EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0241

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 9 juli 2020.
George Haswani tegen Raad van de Europese Unie.
Hogere voorziening – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Syrië – Maatregelen tegen vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn – Lijst van personen jegens wie de bevriezing van fondsen en economische middelen geldt – Opname van rekwirants naam op die lijst – Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding.
Zaak C-241/19 P.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2020:545

 ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

9 juli 2020 ( *1 )

„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Syrië – Maatregelen tegen vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn – Lijst van personen jegens wie de bevriezing van fondsen en economische middelen geldt – Opname van rekwirants naam op die lijst – Beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding”

In zaak C‑241/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 18 maart 2019,

George Haswani, wonende te Yabroud (Syrië), vertegenwoordigd door G. Karouni, avocat,

rekwirant,

andere partijen in de procedure:

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Kyriakopoulou en V. Piessevaux als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bouquet, L. Baumgart en A. Tizzano, vervolgens door A. Bouquet en L. Baumgart als gemachtigden,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: L. S. Rossi, kamerpresident, J. Malenovský en F. Biltgen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Met zijn hogere voorziening verzoekt George Haswani om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 januari 2019, Haswani/Raad (T‑477/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:7; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van, ten eerste, zijn verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2016/850 van de Raad van 27 mei 2016 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2016, L 141, blz. 125), uitvoeringsverordening (EU) 2016/840 van de Raad van 27 mei 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2016, L 141, blz. 30), besluit (GBVB) 2017/917 van de Raad van 29 mei 2017 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2017, L 139, blz. 62), uitvoeringsverordening (EU) 2017/907 van de Raad van 29 mei 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2017, L 139, blz. 15), uitvoeringsbesluit (GBVB) 2017/1245 van de Raad van 10 juli 2017 houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2017, L 178, blz. 13), uitvoeringsverordening (EU) 2017/1241 van de Raad van 10 juli 2017 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2017, L 178, blz. 1), besluit (GBVB) 2018/778 van de Raad van 28 mei 2018 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2018, L 131, blz. 16), en uitvoeringsverordening (EU) 2018/774 van de Raad van 28 mei 2018 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2018, L 131, blz. 1), voor zover die handelingen hem betreffen, en, ten tweede, zijn verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die hij door besluit 2017/917 en uitvoeringsverordening 2017/907 zou hebben geleden.

Toepasselijke bepalingen

2

In artikel 27 van besluit 2013/255/GBVB van de Raad van 31 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2013, L 147, blz. 14), was bepaald:

„1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van de op de lijst in bijlage I vermelde personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië, personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime en personen die banden met hen hebben.

[…]”

3

Artikel 28 van besluit 2013/255 luidde als volgt:

„1.   Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië, personen en entiteiten die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime en personen en entiteiten die banden met hen hebben, zoals vermeld op de lijsten in bijlage I en bijlage II, worden bevroren.

[…]”

4

Besluit 2013/255 is gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/1836 van de Raad van 12 oktober 2015 (PB 2015, L 266, blz. 75, met rectificatie in PB 2016, L 336, blz. 42; hierna: „besluit 2013/255, zoals gewijzigd”).

5

De overwegingen 2, 5 en 6 van besluit 2015/1836 luiden als volgt:

„(2)

[D]e Raad [is] de gewelddadige repressie tegen de burgerbevolking in Syrië door het Syrische regime krachtig blijven veroordelen. De Raad heeft herhaaldelijk ernstige bezorgdheid geuit over de verslechterende situatie in Syrië en in het bijzonder over de wijdverbreide en stelselmatige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht.

[…]

(5)

De Raad constateert dat het Syrische regime zijn repressieve beleid voortzet en acht het, gelet op de onverminderde ernst van de situatie, noodzakelijk de doeltreffendheid van de vigerende beperkende maatregelen te bestendigen en te verzekeren door deze verder te ontwikkelen met behoud van zijn gerichte en gedifferentieerde aanpak en rekening houdend met de humanitaire omstandigheden van de Syrische bevolking. Gezien de specifieke context in Syrië is de Raad van oordeel dat bepaalde categorieën personen en entiteiten van bijzonder belang zijn voor de doeltreffendheid van deze beperkende maatregelen.

(6)

De Raad heeft geoordeeld dat het Syrische regime de economie strak in handen houdt en dat dus een beperkte kring van vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn, zijn status alleen kan handhaven omdat zij een nauwe band met het regime hebben en door het regime worden gesteund, en invloed hebben binnen het regime. De Raad is van oordeel dat hij beperkende maatregelen moet nemen met het oog op het opleggen van inreisbeperkingen en de bevriezing van alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van die vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn, die door de Raad zijn aangewezen en in bijlage I zijn opgenomen, teneinde te voorkomen dat deze personen materiële of financiële steun leveren aan het regime en, door de invloed die zij uitoefenen, het regime zelf meer onder druk moet zetten om zijn repressieve beleid te wijzigen.”

6

Artikel 27, leden 1 tot en met 4, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, luidt als volgt:

„1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van de op de lijst in bijlage I vermelde personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië, personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime en personen die banden met hen hebben.

2.   In lijn met de beoordelingen en vaststellingen waartoe de Raad in de context van de situatie in Syrië, zoals uiteengezet in overwegingen 5 tot en met 11, is overgegaan, nemen de lidstaten eveneens de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van:

a)

vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn;

b)

leden van de families Assad en Makhlouf;

c)

ministers van de Syrische regering die na mei 2011 aan de macht zijn geweest;

d)

leden van de Syrische strijdkrachten met de rang van ,kolonel’ en met een gelijkwaardige of hogere rang die na mei 2011 in dienst zijn geweest;

e)

leden van de Syrische veiligheids- en inlichtingendiensten die na mei 2011 in dienst zijn geweest;

f)

leden van de met het regime gelieerde milities, of

g)

personen die actief zijn in de sector van de verspreiding van chemische wapens,

[…]

3.   Personen die behoren tot een van de in lid 2 bedoelde categorieën, worden niet op de in bijlage I vervatte lijst van personen en entiteiten opgenomen of gehandhaafd als er voldoende informatie is waaruit blijkt dat zij niet of niet meer verbonden zijn met het regime of er geen invloed (meer) over uitoefenen, of geen echt omzeilingsrisico vormen.

