EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020CJ0075

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 22 april 2021.
„Lifosa” UAB tegen Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos.
Verzoek van de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Communautair douanewetboek – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Artikel 29, lid 1 – Artikel 32, lid 1, onder e), i) – Douanewetboek van de Unie – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Artikel 70, lid 1 – Artikel 71, lid 1, onder e), i) – Vaststelling van de douanewaarde – Transactiewaarde – Aanpassing – Prijs inclusief de levering tot aan de grens.
Zaak C-75/20.

Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:320

 ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

22 april 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Communautair douanewetboek – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Artikel 29, lid 1 – Artikel 32, lid 1, onder e), i) – Douanewetboek van de Unie – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Artikel 70, lid 1 – Artikel 71, lid 1, onder e), i) – Vaststelling van de douanewaarde – Transactiewaarde – Aanpassing – Prijs inclusief de levering tot aan de grens”

In zaak C‑75/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen) bij beslissing van 29 januari 2020, ingekomen bij het Hof op 13 februari 2020, in de procedure

„Lifosa” UAB

tegen

Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos,

in tegenwoordigheid van:

Kauno teritorinė muitinė,

„Transchema” UAB,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: N. Wahl (rapporteur), kamerpresident, L. S. Rossi en J. Passer, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

„Lifosa” UAB, vertegenwoordigd door A. Seliava en E. Sinkevičius, advokatai,

de Litouwse regering, vertegenwoordigd door V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Clotuche-Duvieusart en J. Jokubauskaitė als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: „communautair douanewetboek”), en van artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek van de Unie”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Lifosa” UAB (hierna: „importeur”) en de Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (douanedienst bij het ministerie van Financiën, Litouwen) over het besluit van de douaneautoriteiten om de importeur onder meer een aanpassing van de douanewaarde van de ingevoerde goederen op te leggen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Communautair douanewetboek

3

Artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek bepaalde:

„De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33 mits:

[…]

b)

de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, niet kan worden vastgesteld;

[…]”

4

Artikel 29, lid 3, onder a), van dat wetboek bepaalde het volgende:

„De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, hetzij door de koper aan de verkoper, hetzij door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper, werkelijk zijn of moeten worden gedaan. De betaling behoeft niet noodzakelijk in geld te geschieden; zij kan door middel van kredietbrieven of verhandelbaar papier worden verricht en zowel direct als indirect geschieden.”

5

Artikel 32, leden 1 tot en met 3, van dat wetboek bepaalde:

„1.   Voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

[…]

e)

i) de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen

[…]

tot de plaats van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap.

2.   Indien met toepassing van dit artikel elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd, dient zulks uitsluitend op grond van objectieve en meetbare gegevens te geschieden.

3.   Voor de vaststelling van de douanewaarde worden aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs geen elementen toegevoegd, met uitzondering van die welke in dit artikel zijn genoemd.”

Verordening nr. 2454/93

6

Artikel 164, onder c), van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1), dat was opgenomen in hoofdstuk 4, „Vrachtkosten”, van titel V van deel I van deze verordening, bepaalde:

„Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder e), […] van het [communautair douanewetboek] geldt het volgende:

[…]

c)

indien het vervoer kosteloos of met een vervoermiddel van de koper plaatsvindt, dienen de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst, berekend volgens de gebruikelijke tarieven voor vervoer met eenzelfde soort vervoermiddel, in de douanewaarde te worden begrepen.”

Douanewetboek van de Unie

7

Artikel 70 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift „Op de transactiewaarde gebaseerde methode voor de vaststelling van de douanewaarde”, bepaalt:

„1.   De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast.

2.   De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht.

3.   De transactiewaarde is van toepassing mits aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:

[…]

b)

de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, niet kan worden vastgesteld;

[…]”

8

Artikel 71 van dit wetboek, met als opschrift „Elementen van de transactiewaarde”, bepaalt:

„1.   Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 70 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

[…]

e)

de volgende kosten tot aan de plaats waar de goederen in het douanegebied van de Unie worden gebracht:

i)

de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen, […]

[…]

2.   Wanneer overeenkomstig lid 1 elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd, geschiedt zulks enkel op basis van objectieve en meetbare gegevens.

3.   Ter bepaling van de douanewaarde worden aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs geen andere elementen toegevoegd dan die waarin dit artikel voorziet.”

