EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018TJ0108

Arrest van het Gerecht (Tiende kamer – uitgebreid) van 24 februari 2021 (Uittreksels).
Universität Koblenz-Landau tegen Uitvoerend Agentschap voor Onderwijs, Audiovisuele middelen en Cultuur.
Arbitragebeding – Tempus IV-programma – Subsidieovereenkomsten – Contractuele aard van het geschil – Herkwalificatie van het beroep – Subsidiabele kosten – Stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden – Integrale terugbetaling van betaalde bedragen – Evenredigheid – Recht om te worden gehoord – Motiveringsplicht – Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten.
Zaak T-108/18.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2021:104

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

24 februari 2021 (*)

„Arbitragebeding – Tempus IV‑programma – Subsidieovereenkomsten – Contractuele aard van het geschil – Herkwalificatie van het beroep – Subsidiabele kosten – Stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden – Integrale terugbetaling van betaalde bedragen – Evenredigheid – Recht om te worden gehoord – Motiveringsplicht – Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten”

In zaak T‑108/18,

Universität Koblenz-Landau, gevestigd te Mainz (Duitsland), vertegenwoordigd door C. von der Lühe en I. Felder, advocaten,

verzoekster,

tegen

Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA), vertegenwoordigd door H. Monet als gemachtigde, bijgestaan door R. van der Hout en C. Wagner, advocaten,

verweerder,

betreffende, primair, een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de brieven van het EACEA van 21 december 2017 en 7 februari 2018 betreffende de bedragen die aan verzoekster zijn betaald in het kader van subsidieovereenkomsten die zijn gesloten voor de verwezenlijking van drie projecten op het gebied van hoger onderwijs, en, subsidiair, een verzoek krachtens artikel 272 VWEU tot vaststelling dat het gestelde terugvorderingsrecht niet bestaat,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, A. Kornezov (rapporteur), E. Buttigieg, K. Kowalik-Bańczyk en G. Hesse, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 september 2020,

het navolgende

Arrest (1)

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Universität Koblenz-Landau, is een Duitse publiekrechtelijke instelling voor hoger onderwijs.

2        In 2008 en 2010 heeft verzoekster in het kader van de projecten van de Europese Unie voor samenwerking met derde landen met het oog op de modernisering van de hogeronderwijsstelsels van deze landen, die vallen onder het programma Tempus IV, de volgende drie subsidieovereenkomsten ondertekend:

–        de subsidieovereenkomst van 5 december 2008, met referentienummer 2008‑4744, voor de verwezenlijking van het project „Educational Centers Network on Modern Technologies of Local governing” (netwerk van onderwijscentra voor moderne bestuurstechnieken) (hierna: „Ecesis-overeenkomst”), gesloten tussen verzoekster, als enige begunstigde, en de Europese Commissie;

–        de subsidieovereenkomst van 18 oktober 2010, met referentienummer 2010‑2844, voor de verwezenlijking van het project „Development and Integration of University Self‑assessment Systems” (ontwikkeling en integratie van zelfbeoordelingssystemen voor universiteiten) (hierna: „Diusas‑overeenkomst”), die is gesloten tussen onder meer verzoekster, als coördinator en medebegunstigde, en het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA);

–        de subsidieovereenkomst van 30 september 2010, met referentienummer 2010‑2862, betreffende de verwezenlijking van het project „Development of Quality Assurance System in Turkmenistan on the base of Bologna Standards” (ontwikkeling van een kwaliteitsborgingssysteem in Turkmenistan op basis van de Bolognastandaarden) (hierna: „Deque‑overeenkomst”), gesloten tussen onder meer verzoekster, als coördinator en medebegunstigde, en het EACEA.

[omissis]

19      Bij brief van 21 december 2017 (hierna: „brief van 21 december 2017”) heeft het EACEA verzoekster meegedeeld dat het had besloten een bedrag van 756 381,89 EUR terug te vorderen uit hoofde van de Ecesis‑overeenkomst. Wat de Diusas- en de Deque-overeenkomst betreft, heeft het verzoekster in kennis gesteld van zijn voornemen om alleen terugbetaling te vragen van de bedragen die verzoekster in het kader van die overeenkomsten als eindbegunstigde had ontvangen, wat betekent dat de bedragen die zij aan de medebegunstigden had overgedragen, waarvan zij de hoogte nog aan het EACEA moest meedelen, buiten beschouwing waren gelaten. Het EACEA heeft gepreciseerd dat het, indien het geen informatie zou krijgen over de op grond van deze twee overeenkomsten aan de medebegunstigden betaalde bedragen, volledige terugbetaling van deze bedragen, of van een „hoger” bedrag, zou vorderen.