4.   Alle besluiten tot plaatsing op de lijst worden op individuele basis en per geval genomen, rekening houdend met de evenredigheid van de maatregel.”

7

Artikel 28, leden 1 tot en met 4, van dat besluit bepaalt:

„1.   Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië, personen en entiteiten die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime en personen en entiteiten die banden met hen hebben, zoals vermeld op de lijsten in bijlage I en bijlage II, worden bevroren.

2.   In lijn met de beoordelingen en vaststellingen waartoe de Raad in de context van de situatie in Syrië, zoals uiteengezet in overwegingen 5 tot en met 11, is overgegaan, worden alle tegoeden en economische middelen bevroren die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van:

a)

vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn;

b)

leden van de families Assad en Makhlouf;

c)

ministers van de Syrische regering die na mei 2011 aan de macht zijn geweest;

d)

leden van de Syrische strijdkrachten met de rang van ,kolonel’ en met een gelijkwaardige of hogere rang die na mei 2011 in dienst zijn geweest;

e)

leden van de Syrische veiligheids- en inlichtingendiensten die na mei 2011 in dienst zijn geweest;

f)

leden van aan het regime gelieerde milities, of

g)

leden van entiteiten, afdelingen, agentschappen, lichamen of instellingen die actief zijn in de sector van de verspreiding van chemische wapens,

[…]

3.   Personen, entiteiten of lichamen die behoren tot een van de in lid 2 bedoelde categorieën, worden niet op de in de bijlage I vervatte lijst van personen en entiteiten opgenomen of gehandhaafd als er voldoende informatie is waaruit blijkt dat zij niet of niet meer verbonden zijn met het regime of er geen invloed (meer) over uitoefenen, of geen echt omzeilingsrisico vormen.

4.   Alle besluiten tot plaatsing op de lijst worden op individuele basis en per geval genomen, rekening houdend met de evenredigheid van de maatregel.”

Voorgeschiedenis van het geding

8

De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 30 van het bestreden arrest uiteengezet. Zij kan in het kader van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.

9

Rekwirant is een zakenman van Syrische nationaliteit.

10

Op 9 mei 2011 heeft de Raad van de Europese Unie besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2011, L 121, blz. 11) vastgesteld, waarin de gewelddadige onderdrukking van vreedzame demonstraties op diverse plaatsen in Syrië met kracht is veroordeeld en een oproep is gedaan aan de Syrische autoriteiten om af te zien van het gebruik van geweld.

11

De namen van de personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige repressie van de burgerbevolking in Syrië, en die van de met hen geassocieerde natuurlijke of rechtspersonen en entiteiten, zijn in de bijlage bij besluit 2011/273 opgenomen. Uit hoofde van artikel 5, lid 1, van dit besluit kan de Raad die bijlage op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid wijzigen.

12

Aangezien bepaalde beperkende maatregelen tegen de Arabische Republiek Syrië binnen de werkingssfeer van het VWEU vallen, heeft de Raad op 9 mei 2011 verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië vastgesteld (PB 2011, L 121, blz. 1). Die verordening komt in grote lijnen overeen met besluit 2011/273, maar voorziet in mogelijkheden voor de vrijgave van de bevroren tegoeden. De lijst van personen, entiteiten en lichamen die ofwel verantwoordelijk zijn voor de betrokken repressie ofwel banden onderhouden met de verantwoordelijken voor deze repressie, die is vermeld in bijlage II bij deze verordening, komt overeen met die in de bijlage bij besluit 2011/273.

13

Bij besluit 2011/782/GBVB van 1 december 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en houdende intrekking van besluit 2011/273 (PB 2011, L 319, blz. 56) heeft de Raad het gelet op de ernst van de situatie in Syrië noodzakelijk geacht bijkomende beperkende maatregelen vast te stellen. Artikel 18 van besluit 2011/782 voorziet in beperkingen voor de toelating van de in bijlage I bij dat besluit genoemde personen tot het grondgebied van de Europese Unie, en artikel 19 van dat besluit voorziet in de bevriezing van de tegoeden en economische middelen van de in de bijlagen I en II bij dat besluit genoemde personen en entiteiten.

14

Verordening nr. 442/2011 is vervangen door verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2012, L 16, blz. 1).

15

Bij besluit 2012/739/GBVB van de Raad van 29 november 2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en houdende intrekking van besluit 2011/782 (PB 2012, L 330, blz. 21) zijn de betrokken beperkende maatregelen in één enkel rechtsinstrument samengebracht.

16

Besluit 2012/739 is vervangen door besluit 2013/255. Dit besluit is bij besluit 2014/309/GBVB van de Raad van 28 mei 2014 tot wijziging van besluit 2013/255 (PB 2014, L 160, blz. 37) verlengd tot 1 juni 2015.

17

Bij uitvoeringsbesluit (GBVB) 2015/383 van de Raad van 6 maart 2015 houdende uitvoering van besluit 2013/255 (PB 2015, L 64, blz. 41) is rekwirants naam opgenomen in regel 203 van bijlage I, afdeling A, bij besluit 2013/255, betreffende de lijst van personen op wie dat besluit van toepassing is. Die regel bevatte ook de datum van opneming van zijn naam op die lijst, in casu 7 maart 2015, alsmede de volgende motivering:

„Bekend Syrisch zakenman, mede-eigenaar van HESCO Engineering and Construction Company, een groot techniek- en bouwbedrijf in Syrië. Hij onderhoudt nauwe banden met het Syrische regime.

Haswani biedt steun aan en profiteert van het regime via zijn rol als tussenpersoon bij overeenkomsten voor de aankoop van olie van [de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL)] door het Syrische regime.

