EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0580

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 9 maart 2021.
RJ tegen Stadt Offenbach am Main.
Verzoek van het Verwaltungsgericht Darmstadt om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Artikel 2 – Begrip ‚arbeidstijd’ – Wachtdienst waarbij de werknemer permanent bereikbaar moet zijn – Beroepsbrandweerlieden – Richtlijn 89/391/EEG – Artikelen 5 en 6 – Psychosociale risico’s – Preventieplicht.
Zaak C-580/19.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:183

 ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

9 maart 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Artikel 2 – Begrip ‚arbeidstijd’ – Wachtdienst waarbij de werknemer permanent bereikbaar moet zijn – Beroepsbrandweerlieden – Richtlijn 89/391/EEG – Artikelen 5 en 6 – Psychosociale risico’s – Preventieplicht”

In zaak C‑580/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Darmstadt (bestuursrechter in eerste aanleg Darmstadt, Duitsland) bij beslissing van 21 februari 2019, ingekomen bij het Hof op 30 juli 2019, in de procedure

RJ

tegen

Stadt Offenbach am Main,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, M. Vilaras en N. Piçarra, kamerpresidenten, T. von Danwitz, C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, S. Rodin, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos (rapporteur) en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 juni 2020,

gelet op de opmerkingen van:

de Belgische regering, vertegenwoordigd door S. Baeyens, L. Van den Broeck, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,

de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Ferrand, R. Coesme, E. Toutain en A.‑L. Desjonquères als gemachtigden,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,

de Finse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Leppo en J. Heliskoski, vervolgens door H. Leppo als gemachtigden,

de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en M. van Beek, vervolgens door B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 oktober 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen RJ en de Stadt Offenbach am Main (de stad Offenbach am Main, Duitsland) betreffende het door RJ geëiste salaris voor de door hem vervulde wachtdiensten waarbij hij permanent bereikbaar moet zijn. Meteen moet worden verduidelijkt dat de term „wachtdienst” in dit arrest algemeen verwijst naar elke periode waarin de werknemer zich beschikbaar houdt om op verzoek van zijn werkgever een werkprestatie te kunnen leveren, terwijl de uitdrukking „wachtdienst waarbij de werknemer permanent bereikbaar moet zijn” (hierna ook wel: „wachtdienst met permanente bereikbaarheid”) verwijst naar het soort wachtdienst waarbij de werknemer niet op zijn werkplek hoeft te blijven.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 89/391

3

Artikel 5, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB 1989, L 183, blz. 1) luidt:

„De werkgever is verplicht te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met het werk verbonden aspecten.”

4

Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt:

„1.   In het kader van zijn verantwoordelijkheden treft de werkgever de nodige maatregelen voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, met inbegrip van de maatregelen ter preventie van beroepsrisico’s, voor informatie en opleiding alsmede voor de organisatie en de benodigde middelen.

De werkgever moet ervoor zorgen dat deze maatregelen worden aangepast, teneinde rekening te houden met gewijzigde omstandigheden, en streven naar verbetering van bestaande situaties.

2.   Bij de tenuitvoerlegging van de in lid 1, eerste alinea, genoemde maatregelen neemt de werkgever de volgende algemene preventieprincipes in acht:

a)

risico’s voorkomen;

b)

evalueren van risico’s die niet kunnen worden voorkomen;

c)

bestrijding van de risico’s bij de bron;

[...]

3.   Onverminderd de andere bepalingen van deze richtlijn moet de werkgever, rekening houdend met de aard van de activiteiten van het bedrijf en/of de inrichting:

a)

de risico’s voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers evalueren, met inbegrip van de keuze van de werkuitrusting, de chemische stoffen of preparaten en de inrichting van de arbeidsplaatsen.

Op grond van deze evaluatie en voor zover nodig moeten de preventieactiviteiten en de door de werkgever gebruikte werk- en productiemethoden

een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers verzekeren;

geïntegreerd worden in het geheel van de activiteiten van het bedrijf en/of de inrichting en betrekking hebben op alle niveaus;

[...]”

Richtlijn 2003/88

5

Artikel 1 van richtlijn 2003/88 bepaalt:

„1.   Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd, en

b)

bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.

[...]”

6

Artikel 2 van deze richtlijn luidt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

arbeidstijd: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

2.

rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is;

[...]”

