Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018CN0223

Zaak C-223/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 27 maart 2018 door Deichmann SE tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 17 januari 2018 in zaak T-68/16, Deichmann SE/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

OJ C 249, 16.7.2018, p. 3–4 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

201806290261986482018/C 249/062232018CJC24920180716NL01NLINFO_JUDICIAL201803273423

Zaak C-223/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 27 maart 2018 door Deichmann SE tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 17 januari 2018 in zaak T-68/16, Deichmann SE/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

Top

C2492018NL330120180327NL00063342

Hogere voorziening ingesteld op 27 maart 2018 door Deichmann SE tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 17 januari 2018 in zaak T-68/16, Deichmann SE/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie

(Zaak C-223/18 P)

2018/C 249/06Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Deichmann SE (vertegenwoordiger: C. Onken, Rechtsanwältin)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie; Munich, SL

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van 17 januari 2018 in zaak T-68/17;

vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 4 december 2015 in zaak R 2345/2014-4;

subsidiair, terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht;

verwijzing van verweerder en interveniënte in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante voert aan dat het bestreden arrest artikel 51, lid 1, onder a), en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 58, lid 1, onder a), en artikel 18, lid 1, van verordening (EU) 2017/1001 ( 1 ) van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk) op verschillende punten schendt. In het bijzonder heeft het Gerecht de betekenis van de term „het merk” in artikel 51, lid 1, onder a), en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009 niet correct vastgesteld.

(1)

Ten eerste heeft het Gerecht het belang en de rechtsgevolgen van de bepaling van het betrokken soort merk onjuist beoordeeld. Het is er ten onrechte van uitgegaan dat het niet uitmaakte of het litigieuze merk een beeldmerk of een positiemerk was. In feite heeft het onderscheid tussen verschillende soorten merken echter een aanzienlijke invloed op het voorwerp ervan en op de manier waarop deze worden gebruikt. Het gebruik van het litigieuze merk als beeldmerk zou aanmerkelijk verschillen van de manier waarop het zou worden gebruikt mocht het een positiemerk zijn.

(2)

Ten tweede heeft het Gerecht het voorwerp van het litigieuze merk niet correct bepaald, maar het litigieuze merk als een positiemerk beschouwd en behandeld. Het litigieuze merk is een beeldmerk, aangezien het als beeldmerk is aangevraagd en ingeschreven, en er geen beschrijving of verklaring van afstand die iets anders suggereerde is toegevoegd. Louter het gebruik van stippellijnen maakt van een beeldmerk geen positiemerk.

(3)

Bijgevolg is het Gerecht er ten onrechte van uitgegaan dat Munich S.L. het normale gebruik van haar merk had aangetoond door het bewijs van de verkoop van schoenen waarop op de zijkant twee gekruiste strepen waren aangebracht. Dit soort gebruik kon alleen als gebruik van een positiemerk gelden, maar niet als gebruik van een beeldmerk zoals het litigieuze merk.


( 1 ) PB 2017, L 154, blz. 1.

Top