EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0556

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 21 oktober 2020.
Eco TLC tegen Ministre d’État, ministre de la Transition écologique et solidaire en Ministre de l’Économie et des Finances.
Verzoek van de Conseil d'État (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Begrip ,staatsmiddelen’ – Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid – Milieu-instelling die op grond van een door de publieke autoriteiten afgegeven erkenning bij bedrijven die bepaalde producten op de markt brengen, financiële bijdragen int waarmee zij voor hun rekening hun wettelijke verplichting tot verwerking van het afval van deze producten op zich neemt – Financiële steun van die milieu-instelling aan de gecontracteerde sorteerbedrijven.
Zaak C-556/19.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2020:844

 ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

21 oktober 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Begrip ‚staatsmiddelen’ – Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid – Milieu-instelling die op grond van een door de publieke autoriteiten afgegeven erkenning bij bedrijven die bepaalde producten op de markt brengen, financiële bijdragen int waarmee zij voor hun rekening hun wettelijke verplichting tot verwerking van het afval van deze producten op zich neemt – Financiële steun van die milieu-instelling aan de gecontracteerde sorteerbedrijven”

In zaak C‑556/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) bij beslissing van 12 juli 2019, ingekomen bij het Hof op 22 juli 2019, in de procedure

Eco TLC

tegen

Ministre d’État, ministre de la Transition écologique et solidaire,

Ministre de l’Économie et des Finances,

in tegenwoordigheid van:

Fédération des entreprises du recyclage,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, L. Bay Larsen, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Eco TLC, vertegenwoordigd door F. Molinié, avocat,

Fédération des entreprises du recyclage, vertegenwoordigd door A. Gossement, avocat,

de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en P. Dodeller als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, K.‑P. Wojcik en C. Georgieva-Kecsmar als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 mei 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 107 VWEU.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eco TLC en de ministre d’État, ministre de la Transition écologique et solidaire (minister van Algemene Zaken, Ecologische en Solidaire Overgang, Frankrijk) en de ministre de l’Économie et des Finances (minister van Economie en Financiën, Frankrijk) over de wettigheid van een besluit tot herziening van financiële steun die Eco TLC betaalt aan gecontracteerde sorteerbedrijven die zorgen voor de verwerking van afval van kledingtextiel, linnengoed en schoenen.

Toepasselijke bepalingen

3

Artikel L. 541‑10-3 van de code de l’environnement, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „milieuwetboek”), bepaalt het volgende:

„Vanaf 1 januari 2007 moeten alle natuurlijke of rechtspersonen die bedrijfsmatig nieuw kledingtextiel, nieuwe schoenen of nieuw linnengoed voor huishoudens op de nationale markt brengen, bijdragen aan of zorgen voor de recyclage en verwerking van de afval van deze producten.

Met ingang van 1 januari 2020 geldt de in de eerste alinea bedoelde verplichting ook voor alle natuurlijke of rechtspersonen die bedrijfsmatig nieuwe textielproducten voor huishoudelijk gebruik op de nationale markt brengen, met uitzondering van als meubilering gebruikte textielproducten of textielproducten die bestemd zijn om meubilair te beschermen of te versieren.

De in de eerste twee alinea’s bedoelde personen komen deze verplichting na:

ofwel door een financiële bijdrage te betalen aan een bij gezamenlijk besluit van de ministers van Ecologie en Industrie erkende instelling die een overeenkomst sluit met de sorteerbedrijven en de lokale overheden of hun groeperingen die zorgen voor het afvalbeheer, en hun financiële steun verleent voor de in de eerste twee alinea’s bedoelde recycling- en afvalverwerkingshandelingen die zij uitvoeren;

ofwel door overeenkomstig de voorwaarden van een bestek, een individueel systeem voor de recycling en de verwerking van het in de eerste twee alinea’s bedoelde afval op te zetten dat bij gezamenlijk besluit van de ministers van Ecologie en Industrie moet worden goedgekeurd.

