EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0896

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 april 2021.
Repubblika tegen Il-Prim Ministru.
Verzoek van de Prim’Awla tal-Qorti Ċivili – Ġurisdizzjoni Kostituzzjonali om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Artikel 2 VEU – Waarden van de Europese Unie – Rechtsstaat – Artikel 49 VEU – Toetreding tot de Unie – Instandhouding van het beschermingsniveau van de waarden van de Unie – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Artikel 19 VEU – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Werkingssfeer – Onafhankelijkheid van de rechters van een lidstaat – Benoemingsprocedure – Bevoegdheid van de minister-president – Betrokkenheid van een commissie voor rechterlijke benoemingen.
Zaak C-896/19.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:311

 ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

20 april 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 2 VEU – Waarden van de Europese Unie – Rechtsstaat – Artikel 49 VEU – Toetreding tot de Unie – Instandhouding van het beschermingsniveau van de waarden van de Unie – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Artikel 19 VEU – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Werkingssfeer – Onafhankelijkheid van de rechters van een lidstaat – Benoemingsprocedure – Bevoegdheid van de minister-president – Betrokkenheid van een commissie voor rechterlijke benoemingen”

In zaak C‑896/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Prim’Awla tal-Qorti Ċivili – Ġurisdizzjoni Kostituzzjonali (burgerlijke rechter, eerste kamer, zittend als grondwettelijk hof, Malta) bij beslissing van 25 november 2019, ingekomen bij het Hof op 5 december 2019, in de procedure

Repubblika

tegen

Il-Prim Ministru,

in tegenwoordigheid van:

WY,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, M. Vilaras, M. Ilešič en N. Piçarra, kamerpresidenten, C. Toader, M. Safjan, S. Rodin, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, P. G. Xuereb en L. S. Rossi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 oktober 2020,

gelet op de opmerkingen van:

Repubblika, vertegenwoordigd door J. Azzopardi, avukat, S. Busuttil, advocate, en T. Comodini Cachia, avukat,

de Maltese regering, vertegenwoordigd door V. Buttigieg en A. Buhagiar als gemachtigden, bijgestaan door D. Sarmiento Ramirez-Escudero en V. Ferreres Comella, abogados,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Jacobs en L. Van den Broeck als gemachtigden,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door C. Meyer-Seitz, H. Shev, H. Eklinder, R. Shahsavan Eriksson, A. M. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, O. Simonsson en J. Lundberg als gemachtigden,

de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Mifsud-Bonnici, P. J. O. Van Nuffel, H. Krämer en J. Aquilina, vervolgens door K. Mifsud-Bonnici, P. J. O. Van Nuffel en J. Aquilina als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Repubblika, een in Malta als rechtspersoon geregistreerde vereniging die tot doel heeft de bescherming van de rechtspleging en de rechtsstaat in die lidstaat te bevorderen, en anderzijds de Prim Ministru (minister-president, Malta), over een actio popularis die met name betrekking heeft op de verenigbaarheid met het Unierecht van de bepalingen van de grondwet van Malta (hierna: „grondwet”) die de procedure voor de benoeming van rechters regelen.

Toepasselijke bepalingen

3

Hoofdstuk VIII van de grondwet bevat regels voor de rechterlijke macht, waaronder die betreffende de procedure voor de benoeming van rechters.

4

In hoofdstuk VIII van de grondwet bepaalt artikel 96:

„(1)   De Imħallfin (rechters in hogere rechtscolleges) worden benoemd door de president van de Republiek, die handelt overeenkomstig het advies van de minister-president.

(2)   Een persoon komt slechts voor benoeming tot rechter in een hoger rechtscollege in aanmerking indien hij gedurende een periode van ten minste twaalf jaar, of gedurende perioden die gezamenlijk ten minste twaalf jaar belopen, op Malta als advocaat werkzaam is geweest of aldaar het ambt van Maġistrat (rechter in een lagere rechtbank) heeft bekleed, dan wel achtereenvolgens beide beroepen heeft uitgeoefend.

(3)   Onverminderd het bepaalde in lid 4, moet de krachtens artikel 96A van deze grondwet ingestelde commissie voor rechterlijke benoemingen haar beoordeling zoals bepaald in artikel 96A, lid 6, onder c), d) of e), verrichten voordat de minister-president overeenkomstig lid 1 zijn advies uitbrengt over de benoeming van een rechter in een hoger rechtscollege [met uitzondering van de Prim Imħallef (opperrechter)].

(4)   Onverminderd het bepaalde in lid 3, kan de minister-president ervoor kiezen de uitkomst van de in lid 3 bedoelde beoordeling niet te volgen,

op voorwaarde dat, nadat de minister-president gebruik heeft gemaakt van de hem door dit lid verleende bevoegdheid, de minister-president of de Ministru responsabbli għall-ġustizzja (minister van Justitie):

(a)

binnen vijf dagen een verklaring in de Gazzetta tal-Gvern ta’ Malta (Maltees staatsblad) publiceert ter aankondiging van de beslissing om van die bevoegdheid gebruik te maken, met vermelding van de redenen voor het nemen van die beslissing, en

(b)

ten overstaan van de Kamra tad-Deputati (huis van afgevaardigden) een verklaring over die beslissing aflegt waarin de redenen voor het nemen ervan worden uiteengezet, en dit uiterlijk tijdens de tweede vergadering van het huis volgend op de datum waarop overeenkomstig lid 1 het advies aan de president van de Republiek is uitgebracht,

met dien verstande dat het eerste voorbehoud in dit lid niet geldt bij een benoeming tot opperrechter.”

