EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0510

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 november 2020.
Strafzaak tegen AZ.
Verzoek van het hof van beroep Brussel om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 6, lid 2 – Begrip ‚uitvoerende rechterlijke autoriteit’ – Artikel 27, lid 2 – Specialiteitsbeginsel – Artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4 – Afwijking – Vervolging voor een ‚ander feit’ dan dat welk de reden voor de overlevering is geweest – Toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Toestemming van het openbaar ministerie van de uitvoerende lidstaat.
Zaak C-510/19.

Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2020:953

 ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

24 november 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 6, lid 2 – Begrip ‚uitvoerende rechterlijke autoriteit’ – Artikel 27, lid 2 – Specialiteitsbeginsel – Artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4 – Afwijking – Vervolging voor een ‚ander feit’ dan het feit dat de reden voor de overlevering is geweest – Toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Toestemming van het openbaar ministerie van de uitvoerende lidstaat”

In zaak C‑510/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Brussel (België) bij beslissing van 26 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 4 juli 2019, in de strafprocedure tegen

AZ,

in tegenwoordigheid van:

Openbaar Ministerie,

YU,

ZV,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, J.‑C. Bonichot, M. Vilaras, E. Regan en N. Piçarra, kamerpresidenten, E. Juhász, C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, S. Rodin, F. Biltgen, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos en P. G. Xuereb, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

AZ, vertegenwoordigd door F. Thiebaut en M. Souidi, advocaten,

het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door J. Van Gaever,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann, E. Lankenau en A. Berg als gemachtigden,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Koós en M. M. Tátrai als gemachtigden,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en R. Troosters als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 juni 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 2, en de artikelen 14, 19 en 27 van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die in België is ingeleid tegen AZ, een Belgisch onderdaan, die is beschuldigd van valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en oplichting, en die door de Nederlandse autoriteiten is overgeleverd op grond van Europese aanhoudingsbevelen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 5, 7 en 8 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:

„(5)

De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

[...]

(7)

Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals in laatstgenoemd artikel neergelegd, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(8)

Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.”

4

Artikel 1 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel” en bepaalt:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

5

In de artikelen 3, 4 en 4 bis van het kaderbesluit worden de gronden voor verplichte en facultatieve weigering van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel opgesomd. Artikel 5 ervan bepaalt welke garanties de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen dient te verstrekken.

6

Artikel 6 van kaderbesluit 2002/584 heeft als opschrift „Bevoegde rechterlijke autoriteiten” en luidt:

„1.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.

2.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.

3.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.”

7

Artikel 14 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Horen van de gezochte persoon”, luidt:

„Indien de aangehouden persoon niet instemt met zijn overlevering als bedoeld in artikel 13, heeft hij het recht overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende staat door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord.”

8

Artikel 15 van het kaderbesluit draagt het opschrift „Beslissing over de overlevering” en bepaalt in lid 1:

„De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.”

9

Artikel 19 van dat kaderbesluit, met als opschrift „Horen van de persoon in afwachting van de beslissing”, luidt:

„1.   De gezochte persoon wordt gehoord door een rechterlijke autoriteit, bijgestaan door een andere persoon, die overeenkomstig het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht wordt aangewezen.

2.   De gezochte persoon wordt overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat gehoord en onder de omstandigheden welke in onderlinge overeenstemming tussen de uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden vastgesteld.

3.   De bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit kan een andere rechterlijke autoriteit van de lidstaat waartoe zij behoort opdragen medewerking te verlenen aan het horen van de gezochte persoon met het oog op de juiste toepassing van dit artikel en de vastgestelde voorwaarden.”

10

Artikel 27 van kaderbesluit 2002/584 heeft als opschrift „Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten” en luidt als volgt:

„1.   Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.

2.   Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.

3.   Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:

[...]

g)

de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.

4.   Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen.

[...]”

Nationaal recht

Belgisch recht

11

Artikel 37 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (Belgisch Staatsblad, 22 december 2003, blz. 60075) bepaalt:

„1.   Een persoon overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft.

2.   Paragraaf 1 is niet van toepassing ingeval:

[...]

