EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0221

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 15 april 2021.
AV.
Verzoek van de Sąd Okręgowy w Gdańsku om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Artikel 8, leden 2 tot en met 4 – Artikel 17, leden 1 en 2 – Artikel 19 – Wijze waarop bij een verzamelvonnis rekening wordt gehouden met een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling die ten uitvoer moet worden gelegd in de lidstaat waar dat vonnis wordt gewezen – Voorwaarden – Kaderbesluit 2008/675/JBZ – Artikel 3, lid 3 – Begrip ‚doorkruisen van een vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan’ waarmee rekening moet worden gehouden in een nieuwe strafrechtelijke procedure in een andere lidstaat dan die waar dat vonnis is gewezen.
Zaak C-221/19.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:278

 ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

15 april 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2008/909/JBZ – Artikel 8, leden 2 tot en met 4 – Artikel 17, leden 1 en 2 – Artikel 19 – Wijze waarop bij een verzamelvonnis rekening wordt gehouden met een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling die ten uitvoer moet worden gelegd in de lidstaat waar dat vonnis wordt gewezen – Voorwaarden – Kaderbesluit 2008/675/JBZ – Artikel 3, lid 3 – Begrip ‚doorkruisen van een vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan’ waarmee rekening moet worden gehouden in een nieuwe strafrechtelijke procedure in een andere lidstaat dan die waar dat vonnis is gewezen”

In zaak C‑221/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Gdańsku (rechter in eerste aanleg Gdansk, Polen) bij beslissing van 15 februari 2019, ingekomen bij het Hof op 11 maart 2019, in de procedure

AV

in tegenwoordigheid van:

Pomorski Wydział Zamiejscowy Departamentu do Spraw Przestępczości Zorganizowanej i Korupcji Prokuratury Krajowej,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en T. Machovičová als gemachtigden,

de Spaanse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Rubio González, vervolgens door L. Aguilera Ruiz als gemachtigden,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en Z. Wagner als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en L. Baumgart als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 oktober 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PB 2008, L 220, blz. 32), alsmede op artikel 8, leden 2 tot en met 4, artikel 17, lid 1, eerste volzin, en artikel 19 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2008/909”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die strekt tot het wijzen van een verzamelvonnis jegens AV waarin met name een door een rechter van een andere lidstaat opgelegde vrijheidsstraf is opgenomen die met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is erkend in Polen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Kaderbesluit 2008/909

3

Overwegingen 6 en 15 van kaderbesluit 2008/909 luiden als volgt:

„(6)

Dit kaderbesluit moet zodanig worden uitgevoerd en toegepast dat de algemene beginselen van gelijkheid, eerlijkheid en redelijkheid worden geëerbiedigd.

[...]

(15)

Dit kaderbesluit dient te worden toegepast in overeenstemming met het recht van de burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, neergelegd in artikel [21 VWEU].”

4

Artikel 1 van dit kaderbesluit bepaalt het volgende:

„In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

‚vonnis’: een door een rechter van de beslissingsstaat gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd;

b)

‚sanctie’: een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd;

c)

‚beslissingsstaat’: de lidstaat waar het vonnis is gewezen;

d)

‚tenuitvoerleggingsstaat’: de lidstaat waaraan het vonnis is toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan.”

5

Artikel 3 van dat kaderbesluit bepaalt in de leden 1 en 3 het volgende:

„1.   Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.

[...]

3.   Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op de erkenning van vonnissen en de tenuitvoerlegging van sancties in de zin van dit kaderbesluit. [...]”

6

In artikel 8 van dat kaderbesluit, met als opschrift „Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie”, wordt het volgende bepaald:

„1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.

2.   Indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.

3.   Indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zoveel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.

4.   De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.”

7

Artikel 12 van kaderbesluit 2008/909, met als opschrift „Besluit over de tenuitvoerlegging van de sanctie en termijnen”, bepaalt in lid 1:

„De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat besluit zo spoedig mogelijk of zij het vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt, en stelt de beslissingsstaat in kennis van haar besluit, [...]”.

8

Onder het opschrift „Het op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht” bepaalt artikel 17 van dit kaderbesluit in de leden 1 en 2 het volgende:

„1.   De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

2.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat brengt de termijn van vrijheidsbeneming die al is ondergaan ten gevolge van de sanctie waarop het vonnis betrekking heeft, volledig in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan.”

