EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CN0853

Zaak C-853/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Poprad (Slovenië) op 22 november 2019 – IM/STING Reality s.r.o.

OJ C 36, 3.2.2020, p. 18–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

3.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 36/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Okresný súd Poprad (Slovenië) op 22 november 2019 – IM/STING Reality s.r.o.

(Zaak C-853/19)

(2020/C 36/23)

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Okresný súd Poprad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: IM

Verwerende partij: STING Reality s.r.o.

Prejudiciële vragen

1)

Moet richtlijn 2005/29/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een oneerlijke handelspraktijk in omstandigheden als in de onderhavige zaak, waarin een natuurlijke persoon die in financiële moeilijkheden verkeert en onder tijdsdruk staat en die met het oog op het behoud van de eigendom van een onroerend goed dat zijn enige woning vormt een krediet wenst te verkrijgen, door een kredietverstrekker een overeenkomst wordt voorgelegd die tot gevolg heeft dat de eigendom van zijn onroerend goed hem blijvend wordt ontnomen, hoewel hij de woning slechts tijdelijk aan de schuldeiser wilde overdragen tot zekerheid van de kredietovereenkomst?

2)

Moet richtlijn 93/13/EG (2) betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: „richtlijn 93/13”) aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van de eerste prejudiciële vraag ook de koopovereenkomst tot overdracht van een onroerend goed door de rechter moet worden getoetst, ongeacht de argumenten van de kredietverstrekker betreffende de afzonderlijk overeengekomen contractuele bedingen, indien de kredietverstrekker in andere gevallen weigert om aan de rechter de overeenkomsten over te leggen met het oog op de vaststelling of er sprake is van een gestandaardiseerde toetredingsovereenkomst die door de kredietverstrekker ook in andere gevallen wordt gebruikt?

3)

Indien richtlijn 93/13 op dit geval van toepassing is: moet de situatie vóór de sluiting van de overeenkomst, en met name een situatie waarin de verwerende kredietverstrekker toegang tot de persoonsgegevens van de verzoeker heeft verkregen zonder dat deze daarmee heeft ingestemd, ook als relevante omstandigheid in de zin van artikel 4, lid 1, van deze richtlijn worden beschouwd?


(1)  PB 2005, L 149, blz. 22.

(2)  PB 1993, L 95, blz. 29.


Top