Ingeval, buiten de gevallen bedoeld in het eerste lid, de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of het gerecht de overgeleverde persoon naargelang van het geval wenst te vervolgen, te veroordelen of van zijn vrijheid wenst te benemen wegens een ander, vóór de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, moet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek tot toestemming worden gericht, zulks samen met de gegevens vermeld in artikel 2, § 4 en, eventueel, met een vertaling.”

Nederlands recht

– Overleveringswet

12

Artikel 14 van de Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Stb. 2004, nr. 195) luidt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Overleveringswet”) als volgt:

„1.   Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij:

[...]

f.

daartoe voorafgaand toestemming aan de officier van justitie wordt gevraagd en deze is verkregen.

[...]

3.   De officier van justitie geeft op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit en op basis van het overgelegde Europees aanhoudingsbevel met bijbehorende vertaling de in het eerste lid, onder f, [...] bedoelde toestemming ten aanzien van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden toegestaan. [...]”

– Wet op de rechterlijke organisatie

13

Overeenkomstig artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: „Wet RO”) kan de minister van Veiligheid en Justitie algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14

Bij beschikking van 26 september 2017 heeft de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Leuven (België) op vordering van de procureur des Konings bij dezelfde rechtbank een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen AZ, een Belgisch onderdaan, met het oog op zijn overlevering en strafvervolging voor valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en oplichting, welke feiten in België zijn gepleegd tussen 5 en 13 mei 2017 (hierna: „oorspronkelijk Europees aanhoudingsbevel”).

15

AZ is voor deze feiten aangehouden in Nederland en is, op grond van het oorspronkelijk Europees aanhoudingsbevel, op 13 december 2017 bij beslissing van de rechtbank Amsterdam (Nederland) overgeleverd aan de Belgische autoriteiten.

16

Op 26 januari 2018 heeft de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Leuven tegen AZ een aanvullend Europees aanhoudingsbevel (hierna: „aanvullend Europees aanhoudingsbevel”) uitgevaardigd, met het oog op diens overlevering voor nog andere feiten van valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en oplichting dan die waarop het oorspronkelijk Europees aanhoudingsbevel betrekking had. Die andere feiten worden beschreven in de vorderingen van de procureur des Konings bij die rechtbank van 26 oktober en 24 november 2017, en 19 januari en 25 januari 2018.

17

Bij brief van 13 februari 2018 aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam (Nederland) overeenkomstig artikel 14 van de Overleveringswet toestemming verleend voor het vervolgen van de in het aanvullend Europees aanhoudingsbevel genoemde feiten.

18

Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt is AZ vervolgd voor de in het oorspronkelijk en het aanvullend Europees aanhoudingsbevel vermelde feiten. De correctionele rechtbank Leuven (België) heeft hem voor deze feiten veroordeeld tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van drie jaar.

19

AZ heeft tegen het vonnis van die rechter hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep Brussel (België). Hij werpt daar de vraag op of artikel 14 van de Overleveringswet in overeenstemming is met artikel 6, lid 2, artikel 14, artikel 19, lid 2, en artikel 27 van kaderbesluit 2002/584. Die rechterlijke instantie vraagt zich in dit verband met name af of de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam in casu een „uitvoerende rechterlijke autoriteit” is in de zin van artikel 6, lid 2, van dit kaderbesluit, die de in artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, ervan bedoelde toestemming kan geven.

20

In die omstandigheden heeft het hof van beroep Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

a)

Vormt de uitdrukking ‚rechterlijke autoriteit’ zoals bedoeld in artikel 6.2 Kaderbesluit een autonoom begrip van het Unierecht?

b)

Indien het antwoord op vraag [1, onder a),] bevestigend luidt: aan de hand van welke criteria kan worden vastgesteld of een autoriteit van de uitvoerende lidstaat een dergelijke rechterlijke autoriteit is en het door haar ten uitvoer gelegde Europees aanhoudingsbevel bijgevolg een dergelijke rechterlijke beslissing is?

c)

Indien het antwoord op vraag [1, onder a),] bevestigend luidt: valt het Nederlandse openbaar ministerie, meer bepaald de officier van justitie, onder het begrip rechterlijke autoriteit zoals bedoeld in artikel 6.2 Kaderbesluit en is het door deze autoriteit ten uitvoer gelegde Europees aanhoudingsbevel bijgevolg een rechterlijke beslissing?