9

Artikel 19 van dat kaderbesluit, met het opschrift „Amnestie, gratie en herziening van het vonnis”, luidt als volgt:

„1.   Zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat kan amnestie of gratie verlenen.

2.   Alleen de beslissingsstaat kan beschikken op een verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de op grond van dit kaderbesluit ten uitvoer te leggen sanctie is opgelegd.”

10

Artikel 21 van kaderbesluit 2008/909, met het opschrift „Informatie van de tenuitvoerleggingsstaat”, bepaalt:

„De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onverwijld, schriftelijk of in een vorm die schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van:

[...]

e)

het gemotiveerde besluit tot aanpassing van de sanctie, overeenkomstig artikel 8, lid 2, of artikel 8, lid 3;

f)

het gemotiveerde besluit om de sanctie om een van de in artikel 19, lid 1, bedoelde redenen, niet ten uitvoer te leggen;

[...]”

Kaderbesluit 2008/675

11

Overwegingen 2, 5 tot en met 8 en 14 van kaderbesluit 2008/675 luiden als volgt:

„(2)

Op 29 november 2000 heeft de Raad overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Tampere zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen. Dit programma behelst de ‚aanneming van één of verscheidene instrumenten tot vaststelling van het beginsel dat de rechter van een lidstaat bij de beoordeling van het strafrechtelijk verleden van de dader, de vaststelling van recidive en de bepaling van strafmodaliteiten en executiemodaliteiten rekening moet kunnen houden met onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen in andere lidstaten’.

[...]

(5)

Als grondregel moet gelden dat de lidstaten aan een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling gevolgen moeten verbinden die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen van een nationale veroordeling overeenkomstig het nationale recht, ongeacht of het volgens het nationale recht om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat. Dit kaderbesluit beoogt evenwel niet een harmonisatie tot stand te brengen wat betreft de gevolgen die door de verschillende nationale wetgevingen aan het bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden, en de verplichting om rekening te houden met eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen bestaat alleen voor zover volgens het nationaal recht met eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf rekening wordt gehouden.

(6)

In tegenstelling tot andere instrumenten richt dit kaderbesluit zich niet op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen, maar strekt het ertoe dat in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen gevolgen kunnen worden verbonden voor zover volgens het nationale recht van die lidstaat ook aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf gevolgen worden verbonden.

[...]

(7)

De gevolgen die aan veroordelingen uit andere lidstaten worden verbonden, moeten gelijkwaardig zijn aan de gevolgen die aan nationale veroordelingen verbonden worden, en zulks tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.

(8)

Wanneer tijdens een strafrechtelijke procedure in een lidstaat informatie over een in een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling beschikbaar is, moet zoveel mogelijk worden vermeden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan indien de eerdere veroordeling een nationale veroordeling was geweest.

[...]

(14)

Een vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan wordt onder meer doorkruist indien de bij het eerdere vonnis opgelegde sanctie volgens het nationale recht van de tweede lidstaat moet opgaan of moet worden opgenomen in een andere sanctie, die vervolgens daadwerkelijk ten uitvoer dient te worden gelegd, voor zover de eerste straf niet reeds ten uitvoer is gelegd of de tenuitvoerlegging ervan niet is overgedragen aan de tweede lidstaat.”

12

Dit kaderbesluit heeft luidens artikel 1, lid 1, „ten doel de voorwaarden vast te stellen waaronder in een strafrechtelijke procedure in een lidstaat tegen een persoon rekening wordt gehouden met eerdere veroordelingen die in andere lidstaten wegens andere feiten tegen de betrokkene zijn uitgesproken”.

13

Artikel 2 van dat kaderbesluit definieert „veroordeling” als „elke definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een strafbaar feit”.

14

Artikel 3 van hetzelfde kaderbesluit, met als opschrift „Wijze waarop in een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling”, is geformuleerd als volgt:

„1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf.

2.   Lid 1 is van toepassing tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling, met name wat betreft de geldende procesrechtelijke regels, inclusief die met betrekking tot de voorlopige hechtenis, de kwalificatie van het strafbare feit, de soort opgelegde straf en de strafmaat, en wat betreft de regels inzake de tenuitvoerlegging van de beslissing.

