EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0869

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 mei 2022.
L tegen Unicaja Banco SA.
Verzoek van de Tribunal Supremo om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Gelijkwaardigheidsbeginsel – Doeltreffendheidsbeginsel – Hypotheekovereenkomst – Oneerlijk karakter van het ‚bodemrentebeding’ waarin deze overeenkomst voorziet – Nationale regeling inzake de gerechtelijke procedure in hoger beroep – Beperking in de tijd van de gevolgen van de nietigverklaring van een oneerlijk beding – Terugbetaling – Bevoegdheid tot ambtshalve toetsing van de nationale rechter die in hoger beroep uitspraak doet.
Zaak C-869/19.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2022:397

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

17 mei 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Gelijkwaardigheidsbeginsel – Doeltreffendheidsbeginsel – Hypotheekovereenkomst – Oneerlijk karakter van het ‚bodemrentebeding’ waarin deze overeenkomst voorziet – Nationale regeling inzake de gerechtelijke procedure in hoger beroep – Beperking in de tijd van de gevolgen van de nietigverklaring van een oneerlijk beding – Terugbetaling – Bevoegdheid tot ambtshalve toetsing van de nationale rechter die in hoger beroep uitspraak doet”

In zaak C-869/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 27 november 2019, ingekomen bij het Hof op 28 november 2019, in de procedure

L

tegen

Unicaja Banco SA, voorheen Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria SAU,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Arabadjiev, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Regan, S. Rodin (rapporteur) en I. Jarukaitis, kamerpresidenten, M. Ilešič, J.-C. Bonichot, M. Safjan, F. Biltgen, P. G. Xuereb, N. Piçarra, L. S. Rossi en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 april 2021,

gelet op de opmerkingen van:

–        L, vertegenwoordigd door M. Pérez Peña, abogado,

–        Unicaja Banco SA, voorheen Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria SAU, vertegenwoordigd door J. M. Rodríguez Cárcamo en A. M. Rodríguez Conde, abogados,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta en M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en S. Šindelková als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Rocchitta, avvocato dello Stato,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Ruiz García, J. Baquero Cruz en C. Valero als gemachtigden,

–        het Koninkrijk Noorwegen, vertegenwoordigd door L.-M. Moen Jünge, M. Nilsen en J. T. Kaasin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen L en Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria SAU, waarvan Unicaja Banco SA de rechtsopvolger is (hierna samen: „bankinstelling”), over het feit dat een middel inzake schending van het Unierecht niet ambtshalve door de nationale rechter in hoger beroep is onderzocht.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Volgens de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 moeten „de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen [...] beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4        Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

 Spaans recht

5        Artikel 1303 van de Código Civil (burgerlijk wetboek) bepaalt:

„Wanneer een verbintenis nietig is verklaard, zijn de partijen bij de overeenkomst verplicht tot wederzijdse teruggave van de zaken waarop de overeenkomst betrekking had, alsmede van de door deze zaken voortgebrachte vruchten en van de prijs vermeerderd met rente, behalve in de gevallen als bedoeld in de hiernavolgende artikelen.”

6        Artikel 216 van Ley 1/2000 de Enjuiciamiento Civil (wet 1/2000 houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 7 januari 2000 (BOE nr. 7 van 8 januari 2000, blz. 575; hierna: „LEC”) bepaalt:

„De civiele rechter beslist over de zaak op grond van de feiten, bewijzen en conclusies die de partijen hebben aangevoerd, met uitzondering van de bijzondere gevallen waarin de wet anders bepaalt.”

7        Artikel 218, lid 1, LEC bepaalt:

„Vonnissen moeten duidelijk en eenduidig zijn en samenhangen met de vorderingen en de overige conclusies die de partijen in de loop van het geding naar voren hebben gebracht. Zij bevatten de verklaringen waartoe deze vorderingen en conclusies nopen, stellen de gedaagde in het gelijk of in het ongelijk en beslechten alle aan de orde gestelde geschilpunten.