De regels voor de nadere toepassing van dit artikel, met name de wijze van berekening van de bijdrage, de voorwaarden waaronder de integratie van personen met afstand tot de arbeidsmarkt wordt bevorderd, alsmede de sancties in geval van niet-naleving van de in de eerste alinea bedoelde verplichting, worden bij decreet na advies van de Conseil d’État [(hoogste bestuursrechter, Frankrijk)] vastgesteld.”

4

Overeenkomstig artikel R. 543‑214, tweede alinea, van het milieuwetboek moet elke instelling ter staving van haar verzoek om erkenning aantonen dat zij over de technische en financiële capaciteiten beschikt voor het tot een goed einde brengen van de handelingen die noodzakelijk zijn om, door middel van de overeenkomsten die zij ondertekent en de herverdeling van de financiële bijdragen die zij inzamelt, het hergebruik, de recycling, de materiaalterugwinning en de afvalverwerking van het in artikel L. 541‑10-3 van het milieuwetboek genoemde afval te bevorderen, en vermelden onder welke voorwaarden zij denkt te voldoen aan de specificaties van het bestek waarvan deze erkenning vergezeld zal gaan.

5

Overeenkomstig artikel R. 543‑215, eerste alinea, van het milieuwetboek bepalen de erkende instellingen voor welk totaalbedrag zij financiële bijdragen zullen innen bij de in artikel L. 541‑10-3, eerste alinea, van dit wetboek genoemde personen, teneinde elk jaar de uitgaven te kunnen dekken die uit de toepassing van het in artikel R. 543‑214 van dit wetboek genoemde bestek voortvloeien.

6

Volgens artikel R. 543‑218 van het milieuwetboek vermeldt het in artikel R. 543‑214 van dit wetboek genoemde bestek met name de doelstellingen op het vlak van de hoeveelheden gesorteerd, hergebruikt, gerecycleerd of teruggewonnen afval, alsmede de doelstellingen inzake de integratie van personen met afstand tot de arbeidsmarkt in de zin van artikel L. 541‑10-3 van dit wetboek, en voorziet het in de vermindering van de aan het sorteerbedrijf gestorte bijdrage indien dat bedrijf een minimumdoelstelling voor integratie van die personen niet bereikt.

7

Bij besluit van 3 april 2014 betreffende de erkenningsprocedure en het bestek voor instellingen die tot doel hebben bij te dragen aan de verwerking van afval van kledingtextiel, linnengoed en schoenen, overeenkomstig artikel R.543‑214 van het milieuwetboek en houdende de erkenning van een instelling krachtens de artikelen L. 541‑10-3 en R. 543‑214 tot en met R. 543‑224 van het milieuwetboek (JORF van 14 mei 2014, blz. 7969; hierna: „besluit van 3 april 2014”) is Eco TLC een erkenning verleend om bij de bedrijven die textielkledingproducten, linnengoed en schoenen (hierna: „TLS-producten”) op de markt brengen, financiële bijdragen te innen voor de verwerking van afval van deze producten en deze bijdragen, overeenkomstig het bij dit besluit gevoegde bestek, in de vorm van financiële steun door te storten aan met name de sorteerbedrijven.

8

De bijlage bij het besluit van 3 april 2014, met als opschrift „Bestek voor de erkenning van een milieu-instelling, afgegeven overeenkomstig de artikelen L. 541‑10-3 en R. 543‑214 tot en met R. 543‑224 van het milieuwetboek voor de periode 2014‑2019”, bevat zelf een aantal bijlagen. Daartoe behoort bijlage III, met als opschrift „Tabel van de steunbedragen die voor het jaar N aan gecontracteerde sorteerbedrijven worden uitbetaald in het jaar N + 1”, die de berekeningswijze bepaalt voor de verschillende soorten financiële steun die aan de gecontracteerde sorteerbedrijven kunnen worden betaald, namelijk steun voor het voortbestaan, steun voor het sorteren van materialen en steun ten behoeve van hun ontwikkeling. In deze bijlage is met name bepaald dat het bedrag van de steun voor het voortbestaan gelijk is aan de steunbedragen voor het voortbestaan die gebaseerd zijn op de materiaalterugwinning, de energieterugwinning en de verwijdering, en dat de op de materiaalterugwinning gebaseerde steun voor het voortbestaan wordt berekend door op de „met het oog op materiaalterugwinning (hergebruik + recycling + andere vormen van materiaalterugwinning) gesorteerde tonnages” een coëfficiënt toe te passen die is vastgesteld op 65 EUR per ton.

