich tegen de toepassing van die bepalingen van het akkoord en de overeenkomst. Zij voeren aan dat deze bepalingen nieuwe verplichtingen scheppen met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Volgens protocol nr. 21 zouden dergelijke verplichtingen slechts bindend zijn voor Ierland indien die lidstaat er uitdrukkelijk mee had ingestemd daardoor te worden gebonden (dat wil zeggen zijn opt-in had uitgeoefend). Aangezien Ierland geen opt-in heeft uitgeoefend, betogen SD en SN dat de Europese Unie niet bevoegd is om de relevante bepalingen ten aanzien van Ierland vast te stellen, omdat die lidstaat die bevoegdheid niet aan de Unie heeft overgedragen.

36.

Ik zal dit standpunt in twee stappen onderzoeken. Eerst geef ik een uiteenzetting van de voorwaarden voor de toepassing van protocol nr. 21 volgens de rechtspraak van het Hof, namelijk dat de toepassing van dat protocol afhangt van de rechtsgrondslag van de betrokken handeling (A). Daarna buig ik mij over de vraag of de relevante bepalingen, namelijk artikel 62, lid 1, onder b), en artikel 185 van het terugtrekkingsakkoord en deel drie, titel VII, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, in het bijzonder artikel 632 ervan, hadden moeten worden gebaseerd op een bevoegdheid die verband houdt met de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (B.1 en B.2).

A.   Voorwaarden voor de toepassing van protocol nr. 21

37.

Volgens protocol nr. 21 neemt Ierland niet deel aan de maatregelen die zijn aangenomen overeenkomstig het derde deel, titel V, van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, tenzij het uitdrukkelijk voor dergelijke maatregelen kiest.

38.

Zoals ik reeds in twee eerdere conclusies heb uiteengezet, is de materiële werkingssfeer van protocol nr. 21 uitdrukkelijk beperkt tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Aangezien het om een uitzonderingsregeling gaat, dient dat protocol bovendien strikt te worden uitgelegd. Het strookt niet met de geest en het doel van dat protocol om Ierland op andere deelgebieden van het Unierecht naar eigen goeddunken te laten bepalen of het wil deelnemen aan maatregelen waartoe de instellingen van de Europese Unie hebben besloten, en of deze maatregelen voor hen bindende werking hebben. ( 12 )

39.

Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat de rechtsgrondslag van een maatregel bepaalt of het protocol van toepassing is, en niet omgekeerd. ( 13 ) Protocol nr. 21 is dus slechts van toepassing op maatregelen die zijn (of zouden moeten zijn) gebaseerd op een uit het derde deel, titel V, van het VWEU afgeleide bevoegdheid. Omgekeerd valt een maatregel die raakt aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht niet onder het protocol indien deze niet op een dergelijke bevoegdheid behoeft te worden gebaseerd.

B.   Rechtsgrondslagen van het akkoord en de overeenkomst

40.

Het akkoord en de overeenkomst zijn niet gebaseerd op bevoegdheden inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, maar op respectievelijk de bevoegdheid inzake de afspraken voor terugtrekking (artikel 50, lid 2, VEU), en de bevoegdheid om een associatieovereenkomst te sluiten (artikel 217 VWEU).

41.

Derhalve moet worden bepaald of artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord, dan wel deel drie, titel VII, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, en in het bijzonder artikel 632 ervan, in plaats van of daarnaast had moeten worden gebaseerd op een bevoegdheid die verband houdt met de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, te weten artikel 82, lid 1, onder d), VWEU.