Hij profiteert ook van het [Syrische] regime dankzij een voorkeursbehandeling, onder meer de toekenning van een contract (als onderaannemer) met Stroytransgaz, een belangrijk Russisch oliebedrijf.”

18

Op 6 maart 2015 heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) 2015/375 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2015, L 64, blz. 10) vastgesteld. Rekwirants naam is in de lijst in bijlage II, afdeling A, bij verordening (EU) nr. 36/2012 ingevoegd met dezelfde vermeldingen en redenen als in uitvoeringsbesluit 2015/383.

19

Op 28 mei 2015 heeft de Raad bij besluit (GBVB) 2015/837 houdende wijziging van besluit 2013/255 (PB 2015, L 132, blz. 82) dat besluit 2013/255 verlengd tot 1 juni 2016. Diezelfde dag heeft hij uitvoeringsverordening (EU) 2015/828 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2015, L 132, blz. 3) vastgesteld.

20

Op 12 oktober 2015 heeft de Raad besluit 2015/1836 tot wijziging van besluit 2013/255 vastgesteld. Diezelfde dag heeft hij verordening (EU) 2015/1828 tot wijziging van verordening nr. 36/2012 (PB 2015, L 266, blz. 1) vastgesteld.

21

Op 27 mei 2016 heeft de Raad besluit 2016/850 vastgesteld. De vermelding van rekwirants naam in regel 203 van bijlage I, afdeling A, bij besluit 2013/255 betreffende de lijst van personen op wie dat besluit betrekking heeft, is, net als de datum van opneming van zijn naam op die lijst, in casu 7 maart 2015, gehandhaafd, met de volgende motivering:

„Belangrijk zakenman in Syrië met belangen en/of activiteiten in de sectoren engineering, bouw en olie en gas. Hij heeft belangen en/of grote invloed in een aantal ondernemingen en entiteiten in Syrië, met name HESCO Engineering and Construction Company, een grote onderneming voor engineering en bouw.

Haswani heeft nauwe banden met het Syrische regime. Hij biedt steun aan en profiteert van het regime via zijn rol als tussenpersoon bij overeenkomsten voor de aankoop van olie van ISIL door het Syrische regime. Hij profiteert ook van het regime dankzij een voorkeursbehandeling, onder meer de toekenning van een contract (als onderaannemer) met Stroytransgaz, een belangrijk Russisch oliebedrijf.”

22

Op 27 mei 2016 heeft de Raad uitvoeringsverordening 2016/840 vastgesteld. Rekwirants naam is in de lijst in bijlage II, afdeling A, bij verordening nr. 36/2012 gehandhaafd met dezelfde vermeldingen en motivering als in besluit 2016/850.

23

Bij brief van 30 mei 2016 aan rekwirants vertegenwoordiger heeft de Raad rekwirant een afschrift van besluit 2016/850 en van uitvoeringsverordening 2016/840 toegezonden.

24

Naar aanleiding van een door rekwirant ingesteld beroep heeft het Gerecht bij arrest van 22 maart 2017, Haswani/Raad (T‑231/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:200), uitvoeringsbesluit 2015/383, uitvoeringsverordening 2015/375, besluit 2015/837 en uitvoeringsverordening 2015/828 nietig verklaard, voor zover deze handelingen rekwirant betroffen. Het gedeelte van het beroep dat tegen besluit 2016/850 en uitvoeringsverordening 2016/840 was gericht, is door het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard op grond dat de memorie met het aanpassingsverzoek niet aan de voorwaarden van artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voldeed. In hogere voorziening heeft het Hof de redenering van het Gerecht inzake de voorwaarden waaraan een memorie tot aanpassing van de ter ondersteuning van een inleidend verzoekschrift aangevoerde middelen en argumenten moet voldoen, afgekeurd en dat arrest van het Gerecht bij arrest van 24 januari 2019, Haswani/Raad (C‑313/17 P, EU:C:2019:57), op dit punt vernietigd. Na terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht heeft het Gerecht het deel van het beroep tegen besluit 2016/850 en uitvoeringsverordening 2016/840 bij beschikking van 11 september 2019, Haswani/Raad (T‑231/15 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2019:589), deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

25

Bij besluit 2017/917, van 29 mei 2017, heeft de Raad besluit 2013/255 verlengd tot 1 juni 2018. Op 29 mei 2017 heeft hij uitvoeringsverordening 2017/907 vastgesteld.

26

Bij brief van 19 juni 2017 aan rekwirants vertegenwoordiger heeft de Raad rekwirant in kennis gesteld van zijn voornemen om de redenen voor de plaatsing van zijn naam op de lijsten in bijlage I, afdeling A, bij besluit 2013/255 en in bijlage II, afdeling A, bij verordening nr. 36/2012 te wijzigen na die plaatsing opnieuw te hebben onderzocht. De Raad heeft rekwirant een termijn gesteld waarbinnen hij eventueel opmerkingen kon maken.

27

Bij brief van 29 juni 2017 heeft rekwirants vertegenwoordiger bezwaar gemaakt tegen de herplaatsing van diens naam op die lijsten.

28

Op 10 juli 2017 heeft de Raad uitvoeringsbesluit 2017/1245 vastgesteld. De vermelding van rekwirants naam in regel 203 van bijlage I, afdeling A, bij besluit 2013/255 betreffende de lijst van personen op wie dat besluit betrekking heeft, is, net als de datum van opneming van zijn naam op die lijst, in casu 7 maart 2015, gehandhaafd, met de volgende motivering:

„Belangrijk zakenman in Syrië met belangen en/of activiteiten in de sectoren engineering, bouw en olie en gas. Hij heeft belangen en/of grote invloed in een aantal ondernemingen en entiteiten in Syrië, met name HESCO Engineering and Construction Company, een grote onderneming voor engineering en bouw.”