9

In het besluit van 19 september 2017 tot wijziging van het besluit van 3 april 2014 (JORF van 4 oktober 2017, tekst nr. 5; hierna: „besluit van 19 september 2017”) is het bedrag van de steun voor het voortbestaan herzien. Op grond van artikel 1 van dat besluit wordt de coëfficiënt voor de berekening van deze steun verhoogd tot 82,5 EUR per ton voor steun die vanaf 1 januari 2018 wordt betaald.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10

Eco TLC is een door de overheid erkende milieu-instelling die van de bedrijven die TLS-producten op de markt brengen, financiële bijdragen int in ruil voor de dienst die erin bestaat om voor hun rekening hun wettelijke verplichting tot verwerking van het afval van deze producten na te komen. Daartoe sluit Eco TLC overeenkomsten met subsidiabele sorteerbedrijven en verleent zij hun voor de recyclage en de verwerking van afval van TLS-producten verschillende soorten financiële steun, namelijk steun voor het voortbestaan, steun voor het sorteren van materialen en steun voor ontwikkeling.

11

Terwijl in het besluit van 3 april 2014 de coëfficiënt voor de berekening van de op de materiaalterugwinning gebaseerde steun voor het voortbestaan was vastgesteld op 65 EUR per ton, werd deze steun in het besluit van 19 september 2017 herzien en werd deze coëfficiënt verhoogd tot 82,5 EUR per ton voor de bedragen die vanaf 1 januari 2018 werden betaald.

12

Eco TLC heeft bij de Conseil d’État beroep ingesteld tegen het besluit van 19 september 2017, waarbij zij met name aanvoerde dat dit besluit staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde.

13

De verwijzende rechter wijst erop dat overeenkomstig artikel L. 541‑10-3 van het milieuwetboek, dat betrekking heeft op het beginsel van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, bedrijven die TLS-producten op de markt brengen, verplicht zijn bij te dragen aan of te zorgen voor de recycling en verwerking van het afval van deze producten. Om aan deze verplichting te voldoen, moeten de bedrijven die deze producten op de markt brengen ofwel zorgen voor de verwerking van het afval van TLS-producten, ofwel de verantwoordelijkheid voor die verwerking overdragen aan een erkende instelling die verantwoordelijk is voor de inning van hun bijdragen en voor hun rekening zorgt voor de verwerking van dat afval, door daartoe overeenkomsten te sluiten met sorteerbedrijven.

14

In dit verband stelt de verwijzende rechter in de eerste plaats vast dat Eco TLC de enige instelling is die voor dit doel is erkend, en dat de bedrijven die de TLS-producten op de markt brengen niet ervoor hebben gekozen om zelf in te staan voor de verwerking van afval van deze producten.

15

In de tweede plaats preciseert de verwijzende rechter dat de tabel voor de door Eco TLC aan de sorteerbedrijven betaalde financiële steun bij het besluit van 3 april 2014 is vastgesteld op basis van doelstellingen van afvalterugwinning en tewerkstelling van personen met sociale problemen. De verwijzende rechter merkt op dat Eco TLC het bedrag van de bijdragen die zij moet innen bij de bedrijven die TLS-producten op de markt brengen, overeenkomstig dat besluit moet afstemmen op het niveau dat strikt noodzakelijk is om haar verplichtingen na te komen, te weten financiële steun betalen aan de sorteerbedrijven volgens de in dat besluit vastgestelde tabel, alsmede sensibiliserings- en preventiecampagnes voeren, zonder winst te maken of verlies te lijden en zonder op andere terreinen activiteiten te ondernemen.

