EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CN0578

Zaak C-578/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (Verenigd Koninkrijk) op 30 juli 2019 — X/Kuoni Travel Ltd

OJ C 328, 30.9.2019, p. 32–33 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 328/32


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (Verenigd Koninkrijk) op 30 juli 2019 — X/Kuoni Travel Ltd

(Zaak C-578/19)

(2019/C 328/35)

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Supreme Court of the United Kingdom (Verenigd Koninkrijk)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: X

Verwerende partij: Kuoni Travel Ltd

Prejudiciële vragen

1)

Wanneer de verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst, gesloten tussen een organisator of doorverkoper en een consument voor het verstrekken van een vakantiepakket waarop richtlijn 90/314/EEG (1) van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten, van toepassing is, niet of slecht zijn uitgevoerd, en dit niet of slecht uitvoeren het gevolg is van de handelingen van een werknemer van een hotelonderneming die een verstrekker van diensten is waarop die overeenkomst betrekking heeft:

a)

is er dan ruimte voor de toepassing van het in het tweede deel van de derde alinea van artikel 5, lid 2, van die richtlijn bedoelde verweer, en zo ja,

b)

volgens welke criteria moet de nationale rechter dan beoordelen of dat verweer van toepassing is?

2)

Wanneer een organisator of doorverkoper een overeenkomst sluit met een consument voor het verstrekken van een vakantiepakket waarop richtlijn 90/314/EEG van de Raad van toepassing is, en een hotelonderneming diensten verstrekt waarop die overeenkomst betrekking heeft, moet een werknemer van die hotelonderneming dan voor de toepassing van het in de derde alinea van artikel 5, lid 2, van die richtlijn bedoelde verweer zelf als een „verstrekker van diensten” worden beschouwd?


(1)  PB 1990, L 158, blz. 59.


Top