Zonder af te wijken van de grondslag van de eis door uit te gaan van andere feitelijke of juridische argumenten dan die welke de partijen naar voren hebben willen brengen, beslist de rechter volgens de op de zaak toepasselijke regels, ook al hebben de partijen in het geding deze niet juist vermeld of aangevoerd.”

8        Artikel 465, lid 5, LEC luidt:

„In de beschikking die of het arrest dat in hoger beroep wordt gewezen, wordt uitsluitend uitspraak gedaan over de punten en aangelegenheden die aan de orde worden gesteld in het verzoekschrift in hoger beroep en eventueel in de memorie van antwoord of de memorie van antwoord in incidenteel appel, als bedoeld in artikel 461. De beslissing mag de appellant slechts tot nadeel strekken voor zover dat nadeel het gevolg is van het feit dat het incidenteel appel, dat is ingesteld door de partij die aanvankelijk de geïntimeerde was, wordt toegewezen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        De bankinstelling heeft bij overeenkomst van 22 maart 2006 aan L een hypothecaire lening verstrekt ten bedrage van 120 000 EUR om de aankoop van een eengezinswoning te financieren. Deze lening moest worden afgelost in 360 maandelijkse termijnen en werd voor het eerste jaar aangegaan tegen een vaste rente van 3,35 %. Voor de overige jaren was er sprake van een variabele rente, die werd berekend door 0,52 % op te tellen bij het Euribor-tarief over één jaar. De overeenkomst voorzag in een „bodemrentebeding” op grond waarvan de variabele rente niet lager dan 3 % kon zijn.

10      De verwijzende rechter geeft aan dat de bankinstelling het „bodemrentebeding” op L heeft toegepast in 2009, toen het Euribor-tarief sterk is gedaald. In januari 2016 heeft L bij de Juzgado de Primera Instancia de Valladolid (rechter in eerste aanleg Valladolid, Spanje) tegen deze bankinstelling een vordering ingesteld tot nietigverklaring van dat beding en tot veroordeling van de bankinstelling tot terugbetaling van de bedragen die zij op grond van dat beding ten onrechte heeft ontvangen. Volgens L was hij niet naar behoren geïnformeerd over het bestaan van dat beding en over het belang ervan voor de betrokken leningsovereenkomst, zodat het wegens gebrek aan transparantie oneerlijk moest worden verklaard. In haar verweer voerde de bankinstelling aan dat L op de hoogte was gebracht van de opneming van dat beding in de leningsovereenkomst.

11      Bij vonnis van 6 juni 2016 heeft de Juzgado de Primera Instancia de Valladolid de vordering toegewezen, waarbij is geoordeeld dat het „bodemrentebeding” oneerlijk was omdat het niet transparant was. De Juzgado de Primera Instancia de Valladolid heeft de bankinstelling dan ook veroordeeld tot terugbetaling aan L van de ten onrechte ontvangen bedragen, vermeerderd met rente. De rechter in eerste aanleg heeft echter geoordeeld dat de terugbetalingsverplichting overeenkomstig het arrest van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) nr. 241/2013 van 9 mei 2013 (hierna: „arrest van 9 mei 2013”) pas op 9 mei 2013 inging. In dat arrest werden de gevolgen van de nietigverklaring van een dergelijk „bodemrentebeding” beperkt in de tijd. Deze rechter heeft de bankinstelling verder ook in de kosten verwezen.

12      Op 14 juli 2016 heeft de bankinstelling bij de Audiencia Provincial de Valladolid (rechter in tweede aanleg Valladolid, Spanje) hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld, voor zover zij daarbij werd verwezen in alle kosten. Zij betoogde dat, aangezien de vordering van L slechts gedeeltelijk was toegewezen wegens de beperking in de tijd van de gevolgen van de nietigverklaring van het betrokken beding, zij niet in alle kosten van die vordering had mogen worden verwezen.