16

In de derde en laatste plaats merkt de verwijzende rechter op dat een door de Staat aangewezen censuurambtenaar de vergaderingen van de raad van bestuur van Eco TLC bijwoont – zonder evenwel stemgerechtigd te zijn –, op de hoogte wordt gesteld van de voorwaarden van de door die onderneming voorgenomen beleggingen in financiële producten voordat zij door de raad van bestuur worden goedgekeurd, en kennis kan nemen van alle documenten in verband met het financiële beheer van die onderneming teneinde in het geval van niet-naleving van de regels van goed financieel beheer dit te melden aan de bevoegde staatsautoriteiten, die een geldboete tot 30000 EUR kunnen opleggen en ook kunnen besluiten tot schorsing of zelfs intrekking van de erkenning. De verwijzende rechter merkt op dat Eco TLC binnen deze grenzen vrijelijk haar beheerkeuzes kan maken en dat voor de middelen die bestemd zijn voor de sorteerbedrijven geen bijzondere depotverplichting geldt.

17

Tegen deze achtergrond heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 107 [VWEU] aldus worden uitgelegd dat een regeling waarbij een particuliere milieu-instelling zonder winstoogmerk – houder van een door de publieke autoriteiten afgegeven erkenning – financiële bijdragen int bij bedrijven die een bepaalde categorie producten op de markt brengen, en in ruil daarvoor een dienst verricht – welke bedrijven daartoe een overeenkomst met die instelling ondertekenen – die erin bestaat dat zij voor hun rekening zorgt voor de verwerking van het afval van die producten, en aan de bedrijven die met de sortering en terugwinning van dat afval zijn belast subsidies stort waarvan het bedrag in de erkenning is vastgelegd op basis van milieu- en sociale doelstellingen, moet worden beschouwd als een steunmaatregel van de staat in de zin van deze bepaling?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

18

Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een maatregel slechts als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien aan alle hiernavolgende voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. In de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arrest van 6 maart 2018, Commissie/FIH Holding en FIH Erhvervsbank, C‑579/16 P, EU:C:2018:159, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19

Wat de eerste voorwaarde betreft, moet in herinnering worden gebracht dat voordelen slechts als „steunmaatregelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden beschouwd indien zij direct of indirect met staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de staat kunnen worden toegerekend (arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C‑706/17, EU:C:2019:407, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20

Bovendien is het volgens vaste rechtspraak de taak van het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen in voorkomend geval te herformuleren (arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vraag van de verwijzende rechter in werkelijkheid alleen ziet op de eerste van de in punt 18 van dit arrest genoemde voorwaarden en dat de door hem aan het Hof overgelegde feitelijke gegevens hoofdzakelijk betrekking hebben op deze eerste voorwaarde.

22

Gelet daarop moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een regeling waarbij een particuliere milieu-instelling zonder winstoogmerk die in het bezit is van een door de publieke autoriteiten afgegeven erkenning, bijdragen int bij bedrijven die een specifieke categorie producten op de markt brengen en die daartoe een overeenkomst met haar ondertekenen in ruil voor de dienst die erin bestaat om voor hun rekening te zorgen voor de verwerking van het afval van deze producten, en aan de sorteerbedrijven die belast zijn met het sorteren en terugwinnen van dat afval subsidies stort ter waarde van een bedrag dat in de erkenning is vastgesteld op basis van milieu- en sociale doelstellingen, een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd in de zin van die bepaling vormt.

23

In de eerste plaats moet ter beoordeling of een maatregel kan worden toegerekend aan de staat, worden onderzocht of de publieke autoriteiten bij de vaststelling van die maatregel betrokken waren (arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C‑706/17, EU:C:2019:407, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die van kracht is in de sector van het beheer van afval van TLS-producten, is ingevoerd bij een wettelijke en bestuursrechtelijke regeling, namelijk het milieuwetboek en het besluit van 3 april 2014, zoals gewijzigd bij het besluit van 19 september 2017. Deze regeling moet derhalve worden beschouwd als toerekenbaar aan de staat in de zin van de in het vorige punt van dit arrest genoemde rechtspraak.