29

Op 10 juli 2017 heeft de Raad uitvoeringsverordening 2017/1241 vastgesteld. Rekwirants naam is in de lijst in bijlage II, afdeling A, bij verordening nr. 36/2012 gehandhaafd met dezelfde vermeldingen en redenen als in uitvoeringsbesluit 2017/1245.

30

Bij brief van 11 juli 2017 aan rekwirants vertegenwoordiger heeft de Raad diens brief van 29 juni 2017 beantwoord en rekwirant een afschrift van uitvoeringsbesluit 2017/1245 en van uitvoeringsverordening 2017/1241 toegezonden.

31

Bij besluit 2018/778 van 28 mei 2018 heeft de Raad besluit 2013/255 verlengd tot 1 juni 2019. Bovendien zijn verschillende vermeldingen in bijlage I bij besluit 2013/255 betreffende andere personen dan rekwirant gewijzigd. Besluit 2018/778 is krachtens artikel 3 ervan op de dag na die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking getreden.

32

Op 28 mei 2018 heeft de Raad uitvoeringsverordening 2018/774 vastgesteld. Krachtens artikel 1 van die uitvoeringsverordening is bijlage II bij verordening nr. 36/2012 gewijzigd om rekening te houden met de wijzigingen die bij besluit 2018/778 zijn aangebracht in bijlage I bij besluit 2013/255. Die uitvoeringsverordening is krachtens artikel 2 ervan op de dag na die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking getreden.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

33

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 juli 2017, heeft rekwirant beroep ingesteld strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van besluit 2016/850, uitvoeringsverordening 2016/840, besluit 2017/917, uitvoeringsverordening 2017/907, uitvoeringsbesluit 2017/1245 en uitvoeringsverordening 2017/1241 en, ten tweede, vergoeding van de schade die hij als gevolg van besluit 2017/917 en uitvoeringsverordening 2017/907 zou hebben geleden.

34

De Raad heeft op 15 november 2017 een verweerschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht.

35

Bij beslissing van 11 januari 2018 is de Europese Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad. Op 23 februari 2018 heeft de Commissie haar memorie in interventie ingediend.

36

Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juli 2018, heeft rekwirant verzocht om aanpassing van zijn conclusies tot nietigverklaring van besluit 2018/778 en uitvoeringsverordening 2018/774.

37

Ter ondersteuning van zijn beroep heeft rekwirant drie middelen aangevoerd, waarvan het eerste is ontleend aan schending van de motiveringsplicht, het tweede aan schending van het evenredigheidsbeginsel en het derde, in wezen, aan een beoordelingsfout.

38

In punt 47 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard wat het verzoek tot nietigverklaring van besluit 2016/850 en uitvoeringsverordening 2016/840 betreft.

39

Ten gronde heeft het Gerecht, na in de punten 51 en 53 van het bestreden arrest de wijziging van de criteria voor de toepassing van de beperkende maatregelen bij besluit 2015/1836 te hebben onderzocht, in punt 64 van dat arrest met betrekking tot het middel inzake schending van de motiveringsplicht geoordeeld dat de criteria die in lid 2 van zowel artikel 27 als artikel 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, zijn ingevoerd, objectieve, autonome en toereikende criteria vormen om beperkende maatregelen ten aanzien van de betrokken personen toe te passen, en hoeft daarbij niet te worden aangetoond dat die personen steun verlenen aan of baat hebben bij het heersende regime.

40

Wat het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, heeft het Gerecht de toepasselijke rechtspraak in herinnering gebracht en, wat de noodzaak van de tegen rekwirant vastgestelde beperkende maatregelen betreft, in punt 76 van het bestreden arrest in het bijzonder geoordeeld dat het nagestreefde doel niet even doeltreffend kan worden bereikt met alternatieve en minder dwingende maatregelen.

41

Na ook het derde middel, ontleend aan een onjuiste beoordeling, en bijgevolg het verzoek tot nietigverklaring in zijn geheel te hebben afgewezen, heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat de schadevordering moest worden afgewezen, aangezien de argumenten die waren aangevoerd ter staving dat de handelingen waarvan om nietigverklaring werd verzocht onrechtmatig waren, geen van alle waren aanvaard.

Conclusies van partijen voor het Hof

42

Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

te gelasten dat zijn naam wordt geschrapt van de lijsten in bijlage I, afdeling A, bij besluit 2013/255 en in bijlage II, afdeling A, bij verordening nr. 36/2012;

besluit 2015/1836 en verordening 2015/1828 nietig te verklaren;

de Raad te veroordelen tot betaling van een bedrag van 100000 EUR ter vergoeding van zijn beweerdelijk geleden immateriële schade, en

de Raad te verwijzen in de kosten.

43

De Raad verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen, en

rekwirant te verwijzen in de kosten.

44

De Commissie verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen, en

rekwirant te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

45

Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan omkering van de bewijslast en schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het evenredigheidsbeginsel.

Ontvankelijkheid

46

Om te beginnen stelt de Commissie dat de middelen niet-ontvankelijk zijn omdat zij gebaseerd zijn op dezelfde argumenten als die welke in het beroep voor het Gerecht zijn aangevoerd en zij niet duidelijk aangeven waarom het bestreden arrest onjuist is.

47

In dit verband zij eraan herinnerd dat uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeit dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en moet zijn gebaseerd op middelen inzake onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure bij het Gerecht waardoor de belangen van de rekwirant zijn geschaad, dan wel schending van het Unierecht door het Gerecht (zie in die zin arresten van 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 23, en 29 oktober 2015, Commissie/ANKO, C‑78/14 P, EU:C:2015:732, punt 21).

48

Bovendien volgt uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsook artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie in die zin met name arresten van 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 25, en 19 juni 2014, Commune de Millau en SEMEA/Commissie, C‑531/12 P, EU:C:2014:2008, punt 47).

49

Bijgevolg is aan de uit deze bepalingen voortvloeiende motiveringsvereiste niet voldaan wanneer het verzoekschrift in hogere voorziening slechts een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten bevat, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid immers slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie in die zin arresten van 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 26, en 19 juni 2014, Commune de Millau en SEMEA/Commissie, C‑531/12 P, EU:C:2014:2008, punt 48).