7

Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.”

Duits recht

8

In de bijlage bij de Verordnung über die Organisation, Mindeststärke und Ausrüstung der öffentlichen Feuerwehren (verordening betreffende de organisatie, minimale bezetting en uitrusting van de openbare brandweer) van 17 december 2003 (GVBl., blz. 693) wordt onder meer bepaald:

„De uitrusting van niveau 2, met inbegrip van het daarvoor noodzakelijke personeel, moet in de regel binnen twintig minuten na de alarmmelding op de plaats van de interventies worden ingezet [...].”

9

Volgens de Einsatzdienstverfügung der Feuerwehr Offenbach (reglement betreffende interventiediensten van de openbare brandweer van Offenbach am Main), in de versie van 18 juni 2018, moet de ambtenaar die de dienst „Beamter vom Einsatzleitdienst” (dienst als bevelvoerder bij interventies; hierna: „BvE-dienst”) verricht, zich bij een alarmmelding onmiddellijk naar de plaats van interventie begeven met gebruikmaking van speciale voorrangs- en doorgangsrechten.

10

Op bladzijde 6 van dit reglement worden de verplichtingen van de ambtenaar met BvE-dienst uiteengezet:

„Tijdens de BvE-dienst moet de ambtenaar zich ter beschikking houden en zich op een plaats bevinden van waaruit hij het tijdsbestek voor interventie van twintig minuten in acht kan nemen. Aan deze regel wordt geacht te zijn voldaan wanneer hij binnen twintig minuten vanaf zijn plaats van verblijf de stadsgrens van Offenbach am Main bereikt met gebruikmaking van speciale voorrangs- en doorgangsrechten. Dit tijdsbestek geldt bij een gemiddelde verkeersdichtheid en normale verkeers- en weersomstandigheden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

RJ is ambtenaar en werkt als brandweerman-bevelvoerder bij het brandweerkorps van Offenbach am Main. Naast zijn gewone dienst heeft hij op grond van de op de brandweer van deze stad toepasselijke bepalingen regelmatig BvE-dienst.

12

Tijdens de BvE-dienst moet RJ permanent bereikbaar zijn, zijn interventiekleding gereedhouden en het door zijn werkgever ter beschikking gestelde dienstvoertuig bij zich hebben. Hij moet zijn telefoon opnemen om te kunnen worden geïnformeerd over gebeurtenissen die zich voordoen en hierover beslissingen te kunnen nemen. In bepaalde gevallen moet hij zich naar de plaats van de interventie of naar zijn standplaats begeven. Tijdens de BvE-dienst moet hij zijn verblijfplaats zo uitkiezen dat hij, bij een alarmmelding, binnen twintig minuten met zijn dienstvoertuig en in werkkleding de stadsgrenzen van Offenbach am Main kan bereiken met gebruikmaking van zijn voorrangs- en doorgangsrechten.

13

Door de week wordt de BvE-dienst tussen 17.00 uur en 7.00 uur de volgende dag verricht, en in het weekend van vrijdag 17.00 uur tot maandag 7.00 uur. Het kan voorkomen dat BvE-dienst in het weekend volgt op een werkweek van 42 uur. Gemiddeld verricht RJ 10 tot 15 weekenden per jaar BvE-dienst. Van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 heeft hij 126 keer BvE-dienst verricht en heeft hij 20 keer op alarmmeldingen moeten reageren of moeten gaan interveniëren. Op drie jaar zijn er tijdens de BvE-dienst van RJ dus jaarlijks gemiddeld 6,67 alarmmeldingen binnengekomen.

14

RJ heeft zijn werkgever verzocht de BvE-dienst als arbeidstijd te erkennen en hem dienovereenkomstig te vergoeden. Dit verzoek is bij besluit van 6 augustus 2014 afgewezen.

15

Op 31 juli 2015 heeft RJ beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en daarbij aangevoerd dat wachtdienstperioden, hoewel de werknemer daarin gewoon permanent bereikbaar moet zijn en dus niet fysiek aanwezig hoeft te zijn op een door de werkgever bepaalde plaats, kunnen worden beschouwd als arbeidstijd, aangezien de werkgever de werknemer verplicht om zijn werkzaamheden binnen een zeer kort tijdsbestek te hervatten. RJ betoogt met name dat de BvE-dienst zijn vrije tijd aanzienlijk beperkt, daar hij bij een alarmmelding zijn woning onmiddellijk moet verlaten om zich naar Offenbach am Main te begeven, teneinde de hem opgelegde tijdslimiet van twintig minuten te kunnen respecteren.

