EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020TJ0275

Arrest van het Gerecht (Zevende kamer – uitgebreid) van 23 november 2022.
Westfälische Drahtindustrie GmbH e.a. tegen Europese Commissie.
Beroep tot nietigverklaring en schadevergoeding – Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt van spanstaal – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen – Spreiding van voorlopige betalingen – Arrest waarbij het besluit gedeeltelijk nietig wordt verklaard en een geldboete wordt vastgesteld voor hetzelfde bedrag als de oorspronkelijk opgelegde boete – Verrekening van voorlopige betalingen – Vertragingsrente – Artikel 266, eerste alinea, VWEU – Ongerechtvaardigde verrijking – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde – Geen rechtsgrondslag – Onrechtmatigheid.
Zaak T-275/20.

Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2022:723

  The document is unavailable in your User interface language.

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)

23 november 2022 (*)

„Beroep tot nietigverklaring en schadevergoeding – Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt van spanstaal – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen – Spreiding van voorlopige betalingen – Arrest waarbij het besluit gedeeltelijk nietig wordt verklaard en een geldboete wordt vastgesteld voor hetzelfde bedrag als de oorspronkelijk opgelegde boete – Verrekening van voorlopige betalingen – Vertragingsrente – Artikel 266, eerste alinea, VWEU – Ongerechtvaardigde verrijking – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die particulieren rechten toekent – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde – Geen rechtsgrondslag – Onrechtmatigheid”

In zaak T‑275/20,

Westfälische Drahtindustrie GmbH, gevestigd te Hamm (Duitsland),

Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft mbH & Co. KG, gevestigd te Hamm,

Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co. KG, gevestigd te Iserlohn (Duitsland),

vertegenwoordigd door O. Duys en N. Tkatchenko, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en L. Mantl als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, V. Valančius, I. Reine, L. Truchot en M. Sampol Pucurull (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien de stukken, met name:

–        het op 11 mei 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

–        de exceptie van niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid die de Commissie op grond van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft opgeworpen bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 augustus 2020,

–        de beschikking van 1 februari 2021 tot voeging van de exceptie met de zaak ten gronde,

gelet op het feit dat de partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

1        Met hun beroep vorderen verzoeksters, Westfälische Drahtindustrie GmbH (hierna: „WDI”), Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft mbH & Co. KG (hierna: „WDV”) en Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co. KG (hierna: „Pampus”), primair, ten eerste, nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU van de brief van de Europese Commissie van 2 maart 2020 waarbij zij hen heeft aangemaand tot betaling van een bedrag van 12 236 931,69 EUR, dat volgens de Commissie overeenkomt met het resterende saldo van de hun op 30 september 2010 opgelegde geldboete; ten tweede, vaststelling dat de geldboete op 17 oktober 2019 volledig was betaald met de overdracht van 18 149 636,24 EUR, en, ten derde, veroordeling van de Commissie tot betaling aan WDI van een bedrag van 1 633 085,17 EUR, vermeerderd met rente vanaf laatstgenoemde datum, wegens ongerechtvaardigde verrijking van die instelling. Verzoeksters vorderen subsidiair, op grond van artikel 268 VWEU, veroordeling van de Commissie tot betaling aan hen van het bedrag van 12 236 931,69 EUR dat de Commissie bij WDI heeft ingevorderd, alsmede van het bedrag van 1 633 085,17 EUR dat deze instelling te veel heeft ontvangen, vermeerderd met rente vanaf 17 oktober 2019 tot de volledige terugbetaling van het verschuldigde bedrag.

I.      Voorgeschiedenis van het geding

2        Verzoeksters zijn leveranciers van spanstaal.

3        Bij besluit C(2010) 4387 definitief van 30 juni 2010 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/38344 – Spanstaal) (hierna: „spanstaalbesluit”) heeft de Commissie verschillende ondernemingen, waaronder verzoeksters, bestraft voor hun deelname aan een mededingingsregeling op de spanstaalmarkt. De Commissie heeft WDI een geldboete van 56 050 000 EUR opgelegd. WDV en Pampus zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor respectievelijk 45 600 000 EUR en 15 485 000 EUR.

4        Deze sanctie is opgelegd bij artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het spanstaalbesluit.

5        Verzoeksters hebben in de administratieve procedure verzocht om verlaging van de boete wegens onvermogen om te betalen, op basis van punt 35 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”). Dit punt luidt als volgt:

„In uitzonderlijke omstandigheden kan de Commissie op verzoek, in een bijzondere sociale en economische context, rekening houden met het onvermogen van een onderneming om te betalen. Een verlaging van de boete in dit verband zal echter nooit uitsluitend op basis van een ongunstige of deficitaire financiële positie worden toegekend. Een verlaging kan slechts worden toegekend indien wordt aangetoond aan de hand van objectief bewijs dat het opleggen van een boete onder de in de onderhavige richtsnoeren vastgestelde voorwaarden, de levensvatbaarheid van de betrokken onderneming onherroepelijk in gevaar zou brengen en haar activa volledig van hun waarde zou beroven.”

6        De Commissie heeft in het spanstaalbesluit het verzoek van verzoeksters om een uitzonderlijke verlaging van de geldboete wegens onvermogen om te betalen, niet ingewilligd.

7        Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 14 september 2010, hebben verzoeksters beroep tot nietigverklaring en herziening van het spanstaalbesluit ingesteld. De zaak werd ingeschreven onder zaaknummer T‑393/10.

8        Bij besluit C(2010) 6676 definitief van 30 september 2010 (hierna: „besluit van 30 september 2010”) heeft de Commissie het spanstaalbesluit gewijzigd, met name artikel 2, eerste alinea, punt 8, ervan, om het bedrag van de aan bepaalde ondernemingen opgelegde geldboeten te verlagen (hierna samen met het spanstaalbesluit: „litigieus besluit”). De aan WDI opgelegde geldboete is aldus vastgesteld op 46 550 000 EUR. WDV en Pampus zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor respectievelijk 38 855 000 EUR en 15 485 000 EUR.

9        In het besluit van 30 september 2010 is vastgesteld dat, in afwijking van artikel 2, tweede alinea, van het spanstaalbesluit, de in artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit opgelegde geldboeten moesten worden betaald binnen drie maanden vanaf de datum van kennisgeving van het besluit van 30 september 2010 en dat na het verstrijken van die termijn automatisch rente verschuldigd zou zijn tegen de rentevoet die op de eerste dag van de maand waarin het besluit van 30 september 2010 was gegeven, door de Europese Centrale Bank (ECB) op haar basisherfinancieringstransacties werd toegepast, verhoogd met 3,5 procentpunten. Ook werd bepaald dat, indien een bestrafte onderneming beroep zou instellen, zij de geldboete bij het verstrijken van die termijn kon dekken door een bankgarantie of door voorlopige betaling ervan overeenkomstig artikel 85 bis, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1).

10      Op 3 december 2010 hebben verzoeksters in het kader van zaak T‑393/10 een verzoek in kort geding neergelegd ter griffie van het Gerecht, dat in wezen strekte tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit tot de uitspraak van het arrest op het beroep in de hoofdzaak.

11      Bij brief van 14 februari 2011 heeft de directeur-generaal van het directoraat‑generaal Concurrentie van de Commissie een nieuw verzoek van verzoeksters tot verlaging van de geldboete wegens onvermogen om te betalen, afgewezen (hierna: „brief van 14 februari 2011”).

12      Bij beschikking van 13 april 2011, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (T‑393/10 R, hierna: „beschikking in kort geding”, EU:T:2011:178), heeft de president van het Gerecht het door verzoeksters in kort geding ingediende verzoek gedeeltelijk toegewezen, door de opschorting te gelasten van de hun opgelegde verplichting om ten gunste van de Commissie een bankgarantie te stellen teneinde de onmiddellijke invordering van de geldboeten te voorkomen, op voorwaarde dat zij vóór 30 juni 2011 aan deze instelling het bedrag van 2 000 000 EUR zouden overmaken en vanaf 15 juli 2011 en tot nader order, doch uiterlijk tot de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak, op de 15e van elke maand een maandelijkse termijn van 300 000 EUR zouden betalen.