20      Bij brief van 7 februari 2018 (hierna: „brief van 7 februari 2018”) heeft het EACEA ten eerste vastgesteld dat verzoekster niet de nodige informatie had verstrekt om de hoogte te bepalen van de bedragen die haar op grond van de Diusas- en de Deque-overeenkomst waren betaald en vervolgens aan andere medebegunstigde entiteiten waren overgedragen. Ten tweede heeft het EACEA aangegeven dat het zelf contact had opgenomen met laatstgenoemden en dat het van sommigen van hen de gevraagde informatie had ontvangen. Op basis van de aldus verkregen informatie heeft het EACEA het terug te betalen bedrag vastgesteld op 695 919,31 EUR voor de Diusas-overeenkomst en op 343 525,10 EUR voor de Deque-overeenkomst. Het EACEA heeft verzoekster verzocht om binnen een termijn van vijftien kalenderdagen haar eventuele opmerkingen in te dienen, waarbij het preciseerde dat het, bij gebreke van dergelijke opmerkingen, zou overgaan tot terugvordering van bovengenoemde bedragen.

21      Op 13 februari 2018 heeft het EACEA verzoekster uit hoofde van de Ecesis-overeenkomst een debetnota gestuurd voor een bedrag van 756 381,89 EUR (hierna: „debetnota”).

22      Het totale op grond van de drie overeenkomsten teruggevorderde bedrag bedroeg dus 1 795 826,30 EUR.

 Procedure

23      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 februari 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. Dit beroep was gericht tegen de „Commissie, vertegenwoordigd door het EACEA”.

24      Overeenkomstig de beslissing van de president van het Gerecht van 28 maart 2018 wordt het onderhavige beroep geacht te zijn gericht tegen het EACEA en tegen de Commissie.

25      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 mei 2018, heeft de Commissie krachtens artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen voor zover het beroep tegen haar was gericht. Op 18 juni 2018 heeft verzoekster haar opmerkingen over die exceptie ingediend.

26      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 juni 2018, heeft het EACEA het verweerschrift ingediend.

27      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 augustus 2018, heeft verzoekster de repliek ingediend.

28      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 september 2018, heeft het EACEA de dupliek ingediend.

29      Bij brief van 8 oktober 2018 heeft het Gerecht krachtens artikel 89, lid 3, onder d), van het Reglement voor de procesvoering de Commissie verzocht bepaalde documenten over te leggen. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

30      Bij op 2 november 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend over de door de Commissie overgelegde documenten.

31      Op verzoek van verzoekster is de procedure tweemaal geschorst, bij beslissingen van 28 februari en 11 juni 2019, op grond dat verzoekster en het EACEA in overleg waren gegaan om tot een eventuele minnelijke schikking te komen.

32      Bij beslissing van 5 september 2019 is een derde verzoek tot schorsing van de procedure afgewezen.

33      Bij beschikking van 23 oktober 2019, Universität Koblenz‑Landau/Commissie en EACEA (T‑108/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:768), heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het tegen de Commissie was gericht en verzoekster verwezen in de kosten van die procedure.

34      Na de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de onderhavige zaak bij beslissing van de president van het Gerecht van 24 oktober 2019 overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de Tiende kamer.

35      Overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering heeft het EACEA op 6 november 2019 een verzoek ingediend om tijdens een pleitzitting te worden gehoord.

36      Bij beslissing van 11 maart 2020 heeft het Gerecht besloten om de zaak overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen naar de Tiende kamer in uitgebreide samenstelling van vijf rechters.

37      In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang van 12 maart en 27 mei 2020, vastgesteld op grond van artikel 89, lid 3, onder a) en d), van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht vragen gesteld aan de partijen, die daar binnen de gestelde termijn op hebben geantwoord.

38      Op rapport van de rechter‑rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

39      Ter terechtzitting van 16 september 2020 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht, waarna de mondelinge behandeling is gesloten.

40      Bij op 3 februari 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster een verzoek om heropening van de mondelinge behandeling ingediend op grond van artikel 113, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, vanwege een beschikking van het parket van Koblenz van 28 december 2020 die haar op 28 januari 2021 was betekend. Bij besluit van 4 februari 2021 heeft de president van de Tiende kamer (uitgebreid) van het Gerecht dat verzoek afgewezen, waarvan de partijen in kennis zijn gesteld bij brieven van de griffie van 5 februari 2021.

 Conclusies

41      In het verzoekschrift verzoekt verzoekster het Gerecht:

–        de brief van 21 december 2017 nietig te verklaren;

–        de brief van 7 februari 2018 nietig te verklaren;

–        de gedwongen tenuitvoerlegging van de brief van 21 december 2017, de brief van 7 februari 2018 en de debetnota op te schorten totdat definitief uitspraak is gedaan op het onderhavige beroep tot nietigverklaring;

–        verweerder verwijzen in de kosten.

42      In repliek verzoekt verzoekster het Gerecht subsidiair om het onderhavige beroep te herkwalificeren als een beroep op grond van artikel 272 VWEU en vast te stellen dat de vordering van 756 381,89 EUR op grond van de Ecesis‑overeenkomst en de vordering van 1 039 444,41 EUR op grond van de Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst, niet bestaan.