16

Volgens de verwijzende rechter vallen de activiteiten van interventieteams van de nationale brandweer binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/88. Hoewel vragen in verband met de vergoeding van wachtdiensten daarentegen buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, is de vraag of de BvE-dienst als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, ervan moet worden gekwalificeerd, beslissend voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding.

17

Volgens het Duitse recht kan de werkgever van RJ immers enkel worden veroordeeld tot vergoeding van de BvE-dienst zoals RJ dat verlangt, indien RJ langer heeft gewerkt dan de maximale wekelijkse arbeidstijd die richtlijn 2003/88 toestaat. Voorts ziet de vordering van RJ om specifiek te doen vaststellen dat de BvE-dienst arbeidstijd vormt, niet op de eventuele vergoeding van deze dienst, maar wordt daarmee beoogd te voorkomen dat hij in de toekomst langer moet werken dan de in het Unierecht toegestane maximale arbeidstijd.

18

De verwijzende rechter merkt op dat het Hof tot nog toe steeds heeft geoordeeld dat wachtdienst uitsluitend als arbeidstijd kan worden aangemerkt indien de werknemer verplicht is fysiek aanwezig te zijn op een door de werkgever aangewezen plaats en zich daar ter beschikking van hem te houden om indien nodig onmiddellijk de nodige prestaties te kunnen leveren. Hij wijst er evenwel op dat het Hof in het arrest van 21 februari 2018, Matzak (C‑518/15, EU:C:2018:82), heeft geoordeeld dat wachtdiensten die een werknemer thuis verricht eveneens als arbeidstijd moeten worden beschouwd wanneer de werknemer op een door de werkgever bepaalde plaats moet blijven en hij beperkt wordt in zijn mogelijkheden om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden omdat hij zijn werkplek binnen acht minuten moet kunnen bereiken.

19

Volgens de verwijzende rechter sluit dat arrest niet uit dat er ook sprake kan zijn van arbeidstijd bij wachtdiensten waarbij de werknemer permanent bereikbaar moet zijn, dat wil zeggen waarbij hij weliswaar niet op een door de werkgever bepaalde plaats moeten blijven maar toch aanzienlijk wordt beperkt in de keuze van zijn plaats van verblijf en zijn vrijetijdsbesteding.

20

De verwijzende rechter meent inzonderheid dat indien wachtdiensten met permanente bereikbaarheid van het begrip „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 worden uitgesloten louter omdat de werkgever geen specifieke plaats heeft bepaald waar de werknemer fysiek aanwezig moet zijn, dit een ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert met de situatie waarin de werkgever wel zo’n plaats heeft aangewezen. De werknemer verplichten om binnen een kort tijdsbestek een welbepaalde plaats te bereiken kan immers net zo beperkend zijn voor zijn vrijetijdsbesteding en komt erop neer dat hem indirect wordt voorgeschreven waar hij fysiek aanwezig moet zijn, waardoor zijn mogelijkheden om zich met zijn eigen zaken bezig te houden, aanzienlijk worden beperkt.

21

Tot slot merkt de verwijzende rechter op dat, voor het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland), het beslissende criterium om uit te maken of een wachtdienst als arbeidstijd moet worden beschouwd, de vraag is in hoeverre de werknemer kan verwachten tijdens zijn wachtdiensten te worden opgeroepen. Indien de wachtdiensten slechts sporadisch door interventies worden onderbroken, vormen zij geen „arbeidstijd”.

22

In die omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt (bestuursrechter in eerste aanleg Darmstadt, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 2 van richtlijn 2003/88 aldus worden uitgelegd dat wachtdienstperioden waarin een werknemer verplicht is om in uniform met het hulpverleningsvoertuig binnen twintig minuten de stadsgrens van zijn standplaats te kunnen bereiken, als arbeidstijd worden aangemerkt, hoewel de werkgever de werknemer niet verplicht om fysiek aanwezig te zijn op een door hem bepaalde plaats, maar de werknemer niettemin in aanzienlijke mate beperkt is in de keuze van deze plaats en in de mogelijkheden om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden?