13      Bij arrest van 15 juli 2015, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (T‑393/10, EU:T:2015:515; hierna: „arrest van 15 juli 2015”), heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie geen fout had gemaakt toen zij in het litigieuze besluit vaststelde dat verzoeksters inbreuk hadden gemaakt op artikel 101 VWEU.

14      Het Gerecht heeft echter het litigieuze besluit, voor zover daarbij aan verzoeksters een geldboete is opgelegd, en de brief van 14 februari 2011, nietig verklaard op grond dat de Commissie fouten had gemaakt bij de beoordeling van hun draagkracht.

15      Het Gerecht heeft, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, verzoeksters veroordeeld tot betaling van een geldboete van hetzelfde bedrag als die welke hun bij het litigieuze besluit was opgelegd, zoals weergegeven in het dictum van het arrest van 15 juli 2015.

16      Dit dictum luidt als volgt:

„1)      Op het onderhavige beroep hoeft niet meer te worden beslist voor zover dit betrekking heeft op de verlaging van de geldboete die bij [het besluit van 30 september 2010] is toegekend aan [WDI] en aan [WDV].

2)      Artikel 2, [eerste alinea,] punt 8, van [het litigieuze besluit] wordt nietig verklaard.

3)      De brief [...] van 14 februari 2011 wordt nietig verklaard.

4)      [WDI], [WDV] en Pampus [...] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een geldboete van 15 485 000 EUR.

5)      [WDI] en [WDV] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een geldboete van 23 370 000 EUR.

6)      [WDI] wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van 7 695 000 EUR.

7)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

8)      [WDI], [WDV] en Pampus [...] zullen de helft van hun eigen kosten dragen, daaronder begrepen die van het kort geding. De Commissie zal haar eigen kosten en de helft van de kosten van [WDI], van [WDV] en van Pampus [...] dragen, daaronder begrepen die van het kort geding.”

17      Ter uitvoering van de beschikking in kort geding heeft WDI de Commissie tussen 29 juni 2011 en 16 juni 2015 voorlopig een totaalbedrag van 16 400 000 EUR betaald.

18      Na de uitspraak van het arrest van 15 juli 2015 hebben de raadslieden van verzoeksters contact opgenomen met het DG Begroting van de Commissie om in der minne overeenstemming te bereiken over een betalingsregeling voor de in de punten 4 tot en met 6 van het dictum van dat arrest vastgestelde geldboeten. Vervolgens ontstond er een meningsverschil over de datum vanaf welke de over die geldboeten verschuldigde rente begon te lopen. Verzoeksters waren namelijk van mening dat de rente moest beginnen te lopen vanaf de uitspraak van het arrest van 15 juli 2015, terwijl volgens het DG Begroting de rente verschuldigd was vanaf de datum die voortvloeit uit artikel 2, tweede en derde alinea, van het litigieuze besluit, te weten, wat verzoeksters betreft, binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van het besluit van 30 september 2010. Dit standpunt is geuit in een e-mail van het DG Begroting van 12 augustus 2015, in antwoord op een e-mail van de vertegenwoordiger van verzoeksters van 5 augustus 2015, en is herhaald tijdens een bijeenkomst op 4 september 2015 tussen de Commissie en WDI.

19      Op 17 november 2015 heeft WDI de Commissie een voorstel gestuurd voor een betalingsregeling voor gespreide betaling van de geldboete tot 15 december 2029, in maandelijkse termijnen van 300 000 EUR en op basis van vertragingsrente vanaf 15 januari 2011, berekend tegen een rentevoet van 4,5 %.

20      Op 27 november 2015 heeft de Commissie WDI een betalingsregeling gestuurd voor gespreide betaling van de geldboete tot 15 maart 2030. Dit plan berustte eveneens op maandelijkse termijnen van 300 000 EUR en ging ervan uit dat de schuld op 4 januari 2011 opeisbaar was geworden en moest worden vermeerderd met vertragingsrente tegen een rentevoet van 4,5 %.

21      Tegen het arrest van 15 juli 2015 is door verzoeksters hogere voorziening ingesteld, in het kader waarvan zij met name opkwamen tegen het feit dat het Gerecht bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht hun draagkracht in 2015 in aanmerking had genomen, in plaats van hun draagkracht in 2010. Deze hogere voorziening is afgewezen bij beschikking van 7 juli 2016, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (C‑523/15 P, EU:C:2016:541).

22      Na afwijzing van de hogere voorziening hebben verzoeksters het Gerecht verzocht het arrest van 15 juli 2015 aldus uit te leggen dat de rente verschuldigd was over het bedrag van de in dat arrest opgelegde geldboete vanaf de uitspraak ervan. Subsidiair hebben verzoeksters het Gerecht verzocht om dit arrest te rectificeren of aan te vullen door te specificeren vanaf welke datum de rente begon te lopen.

23      Bij beschikking van 17 mei 2018, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (T‑393/10 INTP, niet gepubliceerd, EU:T:2018:293), heeft het Gerecht deze verzoeken niet-ontvankelijk verklaard. Wat het verzoek om uitlegging betreft, heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat dit verzoek, om ontvankelijk te kunnen zijn, betrekking moest hebben op een punt dat in het uit te leggen arrest is beslecht. In het arrest van 15 juli 2015 is echter niet ingegaan op de vraag wanneer de verschuldigde vertragingsrente begon te lopen in geval van uitstel van betaling van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten. Volgens het Gerecht werd met het verzoek van verzoeksters beoogd een advies te verkrijgen over de gevolgen van het arrest van 15 juli 2015, hetgeen niet valt onder een verzoek om uitlegging op grond van artikel 168, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Met betrekking tot de twee andere verzoeken werd geoordeeld dat zij te laat waren ingediend.

24      Op 16 oktober 2019 heeft WDI de Commissie meegedeeld dat zij reeds 31 700 000 EUR had betaald en dat zij voornemens was het restant van de verschuldigde hoofdsom en rente, dat zij raamde op 18 149 636,24 EUR, direct te betalen. Bij deze berekening heeft WDI rekening gehouden met de rente die is opgebouwd vanaf 15 oktober 2015, dat wil zeggen drie maanden na de uitspraak van het arrest van 15 juli 2015, en heeft zij een rentevoet van 3,48 % toegepast.

25      Op 17 oktober 2019 heeft WDI genoemd bedrag van 18 149 636,24 EUR overgemaakt naar de bankrekening van de Commissie, waardoor het totaalbedrag van de sinds 29 juni 2011 ter voldoening van de geldboete verrichte betalingen is uitgekomen op 49 849 636,24 EUR.

26      Bij brief van 2 maart 2020 (hierna: „bestreden handeling”) heeft de Commissie te kennen gegeven dat zij het niet eens was met het standpunt dat WDI in haar brief van 16 oktober 2019 heeft ingenomen. De Commissie heeft aangegeven dat overeenkomstig de criteria van het arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie (T‑275/94, EU:T:1995:141), de rente niet is begonnen te lopen vanaf het arrest van 15 juli 2015, maar vanaf de in het litigieuze besluit vastgestelde datum, te weten 4 januari 2011, en tegen een rentevoet van 4,5 %. Bijgevolg heeft de Commissie WDI aangemaand haar het verschuldigde restbedrag van 12 236 931,69 EUR te betalen, rekening houdend met de valutadatum van 31 maart 2020.

II.    Conclusies van partijen

27      In het verzoekschrift vorderen verzoeksters dat:

–        de bestreden handeling nietig wordt verklaard;

–        bijgevolg wordt vastgesteld dat de Commissie de door WDI in de periode van 29 juni 2011 tot en met 16 juni 2015 verrichte betalingen (16 400 000 EUR), vermeerderd met de in die periode over dat bedrag verschuldigde rente (1 420 610 EUR), dus een totaalbedrag van 17 820 610 EUR, in mindering moest brengen op de geldboete die het Gerecht in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht in het arrest van 15 juli 2015 met ingang van die datum heeft opgelegd, en dat om die reden volledig aan deze geldboete was voldaan na de betaling door WDI op 17 oktober 2019 van 18 149 636,24 EUR;

–        de Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan WDI van 1 633 085,17 EUR, vermeerderd met rente vanaf 17 oktober 2019 tot de volledige terugbetaling van het verschuldigde bedrag;

–        subsidiair, voor het geval dat het Gerecht de eerste drie vorderingen niet zou toewijzen, dat de Europese Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, wordt veroordeeld tot betaling aan verzoeksters van een schadevergoeding gelijk aan het in de bestreden handeling gevorderde bedrag van 12 236 931,69 EUR, en tot betaling aan WDI van een bedrag van 1 633 085,17 EUR, vermeerderd met rente vanaf 17 oktober 2019 tot de volledige terugbetaling van het verschuldigde bedrag;

–        de Commissie wordt verwezen in de kosten.