43      Voorts heeft verzoekster aangegeven dat niet meer hoefde te worden beslist op de derde vordering in het verzoekschrift, aangezien het EACEA had besloten de terugvordering van de in de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 gevorderde bedragen op te schorten, waarvan verzoekster in kennis is gesteld bij brief van 9 april 2018, die als bijlage C.5 bij het verweerschrift is gevoegd. Verzoekster heeft ter terechtzitting in antwoord op een desbetreffende vraag van het Gerecht bevestigd dat zij haar derde vordering had ingetrokken, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

44      Het EACEA verzoekt het Gerecht:

–        het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

45      Ter terechtzitting heeft het EACEA verklaard dat het afzag van de betwisting van zijn hoedanigheid van verwerende partij en bijgevolg van de ontvankelijkheid van het beroep voor zover het tegen het agentschap was gericht, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

 In rechte

 Bevoegdheid van het Gerecht en door het EACEA opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid

[omissis]

 Herkwalificatie van het beroep als zijnde gebaseerd op artikel 272 VWEU

[omissis]

65      Uit het voorgaande volgt dat, ten eerste, het onderhavige beroep dat aanvankelijk op grond van artikel 263 VWEU was ingesteld, moet worden geherkwalificeerd als een beroep op grond van artikel 272 VWEU en, ten tweede, het Gerecht bevoegd is om op dat beroep uitspraak te doen overeenkomstig artikel 272 VWEU en de arbitragebedingen in artikel I.8 van de Ecesis‑overeenkomst en artikel I.9 van de Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst.

 Ten gronde

66      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, ontleend aan, ten eerste, schending van het recht om te worden gehoord, ten tweede, „onjuiste toepassing van het Europese recht”, ten derde, ontoereikende motivering en, ten vierde, schending van het evenredigheidsbeginsel.

67      Om te beginnen moeten het eerste en het derde middel gezamenlijk worden onderzocht, vervolgens het tweede middel en ten slotte het vierde middel.

 Eerste en derde middel, ontleend aan, respectievelijk, schending van het recht om te worden gehoord en ontoereikende motivering

–       Inroepbaarheid van het recht om te worden gehoord en van de motiveringsplicht in het kader van een geschil van contractuele aard

68      Het EACEA betoogt dat het recht om te worden gehoord en de motiveringsplicht niet met succes kunnen worden ingeroepen in het kader van een geschil van contractuele aard. Bijgevolg meent het EACEA dat het niet verplicht was om verzoekster te horen alvorens haar de brieven van 21 december 2017 en 8 februari 2018 en de debetnota te sturen, noch om deze te motiveren.

69      Dit bezwaar moet worden afgewezen.

70      In dit verband moet worden benadrukt dat het recht om te worden gehoord en de motiveringsplicht, die door verzoekster in het kader van haar eerste en haar derde middel zijn aangevoerd, zijn opgenomen in artikel 41, lid 2, onder a) en c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), dat bepaalt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie, ten eerste, het recht moeten eerbiedigen van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen en, ten tweede, hun besluiten moeten motiveren.

71      Het Gerecht heeft reeds geoordeeld dat het Handvest, dat deel uitmaakt van het primaire recht, in artikel 51, lid 1, bepaalt dat de bepalingen ervan – zonder uitzondering – „zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel” en dat de fundamentele rechten er derhalve toe dienen om de uitoefening van de aan de instellingen van de Unie toegekende bevoegdheden te reguleren, ook in een contractueel kader (arresten van 3 mei 2018, Sigma Orionis/Commissie, T‑48/16, EU:T:2018:245, punten 101 en 102, en 3 mei 2018, Sigma Orionis/REA, T‑47/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:247, punten 79 en 80; zie naar analogie ook arrest van 13 mei 2020, Talanton/Commissie, T‑195/18, niet gepubliceerd, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2020:194, punt 73).

72      Zo ook heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de instellingen, organen en instanties van de Unie een overeenkomst uitvoeren, zij onderworpen blijven aan de krachtens het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht op hen rustende verplichtingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 86).

73      Het Hof heeft ook benadrukt dat indien de partijen in hun overeenkomst besluiten de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, die rechter bovendien bevoegd is om, ongeacht het in de overeenkomst bepaalde toepasselijke recht, inbreuken op het Handvest en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81).