d)

Indien het antwoord op vraag [1, onder c),] bevestigend luidt: kan het worden toegestaan dat de initiële overlevering wordt beoordeeld door een rechterlijke autoriteit, meer bepaald de [internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam], overeenkomstig artikel 15 Kaderbesluit, waarbij aan de rechtsonderhorige o.m. het hoorrecht en het recht op toegang tot de rechter wordt gerespecteerd, terwijl de aanvullende overlevering overeenkomstig artikel 27 Kaderbesluit wordt toebedeeld aan een andere autoriteit, namelijk de Officier van Justitie, waarbij aan de rechtsonderhorige geen hoorrecht of recht op toegang tot de rechter wordt gewaarborgd, zodat een manifest gebrek aan coherentie binnen het Kaderbesluit wordt tot stand gebracht zonder enige redelijke verantwoording?

e)

Indien het antwoord op [vraag 1, onder c) en d),] bevestigend luidt: dienen de artikelen 14, 19 en 27 Kaderbesluit zo te worden uitgelegd dat een openbaar ministerie hetwelk optreedt als uitvoerende rechterlijke autoriteit, vooreerst het hoorrecht en het recht op toegang tot de rechter van de rechtsonderhorige dient te respecteren, vooraleer toestemming kan gegeven worden voor het vervolgen, veroordelen of in hechtenis houden van een persoon met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, wegens een strafbaar feit dat is gepleegd vóór zijn overlevering krachtens een Europees aanhoudingsbevel, niet zijnde het strafbare feit waarvoor zijn overlevering is gevraagd?

2)

Is de officier van justitie van het openbaar ministerie van het arrondissementsparket Amsterdam die handelt in uitvoering van artikel 14 van de Nederlandse Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6.2 van het Kaderbesluit die de gezochte persoon overgeleverd heeft en die toestemming kan verlenen in de zin van artikel 27, lid 3, g) en lid 4 van het Kaderbesluit?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

21

De Duitse regering betwijfelt of het verzoek om een prejudiciële beslissing wel ontvankelijk is, in wezen omdat volgens haar de gestelde vragen geen reëel verband houden met het hoofdgeding en de verwijzende rechter hoe dan ook niet heeft aangegeven waarom de antwoorden op deze vragen relevant zijn voor de beslechting van dit geschil.

22

Volgens deze regering gaan de prejudiciële vragen over de overleverings‑ en toestemmingsprocedure in Nederland, in welk kader de Nederlandse autoriteiten een definitieve beslissing hebben genomen. De gezochte persoon is op grond van die beslissing reeds overgeleverd aan de Belgische autoriteiten. De rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat hebben dan ook niet de mogelijkheid om die in de uitvoerende lidstaat genomen beslissing te controleren, en die beslissing kan enkel bij de rechterlijke instanties van laatstgenoemde lidstaat worden aangevochten.

23

Toestaan dat een rechterlijke instantie van de uitvaardigende lidstaat de geldigheid van de door een autoriteit van de uitvoerende lidstaat verleende toestemming opnieuw onderzoekt, zou bovendien indruisen tegen het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten.

24

Tot slot zou het ook in strijd zijn met het doel van kaderbesluit 2002/584 wanneer een reeds afgeronde tenuitvoerleggingsprocedure in de uitvaardigende lidstaat zou worden gecontroleerd. Dat doel bestaat er immers in om het klassieke samenwerkingssysteem tussen soevereine staten – waarin de politieke autoriteiten een rol spelen en hun beoordeling geven – te vervangen door een vereenvoudigde en efficiënte regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen met het oog op tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of vervolging, welke regeling op het beginsel van wederzijdse erkenning steunt. Zelfs bij klassieke uitleveringsprocedures wordt in de verzoekende staat geen rechterlijk toezicht uitgeoefend op de nationale procedure die tot de beslissing tot uitlevering van de verdachte heeft geleid.