3.   De inaanmerkingneming van in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen als bedoeld in lid 1, leidt er niet toe dat eerdere veroordelingen of eventuele besluiten betreffende de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaat die de procedure uitvoert, erdoor worden doorkruist, ingetrokken of herzien.

[...]”

Pools recht

15

Artikel 85, lid 4, van de kodeks karny (wetboek van strafrecht; hierna: „k.k.”) van 6 juni 1997 (Dz. U. nr. 88, volgnr. 553), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, luidt als volgt:

„Sancties die zijn opgelegd bij vonnissen als bedoeld in artikel 114a van het wetboek van strafrecht worden niet in een totaalstraf opgenomen.”

16

In artikel 114a, lid 1, k.k. wordt het volgende bepaald:

„Onder veroordeling wordt tevens verstaan een onherroepelijke beslissing houdende veroordeling wegens een strafbaar feit door een in strafzaken bevoegde rechter van een lidstaat van de Europese Unie, tenzij dit volgens het Poolse strafrecht geen strafbaar feit is, de dader niet kan worden bestraft of er een voor de wet onbekende sanctie is opgelegd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17

Op 31 juli 2018 heeft AV, een Pools onderdaan, de verwijzende rechter, de Sąd Okręgowy w Gdańsku (rechter in eerste aanleg Gdansk, Polen), verzocht om een verzamelvonnis te wijzen voor twee gevangenisstraffen die aan hem waren opgelegd, namelijk ten eerste de gevangenisstraf die was opgelegd door het Landgericht Lüneburg (rechter in eerste aanleg Lüneburg, Duitsland) bij vonnis van 15 februari 2017, dat bij beschikking van 12 januari 2018 van de verwijzende rechter met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is erkend in Polen, en die AV moet uitzitten in de periode van 1 september 2016 tot en met 29 november 2021, en ten tweede de gevangenisstraf die bij vonnis van 24 februari 2010 was opgelegd door de verwijzende rechter en die AV zal moeten uitzitten in de periode van 29 november 2021 tot en met 30 maart 2030.

18

De verwijzende rechter wijst erop dat de juridische kwalificatie van de feiten die hebben geleid tot het vonnis van het Landgericht Lüneburg strookt met de kwalificatie naar Pools recht en dat de ten gevolge van de erkenning van dit vonnis in Polen ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf even lang is als de sanctie die door de Duitse rechterlijke instantie is opgelegd, namelijk vijf jaar en drie maanden.

19

In zijn verzoek om een verzamelvonnis betoogt AV dat de voorwaarden zijn vervuld voor een verzamelvonnis waarin die sanctie is opgenomen, aangezien het vonnis van het Landgericht Lüneburg met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is erkend in Polen.

20

De verwijzende rechter verklaart dat het verzamelvonnis zich op de grens van een uitspraak ten gronde en de tenuitvoerlegging van een veroordeling bevindt, en dat dit vonnis onherroepelijk geworden veroordelingen dekt, teneinde de „juridische reactie” op strafbare feiten waarover in één procedure had kunnen worden beslist, te „corrigeren” en op die manier „de bestraffing te rationaliseren”. De verwijzende rechter benadrukt dat met een verzamelvonnis niet wordt ingegrepen in de individuele vonnissen in kwestie, aangezien het geen afbreuk doet aan de hoofdbestanddelen ervan, waaronder met name de vaststelling van de schuld van de dader van een bepaald strafbaar feit, maar het mogelijk wordt gemaakt alle criminele activiteiten te beoordelen van personen aan wie meerdere sancties zijn opgelegd en dat alleen de duur van die sancties kan worden gewijzigd. De verwijzende rechter merkt ook op dat hij gehouden is een verzamelvonnis te wijzen indien aan de voorwaarden is voldaan.

21

Volgens de verwijzende rechter verbiedt artikel 85, lid 4, k.k., in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, gelezen in samenhang met artikel 114a, evenwel dat een verzamelvonnis wordt gewezen dat enerzijds in Polen uitgesproken veroordelingen omvat en anderzijds in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen die met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in Polen zijn erkend.