74      Voorts moet worden benadrukt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie, wanneer zij handelen in een contractueel kader, niet volledig vergelijkbaar zijn met particuliere contractpartijen. Ten eerste putten de door hen verleende subsidies uit de openbare middelen van de Unie, zodat de instellingen, organen en instanties van de Unie bij het verlenen van dergelijke subsidies onderworpen blijven aan, met name, de budgettaire eisen van artikel 317 VWEU en de financiële regels die in dat verband zijn neergelegd in het toepasselijke Financieel Reglement. Ten tweede beschikt, in het geval van een overeenkomst die, zoals in casu, een arbitragebeding bevat waarin de Unierechter bevoegd wordt verklaard, met name de Commissie over van het gemene recht afwijkende bevoegdheden op grond waarvan zij een contractuele vordering kan formaliseren door eenzijdig, op basis van artikel 72, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1) of artikel 79, lid 2, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening nr. 1605/2002 (PB 298, L 2012, blz. 1), een besluit te nemen dat krachtens artikel 299 VWEU een executoriale titel vormt, waarvan de gevolgen en de bindende kracht uit deze bepalingen voortvloeien (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punten 68‑70 en 73). Bovendien moet worden vastgesteld dat overeenkomstig artikel 108, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1605/2002 en artikel 121, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 966/2012 een subsidie kan worden toegekend ofwel bij een schriftelijke overeenkomst, ofwel bij een aan de begunstigde betekend besluit van de Commissie. De Uniewetgever heeft aldus bepaald dat een subsidie zowel bij overeenkomst als langs bestuurlijke weg kan worden toegekend. De instellingen, organen en instanties van de Unie kunnen zich niet naar eigen goeddunken onttrekken aan hun uit het primaire recht, met inbegrip van het Handvest, voortvloeiende verplichtingen door ervoor te kiezen om subsidies bij overeenkomst toe te kennen in plaats van bij besluit.

75      Bijgevolg moet het bezwaar van het EACEA inzake de inroepbaarheid, in contractuele geschillen, van het recht om te worden gehoord en van de motiveringsplicht, worden afgewezen.

–       Recht om te worden gehoord

[omissis]

78      In de eerste plaats moet worden nagegaan of het EACEA verzoekster de mogelijkheid heeft geboden om haar standpunt naar behoren en daadwerkelijk kenbaar te maken alvorens haar de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 en de debetnota van 13 februari 2018 toe te zenden.

79      Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat de instellingen, organen en instanties van de Unie overeenkomstig met name de vereisten van het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht zijn om, in het kader van een auditprocedure zoals die van artikel II.19 van de litigieuze overeenkomsten, het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. De instellingen, organen en instanties van de Unie moeten alle relevante informatie inwinnen, met name die welke hun medecontractant hun kan verstrekken, alvorens te besluiten om over te gaan tot terugvordering, een debetnota op te stellen, een overeenkomst te ontbinden of verdere betalingen aan de medecontractant te weigeren (zie in die zin arrest van 11 juni 2015, EMA/Commissie, C‑100/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:382, punt 123).

80      In dit verband stelt het Gerecht ten eerste vast dat het ontwerpauditverslag aan verzoekster is meegedeeld en dat het EACEA verzoekster heeft verzocht haar standpunt over de bevindingen van de auditoren kenbaar te maken, hetgeen zij in haar brieven van 29 september en 11 november 2016 daadwerkelijk in detail heeft gedaan (zie punten 10 en 11 hierboven). In het bijzonder werd in het ontwerpauditverslag melding gemaakt van de mogelijk stelselmatige en terugkerende aard van de vastgestelde onregelmatigheden. In de hierboven genoemde brieven heeft verzoekster een standpunt ingenomen over alle bevindingen in het ontwerpauditverslag.

81      Ten tweede heeft het EACEA verzoekster bij brief van 26 juli 2017 het eindverslag van de audit en het eindverslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) meegedeeld. In eerstgenoemd verslag werd melding gemaakt van de opmerkingen en de bewijzen die verzoekster in haar brieven van 29 september en 11 november 2016 had overgelegd met betrekking tot elk van de 35 financiële bevindingen (financial audit findings) en de 7 bevindingen betreffende het beheer (management audit findings), waarbij telkens de beoordelingen daarover van de auditoren werden uiteengezet.

82      Ten derde heeft het EACEA in de brief van 26 juli 2017 aangegeven dat het wegens de ernst van de geconstateerde onregelmatigheden en de stelselmatige en terugkerende aard ervan, voornemens was alle uit hoofde van de litigieuze overeenkomsten aan verzoekster betaalde bedragen terug te vorderen. Verzoekster werd verzocht om binnen een termijn van 60 dagen haar opmerkingen over de voorgenomen terugvordering kenbaar te maken.

83      Verzoekster heeft aan dit verzoek gehoor gegeven bij brief van 25 september 2017 en heeft opnieuw documenten overgelegd.

84      In die omstandigheden heeft het EACEA bij brief van 21 december 2017 met betrekking tot de Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst met name aangegeven dat het voornemens was terugbetaling te vorderen van een bedrag dat overeenkwam met het bedrag dat verzoekster als eindbegunstigde had ontvangen, en dat het, aangezien verzoekster niet de nodige informatie had verstrekt om het werkelijke bedrag te kunnen vaststellen, geen andere keuze had dan dit bedrag vast te stellen op basis van de beschikbare informatie. Het EACEA heeft verzoekster ook in kennis gesteld van zijn besluit om het volledige bedrag terug te vorderen dat het haar had betaald uit hoofde van de Ecesis‑overeenkomst, in het kader waarvan verzoekster de enige begunstigde was.