25

In de tweede plaats dient, om na te gaan of het voordeel direct of indirect met staatsmiddelen is bekostigd, eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het verbod van artikel 107, lid 1, VWEU zowel rechtstreeks door de staat of met staatsmiddelen toegekende steun omvat als steun die door van overheidswege ingestelde of aangewezen publiek- of privaatrechtelijke beheersorganen wordt toegekend (arrest van 15 mei 2019, Achema e.a., C‑706/17, EU:C:2019:407, punt 50 en aangehaalde rechtspraak).

26

Het in deze bepaling gemaakte onderscheid tussen „steunmaatregelen van de staten” en steunmaatregelen „met staatsmiddelen bekostigd” betekent niet dat alle door een staat verleende voordelen steunmaatregelen zijn, ongeacht of zij met staatsmiddelen worden bekostigd, maar wil alleen zeggen dat het begrip „steunmaatregel” zowel ziet op voordelen die rechtstreeks door de staat worden toegekend, als op die welke worden toegekend door een door deze staat ingesteld of aangewezen publiek- of privaatrechtelijk lichaam (arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

Het Unierecht verzet er zich immers tegen dat louter door de oprichting van autonome, met de verdeling van steun belaste instanties de regels betreffende staatssteun kunnen worden omzeild (arrest van 9 november 2017, Commissie/TV Danmark, C‑656/15 P, EU:C:2017:836, punt 45).

28

In casu zijn de bedrijven die TLS-producten op de markt brengen, namelijk producenten, importeurs en distributeurs, op grond van het in artikel L. 541‑10-3 van het milieuwetboek neergelegde beginsel van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid verplicht te zorgen voor de verwerking van het afval van deze producten of eraan bij te dragen.

29

Om aan deze verplichting te voldoen, moeten zij ofwel zelf zorgen voor de verwerking van het afval van TLS-producten, ofwel een financiële bijdrage betalen aan een door de publieke autoriteiten erkende milieu-instelling die tot doel heeft te zorgen voor het afvalbeheer door overeenkomsten te sluiten met sorteerbedrijven en hun financiële steun te betalen voor de recyclage en de verwerking van dit afval.

30

Weliswaar blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de bedrijven die TLS-producten op de markt brengen, om te voldoen aan hun verplichting uit hoofde van artikel L. 541‑10-3 van het milieuwetboek, ervoor hebben gekozen zich aan te sluiten bij Eco TLC, een daartoe bij het besluit van 3 april 2014 erkende instelling, maar op grond van deze omstandigheid op zich kan niet worden aangenomen dat de bijdragen die zij aan deze milieu-instelling betalen, verplichte bijdragen zijn die door de wetgeving van een staat zijn opgelegd.

31

Bovendien int Eco TLC bij de bedrijven die TLS-producten op de markt brengen financiële bijdragen in ruil voor de dienst die erin bestaat dat zij voor hun rekening hun wettelijke verplichting tot verwerking van het afval van deze producten nakomt. Daartoe sluit Eco TLC overeenkomsten met subsidiabele sorteerbedrijven en verleent zij hun financiële steun voor de recyclage en de verwerking van het afval van deze producten.

32

In dit verband moet worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voorziet in de overdracht van financiële bijdragen van particuliere marktdeelnemers aan een privaatrechtelijke onderneming en vervolgens in de betaling door die onderneming van een deel van die bijdragen aan andere particuliere marktdeelnemers.

33

Zoals de advocaat-generaal in punt 85 van zijn conclusie heeft opgemerkt, behouden deze bijdragen gedurende het gehele traject een particulier karakter. De middelen die door de betaling van die bijdragen worden gegenereerd, passeren nooit via de staatsbegroting of de begroting van een andere overheidsinstantie en komen nooit in handen van de overheid. Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de betrokken lidstaat geen afstand doet van middelen, van welke oorsprong dan ook, zoals belastingen, heffingen, bijdragen of andere lasten, die volgens de nationale wetgeving in de staatsbegroting hadden moeten worden gestort.

34

Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geen directe of indirecte overdracht van staatsmiddelen inhoudt.