22

Volgens de verwijzende rechter houdt een dergelijk verbod in dat iemand die in een en dezelfde lidstaat meermaals is veroordeeld, zich in een voordeliger situatie bevindt dan iemand die in verschillende lidstaten is veroordeeld. Door in het kader van een verzamelvonnis rekening te houden met in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen die overeenkomstig kaderbesluit 2008/909 met het oog op de tenuitvoerlegging ervan zijn erkend in de lidstaat waar het verzamelvonnis wordt gewezen, wordt op Unieniveau echter gelijke behandeling gewaarborgd van burgers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden en wordt het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten versterkt.

23

In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Gdańsku de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 3, lid 3, van kaderbesluit [2008/675] [...] aldus worden uitgelegd dat er niet alleen sprake is van een doorkruising in de zin van deze bepaling indien een veroordeling in een andere lidstaat [...] wordt opgenomen in een verzamelvonnis, maar ook indien daarin een sanctie wordt opgenomen die met het oog op tenuitvoerlegging is overgenomen van een andere lidstaat [...] en die in het kader van een verzamelvonnis is samengevoegd met een in die lidstaat uitgesproken veroordeling?

2)

Kan – in het licht van de bepalingen van kaderbesluit [2008/909], [...], neergelegd in artikel 8, leden 2 tot en met 4, [...] in artikel 19, leden 1 en 2, [...] en in artikel 17, lid 1, eerste volzin, [...] – een verzamelvonnis worden gewezen waarin een veroordeling in een lidstaat [...] wordt opgenomen die met het oog op tenuitvoerlegging in een andere lidstaat [...] in het kader van een verzamelvonnis is samengevoegd met een in die lidstaat uitgesproken veroordeling?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

24

Om te beginnen zij opgemerkt dat de nationale strafwetgeving en de nationale strafprocesregels inzake het verzamelvonnis weliswaar in beginsel onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, maar dat zij deze bevoegdheid dienen uit te oefenen met inachtneming van het Unierecht (zie in die zin arrest van 26 februari 2019, Rimšēvičs en ECB/Letland, C‑202/18 en C‑238/18, EU:C:2019:139, punt 57).

25

Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat naar Pools recht een verzamelvonnis moet worden gewezen wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een totaalstraf voor meerdere onherroepelijk geworden veroordelingen. Tevens blijkt dat een verzamelvonnis niet raakt aan de schuldigverklaring in die veroordelingen, die onherroepelijk is geworden, maar de hoogte van de opgelegde straf of straffen wijzigt.

26

Voorts volgt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat een verzamelvonnis als dat in het hoofdgeding, waarbij een of meer eerder aan de betrokkene opgelegde straffen worden samengevoegd tot één nieuwe straf, noodzakelijkerwijs uitmondt in een gunstiger uitkomst voor de betrokkene. Na verschillende veroordelingen kan aan de betrokkene immers een totaalstraf worden opgelegd waarvan de strafmaat lager is dan de som van de verschillende straffen die bij de eerdere afzonderlijke veroordelingen waren opgelegd. In dat geval beschikt de rechter bij de bepaling van de strafmaat over een beoordelingsbevoegdheid om de situatie of de persoonlijkheid van de betrokkene dan wel verzachtende of verzwarende omstandigheden in aanmerking te nemen.

27

In die omstandigheden moet onderscheid worden gemaakt tussen een dergelijk verzamelvonnis en maatregelen tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf (zie in die zin arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek, C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 85).

28

In casu heeft het door AV ingediende verzoek om een verzamelvonnis onder andere betrekking op de vrijheidsstraf van vijf jaar en drie maanden die hem is opgelegd bij vonnis van 15 februari 2017 van het Landgericht Lüneburg, dat bij beschikking van de verwijzende rechter met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is erkend in Polen.

29

Aangezien de erkenning van dat vonnis door de verwijzende rechter en de tenuitvoerlegging in Polen van de tegen AV uitgesproken veroordeling overeenkomstig artikel 1 juncto artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 worden beheerst door dit kaderbesluit, moet de tweede vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van dat kaderbesluit, eerst worden behandeld.

Tweede vraag

30

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, leden 2 tot en met 4, gelezen in samenhang met artikel 17, leden 1 en 2, en artikel 19 van kaderbesluit 2008/909, aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan een verzamelvonnis kan worden gewezen waarin niet alleen een of meer sancties zijn opgenomen die de betrokkene eerder zijn opgelegd in de lidstaat waar dat verzamelvonnis is gewezen, maar ook een of meer sancties die hem in een andere lidstaat zijn opgelegd en op grond van dit kaderbesluit in de eerste lidstaat ten uitvoer worden gelegd.