42.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de keuze van de rechtsgrondslag van een Uniehandeling, daaronder begrepen die welke is vastgesteld om een internationale overeenkomst te sluiten, berusten op objectieve gegevens die de rechter kan toetsen, waaronder het doel en de inhoud van die handeling. Indien uit het onderzoek van een handeling van de Unie blijkt dat deze twee doeleinden nastreeft of dat er sprake is van twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoel of overwegende component, terwijl het andere doel of de andere component slechts ondergeschikt is, moet de handeling op één rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke is vereist gelet op het hoofddoel of de overwegende component. Indien daarentegen vaststaat dat de handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, zodat verschillende bepalingen van de Verdragen van toepassing zijn, moet deze maatregel bij wijze van uitzondering op de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen worden gebaseerd Het gebruik van meerdere rechtsgrondslagen is echter uitgesloten wanneer de procedures die voor de twee rechtsgrondslagen zijn voorgeschreven, onverenigbaar zijn. ( 14 )

43.

Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat protocol nr. 21 niet van invloed kan zijn op de bepaling van de juiste rechtsgrondslag voor de vaststelling van internationale overeenkomsten. ( 15 ) Deze rechtspraak strookt met de in het vorige punt genoemde algemene beginselen, en op grond van het protocol zelf is geen enkele andere benadering mogelijk. Het argument van SD en SN, dat de toets voor de vaststelling van het hoofddoel niet kan worden toegepast wanneer de maatregelen raken aan protocol nr. 21, moet derhalve worden afgewezen.

44.

In het licht van deze overwegingen ga ik nu in op de rechtsgrondslagen van de regeling inzake aanhoudingsbevelen in het akkoord en in de overeenkomst.

1. Rechtsgrondslag van artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord

45.

Het terugtrekkingsakkoord, met inbegrip van artikel 62, lid 1, onder b), ervan, is gebaseerd op artikel 50, lid 2, VEU. Volgens artikel 50, lid 2, tweede volzin, VEU sluit de Unie na onderhandelingen met een staat die zich wil terugtrekken, een akkoord over de voorwaarden voor zijn terugtrekking, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van zijn toekomstige betrekkingen met de Unie. De vierde volzin ervan bepaalt dat het akkoord namens de Unie wordt gesloten door de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, na goedkeuring door het Europees Parlement.

46.

Zoals met name de Commissie uiteenzet, voorziet artikel 50, lid 2, VEU, daartoe in de bevoegdheid om één enkel algemeen akkoord te sluiten, gebaseerd op één enkele specifieke procedure, die alle onder de Verdragen vallende gebieden omvat die relevant zijn voor de terugtrekking. Een dergelijk akkoord heeft betrekking op het afronden van procedures die op grond van het Unierecht worden uitgevoerd en nog lopen op het tijdstip van de terugtrekking, wat de terugtrekkende staat betreft. Dat vereist nadere regels en modaliteiten voor een groot aantal verschillende gebieden die onder het acquis van de Unie vallen. Om de terugtrekking voor de Europese Unie, haar lidstaten en natuurlijk de terugtrekkende staat ordelijk te laten verlopen, kan in die regels en afspraken een overgangsperiode worden opgenomen waarin het Unierecht voor een bepaalde termijn na de inwerkingtreding van de terugtrekking op de terugtrekkende staat van toepassing blijft.

47.

Zo is volgens artikel 127 van het terugtrekkingsakkoord in de eerste fase van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, tussen de datum van de terugtrekking en het einde van de overgangsperiode, het grootste deel van het Unierecht op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing gebleven.

48.

In de tweede fase van de terugtrekking waren vervolgens overeenkomstig artikel 185, vierde tot en met zevende alinea, van het terugtrekkingsakkoord specifieke regels van het terugtrekkingsakkoord van toepassing, dat wil zeggen vanaf het einde van de overgangsperiode.

49.

Het is juist dat die specifieke regels voor de tweede fase, net als het grootste deel van het Unierecht dat tijdens de overgangsperiode van toepassing is gebleven, betrekking hebben op veel verschillende beleidsregels, waaronder met name de regeling van overlevering in strafzaken krachtens artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord. Bij de uitvoering van die beleidsregels handelt de Unie normaliter binnen het kader van de specifieke bevoegdheden en dient zij de grenzen van deze bevoegdheden, zoals protocol nr. 21, in acht te nemen.

50.