2)

Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 2 van richtlijn 2003/88, in een situatie zoals beschreven in de eerste prejudiciële vraag, dan aldus worden uitgelegd dat bij de definitie van het begrip ‚arbeidstijd’ ook rekening moet worden gehouden met de vraag of en in hoeverre tijdens een wachtdienst die niet hoeft te worden doorgebracht op een door de werkgever bepaalde plaats, in de regel te verwachten is dat de werknemer voor een interventie zal worden opgeroepen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

23

Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat een wachtdienst waarbij een werknemer in interventiekleding en met het door zijn werkgever ter beschikking gestelde dienstvoertuig binnen twintig minuten de stadsgrenzen van zijn standplaats moet kunnen bereiken met gebruikmaking van de speciale voorrangs- en doorgangsrechten die voor dit voertuig gelden, „arbeidstijd” vormt in de zin van dit artikel, en of hierbij rekening moet worden gehouden met het gemiddeld aantal keer dat hij tijdens de wachtdienst daadwerkelijk wordt opgeroepen voor een interventie.

24

Uit de verwijzingsbeslissing en het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt met name dat verzoeker in het hoofdgeding een veertigtal wachtdiensten per jaar moet vervullen, tijdens de week ’s nachts en in het weekend. Hij moet daarbij gewoon permanent bereikbaar zijn, wat betekent dat hij niet fysiek aanwezig hoeft te zijn op zijn werkplek. Tijdens die wachtdiensten moet RJ op elk moment zijn uniform klaar houden en zijn hulpverleningsvoertuig bij zich hebben om onmiddellijk gevolg te kunnen geven aan oproepen en binnen twintig minuten in zijn interventiekleding en met zijn dienstvoertuig de stadsgrenzen van Offenbach am Main te kunnen bereiken met gebruikmaking van de speciale voorrangs- en doorgangsrechten die voor dit voertuig gelden. Deze tijdslimiet is berekend op een gemiddelde verkeersdichtheid en normale verkeers- en weersomstandigheden.

25

Eerst moet in herinnering worden gebracht dat hoewel het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om te onderzoeken of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wachtdienst met permanente bereikbaarheid voor de toepassing van richtlijn 2003/88 moet worden aangemerkt als „arbeidstijd”, het de taak van het Hof is om hem aanwijzingen te geven over de daarbij in aanmerking te nemen criteria [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

26

In het licht van deze inleidende opmerking zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat richtlijn 2003/88 ertoe strekt minimumvoorschriften vast te stellen om de levens‑ en arbeidsomstandigheden van werknemers te verbeteren door de nationale regelingen inzake met name de duur van de arbeidstijd te harmoniseren. Deze harmonisatie op het niveau van de Europese Unie inzake de organisatie van de arbeidstijd moet een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers waarborgen door hun – met name dagelijkse en wekelijkse – minimumrusttijden en voldoende pauzes te waarborgen en door aan de wekelijkse arbeidstijd een maximumgrens te stellen [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

27

De verschillende voorschriften inzake maximale arbeidstijd en minimale rusttijd die in richtlijn 2003/88 zijn neergelegd, vormen dus bijzonder belangrijke voorschriften van het sociaal recht van de Unie die voor alle werknemers gelden en waarvan de naleving niet aan overwegingen van zuiver economische aard ondergeschikt mag worden gemaakt [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28

Overigens bevat richtlijn 2003/88 in haar bepalingen betreffende het recht van iedere werknemer op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden een nadere regeling van het fundamentele recht dat uitdrukkelijk is verankerd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), zodat deze richtlijn moet worden uitgelegd in het licht van deze laatste bepaling. Bijgevolg mogen de bepalingen van richtlijn 2003/88 met name niet restrictief worden uitgelegd ten koste van de rechten die de werknemer aan deze richtlijn ontleent [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

29

In de tweede plaats zij erop gewezen dat artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 „arbeidstijd” definieert als de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken. Volgens artikel 2, punt 2, van deze richtlijn moet „rusttijd” worden begrepen als de tijd die geen arbeidstijd is.