Uitvoeringsverordening 2015/2447 van de Commissie

9

Artikel 138 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening nr. 952/2013 (PB 2015, L 343, blz. 558), met als opschrift „Vervoerkosten”, bepaalt in lid 3 het volgende:

„Wanneer het vervoer kosteloos is of is verstrekt door de koper, worden de in de douanewaarde van de goederen op te nemen vervoerskosten berekend volgens de vrachttarieven die gewoonlijk gelden voor dezelfde vervoerswijzen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10

De importeur is een in Litouwen gevestigde vennootschap die onder meer meststoffen produceert. Ter uitvoering van een op 23 september 2011 gesloten overeenkomst heeft hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 oktober 2016 van een tussenpersoon, „Transchema” UAB, verschillende hoeveelheden door een in Belarus gevestigde vennootschap Naftan JSC (hierna: „producent”) geproduceerd technisch zwavelzuur gekocht en in het douanegebied van de Unie ingevoerd.

11

Voor elke transactie werd een aanvullende overeenkomst gesloten, waarin een bepaalde prijs werd vastgesteld, waarbij was gespecificeerd dat het ging om een prijs „franco grens” (DAF) volgens de incoterm DAF, die deel uitmaakt van de door de Internationale Kamer van Koophandel opgestelde Incoterms 2000, op grond waarvan alle vervoerskosten van de ingevoerde goederen tot aan de overeengekomen leveringsplaats aan de grens worden gedragen door de producent.

12

De douanewaarde van de door de importeur aangegeven goederen vermeldde de werkelijk betaalde bedragen zoals deze voorkwamen op de door de tussenpersoon uitgereikte facturen.

13

Bij een controle stelde het douanekantoor te Kaunas (Litouwen) vast dat de aldus aangegeven douanewaarde van de ingevoerde goederen lager was dan de kosten die de producent daadwerkelijk had gemaakt voor het vervoer per spoor van deze goederen tot aan de grensovergang. Aangezien het douanekantoor van Kaunas van mening was dat deze vervoerskosten moesten worden toegevoegd aan de transactiewaarde van die goederen, heeft het op 9 februari 2017 een besluit vastgesteld om de door de importeur aangegeven douanewaarde aan te passen door er de vervoerskosten van die goederen buiten het douanegebied van de Unie aan toe te voegen. Aldus werd hij gelast een bedrag van 25876 EUR te betalen uit hoofde van de aanpassing van die douanewaarde, 412 EUR vertragingsrente over de betrokken niet-betaalde douanerechten, 187152 EUR aan verschuldigde btw bij invoer, 42492 EUR vertragingsrente over die belasting, en een geldboete van 42598 EUR.

14

De importeur is tegen dit besluit opgekomen bij de Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos (douanedienst bij het ministerie van Financiën, Litouwen), die het besluit heeft bevestigd.

15

De importeur heeft beroep ingesteld bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen).

16

Bij beslissing van 28 november 2017 heeft de Vilniaus apygardos administracinis teismas dit beroep van de importeur ongegrond verklaard. Daarop heeft de importeur tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter, Litouwen).

17

Volgens de verwijzende rechter wordt tussen partijen in het hoofdgeding niet betwist dat de verkoopprijs van de ingevoerde goederen de leveringskosten tot aan de grens omvatte, die volgens de in punt 11 van het onderhavige arrest omschreven overeengekomen leveringsvoorwaarden werden gedragen door de producent.

18

Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de door de importeur in zijn douaneaangiften vermelde douanewaarde van deze goederen bestond uit de voor deze goederen betaalde bedragen, en dat die bedragen overeenkwamen met de werkelijke waarde ervan. De aldus aangegeven douanewaarde was echter lager dan de kosten die de producent had gemaakt voor het vervoer per spoor van die goederen tot aan de Litouwse grens.

19

In dit verband voeren de douaneautoriteiten aan dat wanneer, met het oog op de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen, de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet wordt aangepast door toevoeging van de vervoerskosten die de producent draagt, de douaneaangiften niet alle elementen van deze goederen met een economische waarde weergeven.

20

De importeur betoogt daarentegen dat de verkoopprijs van de ingevoerde goederen de werkelijke waarde ervan weergeeft, aangezien de producent deze goederen niet kan verwerken of opslaan en de recycling van deze goederen zeer hoge kosten met zich meebrengt. Hoewel deze prijs niet alle door de producent gemaakte vervoerskosten dekt, blijft deze prijs voor hem dus gerechtvaardigd en economisch voordelig, aangezien het bedrag van de milieuheffing die in Belarus zou zijn opgelegd voor de recycling van de ingevoerde goederen, hoger zou zijn geweest dan het bedrag van de aangegeven douanewaarde en de kosten voor het vervoer van deze goederen.