50

De in eerste aanleg onderzochte rechtspunten kunnen in hogere voorziening evenwel opnieuw worden behandeld wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist. De procedure in hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die voor het Gerecht reeds zijn aangevoerd (zie in die zin arrest van 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 27).

51

In casu wordt met de hogere voorziening in wezen opgekomen tegen het standpunt van het Gerecht betreffende meerdere daaraan in eerste aanleg voorgelegde rechtsvragen die met name betrekking hebben op de motiveringsplicht van de instellingen uit hoofde van artikel 296 VWEU of de toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Voorts kan de hogere voorziening, voor zover zij concrete aanduidingen over de bekritiseerde punten van het bestreden arrest verstrekt en de ter staving daarvan aangevoerde middelen en argumenten bevat, niet in haar geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.

52

Bijgevolg moet in het kader van de analyse van elk middel op basis van de in de punten 47 tot en met 50 van dit arrest genoemde criteria worden onderzocht of de ter staving van de verschillende middelen van de hogere voorziening specifiek aangevoerde argumenten ontvankelijk zijn.

Eerste middel

Argumenten van partijen

53

Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting van het Hof bij de uitlegging van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, aan omkering van de bewijslast en aan schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld.

54

Rekwirant voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 64 van het bestreden arrest te oordelen dat de in de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, uitdrukkelijk gestelde voorwaarde met betrekking tot het bestaan van banden tussen de persoon op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn en het betrokken regime, door de uit besluit 2015/1836 voortvloeiende wijziging is veranderd in een vermoeden van het bestaan van dergelijke banden.

55

Rekwirant is van mening dat lid 2 van artikel 27 en van artikel 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, in nauwe samenhang met lid 3 van beide artikelen moet worden gelezen. Volgens dat lid 3 mogen personen die niet of niet meer verbonden zijn met het regime of er geen invloed (meer) over uitoefenen, door de Raad niet worden opgenomen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn. Op grond van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, dient dus nog steeds te worden vastgesteld of is voldaan aan de dubbele voorwaarde dat het gaat om vooraanstaande zakenlieden en dat zij voldoende banden met het regime hebben.

56

Rekwirant is van mening dat het Gerecht, door de bepalingen van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, te schenden, het beginsel van het vermoeden van onschuld heeft geschonden en de bewijslast heeft omgekeerd.

57

De Raad betoogt dat rekwirant artikel 27, lid 2, onder a), en lid 3, alsook artikel 28, lid 2, onder a), en lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, klaarblijkelijk onjuist heeft geïnterpreteerd.

58

De Raad komt tot de slotsom dat het Gerecht de criteria voor plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, juist heeft toegepast en de bewijslast niet heeft omgekeerd.

59

De Commissie benadrukt om te beginnen dat er nieuwe criteria gelden voor plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn. Die criteria zijn ingevoerd bij besluit 2015/1836, dat is vastgesteld als reactie op de pogingen van het Syrische regime om de bestaande beperkende maatregelen van de Unie te omzeilen.

60

In dit verband kan rekwirants betoog reeds op grond van een eenvoudige lezing van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, niet worden aanvaard, aangezien in lid 2 van beide artikelen voor zeven categorieën personen, waaronder vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn, een autonoom criterium voor de plaatsing op die lijst is ingevoerd en in lid 3 ervan drie gevallen zijn vastgelegd waarin een persoon weliswaar onder een van die zeven categorieën kan vallen, maar niet op de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten wordt opgenomen of gehandhaafd. Volgens de Commissie blijkt uit de wisselwerking tussen de leden 2 en 3 van beide artikelen dat er een soort weerlegbaar vermoeden bestaat, dat geenszins in strijd is met het vermoeden van onschuld en evenmin een onaanvaardbare omkering van de bewijslast vormt.

Beoordeling door het Hof

61

Wat het argument betreft dat het Gerecht de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, zou hebben geschonden, dient eraan te worden herinnerd dat de oorspronkelijke criteria voor plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, waren gebaseerd op het individuele gedrag van de op de lijst geplaatste personen, aangezien lid 1 van de artikelen 27 en 28 van dat besluit uitsluitend betrekking had op „personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het regime en personen die banden met hen hebben”. Dit lid is door besluit 2015/1836 niet gewijzigd.

62

Aangezien het criterium in lid 1 van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, van algemene aard is en deze bepalingen geen definitie bevatten van de begrippen „baat hebben bij” en „steun verlenen aan” het Syrische regime, noch nadere bepalingen bevatten over de wijzen waarop deze elementen worden bewezen, moet de gegrondheid van de plaatsing van een persoon op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, altijd worden beoordeeld aan de hand van bewijselementen waaruit blijkt dat de persoon in kwestie economische steun aan het Syrische regime heeft geboden of daar baat bij heeft gehad (zie naar analogie arrest van 7 april 2016, Akhras/Raad, C‑193/15 P, EU:C:2016:219, punten 51, 52 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63

De bewoording van dit criterium bevat immers geen enkel vermoeden van steun aan het Syrische regime, noch door bestuurders van de belangrijkste ondernemingen van Syrië (zie naar analogie arrest van 7 april 2016, Akhras/Raad, C‑193/15 P, EU:C:2016:219, punt 53), noch door vooraanstaande zakenlieden.

64

De artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255 zijn bij besluit 2015/1836 inhoudelijk gewijzigd, waarbij in lid 2 van beide artikelen, overeenkomstig de beoordelingen en vaststellingen van de Raad in verband met de situatie in Syrië, zeven categorieën personen zijn ingevoegd die tot bepaalde groepen personen behoren, waaronder met name, in punt a) van dat lid, „vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn”.