31

In dit verband volgt in de eerste plaats uit artikel 8, lid 2, van dit kaderbesluit dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in de zin van artikel 1, onder d), de sanctie die is opgelegd in de beslissingsstaat in de zin van artikel 1, onder c), alleen kan aanpassen indien de duur van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat en voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aldus aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt [zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 64].

32

Indien de aard van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat op grond van artikel 8, lid 3, van kaderbesluit 2008/909 de sanctie ook aanpassen aan de straf of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven, mits deze straf of maatregel zoveel mogelijk overeenstemt met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie. Laatstgenoemde sanctie kan hoe dan ook niet worden gewijzigd in een geldboete.

33

Overeenkomstig artikel 8, lid 4, van kaderbesluit 2008/909 mag de aangepaste sanctie, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie inhouden [zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 64].

34

Voorts moet het gemotiveerde besluit tot aanpassing van de sanctie, overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, van kaderbesluit 2008/909, volgens artikel 21, onder e), schriftelijk ter kennis worden gebracht van de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.

35

In artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909 zijn dus strikte voorwaarden opgenomen voor de aanpassing door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie. Enkel onder die voorwaarden kan een uitzondering worden gemaakt op de krachtens artikel 8, lid 1, van dit kaderbesluit op die autoriteit rustende beginselplicht om het haar toegezonden vonnis te erkennen en onverwijld de maatregelen te nemen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie waarvan de duur en aard zijn vastgelegd in het in de beslissingsstaat gewezen vonnis (zie in die zin arresten van 8 november 2016, Ognyanov, C‑554/14, EU:C:2016:835, punt 36, en 11 januari 2017, Grundza, C‑289/15, EU:C:2017:4, punt 42).

36

Uit het voorgaande volgt dat artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909 aldus moet worden uitgelegd dat een verzamelvonnis een of meer in andere lidstaten opgelegde sancties kan omvatten die op grond van dit kaderbesluit ten uitvoer worden gelegd in de lidstaat waar het verzamelvonnis wordt gewezen, voor zover dat vonnis niet leidt tot een aanpassing van de duur of de aard van die sancties die verder gaat dan de strikte grenzen van deze bepalingen.

37

Zoals de advocaat-generaal in punt 115 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou het tegenovergestelde antwoord een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling meebrengen tussen personen die in een enkele lidstaat tot meerdere straffen zijn veroordeeld en personen die in meerdere lidstaten zijn veroordeeld, wanneer de straffen in beide gevallen in dezelfde lidstaat ten uitvoer worden gelegd. Zoals in overweging 6 van kaderbesluit 2008/909 staat te lezen, moet dit kaderbesluit zodanig worden uitgevoerd en toegepast dat de algemene beginselen van gelijkheid, eerlijkheid en redelijkheid worden geëerbiedigd.

38

Bovendien zou een dergelijk verschil in behandeling in casu een burger van de Unie raken die gebruik heeft gemaakt van het in artikel 21 VWEU neergelegde recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Blijkens overweging 15 ervan dient dit kaderbesluit te worden toegepast in overeenstemming met dat recht.

39

Wat in de tweede plaats artikel 17 van kaderbesluit 2008/909 betreft, volgt uit lid 1 van dit artikel dat de tenuitvoerlegging van de sanctie overeenkomstig dit kaderbesluit wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, zodra de gevonniste persoon is overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van deze staat, die in beginsel bij uitsluiting bevoegd zijn te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen te bepalen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. Zoals de advocaat-generaal in punt 111 van zijn conclusie heeft opgemerkt, ziet deze bepaling op maatregelen voor de waarborging van de materiële tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en de reclassering van de gevonniste persoon. Een verzamelvonnis als dat in het hoofdgeding – dat, zoals blijkt uit punt 27 van het onderhavige arrest, moet worden onderscheiden van maatregelen tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf – kan niet worden geacht onder artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2008/909 te vallen.