21

In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van het douanewetboek van de Unie, voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen vereisen dat de vervoerkosten aan de transactiewaarde van die goederen worden toegevoegd in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk waarin volgens de verkoopvoorwaarden de verkoopprijs van die goederen de vervoerskosten omvat maar de vervoerskosten van de producent hoger zijn dan de prijs waartegen hij die goederen aan de importeur verkoopt.

22

In die omstandigheden heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van [het communautair douanewetboek] en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de transactiewaarde moet worden aangepast om daarin alle kosten op te nemen die door de […] producent daadwerkelijk zijn gemaakt om de goederen te vervoeren naar de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Europese Unie wanneer, zoals in de onderhavige zaak, (1) volgens de leveringsvoorwaarden […] de verplichting om deze kosten te dragen, op de […] producent rustte, en (2) die vervoerskosten hoger waren dan de overeengekomen en door de […] importeur werkelijk betaalde prijs, maar (3) de door de […] importeur werkelijk betaalde prijs overeenkwam met de werkelijke waarde van de goederen, ook al was deze prijs ontoereikend om alle door de […] producent gemaakte vervoerskosten te dekken?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

23

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek, en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van het douanewetboek van de Unie aldus moeten worden uitgelegd dat, om de douanewaarde van ingevoerde goederen vast te stellen, de door de producent daadwerkelijk gedragen kosten voor het vervoer van deze goederen tot aan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie moeten worden toegevoegd aan de transactiewaarde van die goederen, wanneer volgens de overeengekomen leveringsvoorwaarden de producent verplicht is om deze kosten te dragen en deze kosten hoger zijn dan de daadwerkelijk door de importeur betaalde prijs maar deze prijs overeenstemt met de werkelijke waarde van de goederen.

24

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem beoogt in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet bijgevolg de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en derhalve rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen. De voor de goederen werkelijk betaalde prijs vormt in de regel weliswaar de basis voor de berekening van de douanewaarde ervan, maar die prijs moet zo nodig worden aangepast om te voorkomen dat een arbitraire of fictieve douanewaarde wordt vastgesteld (arrest van 20 juni 2019, Oribalt Rīga,C‑1/18, EU:C:2019:519, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25

In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de voor de ingevoerde goederen betaalde prijs overeenkomt met de werkelijke waarde ervan en dat niets erop wijst dat de door de importeur voor deze goederen werkelijk betaalde prijs fictief is omdat zij het gevolg is van fraude of rechtsmisbruik.

26

Bijgevolg lijkt het hoofdgeding geen betrekking te hebben op een willekeurige of fictieve douanewaarde, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, maar heeft het uitsluitend betrekking op de vraag of in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek, en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van het douanewetboek van de Unie vereisen dat voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen de vervoerskosten die overeenkomstig de contractvoorwaarden door de producent worden gedragen en in de verkoopprijs zijn begrepen, worden toegevoegd aan de transactiewaarde van die goederen wanneer die prijs niet alle vervoerskosten dekt.

27

In de eerste plaats vormt de transactiewaarde van de ingevoerde goederen overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek, en artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie de „eerste basis” voor de vaststelling van de douanewaarde ervan. Slechts bij wijze van aanvulling kunnen overeenkomstig artikel 32 van het communautair douanewetboek en artikel 71 van het douanewetboek van de Unie bepaalde andere elementen aan deze basis worden toegevoegd om de werkelijke economische waarde van deze goederen weer te geven.

28

Artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek en artikel 71, lid 1, onder e), i), van het douanewetboek van de Unie maken het weliswaar mogelijk de werkelijk betaalde prijs aan te vullen door de vervoerskosten toe te voegen, maar deze bepalingen vereisen dat deze kosten niet reeds in deze prijs zijn begrepen, hetgeen het geval is wanneer de verkoopvoorwaarden een prijs „franco grens” stipuleren.

29

Een dergelijke benadering wordt bevestigd door artikel 164, onder c), van verordening nr. 2454/93 en artikel 138, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/2447. Op grond van deze bepalingen kunnen de vervoerskosten immers slechts aan de transactiewaarde van de ingevoerde goederen worden toegevoegd wanneer het vervoer kosteloos is of is verstrekt door de invoerder.

30

De verwijzende rechter merkt op dat in het hoofdgeding, ten eerste, niets erop wijst dat de overeengekomen verkoopprijs de vervoerskosten van de ingevoerde goederen niet omvatte en, ten tweede, de door de importeur betaalde prijs overeenstemde met de werkelijke waarde van deze goederen.