5

Artikel 96A van de grondwet luidt als volgt:

„(1)   Er wordt een commissie voor rechterlijke benoemingen ingesteld, in dit artikel aangeduid als de „commissie”, die een subcommissie is van de bij artikel 101A van deze grondwet opgerichte Kummissjoni għall-Amministrazzjoni tal-ġustizzja (commissie voor de rechtsbedeling) en die als volgt is samengesteld:

(a)

de opperrechter;

(b)

de Avukat Ġenerali (procureur-generaal);

(c)

de Awditur Ġenerali (auditeur-generaal);

(d)

de Kummissarju għall-Investigazzjonijiet Amministrattivi (commissaris voor administratieve onderzoeken) (ombudsman), en

(e)

de president van de Kamra tal-Avukati (kamer van advocaten):

[...]

(2)   De commissie wordt voorgezeten door de opperrechter of, bij diens afwezigheid, de rechter die hem overeenkomstig lid 3, onder d), vervangt.

(3)   

(a)

Een persoon kan geen lid van de commissie worden of blijven, wanneer hij minister, parlementair secretaris van een minister, lid van het huis van afgevaardigden, lid van een lokale regering of functionaris of kandidaat van een politieke partij is,

[...]

(4)   Bij de uitoefening van hun functies handelen de leden van de commissie op basis van hun individuele oordeel en zijn zij niet onderworpen aan de leiding of controle van enige persoon of autoriteit.

[...]

(6)   De commissie oefent de volgende taken uit:

(a)

blijken van belangstelling ontvangen en onderzoeken van personen die belangstelling hebben om te worden benoemd tot rechter in een hoger rechtscollege (met uitzondering van de opperrechter) of tot rechter in een lager rechtscollege, met uitzondering van blijken van belangstelling van personen op wie het bepaalde onder e) van toepassing is;

(b)

een permanent register van de onder a) vermelde blijken van belangstelling en de ermee samenhangende handelingen bijhouden. Dat register is geheim en enkel toegankelijk voor de leden van de commissie, de minister-president en de minister van Justitie;

(c)

sollicitatiegesprekken voeren met kandidaten voor bovengenoemde ambten en hen beoordelen, op een wijze die zij geschikt acht, en in dat kader bij overheidsinstanties de informatie opvragen die zij redelijkerwijs nodig acht;

(d)

via de minister van Justitie een advies uitbrengen aan de minister-president in verband met haar beoordeling van de geschiktheid en de verdiensten van de kandidaten voor bovengenoemde ambten;

(e)

de minister-president op diens verzoek adviseren over de geschiktheid en de verdiensten van personen die reeds het ambt bekleden van procureur-generaal, auditeur-generaal, commissaris voor administratieve onderzoeken (ombudsman) of rechter in een lager rechtscollege, om tot rechter te worden benoemd;

(f)

de minister van Justitie op diens verzoek adviseren over benoemingen in ander rechterlijke ambten of functies bij de gerechten.

De onder d) bedoelde beoordeling vindt plaats uiterlijk zestig dagen nadat de commissie het blijk van belangstelling heeft ontvangen, en de onder e) en f) bedoelde adviezen worden gegeven uiterlijk dertig dagen nadat erom is verzocht, of binnen enige andere termijn die de minister van Justitie – met instemming van de commissie – bij een in de Gazzetta tal-Gvern ta’ Malta bekendgemaakt besluit kan vaststellen.

(7)   De werkzaamheden van de commissie zijn vertrouwelijk en vinden plaats achter gesloten deuren. Een lid of de secretaris-generaal van de commissie mag niet worden opgeroepen om voor een gerecht of een andere instantie te getuigen met betrekking tot een door de commissie ontvangen document of een met of door de commissie besproken of aan of door de commissie meegedeelde kwestie.

(8)   De commissie stelt haar eigen procedurevoorschriften vast en is verplicht om, met instemming van de minister van Justitie, de criteria te publiceren op basis waarvan haar beoordelingen worden verricht.”

6

Artikel 97 van de grondwet luidt:

„(1)   Onverminderd het bepaalde in dit artikel, legt een rechter in een hoger rechtscollege zijn ambt neer wanneer hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

(2)   Een rechter in een hoger rechtscollege kan slechts door de president van de Republiek uit zijn ambt worden ontzet als gevolg van een daartoe door het huis van afgevaardigden, met de steun van ten minste twee derde van alle leden daarvan, ingediend voorstel dat is gebaseerd op bewezen ongeschiktheid van die rechter om de taken van zijn ambt te vervullen (door een lichamelijk of geestelijk gebrek dan wel enige andere oorzaak) of op bewezen wangedrag.

(3)   Het parlement kan wettelijke procedureregels vaststellen voor het indienen, overeenkomstig het in het vorige lid bepaalde, van een dergelijk voorstel, alsmede voor het onderzoek of een rechter in een hoger gerecht ongeschikt is om de aan het ambt verbonden taken te vervullen dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag, en voor het leveren van bewijs hiervan.”

7

Artikel 100 van de grondwet bepaalt:

„(1)   De rechters in de lagere rechtscolleges worden benoemd door de president van de Republiek, overeenkomstig het advies van de minister-president.

(2)   Voor de benoeming tot rechter in een lager rechtscollege komen enkel personen in aanmerking die gedurende een ononderbroken periode van ten minste zeven jaar, of gedurende perioden die gezamenlijk ten minste zeven jaar belopen, op Malta als advocaat werkzaam zijn geweest.