40

Voorts dienen de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat volgens lid 2 van dit artikel de termijn van vrijheidsbeneming die de gevonniste persoon vóór zijn overbrenging al heeft ondergaan in de beslissingsstaat, volledig in mindering te brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de tenuitvoerleggingsstaat moet worden ondergaan.

41

Hieruit volgt dat artikel 17, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/909 aldus moet worden uitgelegd dat een verzamelvonnis een of meer sancties kan omvatten die in andere lidstaten zijn opgelegd en overeenkomstig dit kaderbesluit ten uitvoer worden gelegd in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, voor zover dat verzamelvonnis voldoet aan de in dat lid 2 bedoelde verplichting om de termijn van vrijheidsbeneming die de gevonniste persoon in voorkomend geval reeds heeft ondergaan in de beslissingsstaat, volledig in mindering te brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de tenuitvoerleggingsstaat moet worden ondergaan.

42

Wat in de derde plaats artikel 19 van kaderbesluit 2008/909 betreft, wordt in het eerste lid van dit artikel bepaald dat zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat amnestie of gratie kan verlenen. Zoals blijkt uit artikel 21, onder f), van dit kaderbesluit, stellen amnestie en gratie een einde aan de tenuitvoerlegging van een sanctie. Een verzamelvonnis, zoals beschreven in de punten 25 en 26 van het onderhavige arrest, heeft echter niet tot doel een einde te stellen aan die tenuitvoerlegging.

43

Voorts bepaalt artikel 19, lid 2, van kaderbesluit 2008/909 dat alleen de beslissingsstaat kan beschikken op het verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd die op grond van dit kaderbesluit in een andere lidstaat ten uitvoer moet worden gelegd. Een verzamelvonnis, zoals beschreven in de punten 25 en 26 van het onderhavige arrest, kan niet tot doel of tot gevolg hebben dat de in andere lidstaten opgelegde sancties die op grond van dat kaderbesluit ten uitvoer worden gelegd, worden herzien in de lidstaat waar dat verzamelvonnis is gewezen.

44

Hieruit volgt dat artikel 19 van kaderbesluit 2008/909 aldus moet worden uitgelegd dat een verzamelvonnis een of meer sancties kan omvatten die in andere lidstaten zijn opgelegd en op grond van dit kaderbesluit ten uitvoer worden gelegd in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, voor zover dat verzamelvonnis niet leidt tot herziening van die sancties.

45

Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 8, leden 2 tot en met 4, gelezen in samenhang met artikel 17, leden 1 en 2, en artikel 19 van kaderbesluit 2008/909, aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan een verzamelvonnis kan worden gewezen waarin niet alleen een of meer sancties zijn opgenomen die de betrokkene eerder zijn opgelegd in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, maar ook een of meer sancties die hem in een andere lidstaat zijn opgelegd en die op grond van dit kaderbesluit in de eerste lidstaat ten uitvoer worden gelegd. Een dergelijk verzamelvonnis kan echter niet leiden tot een aanpassing van de duur of de aard van de laatstbedoelde sancties die verder gaat dan de strikte grenzen van artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909, tot niet-nakoming van de bij artikel 17, lid 2, van dit kaderbesluit opgelegde verplichting om de termijn van vrijheidsbeneming die de gevonniste persoon in voorkomend geval reeds in de beslissingsstaat heeft ondergaan, volledig in mindering te brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de tenuitvoerleggingsstaat moet worden ondergaan, of tot herziening van de sancties die hem in een andere lidstaat zijn opgelegd, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 19, lid 2, van dat kaderbesluit.

Eerste vraag

46

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overweging 14, aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan een verzamelvonnis kan worden gewezen dat niet alleen een of meer eerdere veroordelingen omvat die tegen de betrokkene zijn uitgesproken in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, maar ook een of meer in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken veroordelingen die op grond van kaderbesluit 2008/909 in de eerste lidstaat ten uitvoer worden gelegd, voor zover dat verzamelvonnis niet ertoe leidt dat de in de tweede lidstaat uitgesproken veroordeling of eventuele besluiten betreffende de tenuitvoerlegging daarvan worden doorkruist, ingetrokken of herzien in de zin van deze bepaling van kaderbesluit 2008/675.