85      Bij brief van 7 februari 2018 heeft het EACEA de uit hoofde van de Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst terug te vorderen bedragen vastgesteld op basis van de informatie die het zelf wist in te winnen bij bepaalde medebegunstigden.

86      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat verzoekster herhaaldelijk de gelegenheid heeft gehad om haar standpunt naar behoren en daadwerkelijk kenbaar te maken voordat haar de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 en de debetnota werden meegedeeld, met betrekking tot zowel de aard en de omvang van de vastgestelde onregelmatigheden als de terug te vorderen bedragen.

87      In de tweede plaats voert verzoekster desalniettemin aan dat het voor haar onmogelijk was om originelen van bepaalde facturen over te leggen, zoals het EACEA in de brief van 26 juli 2017 had verzocht, omdat zij deze facturen op dat moment niet meer in haar bezit had, aangezien ze in beslag waren genomen in het kader van een lopende strafrechtelijke onderzoeksprocedure van het parket van Koblenz.

88      In dit verband moet worden opgemerkt dat wanneer het, om redenen die de betrokkene niet kunnen worden toegerekend, objectief onmogelijk is gebleken om bepaalde documenten op verzoek van het EACEA over te leggen, dit in bepaalde gevallen de betrokkene in beginsel elke mogelijkheid kan ontnemen om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de feiten waarop die documenten betrekking hebben, wanneer de niet-overlegging ervan van invloed is geweest op de vaststelling van de bedragen waarop de verzoeken om terugbetaling betrekking hebben.

89      Dit is in casu echter niet het geval. Weliswaar wordt niet betwist dat het voor verzoekster, om redenen die haar niet kunnen worden toegerekend, objectief onmogelijk is gebleken om de originelen van de door het EACEA in zijn brief van 26 juli 2017 gevraagde facturen over te leggen, maar dit neemt niet weg dat het niet overleggen van die facturen geen invloed heeft gehad op de vaststelling van de bedragen waarop de verzoeken om terugbetaling in de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 en in de debetnota van 13 februari 2018 betrekking hadden.

90      Uit het dossier blijkt immers dat het parket van Koblenz de documenten op 22 juni 2017 in beslag heeft genomen, terwijl zowel de audit als het onderzoek van OLAF was verricht in de periode van 2014 tot en met 2016, dat wil zeggen vóór de betrokken inbeslagneming, wat betekent dat zowel de auditoren als OLAF de inhoud van de betrokken facturen hebben kunnen raadplegen en daaruit passende conclusies hebben kunnen trekken, zoals verzoekster overigens erkent in haar opmerkingen in antwoord op de door het Gerecht op 27 mei 2020 getroffen maatregel tot organisatie van de procesgang. Deze inbeslagneming vond ook plaats na de mededeling van het ontwerpauditverslag aan verzoekster op 22 april 2016, dat reeds de kern bevatte van de vaststellingen betreffende het beheer van de litigieuze overeenkomsten. Uit dat verslag blijkt in het bijzonder dat de conclusies van de auditoren gebaseerd waren op een onderzoek van nagenoeg alle kosten die in het kader van de litigieuze overeenkomsten worden gevorderd (zie punt 7 hierboven). Bovendien heeft verzoekster bij brieven van 29 september en 11 november 2016, dat wil zeggen nog steeds lang vóór de betrokken inbeslagneming, haar opmerkingen gemaakt over de vaststellingen in het ontwerpauditverslag, wat betekent dat zij op dat moment alle in haar bezit zijnde relevante documenten kon raadplegen, waaronder de facturen die later in beslag zijn genomen, en aldus met volledige kennis van zaken haar standpunt kenbaar heeft kunnen maken.

91      Anderzijds heeft het EACEA in zijn brief van 26 juli 2017 inderdaad verzocht om overlegging van bepaalde originele facturen. In de brief van 21 december 2017 heeft het EACEA echter akte genomen van het feit dat verzoekster niet in het bezit was van de gevraagde originele facturen en zij deze dus niet kon overleggen. Het heeft daar echter geen enkele consequentie aan verbonden. Uit geen enkel element van deze brief of van die van 7 februari 2018 blijkt immers dat het niet overleggen van die facturen enige invloed heeft gehad op de vaststelling van de bedragen waarop de verzoeken om terugbetaling in de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 en in de debetnota van 13 februari 2018 betrekking hadden. Zoals het EACEA heeft uiteengezet in zijn antwoord op een in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 12 maart 2020 en ter terechtzitting gestelde vraag, zonder op dit punt te zijn tegengesproken door verzoekster, hadden sommige van de talrijke onregelmatigheden die zijn vastgesteld in de definitieve verslagen van de audit en van OLAF met name betrekking op incoherenties met betrekking tot de inhoud van de facturen (zie punt 15 hierboven) en niet op het feit dat die facturen geen originelen waren.