28      In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid vorderen verzoeksters dat:

–        de in het verzoekschrift geformuleerde conclusies worden toegewezen bij een bij verstek gewezen arrest in de zin van artikel 123 van het Reglement voor de procesvoering;

–        subsidiair, de exceptie van niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid wordt verworpen;

–        meer subsidiair, deze exceptie wordt gevoegd met de zaak ten gronde;

–        de Commissie wordt verwezen in de kosten.

29      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond te verklaren;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Verzoek van verzoeksters dat het Gerecht hun conclusies toewijst bij een bij verstek gewezen arrest

30      In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid verzoeken verzoeksters het Gerecht om hun conclusies overeenkomstig artikel 123 van het Reglement voor de procesvoering bij verstek toe te wijzen, omdat de Commissie haar exceptie te laat zou hebben ingediend.

31      Dienaangaande merken verzoeksters op dat het Gerecht hun bij brief van 26 mei 2020 heeft meegedeeld dat het verzoekschrift aan de Commissie was betekend. In die omstandigheden is de termijn voor het indienen van de exceptie van niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid verstreken op 5 augustus 2020. Deze exceptie is evenwel pas op 13 augustus 2020 neergelegd.

32      Artikel 123, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat, wanneer het Gerecht vaststelt dat de verwerende partij, ofschoon regelmatig opgeroepen, nalaat om in de voorgeschreven vormen of, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, binnen de termijn vastgesteld in artikel 81 van dat Reglement op het verzoekschrift te antwoorden, de verzoekende partij kan vorderen dat het Gerecht haar conclusies toewijst.

33      Uit artikel 81 juncto artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een exceptie van niet-ontvankelijkheid of onbevoegdheid door de verweerder bij afzonderlijke akte moet worden opgeworpen binnen twee maanden na betekening van het verzoekschrift. Overeenkomstig artikel 60 van dat Reglement wordt deze termijn verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.

34      Artikel 6, tweede alinea, van het besluit van het Gerecht van 11 juli 2018 betreffende de neerlegging en de betekening van processtukken met behulp van de applicatie e-Curia (PB 2018, L 240, blz. 72) bepaalt dat de geadresseerden van de in dat besluit bedoelde betekeningen per e-mail op de hoogte worden gesteld van elke betekening die hun met behulp van e‑Curia wordt toegezonden. Artikel 6, derde alinea, preciseert dat processtukken worden betekend op het tijdstip waarop de geadresseerde (vertegenwoordiger of assistent) in e‑Curia verzoekt om toegang tot dat stuk. Voorts wordt het stuk bij gebreke van een verzoek om toegang geacht te zijn betekend na de zevende dag volgende op die waarop de e-mail waarbij de betrokkene op de hoogte is gesteld, is toegezonden.

35      In casu heeft het Gerecht verzoeksters niet verzocht om overeenkomstig artikel 123, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering opmerkingen in te dienen over de mogelijkheid om hun vorderingen bij verstek toe te wijzen, aangezien de Commissie de exceptie van niet-ontvankelijkheid en onbevoegdheid binnen de gestelde termijn heeft opgeworpen.

36      Uit het e-Curia-rapport blijkt immers dat de griffie verzoeksters bij e‑mail van 2 juni 2020 in kennis heeft gesteld van de betekening in e‑Curia van de in punt 31 hierboven genoemde brief van 26 mei 2020. Bij e-mail van 2 juni 2020 heeft de griffie ook de Commissie in kennis gesteld van de toezending via e-Curia van een brief, eveneens van 26 mei 2020, waarin het verzoekschrift en de bijbehorende bijlagen werden betekend. Op 3 juni 2020 heeft de Commissie deze documenten via e‑Curia ingezien. Overeenkomstig artikel 6, derde alinea, van het besluit van het Gerecht van 11 juli 2018 betreffende de neerlegging en de betekening van processtukken met behulp van de applicatie e-Curia, zoals in herinnering gebracht in punt 34 hierboven, is 3 juni 2020 de datum van aanvang van de termijn van twee maanden en tien dagen waarover deze instelling beschikte om de exceptie van niet‑ontvankelijkheid en onbevoegdheid in te dienen. Aangezien deze exceptie op 13 augustus 2020 is neergelegd, is die termijn in acht genomen.

37      Hieruit volgt dat het verzoek van verzoeksters dat het Gerecht hun conclusies bij een bij verstek gewezen arrest toewijst, moet worden afgewezen.

B.      Voorwerp van het beroep

38      Het beroep betreft een vordering tot nietigverklaring, een vordering tot vaststelling en een vordering tot betaling wegens ongerechtvaardigde verrijking alsmede, subsidiair, een vordering tot vergoeding van de schade die is geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Commissie. Deze vorderingen zijn geformuleerd in de eerste vier conclusies van verzoeksters, zoals weergegeven in punt 27 hierboven.

39      Deze vier vorderingen van verzoeksters berusten op de stelling dat het Gerecht bij het arrest van 15 juli 2015, ten eerste, de door de Commissie bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete ex tunc nietig heeft verklaard. Deze nietigverklaring zou ten gunste van verzoeksters een schuldvordering hebben doen ontstaan, die overeenkomt met het bedrag dat zij tussen 29 juni 2011 en 16 juni 2015 voorlopig hadden betaald ter uitvoering van de beschikking in kort geding (16 400 000 EUR), vermeerderd met rente (1 420 610 EUR). De genoemde rente zou verschuldigd zijn op grond van het arrest van 12 februari 2019, Printeos/Commissie (T‑201/17, EU:T:2019:81). Ten tweede zou het Gerecht een nieuwe afzonderlijke geldboete hebben vastgesteld, met ingang van de datum van uitspraak van het arrest van 15 juli 2015. Verzoeksters duiden deze geldboete aan als de „gerechtelijke geldboete”, te onderscheiden van de „nietig verklaarde geldboete” van 2010.

40      De in de eerste conclusie van verzoeksters opgenomen vordering tot nietigverklaring betreft de bestreden handeling, waarbij de Commissie verzoeksters heeft aangemaand haar een bedrag van 12 236 931,69 EUR te betalen, dat volgens haar overeenkomt met het resterende saldo van de geldboete, rekening houdend met de valutadatum van 31 maart 2020.

41      De vordering tot vaststelling, in de tweede conclusie van verzoeksters, strekt ertoe dat het Gerecht verklaart dat de Commissie ter uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 de door WDI in de periode van 29 juni 2011 tot en met 16 juni 2015 verrichte betalingen (16 400 000 EUR), vermeerderd met rente (1 420 610 EUR), in mindering moest brengen op de door het Gerecht opgelegde geldboete en dat om die reden op 17 oktober 2019 volledig aan deze geldboete was voldaan na de betaling door WDI van 18 149 636,24 EUR.

42      De vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking, in de derde conclusie van verzoeksters, strekt ertoe dat de Commissie aan WDI een bedrag van 1 633 085,17 EUR terugbetaalt, vermeerderd met rente vanaf 17 oktober 2019.

43      Deze vordering vloeit voort uit een rekenfout die verzoeksters stellen te hebben gemaakt in hun eerdere vorderingen tegen de Commissie.

44      In haar e-mail van 5 augustus 2015 en in haar brief van 16 oktober 2019 had WDI de Commissie namelijk alleen verzocht om de geldboete te verrekenen met het ter uitvoering van de beschikking in kort geding betaalde bedrag (16 400 000 EUR), zonder daar de rente over dat bedrag voor de periode van 29 juni 2011 tot en met 16 juni 2015 (1 420 610 EUR) en de samengestelde rente vanaf 15 juli 2015 bij op te tellen. Op grond van een nieuwe berekening van 7 mei 2020 die verzoeksters bij het Gerecht hebben ingediend, en rekening houdend met die rente, bedroeg volgens verzoeksters het bedrag dat zij op 17 oktober 2019 nog verschuldigd waren ter vereffening van het saldo van de „gerechtelijke geldboete” slechts 16 516 551,07 EUR, en niet 18 149 636,24 EUR zoals was berekend op 16 oktober 2019, waardoor de Commissie 1 633 085,17 EUR te veel heeft ontvangen.