47

Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat kaderbesluit 2008/675 volgens artikel 1, lid 1, ten doel heeft de voorwaarden vast te stellen waaronder rekening moet worden gehouden met veroordelingen, in de zin van artikel 2 van dit kaderbesluit, die eerder in een lidstaat tegen een persoon zijn uitgesproken, in geval van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een andere lidstaat tegen dezelfde persoon wegens andere feiten (zie in die zin arresten van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 25, en 5 juli 2018, Lada, C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 27). Volgens overweging 2 moet dat kaderbesluit een beoordeling van het strafrechtelijk verleden van de betrokken persoon mogelijk maken.

48

Zoals in overweging 6 staat te lezen, richt kaderbesluit 2008/675 zich dus niet op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen (arrest van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 45).

49

Uit overwegingen 5 tot en met 8 volgt dat kaderbesluit 2008/675 ertoe strekt dat elke lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen rechtsgevolgen verbindtdie gelijkwaardig zijn aan de rechtsgevolgen van eerdere nationale veroordelingen overeenkomstig het nationale recht.

50

Overeenkomstig deze doelstelling legt artikel 3, lid 1, van dit kaderbesluit, gelezen in het licht van overweging 5, de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat, in geval van een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen een persoon, enerzijds rekening wordt gehouden met de eerdere in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, voor zover naar nationaal recht met eerdere nationale veroordelingen rekening wordt gehouden, en anderzijds aan die veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden die gelijkwaardig zijn aan de rechtsgevolgen die volgens dat recht aan nationale veroordelingen worden verbonden, ongeacht of het om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat (zie in die zin arresten van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 26, en 5 juli 2018, Lada, C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 28).

51

Artikel 3, lid 2, van kaderbesluit 2008/675 bepaalt dat die verplichting van toepassing is tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling, met name wat betreft de geldende procesrechtelijke regels, inclusief die met betrekking tot de kwalificatie van het strafbare feit, de soort opgelegde straf en de strafmaat, en wat betreft de regels inzake de tenuitvoerlegging van de beslissing (arresten van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 27, en 5 juli 2018, Lada, C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 29).

52

Het Hof heeft reeds voor recht verklaard dat kaderbesluit 2008/675 toepassing vindt op een nationale procedure die betrekking heeft op de oplegging, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan, van een totale vrijheidsstraf met inaanmerkingneming van de door de nationale rechter aan een persoon opgelegde straf en van de straf die in het kader van een eerdere door een rechter van een andere lidstaat tegen deze persoon uitgesproken veroordeling wegens andere feiten is opgelegd (arrest van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 29).

53

In die context mag volgens artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675 de inaanmerkingneming, in een nieuwe strafrechtelijke procedure, van in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen niet ertoe leiden dat eerdere veroordelingen of eventuele besluiten betreffende de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaat die de nieuwe strafrechtelijke procedure uitvoert, worden doorkruist, of dat die veroordelingen, die in aanmerking moeten worden genomen zoals ze zijn uitgesproken, worden ingetrokken of herzien (zie in die zin arresten van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 44, en 5 juli 2018, Lada, C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 39).

54

In dit verband preciseert overweging 14 van kaderbesluit 2008/675 dat een vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan onder meer wordt „doorkruist” in de zin van artikel 3, lid 3, van dit kaderbesluit „indien de bij het eerdere vonnis opgelegde sanctie volgens het nationale recht van de tweede lidstaat moet opgaan of moet worden opgenomen in een andere sanctie, die vervolgens daadwerkelijk ten uitvoer dient te worden gelegd, voor zover de eerste straf niet reeds ten uitvoer is gelegd of de tenuitvoerlegging ervan niet is overgedragen aan de tweede lidstaat”.

55

Aldus blijkt uit artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overweging 14, dat, ten eerste, de gevallen waarin een totaalstraf wordt opgelegd, niet als zodanig van de werkingssfeer van dit kaderbesluit zijn uitgesloten en dat, ten tweede, een eerdere veroordeling of de tenuitvoerlegging daarvan door het opleggen van een totaalstraf kan worden doorkruist wanneer de eerste veroordeling nog niet ten uitvoer is gelegd of de tenuitvoerlegging ervan niet is overgedragen aan de tweede lidstaat.