(3)   Onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit artikel, legt een rechter in een lager rechtscollege zijn ambt neer wanneer hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.

(4)   Het bepaalde in artikel 97, leden 2 en 3, van deze grondwet is ook van toepassing op rechters in lagere rechtscolleges.

(5)   Onverminderd het bepaalde in lid 6, moet de krachtens artikel 96A van deze grondwet ingestelde commissie voor rechterlijke benoemingen haar beoordeling zoals bepaald in artikel 96A, lid 6, onder c), d) of e), verrichten voordat de minister-president overeenkomstig lid 1 zijn advies uitbrengt over de benoeming van een rechter in een lager rechtscollege.

(6)   Onverminderd het bepaalde in lid 5, kan de minister-president ervoor kiezen de uitkomst van de in dat lid bedoelde beoordeling niet te volgen,

op voorwaarde dat, nadat de minister-president gebruik heeft gemaakt van de hem door dit lid verleende bevoegdheid, de minister-president of de minister van Justitie:

(a)

binnen vijf dagen een verklaring in de Gazzetta tal-Gvern ta’ Malta publiceert ter aankondiging van het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken, met vermelding van de redenen voor het nemen van dat besluit, en

(b)

ten overstaan van het huis van afgevaardigden een verklaring over dat besluit aflegt waarin de redenen voor het nemen ervan worden uiteengezet, en dit uiterlijk tijdens de tweede vergadering van het huis volgend op de datum waarop overeenkomstig lid 1 het advies aan de president van de Republiek is uitgebracht.”

8

Artikel 101B, lid 1, van de Grondwet bepaalt:

„Er wordt een commissie ingesteld voor de rechters in hogere en lagere rechtscolleges, [...] die een subcommissie is van de commissie voor de rechtsbedeling en die is samengesteld uit drie rechters die geen lid zijn van de commissie voor de rechtsbedeling en overeenkomstig de door de commissie voor de rechtsbedeling vastgestelde regels worden gekozen uit rechters in hogere en lagere rechtscolleges, met dien verstande dat in een tuchtprocedure tegen een rechter in een lager rechtscollege, twee van de drie leden rechters uit lagere rechtscolleges moeten zijn, en in een tuchtprocedure tegen een rechter in een hoger rechtscollege, twee van de drie leden rechters uit een hoger rechtscollege moeten zijn.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9

Op 25 april 2019 heeft Repubblika overeenkomstig artikel 116 van de grondwet bij de verwijzende rechter een, als actio popularis gekwalificeerde, vordering ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Republiek Malta met haar huidige stelsel voor de benoeming van rechters, zoals geregeld in de artikelen 96, 96A en 100 van de grondwet, de met name krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest op haar rustende verplichtingen niet nakomt. Zij verzoekt tevens om nietigverklaring van elke benoeming van rechters die tijdens de met deze actio popularis ingeleide procedure volgens het huidige stelsel heeft plaatsgevonden, en voorts dat er geen andere rechters worden benoemd indien dit niet in overeenstemming is met de aanbevelingen in advies nr. 940/2018 van de Europese Commissie voor Democratie door Recht (hierna: „Commissie van Venetië”) van 17 december 2018, over constitutionele regelingen, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsinstanties in Malta [CDL-AD (2018)028], alsmede met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest.

10

Ter ondersteuning van haar beroep voert Repubblika aan dat de discretionaire bevoegdheid van de minister-president in het kader van de benoeming van rechters, die is neergelegd in de artikelen 96, 96A en 100 van de grondwet, twijfels doet rijzen over de onafhankelijkheid van deze rechters. Zij benadrukt in dit verband dat een aantal rechters die sinds 2013 zijn benoemd zeer actief waren in de Partit laburista (arbeiderspartij), die deel uitmaakt van de regering, of op zodanige wijze zijn benoemd dat kan worden vermoed dat hier sprake is geweest van inmenging van de politieke macht in de rechterlijke macht.

11

Repubblika preciseert tevens dat zij specifiek opkomt tegen de benoemingen die op 25 april 2019 hebben plaatsgevonden, waarbij drie rechters in lagere rechtscolleges zijn benoemd tot rechters in hogere rechtscolleges, en drie nieuwe rechters in lagere rechtscolleges zijn benoemd (hierna: „benoemingen van 25 april 2019”), alsook tegen elke andere benoeming die later zou kunnen hebben plaatsgevonden. Zij betoogt in dit verband dat deze aanstellingen zijn verricht in strijd met advies nr. 940/2018 van de Commissie van Venetië van 17 december 2018.

12

De minister-president is daarentegen van mening dat de benoemingen van 25 april 2019 in overeenstemming zijn met de grondwet en met het Unierecht. Er is volgens hem geen enkel verschil tussen deze benoemingen en alle andere rechterlijke benoemingen die sinds de vaststelling van de grondwet in 1964 hebben plaatsgevonden, met uitzondering van het feit dat, anders dan de benoemingen van vóór 2016, de geschiktheid van de in 2019 voorgedragen kandidaten voor de betrokken functie is onderzocht door de bij artikel 96A van de grondwet ingestelde commissie voor rechterlijke benoemingen. De door Repubblika aangevoerde argumenten hebben dus in feite betrekking op alle rechterlijke benoemingen die tot op heden hebben plaatsgevonden.

13

Volgens de minister-president voldoet de benoemingsprocedure in kwestie aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgelegd door het Hof.