13      Bij arrest van 13 januari 2017 heeft de rechter in hoger beroep het beroep toegewezen en het vonnis in eerste aanleg vernietigd voor zover de bankinstelling daarbij was verwezen in de kosten. De verwijzende rechter verduidelijkt dat de rechter in hoger beroep het dictum van dit vonnis niet heeft gewijzigd voor zover het betrekking heeft op de terugbetalingsplicht die uit de nietigheid van dat beding voortvloeide, aangezien dat niet het voorwerp van het hoger beroep uitmaakte. Hij voegt daaraan toe dat de rechter in hoger beroep zich voor de gedeeltelijke vernietiging van het vonnis in eerste aanleg niet heeft gebaseerd op het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980). In dit arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich verzet tegen nationale rechtspraak – zoals die welke volgt uit het arrest van 9 mei 2013 – volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

14      L heeft tegen het arrest in hoger beroep cassatieberoep ingesteld bij de Tribunal Supremo. Ter ondersteuning van zijn cassatieberoep voerde L aan dat de Audiencia Provincial de Valladolid het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980), niet heeft toegepast en niet ambtshalve de volledige terugbetaling van de op grond van het „bodemrentebeding” betaalde bedragen heeft gelast. Daardoor is het arrest van de Audiencia Provincial in strijd met onder meer artikel 1303 van het burgerlijk wetboek, dat de uit de nietigheid van verbintenissen en overeenkomsten voortvloeiende terugbetalingsplicht regelt, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, op grond waarvan oneerlijke bedingen de consument niet binden. De bankinstelling heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep op grond dat L geen hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg voor zover daarbij de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de nietigheid van het betrokken oneerlijke beding in de tijd werd beperkt, zodat zij geen cassatieberoep kon instellen met betrekking tot de beperking van die plicht in de tijd.

15      De verwijzende rechter zet uiteen dat consumenten in de gedingen die bij de Spaanse rechterlijke instanties aanhangig waren op de datum van het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980) – waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 zich verzet tegen de in het arrest van 9 mei 2013 ontwikkelde rechtspraak van de Tribunal Supremo waarbij de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit de nietigheid van „bodemrentebedingen” in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers beperkt is in de tijd –, hun vordering tot terugbetaling overeenkomstig die nationale rechtspraak hadden beperkt tot de bedragen die zij na 9 mei 2013 onverschuldigd hadden voldaan. In casu heeft de Audiencia Provincial de Valladolid op grond van verschillende beginselen van de Spaanse civiele procedure, zoals het lijdelijkheidsbeginsel, het beginsel van samenhang tussen de aangevoerde vorderingen en de in het dictum vervatte uitspraken, en het verbod van reformatio in peius, niet de volledige terugbetaling van de op grond van het „bodemrentebeding” ontvangen bedragen gelast, aangezien L geen hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg.

16      In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat het in artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 neergelegde beginsel dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, geen absoluut beginsel is en dus aan beperkingen kan worden onderworpen die verband houden met een goede rechtsbedeling, zoals het gezag van gewijsde of de vaststelling van redelijke vervaltermijnen. De regel van Spaans recht dat indien een deel van het dictum van een vonnis door geen van de partijen wordt betwist de rechter in hoger beroep dat deel niet buiten toepassing kan laten of kan wijzigen, vertoont bepaalde overeenkomsten met het gezag van gewijsde, aldus de verwijzende rechter.

17      Deze rechter betwijfelt echter of het lijdelijkheidsbeginsel, het beginsel van samenhang en het verbod van reformatio in peius als bedoeld in het nationale recht verenigbaar zijn met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13. Meer in het bijzonder vraagt de verwijzende rechter zich in het licht van het arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980), af of een nationale rechterlijke instantie die kennisneemt van een procedure waarin alleen de bankinstelling – en niet de consument – hoger beroep heeft ingesteld, niettegenstaande deze beginselen de terugbetaling moet gelasten van alle bedragen die op grond van het oneerlijke beding zijn ontvangen.