56

Zoals de advocaat-generaal in de punten 83 en 84 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan de omstandigheid dat een in een eerste lidstaat uitgesproken eerdere strafrechtelijke veroordeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die overeenkomstig kaderbesluit 2008/909 is toegezonden en erkend met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in een tweede lidstaat, daar in aanmerking wordt genomen met het oog op de uitspraak van een verzamelvonnis, bijgevolg niet tot gevolg hebben dat die veroordeling of de tenuitvoerlegging ervan wordt „doorkruist”, noch ertoe leiden dat die veroordeling wordt „ingetrokken” of „herzien” in de zin van artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675, voor zover het verzamelvonnis ten aanzien van die veroordeling de in de punten 36, 41 en 44 van dit arrest genoemde voorwaarden en grenzen in acht neemt die voortvloeien uit artikel 8, leden 2 tot en met 4, artikel 17, lid 2, en artikel 19, lid 2, van kaderbesluit 2008/909.

57

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de aangezochte rechter in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure, zoals de verzamelvonnisprocedure die in het hoofdgeding aan de orde is, teneinde zich ervan te vergewissen dat aan eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen gevolgen worden verbonden die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen die aan eerdere nationale veroordelingen worden verbonden, in beginsel – onder de voorwaarden en binnen de grenzen waarnaar in het vorige punt is verwezen – op dezelfde manier rekening dient te houden met de door de rechter van een andere lidstaat uitgesproken eerdere veroordeling als met een eerdere veroordeling die is uitgesproken door een rechter van de lidstaat waartoe hij behoort.

58

Deze uitlegging vindt steun in het in punt 49 van het onderhavige arrest genoemde doel van kaderbesluit 2008/675 om zoveel mogelijk te vermijden dat de betrokkene minder gunstig wordt behandeld dan indien de eerdere strafrechtelijke veroordeling in kwestie een nationale veroordeling was geweest.

59

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overweging 14, aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan een verzamelvonnis kan worden gewezen dat niet alleen een of meer eerdere veroordelingen omvat die tegen de betrokkene zijn uitgesproken in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, maar ook een of meer in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken veroordelingen die op grond van kaderbesluit 2008/909 in de eerste lidstaat ten uitvoer worden gelegd, mits dat verzamelvonnis ten aanzien van de laatstbedoelde veroordelingen de voorwaarden en grenzen in acht neemt die voortvloeien uit artikel 8, leden 2 tot en met 4, artikel 17, lid 2, en artikel 19, lid 2, van dit kaderbesluit.

Kosten

60

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 8, leden 2 tot en met 4, gelezen in samenhang met artikel 17, leden 1 en 2, en artikel 19 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan een verzamelvonnis kan worden gewezen waarin niet alleen een of meer sancties zijn opgenomen die de betrokkene eerder zijn opgelegd in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, maar ook een of meer sancties die hem in een andere lidstaat zijn opgelegd en die op grond van dit kaderbesluit in de eerste lidstaat ten uitvoer worden gelegd. Een dergelijk verzamelvonnis kan echter niet leiden tot een aanpassing van de duur of de aard van de laatstbedoelde sancties die verder gaat dan de strikte grenzen van artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2008/909, tot niet-nakoming van de bij artikel 17, lid 2, van dit kaderbesluit opgelegde verplichting om de termijn van vrijheidsbeneming die de gevonniste persoon in voorkomend geval reeds in de beslissingsstaat heeft ondergaan, volledig in mindering te brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de tenuitvoerleggingsstaat moet worden ondergaan, of tot herziening van de sancties die hem in een andere lidstaat zijn opgelegd, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 19, lid 2, van dat kaderbesluit.

 

2)

Artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie, gelezen in het licht van overweging 14, moet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan een verzamelvonnis kan worden gewezen dat niet alleen een of meer eerdere veroordelingen omvat die tegen de betrokkene zijn uitgesproken in de lidstaat waar het verzamelvonnis is gewezen, maar ook een of meer in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken veroordelingen die op grond van kaderbesluit 2008/909, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, in de eerste lidstaat ten uitvoer worden gelegd, mits dat verzamelvonnis ten aanzien van de laatstbedoelde veroordelingen de voorwaarden en grenzen in acht neemt die voortvloeien uit artikel 8, leden 2 tot en met 4, artikel 17, lid 2, en artikel 19, lid 2, van kaderbesluit 2008/909, zoals gewijzigd.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Pools.

Top