14

De verwijzende rechter is van oordeel dat het aspect dat het Hof in casu dient te toetsen aan artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, betrekking heeft op de discretionaire bevoegdheid die de artikelen 96, 96A en 100 van de grondwet aan de minister-president verlenen in het kader van de procedure voor de benoeming van rechters. Bovendien rijst volgens hem de vraag of de in de loop van 2016 doorgevoerde grondwetswijziging een verbetering van de betrokken procedure heeft teweeggebracht.

15

In die omstandigheden heeft de Prim’Awla tal-Qorti Ċivili – Ġurisdizzjoni Kostituzzjonali (burgerlijke rechter, eerste kamer, zittend als grondwettelijk hof, Malta) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moeten artikel 19, lid 1[, tweede alinea], VEU en artikel 47 van het [Handvest], afzonderlijk of in onderlinge samenhang gelezen, worden geacht van toepassing te zijn met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de artikelen 96, 96A en 100 van de grondwet [van Malta]?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de bevoegdheid van de minister-president in de procedure voor de benoeming van rechters in Malta dan worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het [Handvest], mede in het licht van artikel 96A van de grondwet, dat in werking is getreden in 2016?

3)

Indien de bevoegdheid van de minister-president niet in overeenstemming is met die bepalingen, moet deze omstandigheid dan alleen in aanmerking worden genomen bij toekomstige benoemingen of dient zij ook gevolgen te hebben voor eerdere benoemingen?”

Verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure en procedure bij het Hof

16

De Prim’Awla tal-Qorti Ċivili – Ġurisdizzjoni Kostituzzjonali heeft in zijn verwijzingsbeslissing verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

17

Ter ondersteuning van zijn verzoek betoogt de verwijzende rechter in wezen dat de vragen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn, van nationaal belang zijn, aangezien het antwoord erop van invloed kan zijn op de rechtszekerheid in verband met de rechterlijke beslissingen die reeds door de verschillende Maltese rechterlijke instanties, met inbegrip van de in april 2019 benoemde rechters, zijn gegeven, alsmede op de grondslagen en de continuïteit van het Maltese rechtsstelsel. Daarbij komt dat in de nabije toekomst verschillende rechters de pensioengerechtigde leeftijd zullen bereiken en dat, indien zij in de loop van de huidige procedure niet door anderen worden vervangen, de daaruit voortvloeiende werkdruk voor de overblijvende rechters afbreuk zou kunnen doen aan het fundamentele recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn.

18

Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen om een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen een korte termijn vereist.

19

In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument is om het hoofd te bieden aan een buitengewone noodsituatie [arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 48].

20

Bovendien volgt eveneens uit de rechtspraak van het Hof dat de versnelde procedure niet mag worden toegepast wanneer de gevoelige en ingewikkelde aard van de juridische kwesties die aan de orde zijn in een zaak zich moeilijk leent tot de toepassing van een dergelijke procedure, met name wanneer het niet wenselijk is om de schriftelijke behandeling voor het Hof te verkorten [arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 49].

21

In casu heeft de president van het Hof op 19 december 2019, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist het in punt 16 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek van de verwijzende rechter af te wijzen.

22

Om te beginnen heeft de verwijzende rechter namelijk zelf geoordeeld dat het hoofdgeding niet dermate spoedeisend was dat voorlopige maatregelen gerechtvaardigd waren. Voorts is het belang van de gevolgen van het arrest van het Hof in de onderhavige zaak voor het Maltese gerechtelijk apparaat als zodanig geen reden om aan te nemen dat er sprake is van de vereiste spoedeisendheid om een behandeling volgens de versnelde procedure te rechtvaardigen. Ten slotte werpt de onderhavige zaak gevoelige en ingewikkelde vragen op, die rechtvaardigen dat niet wordt afgeweken van de gewone procedureregels voor prejudiciële verwijzingen.

23

Diezelfde dag heeft de president van het Hof ook beslist om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang te berechten.

24

Ter terechtzitting van 27 oktober 2020 is het Hof ervan op de hoogte gesteld dat in juli 2020, naar aanleiding van de aanbevelingen betreffende het stelsel van rechterlijke benoemingen in advies nr. 940/2018 van de Commissie van Venetië van 17 december 2018, enkele wijzigingen in de grondwet waren aangebracht en dat deze wijzigingen voorwerp waren geweest van advies nr. 993/2020 van die commissie van 8 oktober 2020 betreffende de tien wetten en wetsontwerpen tot omzetting van de wetgevingsvoorstellen die zijn opgenomen in het advies van de Commissie van Venetië van 17 december 2018 [CDL-AD (2020)019].

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

25

Volgens de Poolse regering zijn de prejudiciële vragen om twee redenen niet-ontvankelijk.

26

De Poolse regering herinnert er om te beginnen aan dat de verwijzende rechter het Hof prejudiciële vragen heeft gesteld opdat hij aan de hand van de antwoorden op die vragen kan beslissen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Maltese wettelijke bepalingen verenigbaar zijn met het Unierecht. De bevoegdheid om op grond van de artikelen 258 en 259 VWEU de verenigbaarheid van bepalingen van nationaal recht met het Unierecht te beoordelen, komt enkel toe aan het Hof, met uitsluiting van de nationale rechterlijke instanties, en enkel de Europese Commissie of een lidstaat kan een procedure op grond van die bepalingen van het Unierecht inleiden. Aangezien anders de procedure van de artikelen 258 en 259 VWEU zou worden omzeild, kan een nationale rechterlijke instantie zich dus niet uitspreken over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht op basis van de uitlegging die daaraan is gegeven in het kader van de prejudiciële procedure, voor zover het Hof zichzelf niet bevoegd acht om die verenigbaarheid in het kader van laatstgenoemde procedure te toetsen. De uitlegging van het Unierecht door het Hof in het kader van de onderhavige procedure kan dus niet noodzakelijk worden geacht voor de beslissing in het hoofdgeding, in de zin van artikel 267 VWEU.