25

Er moet aan worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 4 december 2018, Minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána, C‑378/17, EU:C:2018:979, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 4 december 2018, Minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána, C‑378/17, EU:C:2018:979, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

Inzonderheid moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU. De prejudiciële procedure vooronderstelt dan ook met name dat daadwerkelijk een geding bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is, in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

In casu zij eraan herinnerd dat kaderbesluit 2002/584, zoals met name uit artikel 1, leden 1 en 2, en de overwegingen 5 en 7 ervan blijkt, tot doel heeft het multilaterale uitleveringssysteem tussen de lidstaten te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten van veroordeelde of verdachte personen met het oog op tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of vervolging (zie in die zin arresten van 17 juli 2008, Kozłowski, C‑66/08, EU:C:2008:437, punt 31, en 23 januari 2018, Piotrowski, C‑367/16, EU:C:2018:27, punt 46).

29

De doeltreffendheid en de goede werking van dit vereenvoudigd stelsel van overlevering van personen die zijn veroordeeld wegens of worden verdacht van het plegen van strafbare feiten, berusten op de inachtneming van bepaalde in dit kaderbesluit vastgelegde vereisten [zie in die zin arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van justitie van Lyon en van Tours), C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 46]. Een van deze vereisten is de rechterlijke aard van de uitvaardigende en de uitvoerende autoriteiten die in het kader van een op het kaderbesluit gebaseerde overleveringsprocedure moeten samenwerken.

30

De vragen van de verwijzende rechter gaan nu juist over de uitlegging van het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, en artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584.

31

In dit verband zij eraan herinnerd dat in artikel 27, lid 2, van dit kaderbesluit de specialiteitsregel is neergelegd volgens welke een overgeleverd persoon niet kan worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan het feit dat de reden voor de overlevering is geweest. Volgens artikel 27, lid 3, onder g), van het kaderbesluit geldt deze regel evenwel niet wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit daartoe overeenkomstig lid 4 van dit artikel toestemming geeft.

32

Uit de bewoordingen van artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van het kaderbesluit blijkt dat deze toestemming, die noodzakelijk is om de persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd, te kunnen vervolgen, te kunnen berechten of anderszins van zijn vrijheid te kunnen beroven voor andere dan de in dat bevel bedoelde strafbare feiten, moet worden gegeven door een autoriteit van de uitvoerende lidstaat die de hoedanigheid van „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 heeft.

33

De verwijzende rechter zet in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing uiteen dat het hoofdgeding deel uitmaakt van de strafprocedure die in België tegen AZ is ingesteld nadat de rechtbank Amsterdam hem op grond van het oorspronkelijk Europees aanhoudingsbevel had overgeleverd. AZ is in België vervolgd en veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de feiten van valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en oplichting zoals die zijn omschreven in dat Europees aanhoudingsbevel en zijn aangevuld bij het aanvullend Europees aanhoudingsbevel. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat de in artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde toestemming om de in het aanvullend Europees aanhoudingsbevel genoemde feiten te vervolgen, is verleend door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam overeenkomstig artikel 14 van de Overleveringswet.

34

AZ werpt bij de verwijzende rechter de vraag op of de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam beantwoordt aan de definitie van een „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 en of deze officier van justitie derhalve in casu de in artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, bedoelde toestemming kon geven.

35

In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van de in het vorige punt genoemde bepalingen van kaderbesluit 2002/584, noodzakelijk is om hem in staat te stellen om uit te maken of de in artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, ervan bedoelde toestemming door een dergelijke autoriteit is verleend voor de vervolging van de in het aanvullend Europees aanhoudingsbevel genoemde feiten, en dus om uitspraak te doen over de veroordeling van AZ waartoe die vervolging in België heeft geleid.

36

De vraag of die toestemming in casu in overeenstemming met het kaderbesluit is verleend en of de verwijzende rechter krachtens de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning gehouden is de gevolgen daarvan te erkennen in zijn rechtsorde, betreft de kern van de onderhavige zaak, zodat niet kan worden getwijfeld aan de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.

37

Dit verzoek is dan ook ontvankelijk.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag, onder a) en b)

38

Met zijn eerste vraag, onder a) en b), wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 een autonoom begrip van het Unierecht is en, zo ja, welke criteria moeten worden gebruikt om de inhoud van dit begrip te bepalen.