45      Ten slotte strekt de vordering tot schadevergoeding, die subsidiair is ingediend ten opzichte van de drie andere vorderingen en die is vervat in de vierde conclusie, ertoe dat het Gerecht de Commissie veroordeelt tot vergoeding van de schade die verzoeksters in het kader van de uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 zouden hebben geleden, ten belope van het door de Commissie in de bestreden handeling ingevorderde bedrag (12 236 931,69 EUR) en van het door die instelling op 17 oktober 2019 te veel ontvangen bedrag (1 633 085,17 EUR), vermeerderd met rente vanaf die datum. Volgens verzoeksters vormt de onjuiste uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 een voldoende gekwalificeerde schending van de krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU op de Commissie rustende verplichtingen. De geleden schade komt overeen met het verlies als gevolg van de invordering van het ter uitvoering van dat arrest ten onrechte ontvangen bedrag.

46      Hieruit volgt dat de tweede tot en met de vierde conclusie, zoals weergegeven in punt 27 hierboven, onderling verband houden.

47      Een van de vaststellingen waarop de tweede conclusie betrekking heeft, namelijk van de verplichting van de Commissie om ter uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 niet alleen de door WDI tussen 29 juni 2011 en 16 juni 2015 voorlopig betaalde bedragen, maar ook de daarop drukkende rente, in mindering te brengen op het nog verschuldigde bedrag van de geldboete, vormt immers de grondslag voor de in de derde conclusie vervatte vordering tot terugbetaling van het bedrag van 1 633 085,17 EUR, vermeerderd met rente vanaf 17 oktober 2019.

48      Wat de derde conclusie betreft dient in herinnering te worden gebracht dat het beroep wegens ongerechtvaardigde verrijking strikt genomen niet valt onder de regeling van de niet-contractuele aansprakelijkheid, voor het ontstaan waarvan moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden ter zake van de onrechtmatigheid van het aan de Unie verweten gedrag, de realiteit van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade. Dit beroep onderscheidt zich in zoverre van de op grond van voornoemde regeling ingestelde beroepen dat geen onrechtmatige gedraging van de verwerende partij hoeft te worden bewezen en dat zelfs niet eens sprake van een gedraging hoeft te zijn, maar alleen moet worden bewezen dat de verwerende partij zonder geldige rechtsgrondslag is verrijkt en de verzoekende partij in verband met die verrijking is verarmd [zie arrest van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, EU:C:2008:726, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49      Ondanks die kenmerken kan de justitiabele echter de mogelijkheid om een beroep wegens ongerechtvaardigde verrijking tegen de Unie in te stellen niet worden ontzegd op de enkele grond dat het VWEU niet uitdrukkelijk in een rechtsmiddel voor een dergelijke vordering voorziet. Een uitlegging van artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU die deze mogelijkheid uitsluit, zou leiden tot een resultaat dat in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie, C‑575/18 P, EU:C:2020:530, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Zoals de Commissie in haar verweerschrift heeft erkend, kunnen in casu de derde en de vierde conclusie worden geacht op artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU gebaseerde schadevorderingen te omvatten. In deze twee conclusies wordt op verschillende wijzen het bedrag van 1 633 085,17 EUR, vermeerderd met rente sinds 17 oktober 2019, gevorderd.

51      Gelet op het verband tussen de tweede tot en met de vierde conclusie, zoals reeds vastgesteld in de punten 46 tot en met 50 hierboven, en op het feit dat er, zoals blijkt uit de punten 40 en 45 hierboven, ook een verband bestaat tussen de vordering tot nietigverklaring in de eerste conclusie en een deel van de vordering tot schadevergoeding waarop de vierde conclusie betrekking heeft, is het Gerecht van oordeel dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, de tweede tot en met de vierde conclusie, zoals weergegeven in punt 27 hierboven, met betrekking tot de aan het arrest van 15 juli 2015 te verbinden gevolgen, als eerste en gezamenlijk moeten worden onderzocht.

52      Vervolgens zal het Gerecht de eerste conclusie van verzoeksters onderzoeken, die strekt tot nietigverklaring van de bestreden handeling.

C.      Tweede, derde en vierde conclusie van verzoeksters betreffende de gevolgen die uit het arrest van 15 juli 2015 moeten worden getrokken

1.      Ontvankelijkheid en bevoegdheid van het Gerecht 

53      De Commissie voert aan dat de tweede tot en met de vierde conclusie van verzoeksters niet-ontvankelijk zijn en dat het Gerecht niet bevoegd is om uitspraak te doen over de tweede conclusie.

54      Met betrekking tot de tweede conclusie betoogt de Commissie dat, afgezien van het feit dat deze in strijd met artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering niet berust op enig „rechts- of procedurevoorschrift”, die conclusie ertoe strekt dat het Gerecht een declaratoir arrest uitspreekt waarbij de Commissie, na nietigverklaring van de bestreden handeling, zou worden gelast de vóór het arrest van 15 juli 2015 betaalde bedragen, vermeerderd met rente, in mindering te brengen op de in het dictum van dat arrest vastgestelde geldboeten.

55      In dit verband volstaat het op te merken dat het stelsel van geschillenbeslechting van de Unie geen rechtsgang kent waarin de rechter bij wege van een algemene verklaring of een beginselverklaring een standpunt kan innemen (zie arrest van 21 maart 2012, Fulmen en Mahmoudian/Raad, T‑439/10 en T‑440/10, EU:T:2012:142, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarnaast is het Gerecht niet bevoegd om in het kader van de op artikel 263 VWEU gebaseerde wettigheidstoetsing bevelen te geven aan de instellingen, organen en instanties van de Unie (zie beschikking van 26 oktober 1995, Pevasa en Inpesca/Commissie, C‑199/94 P en C‑200/94 P, EU:C:1995:360, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 25 september 2018, Zweden/Commissie, T‑260/16, EU:T:2018:597, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Hieruit volgt dat de tweede conclusie moet worden afgewezen wegens onbevoegdheid.

57      De derde en de vierde conclusie zijn volgens de Commissie niet-ontvankelijk omdat zij strekken tot betwisting van een definitief geworden handeling, te weten het litigieuze besluit. Volgens haar wensen verzoeksters daarmee immers terugbetaling te verkrijgen van bedragen die reeds verschuldigd waren op grond van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete, waarvan het bedrag vervolgens is bevestigd bij het arrest van 15 juli 2015.

58      In haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie niet gesteld dat de derde en de vierde conclusie tot doel hadden om andere door haar vastgestelde handelingen die bij gebreke van beroep daartegen definitief zijn geworden, ter discussie te stellen. Volgens de Commissie vormen namelijk de e‑mails en brieven die zij onmiddellijk na het arrest van 15 juli 2015 aan verzoeksters heeft gezonden, geen op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU voor beroep vatbare handelingen, aangezien het gaat om handelingen ter uitvoering van het litigieuze besluit.

59      In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoeksters met hun vierde conclusie niet opkomen tegen het litigieuze besluit, maar vergoeding wensen te verkrijgen van schade die is veroorzaakt door een beweerdelijk onjuiste uitvoering van het arrest van 15 juli 2015.

60      Opgemerkt zij dat, ingeval van fouten van de Commissie of haar personeelsleden bij de uitvoering van een beslissing van het Gerecht, beroep tot schadevergoeding krachtens artikel 268 VWEU kan worden ingesteld (zie in die zin beschikking van 17 mei 2018, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie, T‑393/10 INTP, niet gepubliceerd, EU:T:2018:293, punt 21).

61      Bovendien staat het feit dat er in casu voorafgaand contact was tussen de Commissie en verzoeksters over de uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 niet in de weg aan het recht om een schadevordering in te dienen op grond van artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU.