27

In dit verband zij erop gewezen dat de verwijzende rechter, zoals blijkt uit het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, van oordeel is dat hij het Hof dient te verzoeken om uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, aangezien hij in het kader van een krachtens het nationale recht bij hem ingestelde actio popularis twijfels heeft over de vraag of de nationale bepalingen betreffende de procedure voor de benoeming van rechters verenigbaar zijn met deze Unierechtelijke bepalingen.

28

De prejudiciële verwijzingsprocedure van artikel 267 VWEU is juist een procedure van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten. In het kader van deze procedure, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof, behoort elke beoordeling van de feiten van de zaak tot de bevoegdheid van de nationale rechter, die – gelet op de bijzonderheden van het geval – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de aan het Hof voorgelegde vragen dient te beoordelen, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is om zich op basis van de door de nationale rechter vermelde feiten uit te spreken over de uitlegging of de geldigheid van een Uniebepaling (arresten van 25 oktober 2017, Polbud – Wykonawstwo, C‑106/16, EU:C:2017:804, punt 27, en 30 mei 2018, Dell’Acqua, C‑370/16, EU:C:2018:344, punt 31).

29

In dit verband moet onderscheid worden gemaakt tussen de taak van het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing, zoals in casu, en de taak van het Hof in het kader van een beroep wegens niet-nakoming. Terwijl het Hof namelijk in het kader van een beroep wegens niet-nakoming moet toetsen of de door de Commissie of een andere dan de betrokken lidstaat ter discussie gestelde nationale maatregel of praktijk in algemene zin in strijd is met het Unierecht, zonder dat er dienaangaande een geding aanhangig moet zijn bij de nationale rechters, heeft het in een prejudiciële procedure tot taak de verwijzende rechter bij te staan bij de beslechting van het bij die rechter aanhangige concrete geding (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 47).

30

Tevens zij eraan herinnerd dat het Hof, hoewel het in het kader van de prejudiciële procedure niet bevoegd is om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van bepalingen van nationaal recht met het Unierecht, daarentegen wel bevoegd is om de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot dit recht te verschaffen die hem in staat stellen die verenigbaarheid te beoordelen bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (arrest van 26 januari 2010, Transportes Urbanos y Servicios Generales, C‑118/08, EU:C:2010:39, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan de verwijzende rechter om een dergelijke beoordeling te verrichten in het licht van de aldus door het Hof verstrekte uitleggingsgegevens.

31

Hieruit volgt dat het in punt 26 van het onderhavige arrest vermelde bezwaar van de Poolse regering volgens hetwelk met de beantwoording van de overeenkomstig artikel 267 VWEU door de verwijzende rechter in de onderhavige zaak gestelde vragen de artikelen 258 en 259 VWEU zouden worden omzeild, moet worden afgewezen.

32

In de tweede plaats merkt de Poolse regering op dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, op grond waarvan de lidstaten moeten voorzien in daadwerkelijke rechtsmiddelen op de onder het Unierecht vallende gebieden, noch de kern van het beginsel van bevoegdheidstoedeling, noch de omvang van de bevoegdheden van de Unie wijzigt. Integendeel, deze bepaling is gebaseerd op het uitgangspunt dat het bij gebreke van bevoegdheid van de Unie op het gebied van de rechterlijke organisatie, aan de lidstaten staat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en passende procedureregels vast te stellen ter verzekering van de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtsorde van de Unie ontlenen. Bijgevolg kan uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU geen enkele specifieke regeling voor de benoeming van rechters of de organisatie van de nationale rechterlijke instanties worden afgeleid. Artikel 47 van het Handvest is in casu niet van toepassing. Repubblika heeft namelijk een actio popularis ingesteld, maar beroept zich niet op een subjectief recht dat zij aan het Unierecht zou ontlenen. Derhalve wordt in casu geen Unierecht „ten uitvoer gebracht” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

33

In dit verband kan worden volstaan met op te merken dat de aldus door de Poolse regering aangevoerde bezwaren in wezen betrekking hebben op de draagwijdte zelf van het Unierecht, met name van artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest, en dus op de uitlegging van deze bepalingen. Dergelijke argumenten, die betrekking hebben op de kern van de prejudiciële vragen, kunnen dus per definitie niet leiden tot niet-ontvankelijkheid daarvan [arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 80].

34

De prejudiciële vragen zijn bijgevolg ontvankelijk.

Eerste vraag

35

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij kunnen worden toegepast in een zaak waarin bij een nationale rechterlijke instantie een krachtens het nationale recht ingesteld beroep aanhangig is dat ertoe strekt dat die rechterlijke instantie zich uitspreekt over de verenigbaarheid met het Unierecht van nationale bepalingen inzake de procedure voor de benoeming van rechters in de lidstaat waartoe die rechterlijke instantie behoort.