39

Volgens artikel 6, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2002/584 bepalen de lidstaten welke rechterlijke autoriteiten bevoegd zijn om krachtens hun nationale recht Europese aanhoudingsbevelen uit te vaardigen en uit te voeren. Volgens deze bepalingen moet in wezen zowel de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen als die om een dergelijk bevel uit te voeren, worden genomen door een „rechterlijke autoriteit”.

40

Wat de „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van dit kaderbesluit betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie weliswaar aan de lidstaten staat om op basis van hun nationale recht de „rechterlijke autoriteit” aan te wijzen die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, maar dat de betekenis en de strekking van dit begrip niet kunnen worden overgelaten aan de beoordeling van elke lidstaat, aangezien dit begrip in de gehele Unie autonoom en uniform dient te worden uitgelegd, waarbij rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit, de context van deze bepaling en het doel van dit kaderbesluit [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 48 en 49, en 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van justitie van Lyon en van Tours), C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 51].

41

Om dezelfde redenen is ook het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 een autonoom begrip van het Unierecht.

42

Wat de criteria ter bepaling van de inhoud van dit begrip betreft, zij er ten eerste op gewezen dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de in artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 gebruikte term „rechterlijke autoriteit” niet slechts de rechters en rechterlijke instanties van een lidstaat aanduidt, maar breder is en ook autoriteiten kan omvatten die in de betrokken lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, in tegenstelling tot met name ministeries of politiediensten, die deel uitmaken van de uitvoerende macht [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 50, en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C‑509/18, EU:C:2019:457, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43

Parketten nemen deel aan de strafrechtsbedeling in de betrokken lidstaat [zie in die zin met name arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 63, en 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van justitie van Lyon en van Tours), C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 53].

44

Ten tweede heeft het Hof erop gewezen dat de in artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in staat moet zijn die taak objectief uit te oefenen door rekening te houden met alle belastende en ontlastende elementen, zonder daarbij het risico te lopen dat derden, met name de uitvoerende macht, haar beslissingsbevoegdheid aansturen of met betrekking tot die bevoegdheid instructies geven, zodat het geen enkele twijfel lijdt dat het besluit tot uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel uitgaat van die autoriteit en in fine niet van de uitvoerende macht. Bijgevolg moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de uitvoerende rechterlijke autoriteit de zekerheid kunnen bieden dat zij in de uitoefening van haar met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken op onafhankelijke wijze optreedt, gelet op de waarborgen die door de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat worden geboden. Deze onafhankelijkheid vereist dat er statutaire en organisatorische voorschriften bestaan die waarborgen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de vaststelling van een beslissing tot uitvaardiging van een dergelijk aanhoudingsbevel geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 73 en 74, en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C‑509/18, EU:C:2019:457, punten 51 en 52].

45

Wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is, moet bovendien de beslissing om een dergelijk aanhoudingsbevel uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 75, en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C‑509/18, EU:C:2019:457, punt 53].

46

Dienaangaande heeft het Hof verduidelijkt dat het openstaan van een beroep in rechte tegen de door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, geen voorwaarde vormt om die autoriteit als „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te kunnen aanmerken. Een dergelijk vereiste behoort niet tot de statutaire en organisatorische voorschriften van die autoriteit maar betreft de procedure voor het uitvaardigen van een dergelijk bevel, die moet voldoen aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming [zie in die zin arresten van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van justitie van Lyon en van Tours), C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punten 48 en 63, en 12 december 2019, Openbaar Ministerie (Openbaar ministerie van Zweden), C‑625/19 PPU, EU:C:2019:1078, punten 30 en 53].

47

De status en de aard van de rechterlijke autoriteiten die worden bedoeld in respectievelijk lid 1 en lid 2 van artikel 6 van kaderbesluit 2002/584 zijn dezelfde, hoewel deze rechterlijke autoriteiten onderscheiden taken uitoefenen die verband houden met enerzijds de uitvaardiging en anderzijds de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

48

Ten eerste beoogt kaderbesluit 2002/584 immers, zoals in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, te komen tot een vereenvoudigde regeling waarbij overlevering rechtstreeks plaatsvindt tussen rechterlijke autoriteiten, ter vervanging van de klassieke regeling van samenwerking tussen soevereine staten waarbij sprake is van een rol voor en beoordeling door de politieke autoriteiten, zodat het vrije verkeer van beslissingen in strafzaken wordt verzekerd in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht [arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 65; 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C‑509/18, EU:C:2019:457, punt 43, en 9 oktober 2019, NJ (Openbaar ministerie Wenen), C‑489/19 PPU, EU:C:2019:849, punt 32].