62      Zoals blijkt uit de punten 44 en 45 hierboven, heeft de door verzoeksters in hun vierde conclusie geformuleerde schadevordering immers een ruimere strekking dan de vordering die de Commissie in haar e-mail van 12 augustus 2015 heeft afgewezen. Bij deze laatste vordering werd geen rekening gehouden met de rente over het bedrag van 16 400 000 EUR in de periode van 29 juni 2011 tot en met 16 juni 2015. Zelfs indien tegen die e-mail beroep had kunnen worden ingesteld op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU, hetgeen de Commissie betwist, zou de nietigverklaring van die handeling dus niet tot hetzelfde resultaat hebben geleid als dat waarop de bij het Gerecht ingediende schadevordering betrekking heeft (zie in die zin arrest van 5 september 2019, Europese Unie/Guardian Europe en Guardian Europe/Europese Unie, C‑447/17 P en C‑479/17 P, EU:C:2019:672, punten 49‑64).

63      De derde conclusie is eveneens gericht op schadevergoeding (zie de punten 49 en 50 hierboven). Daarmee wordt niet beoogd een definitief geworden handeling van de Commissie te betwisten, maar op te komen tegen het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de inning door deze instelling van een overtollig bedrag van 1 633 085,17 EUR. Dit te veel ontvangen bedrag is te wijten aan een fout die WDI op 17 oktober 2019 heeft gemaakt door bij de berekening van het resterende saldo van de litigieuze geldboete geen rekening te houden met de rente over het bedrag van 16 400 000 EUR in de periode van 29 juni 2011 tot en met 16 juni 2015.

64      Bijgevolg zijn de derde en de vierde conclusie ontvankelijk.

65      Uit het voorgaande volgt dat de door de Commissie opgeworpen exceptie uitsluitend gegrond is met betrekking tot de tweede conclusie van verzoeksters.

2.      Ten gronde

66      Het Gerecht acht het met het oog op een goede rechtsbedeling gepast om eerst de vierde conclusie van verzoeksters, betreffende een schadevordering wegens de onrechtmatigheid van het handelen van de Commissie, te onderzoeken, en vervolgens de derde conclusie, ontleend aan het bestaan van een ongerechtvaardigde verrijking van de Commissie.

a)      Schadevordering wegens onrechtmatigheid van het handelen van de Commissie

67      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie aan drie voorwaarden moet zijn voldaan, namelijk dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen en de schending voldoende gekwalificeerd is, dat het daadwerkelijke bestaan van schade wordt aangetoond en, ten slotte, dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de schending van de op de auteur van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (zie in die zin arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punten 39‑42, en 6 september 2018, Klein/Commissie, C‑346/17 P, EU:C:2018:679, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een instelling van de Unie slechts een zeer beperkte of zelfs helemaal geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending van dit recht op te leveren waardoor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan ontstaan (zie arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos, C‑301/19 P, EU:C:2021:39, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Verzoeksters betogen dat de Commissie het arrest van 15 juli 2015 onjuist heeft uitgevoerd en dat dit een voldoende gekwalificeerde schending van de krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU op de Commissie rustende verplichtingen vormt. De geleden schade, waarvan zij vergoeding vorderen, komt overeen met het bedrag van 12 236 931,69 EUR dat de Commissie in de bestreden handeling heeft ingevorderd, en het bedrag van 1 633 085,17 EUR dat deze instelling op 17 oktober 2019 te veel heeft ontvangen, vermeerderd met rente vanaf die datum.

69      Ter ondersteuning van hun schadevordering op grond van de onrechtmatigheid van het handelen van de Commissie voeren verzoeksters in wezen vier middelen aan.

70      In het kader van het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU, stellen verzoeksters dat de hun bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete bij het arrest van 15 juli 2015 ex tunc nietig is verklaard en is vervangen door een „gerechtelijke geldboete”, die pas op de dag van de uitspraak van dat arrest opeisbaar is geworden.

71      Met hun tweede middel betogen verzoeksters in wezen dat ter uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 en ten gevolge van de ex tunc nietigverklaring van de aanvankelijk opgelegde geldboete, de bedragen die tussen 29 juni 2011 en 16 juni 2015 voorlopig waren betaald ter uitvoering van de beschikking in kort geding niet verschuldigd waren en dat WDI recht had op terugbetaling van die bedragen, vermeerderd met rente over die periode. Aangezien de nietig verklaarde geldboete is vervangen door de „gerechtelijke geldboete”, hadden die bedragen moeten worden verrekend met de betaling van deze laatste geldboete in 2015. Verzoeksters beroepen zich in het kader van dit middel op schending van niet alleen artikel 266, eerste alinea, VWEU, maar ook van artikel 98, lid 1, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).

72      In het kader van het derde middel stellen verzoeksters dat de door de Commissie aangevoerde verplichting om vertragingsrente te betalen vanaf 4 januari 2011 in strijd is met artikel 266, eerste alinea, VWEU en artikel 99, lid 4, en artikel 98, lid 1, eerste alinea, onder b), van verordening 2018/1046. De geldboete is immers pas opeisbaar sinds 15 juli 2015.

73      Het vierde middel, dat eveneens is ontleend aan schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU en artikel 99, lid 4, onder d), van verordening 2018/1046, heeft betrekking op de door de Commissie gehanteerde rentevoet, die overeenkomt met die welke in het besluit van 30 september 2010 was vastgesteld. Volgens verzoeksters had voor de „gerechtelijke boete” een nieuwe en lagere rentevoet moeten worden vastgesteld, berekend aan de hand van de gemiddelde rentevoet die de ECB in augustus 2015 voor haar basisherfinancieringstransacties had vastgesteld.

74      Vooraf moet worden opgemerkt dat de gevolgen van het arrest van 15 juli 2015 waarop verzoeksters zich in het kader van het tweede tot en met het vierde middel beroepen, alleen uit dat arrest kunnen worden getrokken indien de in het eerste middel geformuleerde premisse juist is.

75      Alle door verzoeksters aangevoerde onrechtmatigheden gaan immers uit van de premisse dat de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete niet door het Gerecht is „gehandhaafd” of „bevestigd”, maar nietig is verklaard en is vervangen door een „gerechtelijke geldboete”.

76      Deze premisse volgt uit het eerste middel, dat betrekking heeft op de gevolgen van de nietigverklaring bij het arrest van 15 juli 2015 van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete, die niet zouden zijn opgeheven door het feit dat het Gerecht, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, een geldboete van hetzelfde bedrag heeft vastgesteld.

77      Voorts stelt het Gerecht vast dat verzoeksters in het kader van het tweede en het derde middel bepaalde argumenten hebben aangevoerd ter ondersteuning van de in het eerste middel geformuleerde premisse. Ook deze argumenten zullen hierna samen met het eerste middel worden behandeld.

1)      Eerste middel: miskenning van de gevolgen van de nietigverklaring, bij het arrest van 15 juli 2015, van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete

78      Ter ondersteuning van het eerste middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie de krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen na de uitspraak van het arrest van 15 juli 2015 waarbij de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete nietig is verklaard. Deze verplichtingen vloeien zowel voort uit het dictum van dat arrest als uit de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.

79      Wat in de eerste plaats het dictum van het arrest van 15 juli 2015 betreft, is de bij artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit opgelegde geldboete nietig verklaard, zonder dat het Gerecht heeft besloten de gevolgen van een dergelijke nietigverklaring in de tijd te beperken. Artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit kan dus niet langer als grondslag van een schuldvordering dienen.

80      Vervolgens zijn verzoeksters, in de in het arrest van 15 juli 2015 gehanteerde bewoordingen, „veroordeeld” tot betaling van een nieuwe geldboete, waarvan het bedrag gelijk is aan dat van de bij artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit opgelegde geldboete. Het gaat hierbij om een tweede autonoom besluit, dat na de nietigverklaring van de oorspronkelijke geldboete is uitgesproken en die nietigverklaring onverlet laat.

81      Ten slotte heeft het Gerecht de Commissie verwezen in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van verzoeksters, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding. Deze verwijzing in de kosten toont aan dat het beroep van verzoeksters succesvol was, aangezien de nietig verklaarde geldboete wegens de vastgestelde onrechtmatigheid noodzakelijkerwijs werd vervangen door de „gerechtelijke geldboete”. Het door de Commissie verdedigde standpunt komt erop neer dat verzoeksters, in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel, tweemaal worden veroordeeld.

82      Wat in de tweede plaats de motivering van het arrest van 15 juli 2015 betreft, betogen verzoeksters ten eerste dat het Gerecht ondubbelzinnig heeft verklaard dat de Commissie hun noch in 2010 noch in 2011 een geldboete mocht opleggen.