36

Ten eerste moet aangaande de materiële werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in herinnering worden gebracht dat deze bepaling van toepassing is „op de onder het recht van de Unie vallende gebieden”, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, ten uitvoer brengen [arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 29, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37

Ten tweede moet elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU met name verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instanties” in de zin van het Unierecht deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, en die derhalve in die hoedanigheid uitspraak kunnen doen over de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming [arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak]

38

In dit verband staat vast dat de Maltese rechters kan worden verzocht om te oordelen over vragen die verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht en dat zij, als „rechterlijke instanties” in de zin van het Unierecht, deel uitmaken van het Maltese stelsel van beroepsmogelijkheden „op de onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat deze rechterlijke instanties moeten voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

39

Voorts blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing alsook uit de punten 9 tot en met 11 van het onderhavige arrest dat bij de verwijzende rechter een krachtens het nationale recht ingesteld beroep aanhangig is waarin Repubblika betoogt dat de bepalingen betreffende de procedure voor de benoeming van Maltese rechters met name onverenigbaar zijn met de door het Unierecht gestelde vereisten van onafhankelijkheid van de gerechtelijke stelsels van de lidstaten. Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is bedoeld om te worden toegepast in het kader van een beroep dat ertoe strekt de verenigbaarheid met het recht van de Unie aan de orde te stellen van bepalingen van nationaal recht die de onafhankelijkheid van de rechters zouden kunnen aantasten (zie naar analogie arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punten 1113 en 46‑52).

40

Wat voorts artikel 47 van het Handvest betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat deze bepaling – die het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming opnieuw bevestigt – eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht biedt op een doeltreffende voorziening in rechte [arresten van 27 juni 2013, Agrokonsulting‑04, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 59, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41

De erkenning van dit recht veronderstelt derhalve in een bepaald geval, zoals blijkt uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden [arresten van 6 oktober 2020, État luxembourgeois (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 55, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 88].

42

Uit de gegevens in de verwijzingsbeslissing blijkt niet dat Repubblika zich in het hoofdgeding beroept op een recht dat haar door een bepaling van Unierecht is verleend. In dit geding draait het immers om de vraag of grondwettelijke bepalingen inzake rechterlijke benoemingen verenigbaar zijn met het Unierecht.

43

Repubblika betwist weliswaar ook de rechtmatigheid van de benoemingen van 25 april 2019 en elke latere benoeming die niet in overeenstemming is met de aanbevelingen van advies nr. 940/2018 van de Commissie van Venetië van 17 december 2018 en met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest, doch die betwisting is echter slechts gebaseerd op de gestelde onverenigbaarheid met het Unierecht van de voornoemde grondwettelijke bepalingen op basis waarvan tot deze benoemingen is besloten, zonder dat Repubblika zich beroept op een uit die aanstellingen voortvloeiende schending van een recht dat haar op grond van een bepaling van het Unierecht zou toekomen.

44

In die omstandigheden is artikel 47 van het Handvest, overeenkomstig artikel 51, lid 1, daarvan, als zodanig niet van toepassing op het hoofdgeding.

45

Aangezien echter artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU alle lidstaten verplicht te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om op de onder het Unierecht vallende gebieden een daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te verzekeren, dient laatstgenoemd artikel naar behoren in aanmerking te worden genomen voor de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [arresten van 14 juni 2017, Online Games e.a., C‑685/15, EU:C:2017:452, punt 54, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 143 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

46

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het kan worden toegepast in een zaak waarin bij een nationale rechterlijke instantie een krachtens het nationale recht ingesteld beroep aanhangig is dat ertoe strekt dat die rechterlijke instantie zich uitspreekt over de verenigbaarheid met het Unierecht van nationale bepalingen inzake de procedure voor de benoeming van rechters in de lidstaat waartoe die rechterlijke instantie behoort. Bij de uitlegging van die bepaling dient artikel 47 van het Handvest naar behoren in aanmerking te worden genomen.

Tweede vraag

47

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen die de minister-president van de betrokken lidstaat een doorslaggevende bevoegdheid verlenen in de procedure voor de benoeming van rechters, maar tevens bepalen dat bij deze procedure een orgaan betrokken is dat met name belast is met de beoordeling van de kandidaat-rechters en met het uitbrengen van een advies aan die minister-president.

48

In dit verband zij eraan herinnerd dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, maar dat dit niet wegneemt dat deze bij de uitoefening van die bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht. Dit kan met name het geval zijn met betrekking tot nationale regels betreffende de vaststelling van besluiten tot benoeming van rechters [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en punt 79].

49

Artikel 19 VEU draagt de nationale rechterlijke instanties en het Hof op om te waarborgen dat het Unierecht in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen [arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 108].

50

In dat opzicht staat het, zoals artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt, aan de lidstaten om te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures om de justitiabelen een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren, alsook om te verzekeren dat de tot dat stelsel behorende rechterlijke instanties die uitspraak kunnen doen over de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming [arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punten 109 en 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

51

In deze context is de onafhankelijkheid van de rechters van de lidstaten om verschillende redenen van fundamenteel belang voor de rechtsorde van de Unie (arrest van 9 juli 2020, Land Hessen, C‑272/19, EU:C:2020:535, punt 45). Zij is derhalve essentieel voor de goede werking van het stelsel van rechterlijke samenwerking, dat gestalte krijgt in het in artikel 267 VWEU neergelegde mechanisme van de prejudiciële verwijzing, doordat dit mechanisme slechts in werking kan worden gesteld door een instantie die tot taak heeft om het Unierecht toe te passen en die met name voldoet aan dat onafhankelijkheidscriterium (zie met name arrest van 21 januari 2020, Banco de Santander, C‑274/14, EU:C:2020:17, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien behoort het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, tot de kern van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg dat alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten worden beschermd en tevens de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name van de rechtsstaat, worden behouden [zie in die zin arresten van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie, C‑542/18 RX II en C‑543/18 RX II, EU:C:2020:232, punten 70 en 71, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak]

52

Terwijl artikel 47 van het Handvest bijdraagt tot de eerbiediging van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming van iedere justitiabele die zich in een bepaald geval beroept op een recht dat hij aan het Unierecht ontleent, beoogt artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dus te verzekeren dat het door elke lidstaat ingestelde stelsel van rechtsmiddelen de daadwerkelijke rechtsbescherming verzekert op de onder het Unierecht vallende gebieden.