65

Hoewel een persoon op grond van lid 1 van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, nog steeds op de lijst kan worden opgenomen volgens het algemene criterium dat die persoon baat heeft bij het Syrische regime of daaraan steun verleent, blijkt evenwel uit de bewoordingen van lid 2 van beide artikelen dat de nieuwe criteria bovenop het oorspronkelijke criterium komen. In dit verband is in artikel 27, lid 2, onder a), van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, duidelijk bepaald dat „de lidstaten eveneens de nodige maatregelen [nemen]” ten aanzien van de zeven nieuwe categorieën personen.

66

Aangezien de criteria voor toepassing van de beperkende maatregelen ten aanzien van deze zeven categorieën personen autonoom zijn ten opzichte van het oorspronkelijke criterium in lid 1 van zowel artikel 27 als artikel 28 van besluit 2013/255, is de enkele omstandigheid dat iemand onder een van deze zeven categorieën personen valt voldoende grond om de nodige maatregelen te kunnen nemen, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat er een verband bestaat tussen de positie van vooraanstaande zakenman of -vrouw en het Syrische regime, noch tussen de positie van vooraanstaande zakenman of -vrouw en steun aan of baat bij dat regime.

67

Deze uitlegging wordt overigens bevestigd door het doel dat met de wijziging van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255 wordt nagestreefd.

68

Met de beperkende maatregelen die aanvankelijk bij besluit 2011/273 waren vastgesteld, is immers geen einde gekomen aan de repressie door het Syrische regime, aangezien het die maatregelen stelselmatig omzeilde teneinde zijn gewelddadige en repressieve beleid tegen de burgerbevolking voort te zetten en te financieren. Zoals blijkt uit overweging 5 van besluit 2015/1836, achtte de Raad het, gelet op de onverminderde ernst van de situatie, noodzakelijk de vigerende beperkende maatregelen te handhaven door deze verder te ontwikkelen met behoud van een gerichte en gedifferentieerde aanpak en deze toe te spitsen op bepaalde categorieën personen en entiteiten die van bijzonder belang zijn.

69

Volgens overweging 6 van dat besluit moesten de criteria voor plaatsing van personen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, worden gewijzigd. Gelet op de omstandigheid dat het Syrische regime de Syrische economie strak in handen hield en er sinds het door president Bashar al-Assad aangezwengelde proces van liberalisering van de economie een relatie van onderlinge afhankelijkheid tussen het zakenmilieu en dit regime is ontstaan, moest er ten eerste van worden uitgegaan dat het heersende regime niet kon blijven bestaan zonder de steun van bestuurders van ondernemingen, en ten tweede dat een beperkte kring van vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief waren, deze status alleen kon handhaven doordat zij een nauwe band met het regime hadden.

70

In die context is het noodzakelijk gebleken te kiezen voor criteria op grond waarvan bepaalde personen op basis van hun status, met name die van „vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn”, konden worden opgenomen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, om hen te beletten materiële of financiële steun aan het heersende regime te blijven verlenen en met hun invloed de druk op het regime zelf te vergroten.

71

Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven door lid 2 van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, in punt 64 van het bestreden arrest in die zin uit te leggen dat de nieuw ingevoerde criteria, en meer bepaald het criterium inzake de positie van vooraanstaande zakenlieden die in Syrië actief zijn, autonoom zijn en op zich volstaan voor de toepassing van beperkende maatregelen, zonder dat verder hoeft te worden bewezen dat die zakenlieden steun aan het regime verlenen of er baat bij hebben.

72

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door rekwirants argument dat het Gerecht lid 2 van zowel artikel 27 als artikel 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, afzonderlijk heeft onderzocht, terwijl het dit lid in nauwe samenhang met lid 3 van beide artikelen had moeten uitleggen.

73

In dit verband moet inderdaad worden vastgesteld dat de leden 2 en 3 van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, in samenhang met elkaar moeten worden gelezen, met name voor zover personen die behoren tot een van de in dat lid 2 bedoelde categorieën, krachtens dat lid 3 niet op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, worden opgenomen of gehandhaafd als er voldoende informatie is waaruit blijkt dat zij niet of niet meer verbonden zijn met het regime of er geen invloed (meer) over uitoefenen, of dat zij geen echt omzeilingsrisico vormen.

74

Uit een dergelijke gezamenlijke lezing van de leden 2 en 3 van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, vloeit echter geenszins voort dat de Raad dient aan te tonen dat is voldaan aan de dubbele voorwaarde dat het gaat om vooraanstaande zakenlieden en dat zij tevens voldoende banden met het Syrische regime hebben.

75

Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat het Gerecht artikel 27, lid 2, en artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, niet afzonderlijk heeft toegepast, maar ook lid 3 van beide artikelen in aanmerking heeft genomen.

76

In punt 84 van het bestreden arrest – een punt waarop de onderhavige hogere voorziening evenwel geen betrekking heeft – heeft het Gerecht namelijk in herinnering gebracht dat de criteria voor plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, zoals vermeld in lid 2, onder a), en lid 3, van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, bepalen dat voor de categorie vooraanstaande zakenlieden in Syrië beperkende maatregelen gelden, tenzij er voldoende informatie is waaruit blijkt dat zij niet of niet meer verbonden zijn met het regime of er geen invloed (meer) over uitoefenen, of geen echt omzeilingsrisico vormen.

77

In punt 98 van het bestreden arrest, een punt dat in de hogere voorziening evenmin wordt bekritiseerd, heeft het Gerecht nogmaals verduidelijkt dat niets in de door de Raad verstrekte documenten erop wees dat rekwirant zich in een van de bovengenoemde situaties bevond op grond waarvan zijn naam van de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, moest worden geschrapt, en voorts dat rekwirant zelf niets van dien aard had aangevoerd.

78

Rekwirants argument dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door lid 2 van artikel 27 en van artikel 28 van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, afzonderlijk te onderzoeken, moet dus ongegrond worden verklaard.

79

Wat de argumenten betreft inzake schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en inzake omkering van de bewijslast, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest niet naar enig vermoeden heeft verwezen, maar zich uitsluitend heeft gebaseerd op een objectief, autonoom en toereikend criterium op grond waarvan personen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, kunnen worden opgenomen (zie in die zin arrest van 11 september 2019, HX/Raad, C‑540/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:707, punt 38).