30

Bijgevolg sluiten deze twee begrippen, die op dezelfde wijze gedefinieerd werden in richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 1993, L 307, blz. 18), die aan richtlijn 2003/88 voorafging, elkaar uit. De wachtdienst van een werknemer moet dan ook hetzij als „arbeidstijd” hetzij als „rusttijd” worden aangemerkt voor de toepassing van richtlijn 2003/88, die niet in een tussencategorie voorziet [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31

Voorts zijn de begrippen „arbeidstijd” en „rusttijd” begrippen van Unierecht die op basis van het stelsel en de doelstelling van richtlijn 2003/88 volgens objectieve kenmerken moeten worden omschreven. Slechts een dergelijke autonome uitlegging kan immers de volle werking van deze richtlijn en een uniforme toepassing van die begrippen in alle lidstaten verzekeren [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32

Ondanks de verwijzing naar „de nationale wetten en/of gebruiken” in artikel 2 van richtlijn 2003/88 kunnen de lidstaten dus niet eenzijdig de strekking van de begrippen „arbeidstijd” en „rusttijd” bepalen door enige voorwaarde of beperking te verbinden aan het door deze richtlijn rechtstreeks aan de werknemers verleende recht dat de arbeidstijd en de overeenkomstige rusttijd naar behoren in aanmerking worden genomen. Iedere andere uitlegging zou het nuttig effect van richtlijn 2003/88 ondermijnen en indruisen tegen de doelstelling ervan [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

33

Wat in de derde plaats meer specifiek de wachtdienstperioden betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een periode waarin de werknemer niet daadwerkelijk activiteiten uitoefent voor zijn werkgever, niet noodzakelijk „rusttijd” vormt voor de toepassing van richtlijn 2003/88.

34

Zo heeft het Hof om te beginnen in verband met wachtdiensten op een werkplek die verschilt van de woonplaats van de werknemer geoordeeld dat de beslissende factor om aan te nemen dat de kenmerken van het begrip „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 aanwezig zijn, het feit is dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en zich er tot diens beschikking moet houden teneinde zo nodig onmiddellijk zijn diensten te kunnen verlenen (zie in die zin arresten van 3 oktober 2000, Simap, C‑303/98, EU:C:2000:528, punt 48; 9 september 2003, Jaeger, C‑151/02, EU:C:2003:437, punt 63, en 1 december 2005, Dellas e.a., C‑14/04, EU:C:2005:728, punt 48).

35

In dit verband moet worden gepreciseerd dat de werkplek moet worden begrepen als elke plaats waar de werknemer op verzoek van de werkgever een activiteit moet verrichten, ook wanneer dit niet de plaats is waar hij zijn beroepsactiviteit gewoonlijk uitoefent.

36

Het Hof heeft geoordeeld dat de werknemer tijdens een dergelijke wachtdienstperiode op zijn werkplek moet verblijven om onmiddellijk beschikbaar te zijn voor de werkgever, en dus gescheiden is van zijn gezin en sociale omgeving en weinig vrijheid heeft om de tijd te besteden waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd. Derhalve moet deze periode integraal als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 worden aangemerkt, ongeacht welke arbeidsprestaties de werknemer daadwerkelijk verricht tijdens die periode (zie in die zin arresten van 9 september 2003, Jaeger, C‑151/02, EU:C:2003:437, punt 65; 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punt 93, en 1 december 2005, Dellas e.a., C‑14/04, EU:C:2005:728, punten 46 en 58).

37

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een werknemer tijdens een wachtdienst met permanente bereikbaarheid weliswaar niet verplicht is om op zijn werkplek te blijven, maar een dergelijke wachtdienst niettemin ook volledig als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 moet worden aangemerkt wanneer die, gezien de objectieve en aanzienlijke impact die de aan de werknemer opgelegde verplichtingen hebben op zijn mogelijkheden om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden, verschilt van een dienst waarbij de werknemer zich gewoon ter beschikking van zijn werkgever moet houden in die zin dat deze laatste hem kan bereiken (zie in die zin arrest van 21 februari 2018, Matzak, C‑518/15, EU:C:2018:82, punten 6366).