53

Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn voor de krachtens Unierecht vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van de rechterlijke instanties en de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van hun leden. Die regels moeten geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat deze instanties zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen [arresten van 19 september 2006, Wilson, C‑506/04, EU:C:2006:587, punt 53; 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 66, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54

In overeenstemming met het voor de werking van een rechtsstaat kenmerkende beginsel van de scheiding der machten, moet met name worden gewaarborgd dat de rechterlijke macht onafhankelijk is ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 124, en 2 maart 2021, A.B. e.a.(Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 118].

55

In dit verband is het van belang dat rechters worden behoed voor druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid in gevaar zou kunnen brengen. De in punt 53 van dit arrest genoemde regels moeten het met name mogelijk maken niet alleen elke rechtstreekse beïnvloeding – in de vorm van instructies – uit te sluiten, maar ook de meer indirecte vormen van beïnvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters zouden kunnen sturen [arresten van 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy), C‑619/18, EU:C:2019:531, punt 112, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 119].

56

Met name wat betreft de voorwaarden waaronder de besluiten tot benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy worden vastgesteld, heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad te preciseren dat het enkele feit dat de betrokken rechters worden benoemd door de president van de republiek van een lidstaat niet betekent dat zij afhankelijk worden van dit staatshoofd, en evenmin dat er twijfels kunnen rijzen over hun onpartijdigheid, mits zij, wanneer zij eenmaal zijn benoemd, aan geen enkele druk worden onderworpen en in het kader van de vervulling van hun ambt geen instructies ontvangen [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 133, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 122].

57

Het Hof heeft evenwel ook aangegeven dat het noodzakelijk bleef om te waarborgen dat deze benoemingsbesluiten worden vastgesteld op grond van zodanige basisvoorwaarden en procedureregels dat daardoor bij de justitiabelen geen gerechtvaardigde twijfels kunnen rijzen over de vraag of de betrokken rechters, wanneer zij eenmaal zijn benoemd, zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en dat daartoe met name van belang is dat deze voorwaarden en regels zo worden opgesteld dat zij voldoen aan de in punt 55 van het onderhavige arrest gestelde eisen [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punten 134 en 135, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 123].

58

In casu hebben de twijfels van de verwijzende rechter aangaande artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in wezen betrekking op nationale bepalingen die de minister-president van de betrokken lidstaat een beslissende bevoegdheid verlenen in de procedure voor de benoeming van rechters, maar tevens bepalen dat bij deze procedure een orgaan betrokken is dat met name belast is met de beoordeling van de kandidaat-rechters en met het uitbrengen van een advies aan die minister-president.

59

In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, de voor de benoeming van rechters geldende grondwettelijke bepalingen vanaf hun vaststelling in 1964 tot aan de hervorming van de grondwet in 2016 – waarbij de in artikel 96A van die grondwet bedoelde commissie voor rechterlijke benoemingen is ingesteld – ongewijzigd zijn gebleven. Vóór deze hervorming werd de bevoegdheid van de minister-president slechts beperkt door het vereiste dat kandidaat-rechters moesten voldoen aan de grondwettelijke voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een dergelijke functie.

60

De Republiek Malta is dus op basis van de bepalingen van de grondwet die vóór die hervorming van kracht waren, krachtens artikel 49 VEU tot de Europese Unie toegetreden.

61

Uit artikel 49 VEU, dat elke Europese staat de mogelijkheid biedt te verzoeken lid te worden van de Unie, volgt dat de Unie staten omvat die geheel uit vrije wil de thans in artikel 2 VEU bedoelde gemeenschappelijke waarden hebben onderschreven, die deze waarden eerbiedigen en die zich ertoe verbinden deze waarden te bevorderen.

62

Inzonderheid uit artikel 2 VEU vloeit voort dat de Unie berust op waarden, zoals de rechtsstaat, die de lidstaten gemeen hebben in een samenleving die met name wordt gekenmerkt door rechtvaardigheid. Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten en, in het bijzonder, hun rechterlijke instanties, gebaseerd is op de fundamentele premisse dat de lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden delen waarop de Unie berust, zoals wordt gepreciseerd in dat artikel [zie in die zin advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 168, en arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 30].

63

Hieruit volgt dat de eerbiediging door een lidstaat van de in artikel 2 VEU neergelegde waarden een voorwaarde is voor het genot van alle rechten die uit de toepassing van de Verdragen op die lidstaat voortvloeien. Een lidstaat mag zijn wettelijke regeling dus niet zodanig wijzigen dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de waarde van de rechtsstaat, welke waarde met name is geconcretiseerd in artikel 19 VEU [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 108].

64

De lidstaten dienen er dus voor te zorgen dat zij wat deze waarde betreft elke teruggang in hun wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie vermijden, door geen regels vast te stellen die de onafhankelijkheid van de rechters zouden ondermijnen [zie naar analogie arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 40].

65

In deze context heeft het Hof in wezen reeds geoordeeld dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen betreffende de rechterlijke organisatie die in de betrokken lidstaat een teruggang kunnen betekenen voor de bescherming van de waarde van de rechtsstaat, in het bijzonder van de waarborgen voor de onafhankelijkheid van rechters [zie in die zin arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, en 2 maart 2021, A.B. e.a.
(Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153].