80

In casu heeft het Gerecht in de punten 92 tot en met 96 van het bestreden arrest concreet onderzocht of de motivering dat rekwirant een in Syrië actieve, vooraanstaande zakenman was en om die reden opnieuw was opgenomen op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, voldoende werd gestaafd door de documenten uit de periode 2011‑2015 die de Raad had overgelegd. Door in punt 97 van dat arrest op te merken dat rekwirant niets had aangevoerd wat de beweringen van de Raad en de documenten ter staving daarvan in twijfel kon trekken, heeft het Gerecht geenszins verzuimd de door betrokkene overgelegde stukken te onderzoeken en evenmin de bewijslast omgekeerd, maar geoordeeld dat deze niet konden afdoen aan de conclusie op basis van die documenten (zie in die zin arrest van 11 september 2019, HX/Raad, C‑540/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:707, punt 50).

81

Overigens heeft het Gerecht er in punt 98 van het bestreden arrest allereerst op gewezen dat beperkende maatregelen ten aanzien van de op de lijst geplaatste persoon niet kunnen worden gehandhaafd als er voldoende informatie is waaruit blijkt dat die persoon niet of niet meer verbonden is met het Syrische regime, en vervolgens verduidelijkt dat de door de Raad verstrekte documenten geen enkel element bevatten dat erop wees dat rekwirant zich in een dergelijke situatie bevond. Ook rekwirant had geen enkel gegeven in die zin verstrekt.

82

Met die stelling heeft het Gerecht geenszins geoordeeld, zoals rekwirant lijkt te suggereren, dat het aan rekwirant stond om te bewijzen dat de bevindingen van de Raad in de besluiten waarvan nietigverklaring werd gevorderd, onjuist waren of dat er ten aanzien van hem voldoende informatie bestond in de zin van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, waaruit bleek dat hij niet of niet meer verbonden was met het Syrische regime (zie in die zin arrest van 14 juni 2018, Makhlouf/Raad, C‑458/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:441, punt 86).

83

De argumenten inzake schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en inzake omkering van de bewijslast moeten derhalve eveneens ongegrond worden verklaard.

84

Gelet op de voorgaande overwegingen moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

Argumenten van partijen

85

Met zijn tweede middel voert rekwirant aan dat het Gerecht, door niet na te gaan of hij daadwerkelijk een band met het Syrische regime onderhield, het bestreden arrest elke grond heeft ontnomen en besluiten heeft bekrachtigd die op zich onregelmatig zijn doordat zij ontoereikend zijn gemotiveerd, aangezien de tegen hem genomen besluiten waarvan nietigverklaring werd gevorderd, niet waren gebaseerd op het feit dat er banden tussen hem en het betrokken regime bestonden.

86

De Raad is van mening dat het Gerecht de bewijzen van rekwirants status van vooraanstaande zakenman die in Syrië actief is, anders dan rekwirant stelt, wel degelijk heeft onderzocht en als voldoende heeft aangemerkt.

87

De Commissie is van mening dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard, aangezien het is gebaseerd op een premisse die in het kader van het eerste middel onjuist is gebleken. Hoe dan ook blijkt uit het onderzoek van het eerste middel dat het Gerecht de situatie uitvoerig heeft geanalyseerd en het bestreden arrest afdoende heeft gemotiveerd.

Beoordeling door het Hof

88

Om te beginnen moet worden vastgesteld dat het tweede middel is gebaseerd op de premisse dat de besluiten van de Raad waarvan nietigverklaring werd gevorderd, niet met redenen waren omkleed en dat het Gerecht heeft nagelaten na te gaan of er banden tussen rekwirant en het Syrische regime bestonden.

89

Zoals in het kader van het onderzoek van het eerste middel reeds in herinnering is gebracht, heeft het Gerecht de betrokken situatie echter uitvoerig onderzocht en heeft het zijn beslissing volgens welke de Raad de beperkende maatregelen overeenkomstig artikel 27, lid 2, en artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, kon baseren op rekwirants status als vooraanstaande zakenman die in Syrië actief is, voldoende met redenen omkleed, zonder te hoeven bewijzen dat hij banden met het Syrische regime onderhield.

90

Aangezien het tweede middel op een onjuiste premisse is gebaseerd, moet het dus ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

91

In het kader van het derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en het ontbreken van een motivering, wijst rekwirant erop dat krachtens artikel 27, lid 4, en artikel 28, lid 4, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, alle besluiten tot plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn per geval worden genomen, rekening houdend met de evenredigheid van de maatregel, die individueel wordt beoordeeld, gelet op de duur en de noodzaak van die maatregel.

92

In dit verband voert rekwirant aan dat alleen al uit de ontoereikendheid van het criterium dat uitsluitend betrekking heeft op zijn Syrische nationaliteit en uit de duur van de beperkende maatregelen die in 2015 tegen hem zijn genomen, blijkt dat die maatregelen onevenredig zijn.

93

Ook wat de noodzaak van deze maatregelen betreft, geeft het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Gerecht in punt 76 van dat arrest niet, zoals vereist, op individuele basis heeft geoordeeld, maar in algemene zin.

94

Voorts verzoekt rekwirant het Hof om in het kader van zijn bevoegdheid om de zaak zelf af te doen vast te stellen dat besluit 2015/1836 en verordening 2015/1828 onrechtmatig zijn voor zover daarbij in strijd met artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, financiële sancties van strafrechtelijke aard zijn ingesteld.

95

Onder verwijzing naar de bij het Gerecht ingediende stukken verzoekt rekwirant het Hof eveneens zijn schadevorderingen toe te wijzen.

96

De Raad betoogt dat het derde middel ongegrond moet worden verklaard, aangezien het Gerecht de evenredigheid van de betrokken individuele beperkende maatregelen heeft onderzocht door in de punten 73 en 74 van het bestreden arrest de rechtspraak ter zake in herinnering te brengen en deze in de punten 75 tot en met 77 van dat arrest op het voorliggende geval toe te passen.