31

Bijgevolg is in een situatie als die in het hoofdgeding niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek en artikel 71, lid 1, onder e), i), van het douanewetboek van de Unie, en evenmin aan die van artikel 164, onder c), van verordening nr. 2454/93 en artikel 138, lid 3, van uitvoeringsverordening 2015/2447.

32

Een andere uitlegging van deze bepalingen zou erop neerkomen dat van de importeur wordt verlangd dat hij de vervoerskosten van de ingevoerde goederen tweemaal betaalt, en dat bijgevolg wordt aangenomen dat voor invoer waarvoor verkoopvoorwaarden gelden die bepalen dat de vervoerskosten in de verkoopprijs van deze goederen moeten worden opgenomen, de transactiewaarde steeds moet worden aangepast.

33

De omstandigheid dat in casu de door de producent gedragen kosten voor het vervoer van de ingevoerde goederen hoger zijn dan de door de importeur werkelijk betaalde prijs, doet niet af aan deze conclusie, mits deze prijs de werkelijke waarde van deze goederen weergeeft, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

34

In de tweede plaats lijkt het door de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen genoemde risico dat een marktdeelnemer zich met een beroep op zijn contractuele autonomie zou kunnen onttrekken aan de verplichtingen tot vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen, in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet aanwezig te zijn. Een dergelijk risico veronderstelt immers dat de vervoerskosten van deze goederen niet zijn betaald, hetgeen, zoals de verwijzende rechter opmerkt, in casu niet het geval is. Bovendien volgt uit artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek en artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie dat bij de vaststelling van de douanewaarde van deze goederen rekening wordt gehouden met de verkoopvoorwaarden.

35

Hoewel een marktdeelnemer zich niet met een beroep op zijn contractuele verplichtingen aan het Unierecht kan onttrekken, kan de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen daarom nog niet in abstracto worden vastgesteld. Volgens de rechtspraak van het Hof vindt die vaststelling haar grondslag in de voorwaarden waaronder de betrokken koopovereenkomst is gesloten, ook indien deze afwijken van de handelspraktijk of ongebruikelijk zijn voor het betrokken type overeenkomst (zie in die zin arrest van 4 februari 1986, Van Houten International,65/85, EU:C:1986:53, punt 13). Het Hof heeft aldus geoordeeld dat teneinde te beoordelen of de douanewaarde van de ingevoerde goederen de werkelijke economische waarde ervan weergeeft, rekening moet worden gehouden met de concrete rechtssituatie van de contractpartijen (zie in die zin arrest van 15 juli 2010, Gaston Schul,C‑354/09, EU:C:2010:439, punt 38). Wanneer bij de vaststelling van de douanewaarde van deze goederen geen rekening wordt gehouden met de verkoopvoorwaarden, zou dit dus niet alleen in strijd zijn met artikel 29, lid 1, van het communautair douanewetboek en artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, maar bovendien leiden tot een resultaat waarmee de werkelijke economische waarde van deze goederen niet kan worden weergegeven.

36

Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van het communautair douanewetboek en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van het douanewetboek van de Unie aldus moeten worden uitgelegd dat om de douanewaarde van ingevoerde goederen vast te stellen, de door de producent daadwerkelijk gedragen kosten voor het vervoer van deze goederen tot aan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie niet moeten worden toegevoegd aan de transactiewaarde van die goederen wanneer volgens de overeengekomen leveringsvoorwaarden de producent verplicht is om deze kosten te dragen, zelfs niet indien deze kosten hoger zijn dan de daadwerkelijk door de importeur betaalde prijs, voor zover deze prijs overeenstemt met de werkelijke waarde van de goederen, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

Kosten

37

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 29, lid 1, en artikel 32, lid 1, onder e), i), van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, en artikel 70, lid 1, en artikel 71, lid 1, onder e), i), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat om de douanewaarde van ingevoerde goederen vast te stellen, de door de producent daadwerkelijk gedragen kosten voor het vervoer van deze goederen tot aan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Europese Unie niet moeten worden toegevoegd aan de transactiewaarde van die goederen wanneer volgens de overeengekomen leveringsvoorwaarden de producent verplicht is om deze kosten te dragen, zelfs niet indien deze kosten hoger zijn dan de daadwerkelijk door de importeur betaalde prijs, voor zover deze prijs overeenstemt met de werkelijke waarde van de goederen, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Litouws.

Top