35

Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat maatregelen waarbij geen staatsmiddelen worden overgedragen, niettemin kunnen vallen onder het begrip „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (arrest van 9 november 2017, Commissie/TV2/Danmark, C‑656/15 P, EU:C:2017:836, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Artikel 107, lid 1, VWEU omvat immers alle geldelijke middelen die de publieke autoriteiten daadwerkelijk kunnen gebruiken om ondernemingen te steunen, ongeacht of die middelen permanent deel uitmaken van het vermogen van de staat. Ook al zijn de bedragen die overeenkomen met de betrokken maatregel niet permanent in het bezit van de schatkist, dan nog volstaat het feit dat zij constant onder staatscontrole, en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, om ze als „staatsmiddelen” aan te merken (arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 37, en 15 mei 2019, Achema e.a., C‑706/17, EU:C:2019:407, punt 53).

37

Dus moet worden nagegaan of de middelen die door Eco TLC worden gebruikt om financiële steun aan de gecontracteerde sorteerbedrijven te betalen, constant onder staatscontrole staan en daarmee ter beschikking staan van de bevoegde nationale autoriteiten.

38

In de eerste plaats passeren deze middelen, zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is vastgesteld, nooit via de begroting van de Staat of van een andere overheidsinstantie en komen zij nooit in handen van de publieke autoriteiten.

39

Bovendien blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt ten eerste dat voor deze middelen geen bijzondere depotverplichting geldt, ten tweede dat in geval van stopzetting van de activiteiten van de milieu-instelling de eventueel beschikbare bedragen, na verrekening van de kosten in verband met de stopzetting van de activiteiten en na aftrek van de schulden van deze milieu-instelling jegens de Staat en al haar schuldeisers, niet aan de publieke autoriteiten worden betaald, en ten derde dat geschillen over de invordering van de bijdragen die uit hoofde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling verschuldigd zijn door de bedrijven die de TLS-producten op de markt brengen, onder de bevoegdheid van de burgerlijke of handelsrechtbanken vallen.

40

Hieruit volgt dat de Staat op geen enkel moment daadwerkelijk toegang heeft tot deze middelen en dat de milieu-instelling niet beschikt over voorrechten die specifiek zijn voor de overheid.

41

In de tweede plaats worden de middelen die door Eco TLC in het kader van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling worden gebruikt, uitsluitend aangewend voor de uitvoering van de taken die haar bij wet zijn opgedragen. Dit wettelijke beginsel van exclusieve aanwending van deze middelen lijkt, nu gegevens die op het tegendeel wijzen ontbreken, veeleer aan te tonen dat de Staat juist niet over deze middelen kan beschikken, dat wil zeggen niet kan beslissen om die middelen op een andere manier aan te wenden dan die waarin de wet voorziet (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punt 76).

42

In de derde plaats is het juist dat de tabel van de financiële steun die door de erkende milieu-instelling aan de sorteerbedrijven wordt betaald, door de Staat wordt vastgesteld.

43

Zoals blijkt uit de punten 5 en 15 van het onderhavige arrest, bepalen de erkende instellingen het totaalbedrag van de financiële bijdrage die zij innen bij de bedrijven die TLS-producten op de markt brengen, evenwel zodanig dat elk jaar de uitgaven worden gedekt die voortvloeien uit de toepassing van het bestek, namelijk de betaling van financiële steun aan de sorteerbedrijven, de exploitatiekosten en diverse sensibiliserings- en preventiecampagnes.

44

Voorts heeft de Franse regering er in haar schriftelijke opmerkingen op gewezen dat, overeenkomstig het bij het besluit van 3 april 2014 gevoegde bestek, de tabel van de financiële steun die door de erkende milieu-instelling aan de sorteerbedrijven wordt betaald, overeenkomt met de gemiddelde nettokosten voor sortering. Meer in het bijzonder is de herziening bij het besluit van 19 september 2017 door de publieke autoriteiten vastgesteld op basis van de voorstellen in het jaarverslag van de Observatoire environnemental, économique et social du tri et de la valorisation des déchets de (observatiecentrum voor de milieu-, economische en sociale aspecten van de sortering en terugwinning van TLS-afval). Dit door Eco TLC opgerichte observatiecentrum heeft met het oog op de opstelling van deze balans de kosten en inkomsten van de sorteerbedrijven in kaart gebracht en een ondercompensatie voor de sorteeractiviteiten vastgesteld.