92      Bovendien kon het feit dat verzoekster niet in het bezit was van de gevraagde originele facturen evenmin in de weg staan aan de overlegging van de informatie die nodig was voor de door het EACEA gevraagde uitsplitsing tussen de bedragen die verzoekster had ontvangen als eindbegunstigde van de Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst en de bedragen die zij had overgemaakt aan de medebegunstigden van die overeenkomsten. Volgens de brief van het EACEA van 26 juli 2017 moest deze uitsplitsing immers geschieden op basis van bankoverschrijvingen of bankafschriften, en niet op basis van die facturen.

93      Hieruit volgt dat het niet overleggen van de originelen van de door het EACEA in zijn brief van 26 juli 2017 gevraagde facturen geen enkele invloed heeft gehad op de vaststelling van de bedragen waarop de verzoeken om terugbetaling in de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 en in de debetnota van 13 februari 2018 betrekking hadden.

94      Bijgevolg moet het eerste middel van het beroep, dat is ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, ongegrond worden verklaard.

–       Motiveringsplicht

[omissis]

97      De omvang van de motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde redenen en het belang dat de adressaat bij een toelichting kan hebben. Om te beoordelen of de motivering toereikend is moet deze worden bezien in de feitelijke en juridische context waarin de betrokken handeling is vastgesteld. Zo is een handeling toereikend gemotiveerd wanneer deze is genomen binnen een context die de betrokken adressaat bekend is en hem in staat stelt de strekking van de jegens hem genomen maatregel te begrijpen (zie naar analogie arresten van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 24 oktober 2011, P/Parlement, T‑213/10 P, EU:T:2011:617, punt 30, en 27 september 2012, Applied Microengineering/Commissie, T‑387/09, EU:T:2012:501, punten 64‑67).

98      In casu stelt het Gerecht ten eerste vast dat de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 duidelijk aangeven wat de rechtsgrondslag van de voorgenomen terugvordering is, te weten artikel II.19, leden 3 en 5, van de litigieuze overeenkomsten en artikel 135, lid 4, van verordening nr. 966/2012 (zie de punten 16‑20 hierboven), en welke bedragen volgens het EACEA moeten worden teruggevorderd.

99      Ten tweede bevatten de vele schriftelijke uitwisselingen tussen de partijen die hebben plaatsgevonden vanaf de mededeling aan verzoekster van het ontwerpauditverslag bij brief van 22 april 2016 en die in de punten 7 tot en met 20 hierboven in herinnering zijn gebracht, voldoende onderling overeenstemmende informatie op grond waarvan verzoekster kan begrijpen waarom het EACEA heeft besloten de betrokken terugbetaling te vorderen en op welke wijze de terug te betalen bedragen zijn berekend. Zoals in de punten 80 en 81 hierboven is opgemerkt, is in het definitieve auditverslag, waarop het EACEA zich voor de voorgenomen terugvordering baseert, in het bijzonder rekening gehouden met alle opmerkingen van verzoekster en met de door haar overgelegde bewijzen, die afzonderlijk zijn onderzocht en afgewezen, waarbij telkens is toegelicht waarom die opmerkingen of bewijzen de bevindingen van de auditoren niet ontkrachtten.

100    Ten derde heeft het EACEA in de brief van 21 december 2017 gereageerd op alle argumenten die verzoekster in haar brieven van 9 augustus en 25 september 2017 had aangevoerd, en duidelijk uiteengezet dat de terug te vorderen bedragen niet waren bepaald op basis van de niet-subsidiabel geachte kosten, maar op basis van de vaststelling van ernstige, stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden die de uitvoering van de litigieuze overeenkomsten aantastten.

101    Hieruit volgt dat de brieven van 21 december 2017 en 7 februari 2018 een toereikende motivering bevatten om verzoekster in staat te stellen te begrijpen waarom het EACEA had besloten om terugbetaling van de betrokken bedragen te vorderen en om de Unierechter in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.

102    Bijgevolg moet het derde middel van het beroep, dat is ontleend aan een ontbrekende of ontoereikende motivering, ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel: „onjuiste toepassing van het Europese recht”

[omissis]

–       Eerste grief: ontbreken van een rechtsgrondslag voor volledige terugvordering van de betaalde bedragen

104    Verzoekster is van mening dat noch artikel II.19, leden 3 en 5, van de litigieuze overeenkomsten, noch artikel 135, lid 4, van verordening nr. 966/2012 het EACEA de mogelijkheid biedt om de bedragen die haar in het kader van de litigieuze overeenkomsten zijn betaald volledig terug te vorderen.

105    Het EACEA bestrijdt verzoeksters argumenten.

106    Het Gerecht stelt vast dat, in casu, op grond van artikel I.8, eerste alinea, van de Ecesis‑overeenkomst, de toekenning van de subsidie waarop zij betrekking heeft, wordt beheerst door de bepalingen van deze overeenkomst, de „toepasselijke gemeenschapsregels” en, subsidiair, het Belgische recht inzake de toekenning van subsidies. De Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst worden volgens artikel I.9 van elk daarvan beheerst door de contractuele bepalingen en de toepasselijke regels van Unierecht.