83      Ten tweede voeren verzoeksters aan dat het Gerecht bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht en anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie (T‑275/94, EU:T:1995:141), niet de bedoeling had om „het voortbestaan te gelasten” van de nietig verklaarde geldboete, zoals deze door de Commissie was opgelegd.

84      De verwijzing in punt 335 van het arrest van 15 juli 2015 naar „de situatie zoals die op de datum van zijn beslissing is” onderstreept de onafhankelijkheid en de autonomie van de „gerechtelijke geldboete” die het Gerecht heeft vastgesteld.

85      Voorts merken verzoeksters op dat het Gerecht in punt 346 van het arrest van 15 juli 2015 heeft vastgesteld dat na de voorlopige betaling van meer dan 15 000 000 EUR „de vraag of hun financiële situatie het [toestond] dat zij de geldboete [betaalden] nog slechts betrekking [had] op een bedrag dat met ongeveer twee derde van het aanvankelijk ten laste van WDI vastgestelde bedrag [overeenstemde]”, namelijk 46 550 000 EUR. Hieruit blijkt dat het Gerecht ervan is uitgegaan dat de voorlopig betaalde bedragen zouden worden verrekend met de door het Gerecht opgelegde „gerechtelijke geldboete”, zodat is uitgesloten dat de rente met terugwerkende kracht zou beginnen te lopen vanaf 4 januari 2011.

86      Uit punt 356 van het arrest van 15 juli 2015 blijkt ook dat de geldboete niet werd geacht opeisbaar te zijn vóór 15 juli 2015. Volgens verzoeksters heeft het Gerecht namelijk in dit punt in herinnering gebracht dat de gedeeltelijke toewijzing van hun verzoek in kort geding „tot gevolg [had] dat de opeisbaarheid van de hun opgelegde geldboete in haar geheel is geschorst tot aan de uitspraak van [dit] arrest”.

87      Bovendien blijkt uit de beschikking van 17 mei 2018, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (T‑393/10 INTP, niet gepubliceerd, EU:T:2018:293), dat het Gerecht in het arrest van 15 juli 2015 niet was ingegaan op de kwestie van de rente, hetgeen bevestigt dat geen rente verschuldigd was als gevolg van de nietigverklaring van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete.

88      Ten derde hebben verzoeksters in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht aangevoerd dat het Gerecht in het arrest van 15 juli 2015 geen reformatio in peius had verricht. Integendeel, de door het Hof in punt 42 van de beschikking van 7 juli 2016, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie (C‑523/15 P, EU:C:2016:541), genoemde herziening van het bedrag van de geldboete zou noodzakelijkerwijs in hun voordeel zijn.

89      De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

90      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de bevoegdheid waarover de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) beschikt om bij besluit geldboeten op te leggen, de bevoegdheid impliceert om vertragingsrente te vorderen in geval van niet-betaling van de geldboeten binnen de in het besluit gestelde termijn (zie naar analogie arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie, T‑275/94, EU:T:1995:141, punt 81). Krachtens artikel 299 VWEU heeft dit besluit executoriale werking.

91      In artikel 2, tweede en derde alinea, van het litigieuze besluit was bepaald dat de geldboeten moesten worden betaald binnen drie maanden vanaf de datum van kennisgeving en dat na het verstrijken van die termijn automatisch rente verschuldigd zou zijn tegen de rentevoet die op de eerste dag van de maand waarin dat besluit was gegeven, door de ECB op haar basisherfinancieringstransacties werd toegepast, verhoogd met 3,5 procentpunten. In artikel 2, vierde alinea, van het litigieuze besluit was bepaald dat, indien een bestrafte onderneming beroep zou instellen, zij de geldboete bij het verstrijken van die termijn kon dekken door een bankgarantie te stellen of door voorlopige betaling van de geldboete.

92      Verzoeksters hebben het Gerecht op grond van artikel 278 VWEU verzocht de tenuitvoerlegging van dat besluit op te schorten, met name op grond van hun onvermogen om de bij het litigieuze besluit opgelegde boete te betalen.

93      In de beschikking in kort geding heeft de president van het Gerecht dit verzoek slechts gedeeltelijk ingewilligd. Daarin is immers alleen opschorting gelast van de verplichting van verzoeksters om ten gunste van de Commissie een bankgarantie te stellen teneinde onmiddellijke invordering van de geldboeten te voorkomen, op voorwaarde dat zij de Commissie vóór 30 juni 2011 een bedrag van 2 000 000 EUR zouden betalen alsmede, vanaf 15 juli 2011 en tot nader order, doch uiterlijk tot de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak, op de 15e van elke maand een maandelijkse termijn van 300 000 EUR.

94      De opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen, heeft niet geleid tot opschorting van de opeisbaarheid van de schuldvordering, die rente bleef dragen (zie in die zin beschikking van 15 december 1999, DSR-Senator Lines/Commissie, T‑191/98 RII, EU:T:1999:332, punt 46).

95      Bij het arrest van 15 juli 2015 heeft het Gerecht eerst, in punt 2 van het dictum van dat arrest, artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit nietig verklaard, waarbij verzoeksters een geldboete van 46 550 000 EUR was opgelegd, en hen vervolgens in de punten 4 tot en met 6 van dat dictum „veroordeeld” tot betaling van een geldboete van datzelfde bedrag. Het Gerecht heeft namelijk op basis van de door partijen verstrekte gegevens over de financiële situatie van verzoeksters, zoals deze zich na de vaststelling van het litigieuze besluit had ontwikkeld, geoordeeld dat zij niet op goede gronden konden stellen dat hun boetes wegens onvermogen om te betalen moesten worden verlaagd om soortgelijke redenen als weergegeven in punt 35 van de richtsnoeren van 2006.

96      Zoals volgt uit de beschikking van 17 mei 2018, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie (T‑393/10 INTP, niet gepubliceerd, EU:T:2018:293, punt 14), is de kwestie van de begindatum van de over het bedrag van de geldboete verschuldigde vertragingsrente niet het voorwerp geweest van enige uitwisseling tussen partijen gedurende de gerechtelijke procedure en is er niet uitdrukkelijk uitspraak over gedaan in het arrest van 15 juli 2015, noch in de motivering noch in het dictum van dat arrest.

97      Nu de kwestie van de rente niet uitdrukkelijk is onderzocht in het arrest van 15 juli 2015, moet worden vastgesteld of uit dat arrest kan worden afgeleid dat de door het Gerecht vastgestelde geldboete juridisch onderscheiden was van die welke de Commissie in het litigieuze besluit had opgelegd.

98      Opgemerkt zij dat reeds uit de bewoordingen van artikel 31 van verordening nr. 1/2003 blijkt dat de volledige rechtsmacht die de Unierechter op het gebied van mededinging is verleend en krachtens welke deze de door de Commissie opgelegde geldboete kan intrekken, verlagen of verhogen, betrekking heeft op en beperkt is tot de aanvankelijk door de Commissie opgelegde geldboete. De door de Unierechter vastgestelde geldboete vormt dus geen nieuwe geldboete die juridisch onderscheiden is van die welke door de Commissie is opgelegd (zie in die zin arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie, T‑275/94, EU:T:1995:141, punten 58 en 60).

99      Wanneer de Unierechter zijn eigen beoordeling in de plaats stelt van de beoordeling van de Commissie en in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van de geldboete verlaagt, vervangt hij het aanvankelijk in dat besluit vastgestelde bedrag door het bedrag dat voortvloeit uit zijn eigen beoordeling. Het besluit van de Commissie wordt dus geacht, op grond van de vervangende werking van het door de Unierechter uitgesproken arrest, altijd het besluit te zijn geweest dat uit de beoordeling van de Unierechter voortvloeit (zie in die zin arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie, T‑275/94, EU:T:1995:141, punten 60‑65 en 85‑87).

100    In het arrest van 15 juli 2015 heeft het Gerecht allereerst het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover daarbij het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete was vastgesteld, en vervolgens in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van deze geldboete op hetzelfde niveau vastgesteld.