49

Aan dit kaderbesluit ligt het beginsel ten grondslag dat voor beslissingen betreffende Europese aanhoudingsbevelen alle waarborgen gelden die eigen zijn aan dit soort beslissingen, waaronder de waarborgen die voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit. Dit impliceert dat niet alleen de beslissing betreffende de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, maar ook de beslissing betreffende de uitvoering van een dergelijk bevel wordt genomen door een rechterlijke autoriteit die voldoet aan de eisen die inherent zijn aan effectieve rechterlijke bescherming – waaronder de waarborg van onafhankelijkheid – zodat de gehele procedure van overlevering tussen lidstaten waarin dit kaderbesluit voorziet, onder rechterlijk toezicht wordt uitgevoerd [arresten van 10 november 2016, Kovalkovas, C‑477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 37, en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 56].

50

Zoals trouwens uit overweging 8 van kaderbesluit 2002/584 blijkt, mogen beslissingen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel pas worden genomen na een toereikende controle, wat betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.

51

Dienaangaande zij er ten tweede op gewezen dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel – net zo goed als de uitvaardiging ervan – de vrijheid van de betrokkene kan aantasten, aangezien die tenuitvoerlegging ertoe zal leiden dat de gezochte persoon wordt aangehouden en overgeleverd aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om strafrechtelijk te kunnen worden vervolgd.

52

Ten derde zij eraan herinnerd dat, wat de uitvaardigingsprocedure voor een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging betreft, de regeling van het Europees aanhoudingsbevel op twee niveaus bescherming garandeert van de procedurele en grondrechten die de gezochte persoon moet genieten. Om te beginnen moet op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing worden genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming [zie in die zin arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 68, en 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van justitie van Lyon en van Tours), C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 60]. Voorts moet de „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 – te weten de entiteit die uiteindelijk de beslissing neemt om het Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen – objectief en onafhankelijk kunnen handelen in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de uitvaardiging van dit bevel, zelfs indien het bevel gebaseerd is op een nationale beslissing van een rechter of een rechterlijke instantie [zie in die zin arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punten 7174, en 9 oktober 2019, NJ (Openbaar ministerie Wenen), C‑489/19 PPU, EU:C:2019:849, punten 37 en 38].

53

De tussenkomst van de uitvoerende rechterlijke autoriteit is daarentegen het enige beschermingsniveau waarin kaderbesluit 2002/584 voorziet om te garanderen dat de betrokkene in de fase van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel alle garanties krijgt die eigen zijn aan het vaststellingsproces voor rechterlijke beslissingen en met name die welke voortvloeien uit de in artikel 1, lid 3, van dit kaderbesluit bedoelde grondrechten en rechtsbeginselen.

54

Uit de overwegingen in de punten 47 tot en met 53 van dit arrest blijkt dat het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, net als het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, slaat op hetzij een rechter of een rechterlijke instantie, hetzij een rechterlijke autoriteit, zoals het parket van een lidstaat, die deelneemt aan de rechtsbedeling in deze lidstaat en die overeenkomstig de in punt 44 van dit arrest aangehaalde rechtspraak de nodige onafhankelijkheid geniet ten opzichte van de uitvoerende macht. Wanneer het recht van de uitvoerende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te voeren toekent aan een dergelijke autoriteit, moet deze haar taak niettemin uitoefenen in het kader van een procedure die voldoet aan de uit een effectieve rechterlijke bescherming voortvloeiende vereisten, wat impliceert dat in die lidstaat effectief beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van deze autoriteit.

55

Het staat aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsorde het door kaderbesluit 2002/584 vereiste niveau van rechterlijke bescherming, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, op doeltreffende wijze waarborgt middels door hen toegepaste procedurevoorschriften, die van stelsel tot stelsel kunnen verschillen [zie naar analogie arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van justitie van Lyon en van Tours), C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 64].