107    Wat in de eerste plaats de relevante contractuele bepalingen betreft, moet worden opgemerkt dat het EACEA overeenkomstig artikel II.19, lid 3, van elk van deze overeenkomsten het recht heeft om controles uit te voeren op het gebruik van de subsidies. Volgens deze bepaling kunnen de resultaten van de controles aanleiding geven tot terugvorderingsbesluiten. Zo preciseert ook artikel II.19, lid 5, van de overeenkomsten dat OLAF het recht heeft om controles uit te voeren die eveneens tot terugvorderingsbesluiten kunnen leiden.

108    Deze bepalingen, die volgens verzoekster zijn geschonden, sluiten dus niet uit dat het EACEA de krachtens die overeenkomsten betaalde bedragen volledig kan terugvorderen. Zij vermelden immers dat het EACEA de subsidies kan „terugvorderen”, zonder enige beperking in dit verband.

109    Wat in de tweede plaats de „toepasselijke regels van Unierecht” in de zin van artikel I.8, eerste alinea, van de Ecesis‑overeenkomst en artikel I.9 van de Diusas‑ en de Deque‑overeenkomst betreft, merkt het Gerecht op dat in casu ratione temporis allereerst verordening nr. 1605/2002, die met ingang van 1 januari 2013 is ingetrokken (artikel 212 van verordening nr. 966/2012), en, vervolgens, verordening nr. 966/2012, die op haar beurt met ingang van 2 augustus 2018 is ingetrokken bij verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1) van toepassing zijn. Krachtens artikel 187, tweede alinea, van verordening nr. 1605/2002 en artikel 212 van verordening nr. 966/2012 was verordening nr. 1605/2002 namelijk, volgens de algemene regel, van toepassing van 1 januari 2003 tot 1 januari 2013, terwijl de litigieuze overeenkomsten respectievelijk in 2008 en 2010 zijn gesloten (zie punt 2 hierboven). Bovendien liep de periode waarin de overeenkomsten werden uitgevoerd, en dus ook de door de audit bestreken periode, van 15 januari 2009 tot en met 14 januari 2011 voor de Ecesis-overeenkomst, van 15 oktober 2010 tot en met 14 oktober 2012 voor de Diusas-overeenkomst en van 15 oktober 2010 tot en met 14 oktober 2013 voor de Deque-overeenkomst. Hieruit volgt ten eerste dat verordening nr. 1605/2002 ratione temporis van toepassing was op de Ecesis-overeenkomst en de Diusas-overeenkomst, en ten tweede dat deze verordening en verordening nr. 966/2012 achtereenvolgens van toepassing waren op de Deque-overeenkomst.

110    Artikel 119, lid 2, van verordening nr. 1605/2002 bepaalt dat „[i]ndien de begunstigde zijn verplichtingen niet nakomt, [...] de subsidie [wordt] opgeschort of verlaagd of ingetrokken in de in de uitvoeringsvoorschriften bepaalde gevallen, nadat de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren”. Het gebruik van de term „ingetrokken” zinspeelt aldus op de mogelijkheid dat alle ontvangen bedragen worden teruggevorderd.

111    Artikel 135, lid 4, van verordening nr. 966/2012 is als volgt verwoord:

„Wanneer dergelijke fouten, onregelmatigheden of fraude zijn toe te schrijven aan de begunstigde of wanneer de begunstigde zijn verplichtingen uit hoofde van een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit niet nakomt, kan de bevoegde ordonnateur, mits de begunstigde in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te formuleren, bovendien de subsidie verlagen of bedragen terugvorderen die ten onrechte zijn betaald uit hoofde van de subsidieovereenkomst of het subsidiebesluit, in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden of fraude of van de niet‑nagekomen verplichtingen.”

112    Voorts bepaalt artikel 135, lid 5, van verordening nr. 966/2012 het volgende:

„Wanneer controles of audits stelselmatige of terugkerende fouten, onregelmatigheden of fraude dan wel niet-nagekomen verplichtingen aan het licht brengen die zijn toe te schrijven aan de begunstigde en van grote invloed zijn op een aantal subsidies die deze begunstigde onder soortgelijke voorwaarden zijn toegekend, kan de bevoegde ordonnateur, mits de begunstigde in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te formuleren, de uitvoering van alle desbetreffende subsidies opschorten of, indien van toepassing, de desbetreffende subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten met die begunstigde beëindigen, in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden of fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen.

Daarnaast kan de bevoegde ordonnateur, in het kader van een contradictoire procedure, de subsidies verlagen of bedragen terugvorderen die ten onrechte zijn betaald bij alle subsidies die door de in de eerste alinea genoemde stelselmatige of terugkerende fouten, onregelmatigheden of, fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen zijn getroffen en die overeenkomstig de subsidieovereenkomsten of subsidiebesluiten kunnen worden gecontroleerd.”