Gelet op het doel van het terugtrekkingsakkoord zijn al deze specifieke beleidsregels echter noodzakelijkerwijs ondergeschikt aan het belangrijkste doel om een algemeen stelsel te bieden voor de overgang van het lidmaatschap van de Unie naar de status van derde land. Dit is een uiterst ruim doel, in die zin dat de maatregelen waarmee het moet worden nagestreefd, verschillende specifieke onderwerpen moeten kunnen betreffen. ( 16 ) Het moet immers het gehele gamma van onderwerpen die onder het Unierecht vallen, kunnen behandelen.

51.

De procedures die zijn vastgesteld in de rechtsgrondslagen van het specifieke beleid dat onder het terugtrekkingsakkoord valt, bevestigen dat zij van ondergeschikte aard zijn in de context van de terugtrekking van een lidstaat.

52.

Dit geldt met name voor beleidsgebieden waarvoor normaliter eenparigheid van stemmen is vereist voordat de Europese Raad handelingen kan verrichten, zoals indirecte belastingen als bedoeld in de artikelen 51 tot en met 53 van het terugtrekkingsakkoord. Krachtens artikel 113 VWEU stelt de Raad met eenparigheid van stemmen bepalingen vast betreffende de harmonisatie van de indirecte belastingen, zonder dat eenparigheid van stemmen kan worden gecombineerd met de gekwalificeerde meerderheid ( 17 ) als bedoeld in artikel 50, lid 2, VEU. Bovendien is de Raad krachtens artikel 113 VWEU enkel gehouden het Europees Parlement te raadplegen, terwijl krachtens artikel 50, lid 2, VEU de goedkeuring van het Parlement vereist is.

53.

Deze onverenigbaarheid van de wetgevingsprocedures kan niet worden opgelost door onderwerpen waarvoor onverenigbare procedures nodig zijn, van het terugtrekkingsakkoord uit te sluiten, aangezien artikel 50, lid 2, VEU niet voorziet in enige uitzondering op de voorwaarden voor terugtrekking.

54.

De alomvattende benadering van artikel 50, lid 2, VEU en van de vastgestelde wetgevingsprocedure is noodzakelijk wegens de uitzonderlijke situatie van de terugtrekking, zoals de Raad heeft benadrukt. Zoals de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk heeft laten zien, moeten dergelijke ruime afspraken onder grote politieke druk en in zeer korte tijd worden gemaakt. Het vereisen van eenparigheid van stemmen binnen de Raad of de uitsluiting van bepaalde onderwerpen van de algemene procedure zou dit proces ingewikkeld maken en het risico verhogen dat er geen akkoord wordt bereikt.

55.

De eis dat een terugtrekkingsakkoord ook op andere bepalingen dan artikel 50, lid 2, VEU wordt gebaseerd zodra het van invloed is op een specifiek onderwerp, zou de in artikel 50, lid 2, vastgestelde bevoegdheid en procedure dus in feite tot een dode letter maken. ( 18 )

56.

Dus komen in een terugtrekkingsakkoord clausules voor betreffende verschillende specifieke gebieden, dan kan dat geen wijziging brengen in de kwalificatie van het akkoord, die dient te geschieden met inachtneming van het voornaamste onderwerp van het akkoord en niet op basis van bijzondere clausules. ( 19 )

57.

Het Hof heeft een soortgelijke benadering gevolgd met betrekking tot overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking, maar heeft een voorbehoud gemaakt, namelijk dat de verplichtingen op de specifieke gebieden in die clausules niet een zodanige omvang hebben dat het hierbij in werkelijkheid om andere doelstellingen gaat dan doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking. ( 20 )

58.

Los van de vraag of dit voorbehoud van toepassing is op terugtrekkingsakkoorden, schept de overleveringsregeling van artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord hoe dan ook geen uitgebreide verplichtingen die een ander doel vormen dan het doel om een ordelijk verloop van de terugtrekking te waarborgen. De bestaande verplichtingen met betrekking tot de terugtrekking voor een beperkte overgangsperiode, worden door die regeling slechts uitgebreid en gewijzigd.