101    In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de toetsing door het Gerecht van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit weliswaar had geleid tot de nietigverklaring van dat besluit voor zover de Commissie daarbij aan verzoeksters een geldboete had opgelegd, maar die omstandigheid geenszins inhield dat het Gerecht om die reden zijn bevoegdheid om zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen was ontnomen (beschikking van 7 juli 2016, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑523/15 P, EU:C:2016:541, punt 38). Het Hof heeft ook opgemerkt dat de omstandigheid dat het Gerecht het uiteindelijk opportuun heeft geacht om uit te gaan van hetzelfde boetebedrag als dat wat in het litigieuze besluit was vastgesteld, van geen belang was voor feit dat deze bevoegdheid volgens de regels is uitgeoefend (zie in die zin beschikking van 7 juli 2016, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑523/15 P, EU:C:2016:541, punt 40).

102    Het feit dat het Gerecht in het arrest van 15 juli 2015 zijn volledige rechtsmacht heeft uitgeoefend om het bedrag van de geldboete op hetzelfde niveau vast te stellen als dat waartoe de Commissie in het litigieuze besluit was gekomen, staat dus niet in de weg aan toepassing van de in de punten 98 en 99 hierboven in herinnering gebrachte beginselen. In casu kon de Commissie dus op goede gronden aannemen dat de door het Gerecht vastgestelde geldboete niet een nieuwe geldboete was en dus opeisbaar was vanaf 4 januari 2011.

103    Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de argumenten van verzoeksters.

104    In de eerste plaats klopt het dat het Gerecht in punt 2 van het dictum van het arrest van 15 juli 2015 artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit, waarbij verzoeksters een geldboete werd opgelegd, nietig heeft verklaard, anders dan het geval was in het dictum van het arrest van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie (T‑39/92 en T‑40/92, EU:T:1994:20), waarin de geldboete enkel werd verlaagd, zonder eerst de aanvankelijk door de Commissie opgelegde geldboete nietig te verklaren.

105    Evenwel is reeds erkend dat er sprake is van een vervangende werking als bedoeld in punt 99 hierboven in het geval van een dictum waarin het Gerecht eerst het bedrag ten belope waarvan een moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk werd gehouden voor de betaling van een door de Commissie opgelegde geldboete, nietig had verklaard, om dat bedrag vervolgens opnieuw vast te stellen in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht (zie in die zin arrest van 12 mei 2016, Trioplast Industrier/Commissie, T‑669/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:285, punten 15 en 56‑62).

106    Voorts moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoeksters stellen, de nietigverklaring van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete niet is gerechtvaardigd door de overweging dat de Commissie aan verzoeksters noch in 2010, noch in 2011 een geldboete mocht opleggen wegens het onvermogen om te betalen in die periode.

107    In het kader van zijn rechtmatigheidstoetsing heeft het Gerecht immers enkel vastgesteld dat de Commissie fouten had gemaakt bij de beoordeling van de draagkracht van verzoeksters, zonder evenwel aan te geven dat hun in 2010 en 2011 geen geldboete kon worden opgelegd. Bovendien heeft het aan deze onrechtmatigheid geen ander gevolg verbonden dan, ten eerste, de nietigverklaring van artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit en, ten tweede, de rechtvaardiging van de uitoefening, op verzoek van verzoeksters, van zijn volledige rechtsmacht. Dit blijkt duidelijk uit de punten 324 en 332 van het arrest van 15 juli 2015.

108    In het kader van zijn eigen onderzoek naar de draagkracht van verzoeksters in 2015, heeft het Gerecht in punt 346 van het arrest van 15 juli 2015 vastgesteld dat verzoeksters op basis van het in de beschikking in kort geding vastgestelde voorlopige betalingsplan sinds 2011 reeds een bedrag van meer dan 15 000 000 EUR hebben kunnen betalen.

109    Anders dan verzoeksters stellen, heeft het Gerecht in het arrest van 15 juli 2015 dus vastgesteld dat zij in 2010 en 2011 een zekere draagkracht hadden.

110    Hieruit volgt dat de gevolgen die verzoeksters verbinden aan de nietigverklaring door het Gerecht van artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het bestreden besluit, ongegrond zijn.

111    Wat in de tweede plaats het gebruik van de woorden „worden veroordeeld” of „wordt veroordeeld” in de punten 4 tot en met 6 van het dictum van het arrest van 15 juli 2015, blijkt uit vaste rechtspraak dat het dictum van een arrest moet worden gelezen tegen de achtergrond van de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen (zie arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie, T‑275/94, EU:T:1995:141, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112    Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, blijkt in casu rechtens genoegzaam uit de overwegingen van het arrest van 15 juli 2015 dat het Gerecht zijn volledige rechtsmacht heeft uitgeoefend (zie in die zin beschikking van 7 juli 2016, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑523/15 P, EU:C:2016:541, punt 41).

113    Zoals in punt 99 hierboven in herinnering is gebracht, heeft het Gerecht met de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het litigieuze besluit met terugwerkende kracht gewijzigd.

114    Bijgevolg kan aan de woorden „worden veroordeeld” of „wordt veroordeeld” in het dictum van het arrest van 15 juli 2015 niet de betekenis worden toegeschreven die verzoeksters eraan toekennen.

115    In de derde plaats kan uit de punten 335, 346 en 356 van het arrest van 15 juli 2015 niet worden afgeleid dat het Gerecht de terugwerkende kracht van de wijziging van het litigieuze besluit heeft beperkt.

116    Wat ten eerste de verwijzing in punt 335 van het arrest van 15 juli 2015 betreft naar de draagkracht van verzoeksters ten tijde van de uitspraak van het Gerecht, is reeds geoordeeld dat het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht rekening kan houden met elementen die dateren van na het besluit van de Commissie, zonder dat de door het Gerecht vastgestelde geldboete zich daardoor juridisch onderscheidt van de door de Commissie opgelegde geldboete (zie in die zin arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie, T‑275/94, EU:T:1995:141, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117    Wat ten tweede de schatting in punt 346 van het arrest van 15 juli 2015 betreft dat het bedrag van de geldboete dat op die datum nog verschuldigd was „ongeveer twee derde” van de door de Commissie opgelegde geldboete was, klopt het dat het Gerecht bij zijn berekening alleen het bedrag van de geldboeten in aanmerking had genomen.

118    Het Gerecht heeft evenwel reeds geoordeeld dat met een dergelijke schatting geen standpunt wordt ingenomen over de begindatum van de door verzoeksters verschuldigde rente (beschikking van 17 mei 2018, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie, T‑393/10 INTP, niet gepubliceerd, EU:T:2018:293, punt 17).

119    Anders dan verzoeksters betogen, doet een dergelijke schatting bovendien niet af aan de in punt 99 hierboven in herinnering gebrachte terugwerkende kracht van de uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht.

120    In punt 346 van het arrest van 15 juli 2015 heeft het Gerecht immers enkel vastgesteld dat verzoeksters op die datum ter uitvoering van de beschikking in kort geding reeds meer dan 15 000 000 EUR hadden betaald, hetgeen overeenkwam met ongeveer een derde van het bedrag van de in 2010 opgelegde geldboete (46 550 000 EUR).

121    Aangezien het Gerecht de draagkracht van verzoeksters onderzocht, kon het de voorlopige betaling van de geldboete niet buiten beschouwing laten in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht. Louter de schatting van de orde van grootte van het resterende saldo, uitgedrukt in een geldbedrag, op de datum waarop het uitspraak heeft gedaan, brengt niet met zich mee dat de Commissie ter uitvoering van het arrest van 15 juli 2015 de voorlopig betaalde bedragen, vermeerderd met rente, in mindering moest brengen op een vermeende door het Gerecht opgelegde „gerechtelijke boete” die juridisch onderscheiden zou zijn van de door de Commissie opgelegde geldboete.

122    Ten derde doet punt 356 van het arrest van 15 juli 2015 er evenmin aan af dat de rente over het bedrag van de door het Gerecht vastgestelde geldboete vanaf 4 januari 2011 opeisbaar was.

123    Het Gerecht heeft zich in punt 356 van het arrest van juli 2015 immers beperkt tot een antwoord op een argument van verzoeksters inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling. In dit verband heeft het Gerecht aangegeven dat de omstandigheid dat verzoeksters beroep tegen het litigieuze besluit hadden ingesteld en dat hun verzoek in kort geding gedeeltelijk was toegewezen, tot gevolg heeft gehad dat de opeisbaarheid van de hun opgelegde geldboete in haar geheel was geschorst tot de uitspraak van dat arrest, in tegenstelling tot hetgeen het geval was voor ondernemingen die geen beroep hadden ingesteld.