38

Zowel uit de in de punten 34 tot en met 37 van het onderhavige arrest uiteengezette elementen als uit de in punt 28 in herinnering gebrachte noodzaak om artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 uit te leggen in het licht van artikel 31, lid 2, van het Handvest blijkt dat het begrip „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 ook ziet op alle wachtdiensten, inclusief die waarbij de werknemer permanent bereikbaar moet zijn, waarbij de verplichtingen die hem worden opgelegd van dien aard zijn dat zij een objectieve en aanzienlijke impact hebben op zijn mogelijkheden om tijdens die wachtdienst de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.

39

Wanneer, omgekeerd, de verplichtingen die de werknemer bij een bepaalde wachtdienst krijgt opgelegd minder intens zijn en hem de mogelijkheid laten om zonder al te veel problemen zijn tijd te beheren en zich met zijn eigen interesses bezig te houden, vormt enkel de tijd die verbonden is met de werkprestatie die tijdens een dergelijke dienst in voorkomend geval daadwerkelijk wordt verricht, „arbeidstijd” voor de toepassing van richtlijn 2003/88 [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

40

Dienaangaande moet nog worden gepreciseerd dat bij de vraag of een wachtdienst „arbeidstijd” uitmaakt in de zin van richtlijn 2003/88, enkel rekening kan worden gehouden met verplichtingen die de werknemer worden opgelegd, hetzij door de regelgeving van de betrokken lidstaat of bij collectieve overeenkomst, hetzij door de werkgever, met name in de arbeidsovereenkomst, het arbeidsreglement of door middel van het toerbeurtsysteem voor de wachtdiensten [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 39].

41

Organisatorische problemen die een wachtdienst met zich kan brengen voor de werknemer en die niet voortvloeien uit dergelijke verplichtingen maar bijvoorbeeld het gevolg zijn van natuurlijke omstandigheden of van de vrije keuze van de werknemer, kunnen daarentegen niet in aanmerking worden genomen [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 40].

42

Zo is met name de grote afstand tussen de door de werknemer vrijelijk gekozen domicilie en de plaats die hij tijdens zijn wachtdienstperiode binnen een bepaald tijdsbestek moet kunnen bereiken, als zodanig geen relevant criterium om deze periode integraal als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 aan te merken, zeker wanneer die plaats zijn gebruikelijke werkplek is. In een dergelijk geval heeft de werknemer de afstand tussen die plaats en zijn woonplaats immers vrij kunnen kiezen [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43

Wanneer de werkplek de woonplaats van de werknemer omvat of daarmee samenvalt, is bovendien de enkele omstandigheid dat de werknemer gedurende een bepaalde wachtdienst op zijn werkplek moet blijven om indien nodig beschikbaar te zijn voor zijn werkgever, niet voldoende om die wachtdienst als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 te beschouwen [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44

Wanneer een wachtdienstperiode niet automatisch als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 kan worden aangemerkt omdat de werknemer niet verplicht is om op zijn werkplek te blijven, dienen de nationale rechterlijke instanties alsnog na te gaan of deze kwalificatie niet toch geboden is vanwege de gevolgen die alle aan de werknemer opgelegde verplichtingen samen hebben voor zijn mogelijkheden om tijdens die periode de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en om zich met zijn eigen interesses bezig te houden.

45

In dit opzicht moet inzonderheid rekening worden gehouden met de tijd waarover de werknemer tijdens de wachtdienst beschikt om zijn beroepsactiviteiten te hervatten vanaf het moment dat de werkgever hierom verzoekt, in voorkomend geval in combinatie met het gemiddeld aantal interventies dat hij tijdens de wachtdienst daadwerkelijk moet uitvoeren [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 46].

46

Zo moeten de nationale rechterlijke instanties ten eerste, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 89 tot en met 91 van zijn conclusie, kijken naar de gevolgen die het korte tijdsbestek waarbinnen de werknemer bij een noodzakelijke interventie zijn werk moet hervatten – en waarvoor hij zich in de regel terug naar zijn werkplek moet begeven – heeft voor zijn mogelijkheden om zijn tijd vrij in te vullen.

47

In dit verband moet worden onderstreept dat een wachtdienst waarbij een werknemer, gezien het redelijke tijdsbestek dat hij krijgt om zijn beroepsactiviteiten te hervatten, zijn persoonlijke bezigheden en sociale activiteiten kan inplannen, a priori geen „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 vormt. Omgekeerd moet een wachtdienst waarbij de werknemer slechts enkele minuten heeft om zijn werk te hervatten, in principe integraal worden beschouwd als „arbeidstijd” in de zin van deze richtlijn, aangezien hij dan in de praktijk sterk wordt ontmoedigd om enige ontspanning – ook al duurt die niet lang – in te plannen [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 48].