66

De betrokkenheid – in het kader van een procedure voor de benoeming van rechters – van een orgaan als de commissie voor rechterlijke benoemingen, die bij de hervorming van de grondwet in 2016 bij artikel 96A daarvan is ingesteld, kan evenwel in beginsel bijdragen tot een objectivering van die procedure, doordat de speelruimte waarover de minister-president beschikt bij de uitoefening van de hem in dit verband verleende bevoegdheid wordt beperkt. Verder is het noodzakelijk dat een dergelijk orgaan zelf voldoende onafhankelijk is van de wetgevende en de uitvoerende macht en van de instantie waaraan het advies moet uitbrengen over de beoordeling van de kandidaat-rechters [zie naar analogie arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punten 137 en 138, en 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punten 124 en 125].

67

In casu blijkt een aantal regels, die door de verwijzende rechter worden genoemd, de onafhankelijkheid van de commissie voor rechterlijke benoemingen ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te kunnen waarborgen. Dit geldt voor de regels van artikel 96A, leden 1 tot en met 3, van de grondwet betreffende de samenstelling van deze commissie en het verbod voor politieke personen om er deel van uit te maken. Dit geldt ook voor de bij artikel 96A, lid 4, van de grondwet aan de leden van deze commissie opgelegde verplichting om volledig autonoom en zonder te zijn onderworpen aan instructies of toezicht van enige andere persoon of instantie te handelen, alsmede voor de verplichting voor die commissie om, met instemming van de minister van Justitie, de criteria bekend te maken waarop zij haar beoordelingen baseert, hetgeen ook is gebeurd, zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

68

Bovendien heeft de verwijzende rechter in de onderhavige zaak geen twijfels geuit over de omstandigheden waaronder de leden van de bij artikel 96A van de grondwet ingestelde commissie zijn aangewezen of over de wijze waarop dit orgaan zijn rol concreet vervult.

69

De instelling, bij artikel 96A van de grondwet, van de commissie voor rechterlijke benoemingen blijkt dus de waarborg van de rechterlijke onafhankelijkheid te versterken.

70

In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, zoals met name de Commissie naar voren brengt, de minister-president overeenkomstig de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen bij rechterlijke benoemingen weliswaar over een zekere bevoegdheid beschikt, maar dat de uitoefening van die bevoegdheid wordt beperkt door de vereisten inzake beroepservaring waaraan kandidaat-rechters moeten voldoen, welke vereisten zijn neergelegd in artikel 96, lid 2, en artikel 100, lid 2, van de grondwet.

71

Bovendien kan de minister-president weliswaar besluiten om aan de president van de Republiek een kandidaat voor te leggen die niet is voorgedragen door de bij artikel 96A van de grondwet ingestelde commissie voor rechterlijke benoemingen, maar is hij in een dergelijk geval overeenkomstig artikel 96, lid 4, en artikel 100, lid 6, van de grondwet niettemin verplicht zijn redenen voor dit besluit mee te delen aan het huis van afgevaardigden en, behalve wat de benoeming van de opperrechter betreft, deze middels een in de Gazzetta tal-Gvern ta’ Malta gepubliceerde verklaring bekend te maken. Voor zover de minister-president deze bevoegdheid slechts in zeer uitzonderlijke gevallen uitoefent en zich houdt aan de strikte en daadwerkelijke naleving van die motiveringsplicht, kan deze bevoegdheid geen aanleiding geven tot gerechtvaardigde twijfels over de onafhankelijkheid van de gekozen kandidaten.

72

Gelet op een en ander blijken de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen inzake rechterlijke benoemingen op zichzelf dus niet van dien aard te zijn, dat zij bij de justitiabelen gerechtvaardigde twijfels kunnen doen rijzen omtrent de ongevoeligheid van de benoemde rechters voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte beïnvloeding door de wetgevende en uitvoerende macht, en omtrent hun onpartijdigheid ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en er aldus toe kunnen leiden dat deze rechters niet als onafhankelijk of onpartijdig worden beschouwd, hetgeen het vertrouwen zou ondermijnen dat de rechtspleging in een democratische samenleving in een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken.

73

Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale bepalingen die de minister-president van de betrokken lidstaat een doorslaggevende bevoegdheid verlenen in de procedure voor de benoeming van rechters, maar tevens bepalen dat bij deze procedure een onafhankelijk orgaan betrokken is dat met name belast is met de beoordeling van de kandidaat-rechters en met het uitbrengen van een advies aan die minister-president.

Derde vraag

74

Gelet op het antwoord op de tweede vraag, behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

75

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het kan worden toegepast in een zaak waarin bij een nationale rechterlijke instantie een krachtens het nationale recht ingesteld beroep aanhangig is dat ertoe strekt dat die rechterlijke instantie zich uitspreekt over de verenigbaarheid met het Unierecht van nationale bepalingen inzake de procedure voor de benoeming van rechters in de lidstaat waartoe die rechterlijke instantie behoort. Bij de uitlegging van die bepaling dient artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie naar behoren in aanmerking te worden genomen.

 

2)

Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale bepalingen die de minister-president van de betrokken lidstaat een doorslaggevende bevoegdheid verlenen in de procedure voor de benoeming van rechters, maar tevens bepalen dat bij deze procedure een onafhankelijk orgaan betrokken is dat met name belast is met de beoordeling van de kandidaat-rechters en met het uitbrengen van een advies aan die minister-president.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Maltees.

Top