124    Zoals in herinnering gebracht in de punten 92 en 93 hierboven, heeft de president van het Gerecht in de beschikking in kort geding enkel de opschorting gelast van de verplichting van verzoeksters om ten gunste van de Commissie een bankgarantie te stellen teneinde onmiddellijke invordering van de geldboeten te voorkomen, waarbij hij zelf een voor verzoeksters gunstig voorlopig betalingsplan vaststelde tot uiterlijk de dag van uitspraak van het arrest in de hoofdzaak. Zoals aangegeven in punt 94 hierboven, heeft de opschorting van de verplichting om een bankgarantie te stellen niet geleid tot opschorting van de opeisbaarheid van de schuldvordering, die gedurende de gerechtelijke procedure vertragingsrente bleef dragen.

125    In de vierde en laatste plaats is tot verwijzing van de Commissie in de helft van de door verzoeksters gemaakte kosten besloten op grond van artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering en vindt die verwijzing haar verklaring in de nietigverklaring van artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit.

126    Zoals uiteengezet in de punten 104 tot en met 110 hierboven, is er geen echter grond voor de gevolgen die verzoeksters aan deze nietigverklaring verbinden.

127    Bovendien is reeds geoordeeld dat wanneer het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht een deel van het bedrag van de geldboete handhaaft, de verplichting om ab initio vertragingsrente te betalen geen sanctie vormt die bovenop de aanvankelijk door de Commissie opgelegde geldboete komt en het recht van beroep zou belemmeren. Zowel de omstandigheid dat de herziening van de geldboete door de Unierechter het rechtskarakter van de geldboete onverlet laat, als het beginsel dat een beroep geen schorsende werking heeft, verzet zich ertegen dat de Commissie de onderneming die deze geldboete niet onmiddellijk heeft betaald en wier beroep ten dele gegrond is verklaard, vrijstelt van de verplichting om vanaf de datum van de opeisbaarheid van de door de Commissie opgelegde boete rente te betalen over het door de Unierechter vastgestelde bedrag van de geldboete (zie in die zin arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie, T‑275/94, EU:T:1995:141, punten 86 en 87).

128    Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.

2)      Tweede tot en met vierde middel: gevolgen van de nietigverklaring van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete

129    Zoals aangegeven in de punten 74 en 75 hierboven, gaan het tweede tot en met het vierde middel uit van de in het kader van het eerste middel gestelde premisse dat de door de Commissie opgelegde geldboete nietig is verklaard en is vervangen door een „gerechtelijke geldboete”.

130    Aangezien deze premisse in het kader van het onderzoek van het eerste middel is ontkracht, zijn het tweede tot en met het vierde middel ongegrond en moeten zij dus worden afgewezen.

3)      Conclusie

131    Aangezien de door verzoeksters aangevoerde middelen ongegrond zijn, moet worden vastgesteld dat er geen sprake is van onrechtmatigheid en, a fortiori, evenmin van een voldoende gekwalificeerde schending van de verplichtingen die krachtens artikel 266, eerste alinea, VWEU op de Commissie rusten, en moet de vierde conclusie van verzoeksters worden afgewezen zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere in punt 67 hierboven in herinnering gebrachte voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie.

b)      Vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking

132    Met hun derde conclusie verzoeken verzoeksters het Gerecht de Commissie te veroordelen tot terugbetaling aan WDI van een bedrag van 1 633 085,17 EUR, vermeerderd met rente vanaf 17 oktober 2019, wegens ongerechtvaardigde verrijking van de Commissie.

133    Deze verrijking zou te wijten zijn aan een rekenfout die verzoeksters hebben gemaakt toen WDI op 17 oktober 2019 de Commissie een bedrag van 18 149 636,24 EUR betaalde, zonder rekening te houden met de rente over het bedrag van 16 400 000 EUR in de periode van 29 juni 2011 tot en met 16 juni 2015.

134    De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

135    Zoals de Commissie benadrukt, zijn de argumenten die verzoeksters hebben aangevoerd om haar te laten veroordelen op grond van ongerechtvaardigde verrijking, slechts een herhaling van de argumenten inzake vermeend onrechtmatig handelen van de Commissie die reeds zijn aangevoerd ter ondersteuning van de vierde conclusie, zoals onderzocht en afgewezen in de punten 67 tot en met 131 hierboven.

136    Uit de motivering van de afwijzing van de vierde conclusie blijkt dat de Commissie niet een bedrag van 1 633 085,17 EUR te veel heeft ontvangen.

137    Hieruit volgt dat de derde conclusie van verzoeksters ongegrond is en dus eveneens moet worden afgewezen.

D.      Eerste conclusie van verzoeksters, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden handeling

138    Met hun eerste conclusie vorderen verzoeksters nietigverklaring van de bestreden handeling, waarbij de Commissie WDI heeft aangemaand haar een bedrag van 12 236 931,69 EUR te betalen, dat volgens haar overeenkomt met het resterende saldo van de schuldvordering, rekening houdend met de valutadatum van 31 maart 2020.

139    Ter ondersteuning van deze conclusie voeren verzoeksters de vier in de punten 78 tot en met 130 hierboven behandelde middelen aan, alsmede een vijfde middel dat is ontleend aan schending van artikel 266, eerste alinea, VWEU en van het beginsel van behoorlijk bestuur. In het kader van dit laatste middel herhalen verzoeksters de argumenten die zij reeds ter ondersteuning van de eerste vier middelen hebben aangevoerd.

140    Volgens de Commissie is de eerste vordering niet-ontvankelijk. Zij stelt dat de bestreden handeling slechts een actualisering is van de aanvankelijke debetnota van 2010. Deze handeling vormt niet de grondslag van een nieuwe vordering jegens verzoeksters, maar een aanmaning in de zin van artikel 103, lid 2, van verordening 2018/1046. Het arrest van 15 juli 2015 legt geen nieuwe geldboeten op en heeft geen gevolgen voor de kwestie van de vertragingsrente. Dit arrest beperkt zich tot de nietigverklaring van artikel 2, eerste alinea, punt 8, van het litigieuze besluit. De derde alinea van artikel 2 van dit besluit, betreffende de betaling van vertragingsrente, is daarentegen ongewijzigd en dus volledig van toepassing gebleven. Aangezien de bestreden handeling een voorbereidende en louter bevestigende handeling is, is zij niet vatbaar voor beroep.

141    Zoals blijkt uit de punten 128 en 130 hierboven, zijn de eerste vier middelen van verzoeksters ongegrond en moeten zij worden afgewezen. Aangezien het vijfde middel op dezelfde argumenten berust, moet het eveneens worden afgewezen.

142    In die omstandigheden moet de eerste conclusie van verzoeksters ongegrond worden verklaard, zonder dat de door de Commissie daartegen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid hoeft te worden onderzocht.

IV.    Kosten

143    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in de kosten van de Commissie.


HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Westfälische Drahtindustrie GmbH, Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft mbH & Co. KG en Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co. KG worden verwezen in de kosten.

da Silva Passos

Valančius

Reine

Truchot

 

      Sampol Pucurull

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 november 2022.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding

II. Conclusies van partijen

III. In rechte

A. Verzoek van verzoeksters dat het Gerecht hun conclusies toewijst bij een bij verstek gewezen arrest

B. Voorwerp van het beroep

C. Tweede, derde en vierde conclusie van verzoeksters betreffende de gevolgen die uit het arrest van 15 juli 2015 moeten worden getrokken

1. Ontvankelijkheid en bevoegdheid van het Gerecht

2. Ten gronde

a) Schadevordering wegens onrechtmatigheid van het handelen van de Commissie

1) Eerste middel: miskenning van de gevolgen van de nietigverklaring, bij het arrest van 15 juli 2015, van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete

2) Tweede tot en met vierde middel: gevolgen van de nietigverklaring van de bij het litigieuze besluit opgelegde geldboete

3) Conclusie

b) Vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking

D. Eerste conclusie van verzoeksters, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden handeling

IV. Kosten


*      Procestaal: Duits.

Top