48

Dit neemt niet weg dat de impact van die reactietijd in concreto moet worden beoordeeld, in voorkomend geval rekening houdend met andere verplichtingen die de werknemer krijgt opgelegd of de faciliteiten die hem worden geboden bij de wachtdienst [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 49].

49

Wat verplichtingen qua reactietijd betreft, kan met name worden gedacht aan het feit dat de werknemer in afwachting van een oproep van zijn werkgever thuis moet blijven en zich niet vrij kan verplaatsen, of dat hij zich, wanneer hij wordt opgeroepen, naar zijn werkplek moet begeven met een specifieke uitrusting. In termen van de faciliteiten die de werknemer worden geboden, moet worden gekeken naar de vraag of de werknemer een dienstvoertuig ter beschikking wordt gesteld dat hem speciale voorrangs- en doorgangsrechten geeft, en of hij oproepen kan beantwoorden zonder de plaats waar hij zich bevindt te hoeven verlaten.

50

Ten tweede dienen de nationale rechterlijke instanties rekening te houden met het gemiddeld aantal prestaties dat de werknemer normaal gezien daadwerkelijk per wachtdienst verricht – voor zover dit aantal objectief kan worden ingeschat – in combinatie met het tijdsbestek waarover hij beschikt om zijn beroepsactiviteit te hervatten [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 51].

51

Wanneer een werknemer tijdens een wachtdienst gemiddeld meermaals wordt opgebeld voor een interventie, heeft hij gedurende zijn perioden van inactiviteit immers minder ruimte om zijn tijd vrij in te vullen, aangezien die perioden vaak worden onderbroken. Dit geldt des te meer wanneer die interventies doorgaans vrij lang duren [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 52].

52

Hieruit volgt dat wanneer de werknemer tijdens zijn wachtdienstperioden door elkaar genomen vaak prestaties dient te leveren en die prestaties doorgaans niet van korte duur zijn, die perioden in principe integraal „arbeidstijd” vormen in de zin van richtlijn 2003/88 [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 53].

53

De omstandigheid dat de werknemer tijdens zijn wachtdienstperioden door elkaar genomen zelden moet interveniëren, kan echter niet tot gevolg hebben dat die perioden als „rusttijd” worden beschouwd in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2003/88, wanneer het tijdsbestek waarbinnen hij zijn beroepsactiviteiten moet hervatten een zodanige impact heeft dat hij objectief en aanzienlijk wordt beperkt in zijn mogelijkheden om tijdens die perioden de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 54].

54

In casu zij eraan herinnerd dat volgens de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens RJ zich tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wachtdiensten met permanente bereikbaarheid vrij mag verplaatsen maar binnen twintig minuten de stadsgrenzen van Offenbach am Main moet kunnen bereiken in interventiekleding en met het dienstvoertuig dat zijn werkgever hem ter beschikking stelt, waarbij hij gebruik kan maken van speciale voorrangs- en doorgangsrechten. Zoals in punt 13 van dit arrest is aangegeven, blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat RJ tijdens de wachtdienst gemiddeld vaak een interventie moet doen. Voorts is het feit dat hij eventueel ver van de stadsgrenzen van Offenbach am Main – zijn gebruikelijke werkplek – af woont als zodanig niet relevant.

55

Het staat niettemin aan de verwijzende rechter om in het licht van alle concrete omstandigheden te beoordelen of de verplichtingen die RJ tijdens zijn wachtdienst met permanente bereikbaarheid worden opgelegd, zodanig zwaar zijn dat ze een objectieve en aanzienlijke impact hebben op zijn mogelijkheden om tijdens die dienst de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.

56

In de vierde plaats moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2003/88, behoudens het bijzondere geval van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon als bedoeld in artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, enkel bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd regelt, ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, zodat zij in beginsel niet van toepassing is op de beloning van de werknemers [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 57].