18      Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staat artikel 6, lid 1, van richtlijn [93/13] in de weg aan de toepassing van de procedurele beginselen van lijdelijkheid, van samenhang en van het verbod van reformatio in peius, op grond waarvan de rechter die kennisneemt van het door de bank ingestelde hoger beroep tegen een vonnis dat de terugbetaling in de tijd beperkt van bedragen die door de consument onverschuldigd zijn voldaan op grond van een nietig verklaard ‚bodemrentebeding’, geen volledige terugbetaling van voornoemde bedragen kan gelasten en daardoor de verzoekende partij in een nadeliger situatie plaatst, omdat zij die beperking niet heeft aangevochten?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

19      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van beginselen van nationaal procesrecht volgens welke de nationale rechter bij wie hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat de terugbetaling in de tijd beperkt van bedragen die door de consument onverschuldigd zijn voldaan op grond van een oneerlijk verklaard beding, niet ambtshalve een middel inzake schending van die bepaling kan onderzoeken en niet de volledige terugbetaling van die bedragen kan gelasten.

20      Er zij aan herinnerd dat volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden.

21      Voorts verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (arrest van 26 juni 2019, Addiko Bank, C-407/18, EU:C:2019:537, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling zijn de procedures ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 26 juni 2019, Addiko Bank, C-407/18, EU:C:2019:537, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, staat het, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt, aan de nationale rechter om in het licht van de nationaalrechtelijke procedureregels voor beroepen na te gaan of dit beginsel in acht is genomen en daarbij rekening te houden met het voorwerp, de oorzaak en de wezenlijke kenmerken van de betrokken beroepen (zie arrest van 20 september 2018, EOS KSI Slovensko, C-448/17, EU:C:2018:745, punt 40).

24      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (arrest van 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C-147/16, EU:C:2018:320, punt 35).

25      Hieruit volgt dat wanneer de nationale rechter in hoger beroep krachtens het nationale recht ambtshalve de rechtmatigheid van een rechtshandeling kan of moet toetsen aan nationale regels van openbare orde, hij overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel deze bevoegdheid ook kan of moet uitoefenen om ambtshalve te beoordelen of een dergelijke handeling rechtmatig is in het licht van deze bepaling van richtlijn 93/13, ook al is de vraag inzake de rechtmatigheid van die handeling in het licht van die regels niet opgeworpen in eerste aanleg. Indien in een dergelijke situatie de gegevens van het dossier waarover de nationale rechter in hoger beroep beschikt, leiden tot onzekerheid omtrent de vraag of een contractueel beding oneerlijk is, is deze rechter dus verplicht de rechtmatigheid van dit beding ambtshalve te toetsen aan de in die richtlijn vastgestelde criteria (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Jőrös, C-397/11, EU:C:2013:340, punt 30).

26      De partijen die in de onderhavige procedure schriftelijke opmerkingen hebben ingediend bij het Hof verschillen van mening wat betreft het al dan niet bestaan van rechtspraak van de Tribunal Constitucional (grondwettelijk hof, Spanje) of de Tribunal Supremo volgens welke de ambtshalve toepassing van regels van openbare orde een uitzondering vormt op de aan de orde zijnde beginselen van procesrecht. Aangezien artikel 6 van richtlijn 93/13 een bepaling is die gelijkwaardig is aan een nationale regel van openbare orde, volgt hieruit dat indien dergelijke regels van openbare orde volgens de nationale rechtspraak worden beschouwd als een uitzondering op de toepassing van die beginselen van procesrecht, de nationale rechter bij wie hoger beroep is ingesteld, ambtshalve een middel inzake schending van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet kunnen onderzoeken.

27      Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of er sprake is van dergelijke nationale rechtspraak. Indien dit het geval zou zijn, is de verwijzende rechter overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel verplicht om de genoemde beginselen van procesrecht buiten toepassing te laten. De verwijzende rechter moet dan hetzij de consument gebruik laten maken van zijn rechten krachtens richtlijn 93/13 en zijn recht om zich te beroepen op de rechtspraak van het Hof, hetzij dit ambtshalve doen.

28      Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia, C-485/19, EU:C:2021:313, punt 53). In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary, C-32/14, EU:C:2015:637, punt 62).

29      Voorts heeft het Hof verklaard dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen – met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 –, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (zie in die zin arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance, C-776/19–C-782/19, EU:C:2021:470, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten niet kan worden gewaarborgd (arrest van 4 juni 2020, Kancelaria Medius, C-495/19, EU:C:2020:431, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Hieruit volgt dat de in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, geen afbreuk mogen doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn (arresten van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 71, en 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 51).