56

Gelet op al het voorgaande dient op de eerste vraag, onder a) en b), te worden geantwoord dat het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 een autonoom begrip van het Unierecht is dat aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteiten van een lidstaat omvat die, zonder noodzakelijkerwijs rechters of rechterlijke instanties te zijn, in die lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, die onafhankelijk handelen in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, en die hun taken uitoefenen in het kader van een procedure die voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming.

Eerste vraag, onder c), en tweede vraag

57

Met zijn eerste vraag, onder c), en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 2, en artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584 aldus moeten worden uitgelegd dat de officier van justitie van een lidstaat een „uitvoerende rechterlijke autoriteit” is in de zin van deze bepalingen.

58

Zoals uit het antwoord op de eerste vraag, onder a) en b), volgt, mogen beslissingen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel pas worden genomen na een toereikende controle, wat betekent dat een „rechterlijke autoriteit” van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, die voldoet aan de in punt 54 van dit arrest genoemde voorwaarden, dient te beslissen of die persoon al dan niet wordt overgeleverd.

59

Ook de in artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde toestemming vereist de tussenkomst van een rechterlijke autoriteit die aan diezelfde voorwaarden voldoet.

60

De beslissing om de in artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit genoemde toestemming te verlenen moet immers worden onderscheiden van de beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel en brengt voor de betrokkene andere gevolgen mee dan laatstgenoemde beslissing.

61

In dit verband zij er om te beginnen op gewezen dat deze toestemming volgens die bepaling wordt verleend wanneer het strafbaar feit waarvoor zij wordt gevraagd zelf de verplichting tot overlevering meebrengt overeenkomstig de bepalingen van het kaderbesluit, en dat zij wordt geweigerd op dezelfde gronden voor verplichte of facultatieve niet‑tenuitvoerlegging als die waarin de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit voor het Europees aanhoudingsbevel voorzien.

62

Voorts moet worden opgemerkt dat, zoals de Nederlandse regering betoogt, wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit overeenkomstig artikel 27, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 om toestemming wordt verzocht, de betrokkene reeds aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit is overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel. Toch kan de beslissing over deze toestemming, net als de beslissing over de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel, de vrijheid van de betrokkene aantasten, aangezien zij een ander strafbaar feit betreft dan het feit dat die overlevering heeft gerechtvaardigd en tot een zwaardere veroordeling van de betrokkene kan leiden.

63

Volgens de in artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit neergelegde specialiteitsregel kan een overgeleverd persoon immers niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid worden beroofd wegens enig ander vóór zijn overlevering begaan feit dan het feit dat de reden voor zijn overlevering is geweest. Enkel in de in lid 3 van dit artikel genoemde gevallen, onder meer wanneer daartoe overeenkomstig artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van het kaderbesluit toestemming wordt verleend, mogen de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat deze persoon vervolgen of veroordelen voor een ander feit dan het feit dat de reden voor zijn overlevering is geweest.

64

Los van de vraag of de rechterlijke autoriteit die de in artikel 27, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde toestemming verleent dezelfde moet zijn als die welke het Europees aanhoudingsbevel in kwestie heeft uitgevoerd, kan die toestemming derhalve hoe dan ook niet worden verleend door een autoriteit die in het kader van de uitoefening van haar beslissingsbevoegdheid een individuele instructie kan ontvangen van de uitvoerende macht en bijgevolg niet voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden om te worden aangemerkt als een „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van dit kaderbesluit.

65

In casu blijkt uit de opmerkingen van de Nederlandse regering dat het naar Nederlands recht in het kader van de procedure tot overlevering van een persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam staat om de rechtbank Amsterdam te vragen om het Europees aanhoudingsbevel te onderzoeken met het oog op die tenuitvoerlegging. Deze regering heeft niettemin onderstreept dat de beslissing tot overlevering finaal aan die rechtbank toekomt en dat de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam deze beslissing louter uitvoert.

66

Derhalve blijkt dat de rechterlijke beslissing waarbij een persoon wordt overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel, naar Nederlands recht wordt vastgesteld door de rechtbank Amsterdam, waarvan de hoedanigheid van „rechterlijke autoriteit” in de zin van kaderbesluit 2002/584 geenszins wordt betwist.