57

Derhalve valt de wijze waarop werknemers voor wachtdiensten worden vergoed, niet onder richtlijn 2003/88 maar onder de relevante bepalingen van nationaal recht. Deze richtlijn staat er dan ook niet aan in de weg dat een regeling van een lidstaat, een collectieve arbeidsovereenkomst of een beslissing van een werkgever wordt toegepast die voor de vergoeding van een wachtdienst de perioden waarin daadwerkelijk arbeidsprestaties worden verricht en die waarin geen daadwerkelijke arbeid wordt verricht, op verschillende wijze in aanmerking neemt, zelfs wanneer deze perioden voor de toepassing van die richtlijn integraal als „arbeidstijd” moeten worden beschouwd [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

58

Richtlijn 2003/88 verzet zich evenmin tegen een regeling van een lidstaat, een collectieve arbeidsovereenkomst of een werkgeversbeslissing op grond waarvan de werknemer in verband met wachtdiensten die voor de toepassing van die richtlijn integraal moeten worden geacht buiten het begrip „arbeidstijd” te vallen, niettemin een som krijgt uitbetaald ter compensatie van de ongemakken die de wachtdiensten veroorzaken voor zijn vrijetijdsbesteding [arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punt 59].

59

In de vijfde en laatste plaats volgt uit punt 30 van het onderhavige arrest dat wachtdienstperioden die niet voldoen aan de voorwaarden om als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 te worden aangemerkt, behoudens de tijd van werkprestaties die in die perioden daadwerkelijk zijn verricht, als „rusttijd” moeten worden beschouwd in de zin van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn en als zodanig moeten worden meegerekend voor de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden in de zin van de artikelen 3 en 5 daarvan.

60

Toch moet worden opgemerkt dat de kwalificatie van een wachtdienst als „rusttijd” voor de toepassing van richtlijn 2003/88 niet afdoet aan de plicht van werkgevers om hun specifieke verplichtingen uit de artikelen 5 en 6 van richtlijn 89/391 na te leven ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van hun werknemers. Derhalve kunnen werkgevers geen zodanig lange of frequente wachtdiensten invoeren dat deze een risico voor de veiligheid of gezondheid van de werknemer opleveren, ongeacht of deze diensten als „rusttijd” in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2003/88 worden aangemerkt. Het staat aan de lidstaten om in hun nationale recht de nadere regels voor de toepassing van deze verplichting te bepalen [zie in dit verband arrest van heden, Radiotelevizija Slovenija (Wachtdienst met permanente bereikbaarheid op een afgelegen plaats), C‑344/19, punten 61‑65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

61

Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat een wachtdienst waarbij een werknemer permanent bereikbaar moet zijn en waarbij hij in interventiekleding en met het door zijn werkgever ter beschikking gestelde dienstvoertuig binnen het tijdsbestek van twintig minuten de stadsgrenzen van zijn standplaats moet kunnen bereiken met gebruikmaking van de speciale voorrangs- en doorgangsrechten die voor dit voertuig gelden, enkel integraal „arbeidstijd” in de zin van die bepaling vormt indien uit een totaalbeoordeling van alle omstandigheden van de zaak – en met name van de gevolgen van een dergelijk tijdsbestek en in voorkomend geval van het gemiddeld aantal interventies tijdens die dienst – blijkt dat gedurende de betrokken dienst aan de werknemer zodanige verplichtingen worden opgelegd dat hij objectief en aanzienlijk wordt beperkt in zijn mogelijkheden om tijdens die dienst de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.

Kosten

62

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat een wachtdienst waarbij een werknemer permanent bereikbaar moet zijn en waarbij hij in interventiekleding en met het door zijn werkgever ter beschikking gestelde dienstvoertuig binnen het tijdsbestek van twintig minuten de stadsgrenzen van zijn standplaats moet kunnen bereiken met gebruikmaking van de speciale voorrangs- en doorgangsrechten die voor dit voertuig gelden, enkel integraal „arbeidstijd” in de zin van die bepaling vormt indien uit een totaalbeoordeling van alle omstandigheden van de zaak – en met name van de gevolgen van een dergelijk tijdsbestek en in voorkomend geval van het gemiddeld aantal interventies tijdens die dienst – blijkt dat gedurende de betrokken dienst aan de werknemer zodanige verplichtingen worden opgelegd dat hij objectief en aanzienlijk wordt beperkt in zijn mogelijkheden om tijdens die dienst de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top