113    Noch artikel 119, lid 2, van verordening nr. 1605/2002, noch artikel 135, lid 4, van verordening nr. 966/2012 staat dus in de weg aan volledige terugvordering van subsidie. Het volstaat immers op te merken dat laatstgenoemde bepaling uitdrukkelijk vereist dat rekening wordt gehouden met de ernst van de vastgestelde fouten, onregelmatigheden of fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen. Het feit dat zij stelselmatig of terugkerend van aard zijn, is dus duidelijk een factor die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de ernst van die onregelmatigheden. Wanneer de ernst van de vastgestelde fouten, onregelmatigheden of fraude, dan wel niet-nagekomen verplichtingen van dien aard is dat daardoor het gehele stelsel van toezicht en beheer van de betrokken overeenkomsten, en dus alle gedeclareerde kosten, wordt ondermijnd, kan volledige terugvordering van de betaalde bedragen dus niet als onevenredig worden beschouwd.

114    Voor deze conclusie is bovendien steun te vinden in artikel 135, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 966/2012, dat bepaalt dat in geval van stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden die zijn toe te schrijven aan de begunstigde en van grote invloed zijn op meerdere subsidies, de ordonnateur de „bedragen [kan] terugvorderen die ten onrechte zijn betaald” uit hoofde van alle overeenkomsten die door deze onregelmatigheden zijn aangetast. Deze bepaling sluit dus niet uit dat een bepaalde subsidie volledig kan worden teruggevorderd indien de ernst van de vastgestelde onregelmatigheden van dien aard is dat alle betrokken bedragen moeten worden geacht ten onrechte te zijn uitgekeerd.

115    Deze conclusie is ook in overeenstemming met het in artikel 317 VWEU vervatte beginsel van een goed en gezond financieel beheer van de middelen van de Unie. In geval van niet-naleving van de in een subsidieovereenkomst vastgestelde voorwaarden dienen de instellingen, organen of instanties van de Unie de uitgekeerde subsidie dus terug te vorderen ten belope van de bedragen die niet betrouwbaar of niet controleerbaar worden geacht.

116    Bovendien heeft de Unierechter reeds geoordeeld dat, in het stelsel van toekenning van financiële bijstand van de Unie, de aanwending van die bijstand onderworpen is aan regels die kunnen leiden tot gedeeltelijke of algehele teruggave van reeds toegekende bijstand (arresten van 7 juli 2010, Commissie/Hellenic Ventures e.a., T‑44/06, niet gepubliceerd, EU:T:2010:284, punt 85, en 16 december 2010, Commissie/Arci Nuova associazione comitato di Cagliari en Gessa, T‑259/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:536, punt 61).

117    Gelet op al het voorgaande volgt hieruit dat de contractuele bepalingen en de relevante bepalingen van verordening nr. 1605/2002 en verordening nr. 966/2012, zoals uitgelegd door de Unierechter, het EACEA in beginsel niet beletten om alle uit hoofde van de litigieuze overeenkomsten aan verzoekster betaalde bedragen terug te vorderen. De vraag of een dergelijke terugvordering in casu in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, vormt het voorwerp van het vierde middel van het beroep en zal dus hierna worden onderzocht.

118    Bijgevolg dient de eerste grief van het tweede middel ongegrond te worden verklaard.

–       Tweede grief: geen stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden

[omissis]

139    Ten slotte kan verzoekster geen argument ontlenen aan het feit dat artikel 135, lid 4, van verordening nr. 966/2012 niet verwijst naar stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden of dat deze begrippen in die verordening niet zijn gedefinieerd. Het volstaat immers op te merken, ten eerste, dat deze bepaling uitdrukkelijk vereist dat rekening wordt gehouden met de ernst van de vastgestelde onregelmatigheden. Het feit dat zij stelselmatig of terugkerend van aard zijn, is duidelijk een factor die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de ernst van die onregelmatigheden. Ten tweede kan het feit dat verordening nr. 966/2012 deze begrippen met name in artikel 135, lid 5, gebruikt zonder ze uitdrukkelijk te definiëren, geen enkele invloed hebben op de voorgenomen terugvordering, aangezien de inhoud van deze begrippen zonder enige twijfel uit de gebruikelijke betekenis ervan blijkt, volgens welke stelselmatige en terugkerende onregelmatigheden worden gekenmerkt door het feit dat zij herhaaldelijk worden begaan en dat zij het gehele stelsel van toezicht en beheer aantasten, zoals de onregelmatigheden die in de punten 124 tot en met 131 hierboven zijn genoemd.

[omissis]

 Kosten

165    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EACEA te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Universität Koblenz-Landau wordt verwezen in de kosten.

Papasavvas

Kornezov

Buttigieg

Kowalik-Bańczyk

 

      Hesse

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 februari 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.


1      Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Top