59.

De toepassing van artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord is een perfect voorbeeld van een dergelijke uitbreiding, aangezien de daaruit voortvloeiende verplichting afhangt van het feit of Ierland deelneemt aan de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel en dus vóór het einde van de overgangsperiode dergelijke bevelen van het Verenigd Koninkrijk kan ontvangen. Ierland neemt daarentegen niet deel aan de regeling inzake het Europees beschermingsbevel ( 21 ) en kan dus geen bevelen ontvangen die resulteren in verplichtingen uit hoofde van artikel 62, lid 1, onder k).

60.

In het bijzonder kan niet op goede gronden worden betoogd dat artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord nieuwe verplichtingen voor Ierland in het leven roept, omdat die lidstaat vóór de inwerkingtreding van dat akkoord aan soortgelijke verplichtingen uit hoofde van kaderbesluit 2002/584 was onderworpen.

61.

Anders dan SD en SN betogen, is de redenering van advocaat-generaal Hogan ( 22 ) met betrekking tot het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) ( 23 ) in casu niet relevant. De Europese Unie is voornemens dit Verdrag te sluiten onder verwijzing naar de specifieke bevoegdheden met betrekking tot de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Advocaat-generaal Hogan deelt deze benadering. ( 24 ) Volgens die premisse valt het Verdrag van Istanbul wel degelijk binnen de werkingssfeer van protocol nr. 21.

62.

SD en SN betogen dat dit betekent dat het terugtrekkingsakkoord ook in het kader van dergelijke bevoegdheden had moeten worden gesloten en aan het protocol had moeten worden onderworpen. Het Verdrag van Istanbul is echter een geheel andere overeenkomst en de betrokken rechtsgrondslagen weerspiegelen dit. Advocaat-generaal Hogan gaat in het bijzonder niet in op de uitlegging van artikel 50, lid 2, VEU en evenmin op de juiste rechtsgrondslag van het terugtrekkingsakkoord.

63.

Bijgevolg is artikel 62, lid 1, onder b), van het terugtrekkingsakkoord terecht uitsluitend gebaseerd op artikel 50, lid 2, VEU. Deze bevoegdheid hoeft niet te worden gecombineerd met een bevoegdheid inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

2. Rechtsgrondslag van deel drie, titel VII, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, en met name van artikel 632 ervan

64.

De Europese Unie heeft de handels- en samenwerkingsovereenkomst gesloten op basis van artikel 217 VWEU. Op grond van deze bepaling kunnen akkoorden worden gesloten met derde landen waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

65.

Daarmee heeft de Europese Unie de bevoegdheid gekregen om nakoming van de jegens derde landen aangegane verplichtingen op alle onder de Verdragen vallende gebieden te verzekeren. ( 25 ) De ruime werkingssfeer ervan wordt gerechtvaardigd door het doel om bijzondere en geprivilegieerde banden te scheppen met derde landen, die althans gedeeltelijk aan het regime van de Unie moeten deelnemen. ( 26 ) Deze brede en horizontale doelstelling onderscheidt zich van de doelstellingen van specifieke overeenkomsten die regels bevatten over duidelijk omschreven zaken. Niettemin heeft het Hof geoordeeld dat deze algemene bevoegdheid op grond van artikel 217 VWEU de Unie, gelet op het beginsel van bevoegdheidstoedeling zoals neergelegd in artikel 5, lid 2, VEU, niet het recht geeft in het kader van een associatieovereenkomst handelingen vast te stellen die de grenzen overschrijden van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegekend om de daarin vastgestelde doelen te bereiken. ( 27 )

66.

In casu houdt deelneming aan het regime van de Europese Unie in dat wordt deelgenomen aan de bij kaderbesluit 2002/584 ingestelde overleveringsregeling voor het Europees aanhoudingsbevel. Deze regeling is op Ierland van toepassing.

67.