97

Ook de Commissie is van mening dat het derde middel ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

98

In herinnering moet worden gebracht dat volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld, dat dergelijke beperkingen de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen en dat, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, beperkingen aan deze rechten en vrijheden slechts kunnen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eis de rechten en vrijheden van anderen te beschermen.

99

Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het evenredigheidsbeginsel dat de middelen waarmee een bepaling van Unierecht de met de betrokken regelgeving nagestreefde legitieme doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (arrest van 31 januari 2019, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, C‑225/17 P, EU:C:2019:82, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100

Wat het rechterlijk toezicht op de naleving van het evenredigheidsbeginsel betreft, beschikt de Uniewetgever volgens het Hof over een ruime beoordelingsbevoegdheid op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Daaruit heeft het Hof afgeleid dat een op deze gebieden vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig is wanneer hij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie met name arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101

In casu moet worden opgemerkt dat rekwirant, zoals blijkt uit punt 72 van het bestreden arrest, niet betwist dat de beperkende maatregelen in het algemeen en de maatregelen ter bestrijding van geweld tegen de burgerbevolking legitiem zijn.

102

Het Gerecht heeft in punt 75 van het bestreden arrest benadrukt dat de vaststelling van de beperkende maatregelen in casu passend is, aangezien zij strookt met een voor de internationale gemeenschap zeer fundamentele doelstelling van algemeen belang, namelijk de bescherming van de burgerbevolking.

103

In punt 76 van dit arrest heeft het Gerecht met betrekking tot de noodzaak van de betrokken beperkende maatregelen voorts gesteld dat het nagestreefde doel niet even doeltreffend kon worden bereikt met alternatieve en minder dwingende maatregelen, zoals een stelsel van voorafgaande machtiging of een verplichting om a posteriori te verantwoorden waarvoor de uitgekeerde tegoeden zijn gebruikt, in het bijzonder gelet op de mogelijkheid om de opgelegde beperkingen te omzeilen.

104

Anders dan rekwirant stelt, heeft het Gerecht dus niet in het algemeen uitspraak gedaan, maar een standpunt ingenomen over de individuele situatie die in casu aan de orde is.

105

Wat het argument inzake het nationaliteitscriterium betreft, zij eraan herinnerd dat de plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, niet is gekoppeld aan de voorwaarde van de Syrische nationaliteit, maar aan de voorwaarde van de status van vooraanstaande zakenman of -vrouw die in Syrië actief is.

106

Wat het verwijt inzake de duur van de betrokken beperkende maatregelen betreft, moet worden vastgesteld dat de Raad dergelijke beperkende maatregelen regelmatig moet herzien, waarbij de betrokkene telkens de mogelijkheid heeft om zijn argumenten aan te voeren en feitelijke gegevens ter staving van zijn beweringen voor te leggen.

107

Om die reden heeft het Gerecht het bestaan van een periodieke herziening in aanmerking genomen, teneinde te waarborgen dat personen en entiteiten die niet meer voldoen aan de criteria voor plaatsing op de lijsten van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn worden geschrapt, en heeft het in punt 77 van het bestreden arrest geoordeeld dat de hernieuwde plaatsing van rekwirant op die lijsten niet als onevenredig kan worden aangemerkt omdat zij van potentieel onbeperkte duur zou zijn.

108

Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het geen juiste toepassing heeft gegeven aan het evenredigheidsbeginsel.

109

Met betrekking tot rekwirants verzoek aan het Hof om in het kader van zijn bevoegdheid om de zaak zelf af te doen, de onrechtmatigheid vast te stellen van de ingevoerde maatregelen aangezien zij financiële sancties van strafrechtelijke aard behelzen die in strijd zijn met artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat rekwirant de rechtmatigheid van het criterium voor plaatsing op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, niet heeft aangevochten.

110

Gelet op artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, volgens hetwelk het voorwerp van het geschil voor het Gerecht in hogere voorziening niet mag worden gewijzigd, moet het betoog van rekwirant dat artikel 27, lid 2, en artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd, in strijd zijn met het Unierecht, niet-ontvankelijk worden verklaard.

111

Voor zover rekwirant het Hof verzoekt te gelasten dat zijn naam wordt geschrapt van de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn – welk verzoek blijkt uit het petitum van het verzoekschrift in hogere voorziening, doch niet nader is uitgewerkt –, zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een hogere voorziening geen bevelen kan geven (zie in die zin beschikking van 12 juli 2012, Mugraby/Raad en Commissie, C‑581/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:466, punt 75, en arrest van 25 juli 2018, Orange Polska/Commissie, C‑123/16 P, EU:C:2018:590, punt 118).

112

Aangaande het verzoek van rekwirant tot inwilliging van zijn vorderingen tot schadevergoeding zij opgemerkt dat de motivering van dat verzoek dit zich beperkt tot een verwijzing naar alle bij het Gerecht ingediende vorderingen, in het bijzonder naar de vorderingen tot schadevergoeding.

113

Een dergelijk verzoek voldoet echter duidelijk niet aan het motiveringsvereiste dat is neergelegd in de rechtspraak van het Hof en dat in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, temeer daar het verzoekschrift niet ingaat op de overwegingen op grond waarvan het Gerecht in de punten 101 tot en met 108 van het bestreden arrest de schadevordering in eerste aanleg heeft afgewezen, en waarin wordt verwezen naar de vaste rechtspraak inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU wegens onrechtmatig gedrag van haar organen, en vervolgens wordt vastgesteld dat in casu niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

114

Derhalve moet rekwirants schadevordering niet‑ontvankelijk worden verklaard.

115

Bijgevolg moet het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.

116

Gelet op het voorgaande moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

117

Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie in de kosten worden verwezen.

 

Het Hof (Achtste kamer) verklaart:

 

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

 

2)

George Haswani wordt verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top