32      Er moet echter wel worden gewezen op het belang van het beginsel van gezag van gewijsde, zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Het Hof heeft immers reeds aangegeven dat het, om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor het instellen van deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht (zie met name arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C-40/08, EU:C:2009:615, punten 35 en 36, en 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 46).

33      Het Hof heeft dan ook erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is. In het bijzonder heeft het geoordeeld dat het Unierecht een nationale rechter niet gebiedt nationale procedureregels die een beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een schending van een bepaling van richtlijn 93/13 – van welke aard ook – kunnen worden opgeheven (zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C-40/08, EU:C:2009:615, punt 37, en 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 68), op voorwaarde evenwel dat overeenkomstig de in punt 22 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.

34      In punt 72 van zijn arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980), heeft het Hof aldus geoordeeld dat de beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de nietigverklaring van de „bodemrentebedingen”, waartoe de Tribunal Supremo in zijn arrest van 9 mei 2013 was overgegaan, erop neerkomt dat op algemene wijze aan elke consument die vóór die datum een hypotheeklening met een dergelijk beding heeft afgesloten, het recht wordt ontnomen op de volledige terugbetaling van de bedragen die hij in de periode vóór 9 mei 2013 op grond van dat beding onverschuldigd heeft betaald aan de bankinstelling.

35      Het Hof heeft dan ook vastgesteld dat nationale rechtspraak, zoals die welke volgt uit het arrest van de Tribunal Supremo van 9 mei 2013, betreffende de beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 voortvloeien uit de vaststelling dat een contractueel beding oneerlijk is, slechts een beperkte bescherming biedt aan consumenten die vóór de datum van de uitspraak waarin het oneerlijke karakter van dat beding is vastgesteld, een hypotheeklening met een „bodemrentebeding” hebben afgesloten. Een dergelijke bescherming is bijgevolg onvolledig en ontoereikend en vormt geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dit soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 73).

36      Derhalve heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 75).

37      In het hoofdgeding staat vast dat de consument geen hoger beroep of incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg waarbij de terugbetalingsplicht voor de op grond van het oneerlijke beding ontvangen bedragen in de tijd wordt beperkt.

38      Evenwel zij benadrukt dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak het feit dat de consument niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld kan worden toegeschreven aan het feit dat, toen het Hof op 21 december 2016 het arrest in de zaak Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980) heeft gewezen, de termijn voor het instellen van hoger beroep of incidenteel hoger beroep op grond van het nationale recht reeds was verstreken. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de consument zich volledig passief heeft gedragen in de zin van de in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak door voor de rechter in hoger beroep de tot dan toe vaste rechtspraak van de Tribunal Supremo niet te betwisten.

39      Hieruit volgt dat de toepassing van de aan de orde zijnde beginselen van nationaal procesrecht de consument de procedurele middelen ontneemt om zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden, en aldus de bescherming van die rechten onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel.

40      Gelet op het een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van beginselen van nationaal procesrecht volgens welke de nationale rechter bij wie hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat de terugbetaling in de tijd beperkt van bedragen die door de consument onverschuldigd zijn voldaan op grond van een oneerlijk verklaard beding, niet ambtshalve een middel inzake schending van die bepaling kan onderzoeken en niet de volledige terugbetaling van die bedragen kan gelasten, wanneer de omstandigheid dat de betrokken consument die beperking in de tijd niet heeft aangevochten niet kan worden toegeschreven aan diens totale passiviteit.

 Kosten

41      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van beginselen van nationaal procesrecht volgens welke de nationale rechter bij wie hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat de terugbetaling in de tijd beperkt van bedragen die door de consument onverschuldigd zijn voldaan op grond van een oneerlijk verklaard beding, niet ambtshalve een middel inzake schending van die bepaling kan onderzoeken en niet de volledige terugbetaling van die bedragen kan gelasten, wanneer de omstandigheid dat de betrokken consument die beperking in de tijd niet heeft aangevochten niet kan worden toegeschreven aan diens totale passiviteit.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.

Top