67

Wat daarentegen de beslissing tot verlening van de in artikel 27, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde toestemming betreft, heeft de Nederlandse regering aangegeven dat deze enkel en alleen door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam wordt genomen, aangezien de betrokkene reeds aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit is overgeleverd krachtens een beslissing van de rechtbank Amsterdam. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat deze officier van justitie volgens artikel 127 van de Wet RO individuele instructies kan ontvangen van de Nederlandse minister van Justitie. Bijgevolg kan in het licht van de in punt 64 van dit arrest uiteengezette overwegingen niet worden geoordeeld dat deze officier van justitie aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet om als „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, en artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van het kaderbesluit te kunnen worden aangemerkt.

68

Aan deze overweging wordt niet afgedaan door het feit dat de betrokkene, zoals de Nederlandse regering in haar opmerkingen betoogt, tegen de door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam verleende toestemming kan opkomen bij de voorzieningenrechter (Nederland).

69

Uit de aanwijzingen van deze regering blijkt immers niet dat het bestaan van dit rechtsmiddel op zich de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam kan beschermen tegen het risico dat zijn beslissing over de in artikel 27, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde toestemming het voorwerp uitmaakt van een individuele instructie van de Nederlandse minister van Justitie [zie naar analogie arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau), C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 86].

70

Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag, onder c), en op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, en artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584 aldus moeten worden uitgelegd dat de officier van justitie van een lidstaat die weliswaar aan de rechtsbedeling deelneemt maar in het kader van de uitoefening van zijn beslissingsmacht individuele instructies kan ontvangen van de uitvoerende macht, geen „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van deze bepalingen is.

Eerste vraag, onder d) en e)

71

Gezien de antwoorden op de eerste vraag, onder a) tot en met c), en op de tweede vraag, hoeft niet te worden geantwoord op de eerste vraag, onder d) en e).

Beperking in de tijd van de gevolgen van het onderhavige arrest

72

Het Openbaar Ministerie (België) heeft het Hof verzocht om de gevolgen van het onderhavige arrest in de tijd te beperken indien het zou oordelen dat een autoriteit zoals de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam niet onder het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” van artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584 valt. Het heeft daartoe betoogd dat er vóór het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456), geen elementen waren die twijfel konden wekken over de verenigbaarheid van de tussenkomst van een dergelijke officier met dit kaderbesluit.

73

In dit verband zij eraan herinnerd dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid geeft aan een voorschrift van Unierecht volgens vaste rechtspraak de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert de datum van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (arrest van 10 november 2016, Kovalkovas, C‑477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het Hof uit hoofde van een aan de rechtsorde van de Unie inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid besluiten om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw ter discussie te stellen. Tot een dergelijke beperking kan slechts worden besloten indien is voldaan aan twee essentiële criteria, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar voor ernstige verstoringen (arrest van 10 november 2016, Kovalkovas, C‑477/16 PPU, EU:C:2016:861, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75

In casu moet evenwel worden opgemerkt dat het Openbaar Ministerie niets heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de uitleggingsgegevens die het Hof in dit arrest verstrekt een gevaar voor ernstige verstoringen in de procedures tot uitvoering van Europese aanhoudingsbevelen opleveren.

76

Derhalve is er geen reden om de gevolgen van dit arrest in de tijd te beperken.

Kosten

77

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Het begrip „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, is een autonoom begrip van het Unierecht dat aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteiten van een lidstaat omvat die, zonder noodzakelijkerwijs rechters of rechterlijke instanties te zijn, in die lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, die onafhankelijk handelen in de uitoefening van de taken die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, en die hun taken uitoefenen in het kader van een procedure die voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming.

 

2)

Artikel 6, lid 2, en artikel 27, lid 3, onder g), en lid 4, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moeten aldus worden uitgelegd dat de officier van justitie van een lidstaat die weliswaar aan de rechtsbedeling deelneemt maar in het kader van de uitoefening van zijn beslissingsmacht individuele instructies kan ontvangen van de uitvoerende macht, geen „uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van deze bepalingen is.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top