Om de gerechtvaardigde belangen van de lidstaten te beschermen en om voor dergelijke mogelijk uitgebreide verbintenissen een hoog niveau van democratische legitimiteit te waarborgen, vereist artikel 218, leden 6 en 8, VWEU voor het sluiten van associatieovereenkomsten eenparigheid van stemmen binnen de Raad en de goedkeuring van het Europees Parlement.

68.

Het vereiste van eenparigheid van stemmen impliceert overigens dat Ierland heeft aanvaard gebonden te zijn aan de overleveringsregeling van de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Gelet op het ontbreken van een uitzondering voor Ierland, moet de bindende werking voor deze lidstaat duidelijk zijn geweest.

69.

Het klopt dat het Hof tevens heeft vastgesteld dat de Raad in het kader van een associatieovereenkomst een handeling kan vaststellen op de grondslag van artikel 217 VWEU, mits die handeling betrekking heeft op een specifiek bevoegdheidsgebied van de Unie en ook gebaseerd is op de rechtsgrondslag die, met name gelet op het doel en de inhoud ervan, geschikt is voor dat gebied. ( 28 ) Bijgevolg betogen SD en SN dat de handels- en samenwerkingsovereenkomst als aanvullende rechtsgrondslag op artikel 82, lid 1, onder d), VWEU had moeten worden gebaseerd en dat protocol nr. 21 bijgevolg van toepassing is. Daarom zou de overleveringsregeling van de overeenkomst Ierland volgens hen slechts binden indien deze lidstaat voor deze regeling had gekozen.

70.

De conclusie van het Hof met betrekking tot de noodzaak van een aanvullende specifieke rechtsgrondslag betreft echter enkel het besluit betreffende het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen in de bij een associatieovereenkomst ingestelde organen. In die zaak was dat het standpunt over de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in de bij de overeenkomst EEG-Turkije ingestelde Associatieraad. ( 29 ) Krachtens artikel 218, leden 8 en 9, VWEU besluit de Raad daarover met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen zonder medewerking van het Europees Parlement. De toevoeging van een specifieke interne rechtsgrondslag waarborgt dat strengere vormvoorschriften voor het optreden van de Unie op het betrokken gebied niet worden omzeild.

71.

Anders dan de standpunten over specifieke vraagstukken in het kader van een associatieovereenkomst, had de sluiting van de handels- en samenwerkingsovereenkomst geen betrekking op een specifiek beleidsterrein waarvoor een cumulatie van een specifieke bevoegdheid met artikel 217 VWEU was vereist. Net als het terugtrekkingsakkoord behandelt de handels- en samenwerkingsovereenkomst een groot aantal onder de Verdragen vallende gebieden. De overleveringsregeling van deel drie, titel VII, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst is slechts een van die gebieden.

72.

In dit verband is de bevoegdheid om uit hoofde van artikel 217 VWEU associatieovereenkomsten te sluiten, althans in zekere mate, vergelijkbaar met de bevoegdheden om uit hoofde van artikel 50, lid 2, VEU terugtrekkingsakkoorden of uit hoofde van artikel 209, lid 2, VWEU overeenkomsten inzake ontwikkelingssamenwerking te sluiten. Ze worden allemaal gekenmerkt door een overkoepelend doel, dat wordt gediend door specifieke maatregelen die op basis van specifieke bevoegdheden kunnen worden vastgesteld.

73.

Indien alle relevante bevoegdheden als rechtsgrondslagen zouden moeten worden toegevoegd, zou dit de respectieve algemene bevoegdheid en procedure tot sluiting van de internationale overeenkomst volledig kunnen uithollen. ( 30 ) Bovendien zou de eis dat alle relevante bevoegdheden als rechtsgrondslag van de handels- en samenwerkingsovereenkomst worden toegevoegd, ook onwerkbaar zijn wegens de verschillende en vaak onverenigbare ( 31 ) vormvoorschriften. ( 32 )

74.