45

De erkende milieu-instelling vervult dus een prominente rol bij de vaststelling en de bijwerking van de tabel van de financiële steun die aan de sorteerbedrijven wordt betaald, hetgeen de verwijzende rechter echter moet nagaan.

46

In de vierde plaats heeft de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen benadrukt dat, hoewel uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het besluit van 3 april 2014 bepaalde subsidiabiliteitsvoorwaarden vaststelt waaraan sorteerbedrijven moeten voldoen om voor deze financiële steun in aanmerking te komen, de erkende milieu-instelling in haar betrekkingen met de sorteerbedrijven een zekere contractuele vrijheid heeft om aanvullende subsidiabiliteitsvoorwaarden vast te stellen. Verder heeft Eco TLC volgens deze regering van die vrijheid gebruikgemaakt door op eigen initiatief strengere subsidiabiliteitsvoorwaarden in te voeren dan die welke door de Staat zijn vastgesteld.

47

Hierdoor kan Eco TLC invloed uitoefenen wanneer wordt bepaald wie de begunstigden zijn van de financiële steun die in het kader van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling kan worden betaald. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit ook het geval is.

48

In de vijfde en laatste plaats blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een door de Staat aangewezen censuurambtenaar de vergaderingen van de raad van bestuur van Eco TLC bijwoont, op de hoogte wordt gebracht van de voorwaarden van de door deze onderneming voorgenomen beleggingen in financiële producten voordat deze door de raad van bestuur worden goedgekeurd, en kennis kan nemen van alle documenten met betrekking tot het financiële beheer om, in geval van niet-naleving van de regels van goed financieel beheer, dit te melden aan de bevoegde publieke autoriteiten, die een boete kunnen opleggen of kunnen besluiten de erkenning te schorsen of in te trekken.

49

Uit het aan het Hof voorgelegde dossier blijkt echter dat deze censuurambtenaar in de raad van bestuur van Eco TLC niet over stemrecht beschikt waardoor hij invloed zou kunnen uitoefenen op het beheer van de middelen die door deze onderneming worden gebruikt om financiële steun te betalen aan de sorteerbedrijven. Voorts blijkt dat de taak van die censuurambtenaar uitsluitend erin bestaat toe te zien op de instandhouding van de financiële draagkracht van deze onderneming.

50

Uit het voorgaande volgt dat, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, de middelen die Eco TLC gebruikt om financiële steun aan sorteerbedrijven te betalen, niet constant onder staatscontrole staan in de zin van de in punt 36 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, en dus geen „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen.

51

Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een regeling waarbij een particuliere milieu-instelling zonder winstoogmerk die in het bezit is van een door de publieke autoriteiten afgegeven erkenning, bijdragen int bij bedrijven die een specifieke categorie producten op de markt brengen en die daartoe een overeenkomst met haar ondertekenen in ruil voor de dienst die erin bestaat om voor hun rekening te zorgen voor de verwerking van het afval van deze producten, en aan de sorteerbedrijven die belast zijn met het sorteren en terugwinnen van dat afval subsidies stort ter waarde van een bedrag dat in de erkenning is vastgesteld op basis van milieu- en sociale doelstellingen, geen maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd in de zin van die bepaling vormt, voor zover deze subsidies niet constant onder staatscontrole staan, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

Kosten

52

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 107, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een regeling waarbij een particuliere milieu-instelling zonder winstoogmerk die in het bezit is van een door de publieke autoriteiten afgegeven erkenning, bijdragen int bij bedrijven die een specifieke categorie producten op de markt brengen en die daartoe een overeenkomst met haar ondertekenen in ruil voor de dienst die erin bestaat om voor hun rekening te zorgen voor de verwerking van het afval van deze producten, en aan de sorteerbedrijven die belast zijn met het sorteren en terugwinnen van dat afval subsidies stort ter waarde van een bedrag dat in de erkenning is vastgesteld op basis van milieu- en sociale doelstellingen, geen maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd in de zin van die bepaling vormt, voor zover deze subsidies niet constant onder staatscontrole staan, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top