Tevens moet worden opgemerkt dat, althans in het kader van de betrekkingen tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk, de bij de handels- en samenwerkingsovereenkomst ingevoerde overleveringsregeling geen inhoudelijk nieuwe verplichtingen in het leven roept, maar zich ertoe beperkt de kern van de verplichtingen die onder de vroegere regeling van kaderbesluit 2002/584 en het terugtrekkingsakkoord bestonden, te handhaven. Indien het bovengenoemde voorbehoud op de bevoegdheid inzake ontwikkelingssamenwerking ( 33 ) dus ook van toepassing zou zijn op de bevoegdheid inzake associatieovereenkomsten, zou het in dit specifieke geval niet van toepassing zijn.

75.

Deel drie, titel VII, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst, en meer bepaald artikel 632 ervan, is dus terecht uitsluitend op artikel 217 VWEU gebaseerd. Deze bevoegdheid hoeft niet te worden gecombineerd met een bevoegdheid inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

V. Conclusie

76.

Uit het voorgaande volgt dat protocol nr. 21 niet van toepassing is op de overleveringsregelingen van het akkoord en de overeenkomst en dat deze regelingen dus bindend zijn voor Ierland, zonder dat daartoe een specifieke „opt-in” vereist is.

77.

Ik geef het Hof derhalve in overweging als volgt te beslissen:

„Artikel 62, lid 1, onder b), en artikel 185 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en deel drie, titel VII, van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, en meer bepaald artikel 632 ervan, die voorzien in de voortzetting van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel voor het Verenigd Koninkrijk, zijn bindend voor Ierland.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( 2 ) Artikel 62, lid 1, onder b), van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: „terugtrekkingsakkoord”).

( 3 ) Artikel 596‑632 van de Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB 2021, L 149, blz. 10; hierna: „handels- en samenwerkingsovereenkomst”).

( 4 ) Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (hierna: „protocol nr. 21”).

( 5 ) Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1).

( 6 ) Kaderbesluit van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van kaderbesluit 2002/584/JBZ, kaderbesluit 2005/214/JBZ, kaderbesluit 2006/783/JBZ, kaderbesluit 2008/909/JBZ en kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PB 2009, L 81, blz. 24).

( 7 ) Besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 betreffende de sluiting van het terugtrekkingsakkoord (PB 2020, L 29, blz. 1).

( 8 ) Kennisgeving van de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord (PB 2020, L 29, blz. 189).

( 9 ) Verklaring van de Europese Unie overeenkomstig artikel 185, derde alinea, van het terugtrekkingsakkoord (PB 2020, L 29, blz. 188).

( 10 ) Besluit (EU) 2021/689 van de Raad van 29 april 2021 betreffende de sluiting, namens de Unie, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens (PB 2021, L 149, blz. 2).

Wat Euratom betreft, heeft de Raad deze goedgekeurd bij besluit (Euratom) 2020/2253 van 29 december 2020 tot goedkeuring van de sluiting, door de Europese Commissie, van de Overeenkomst tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor samenwerking op het gebied van het veilige en vreedzame gebruik van kernenergie, en tot goedkeuring van de sluiting, door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst (PB 2020, L 444, blz. 11) op grond van artikel 101 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

( 11 ) Kennisgeving betreffende de inwerkingtreding van de handels- en samenwerkingsovereenkomst en van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde gegevens (PB 2021, L 149, blz. 2560).

( 12 ) Mijn conclusies in de zaken Verenigd Koninkrijk/Raad (EER) (C‑431/11, EU:C:2013:187, punten 73 en 74), en Commissie/Raad (Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang) (C‑137/12, EU:C:2013:441, punt 84).

( 13 ) Arrest van 22 oktober 2013, Commissie/Raad (Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang (C‑137/12, EU:C:2013:675, punt 74). Zie tevens advies 2/15 (Vrijhandelsovereenkomst EU-Singapore) van 16 mei 2017 (EU:C:2017:376, punt 218), en conclusie van advocaat-generaal Sharpston in deze zaak [2/15 (Vrijhandelsovereenkomst EU-Singapore), EU:C:2016:992, punt 203].

( 14 ) Advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017 (EU:C:2017:592, punten 7678), en arrest van 2 september 2021, Commissie/Raad (Overeenkomst met Armenië) (C‑180/20, EU:C:2021:658, punten 32 en 34).

( 15 ) Arresten van 27 februari 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (Zwitserland) (C‑656/11, EU:C:2014:97, punt 49); 22 oktober 2013, Commissie/Raad (Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang) (C‑137/12, EU:C:2013:675, punt 73); 18 december 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (Turkije) (C‑81/13, EU:C:2014:2449, punt 37), en advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017 (EU:C:2017:592, punt 108).

( 16 ) Zie in dat verband arresten van 3 december 1996, Portugal/Raad (India) (C‑268/94, EU:C:1996:461, punt 37); 11 juni 2014, Commissie/Raad (Filipijnen) (C‑377/12, EU:C:2014:1903, punt 38), en 2 september 2021, Commissie/Raad (Overeenkomst met Armenië) (C‑180/20, EU:C:2021:658, punt 50).

( 17 ) Arrest van 29 april 2004, Commissie/Raad (Invordering van schuldvorderingen) (C‑338/01, EU:C:2004:253, punt 58).

( 18 ) Zie in dat verband arresten van 3 december 1996, Portugal/Raad (India) (C‑268/94, EU:C:1996:461, punt 38); 11 juni 2014, Commissie/Raad (Filipijnen) (C‑377/12, EU:C:2014:1903, punt 38), en 2 september 2021, Commissie/Raad (Overeenkomst met Armenië) (C‑180/20, EU:C:2021:658, punt 51).

( 19 ) Zie in dat verband arresten van 3 december 1996, Portugal/Raad (India) (C‑268/94, EU:C:1996:461, punt 39), en 11 juni 2014, Commissie/Raad (Filippijnen) (C‑377/12, EU:C:2014:1903, punt 39).

( 20 ) Zie in dat verband arresten van 3 december 1996, Portugal/Raad (India) (C‑268/94, EU:C:1996:461, punt 39), en 11 juni 2014, Commissie/Raad (Filippijnen) (C‑377/12, EU:C:2014:1903, punt 39).

( 21 ) Overweging 41 van richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PB 2011, L 338, blz. 2).

( 22 ) Conclusie van advocaat-generaal Hogan in zaak 1/19 (Verdrag van Istanbul) (EU:C:2021:198, punt 181 e.v.).

( 23 ) Council of Europe Treaty Series – No 210.

( 24 ) Conclusie van advocaat-generaal Hogan in zaak 1/19 (Verdrag van Istanbul) (EU:C:2021:198, punt 166).

( 25 ) Arresten van 30 september 1987, Demirel (12/86, EU:C:1987:400, punt 9), en 18 december 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (Turkije) (C‑81/13, EU:C:2014:2449, punt 61).

( 26 ) Arresten van 30 september 1987, Demirel (12/86, EU:C:1987:400, punt 9). Zie tevens arrest van 26 september 2013, Verenigd Koninkrijk/Raad (EER) (C‑431/11, EU:C:2013:589, punt 49).

( 27 ) Arrest van 18 december 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (Turkije) (C‑81/13, EU:C:2014:2449, punt 61).

( 28 ) Arrest van 18 december 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (Turkije) (C‑81/13, EU:C:2014:2449, punt 62).

( 29 ) Arrest van 18 december 2014, Verenigd Koninkrijk/Raad (Turkije) (C‑81/13, EU:C:2014:2449, punt 12).

( 30 ) Zie punten 57 en 58 hierboven.

( 31 ) Zie naast de verwijzingen in voetnoot 14, arresten van 11 juni 1991, Commissie/Raad (Titaniumdioxide) (C‑300/89, EU:C:1991:244, punten 1821), en 10 januari 2006, Commissie/Parlement en Raad (In- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen) (C‑178/03, EU:C:2006:4, punt 57).

( 32 ) Zie punten 51‑53 hierboven.

( 33 ) Zie punt 55 hierboven.

Top