Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018CN0029

Zaak C-29/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Galicia (Spanje) op 17 januari 2018 — Cobra Servicios Auxiliares, S.A. / FOGASA, José David Sánchez Iglesias en Incatema, S.L.

OJ C 142, 23.4.2018, p. 24–24 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

23.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 142/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Galicia (Spanje) op 17 januari 2018 — Cobra Servicios Auxiliares, S.A. / FOGASA, José David Sánchez Iglesias en Incatema, S.L.

(Zaak C-29/18)

(2018/C 142/32)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de Galicia

Partijen in het hoofdgeding

Appellante: Cobra Servicios Auxiliares, S.A.

Geïntimeerden: FOGASA, José David Sánchez Iglesias en Incatema, S.L.

Prejudiciële vragen

1)

Moet clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70 (1), aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling die naar aanleiding van een identieke situatie (beëindiging van de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en een derde onderneming op initiatief van deze laatste) voorziet in een lagere vergoeding bij beëindiging van een overeenkomst voor bepaalde tijd voor een werk of een dienst die samen met de overeenkomst van opdracht afloopt, dan bij beëindiging van overeenkomsten voor onbepaalde tijd van vergelijkbare werknemers door collectief ontslag om productieredenen die verband houden met de beëindiging van de overeenkomst van opdracht?

2)

Zo ja, moet de ongelijke behandeling van werknemers met een overeenkomst voor bepaalde tijd en vergelijkbare werknemers met een overeenkomst voor onbepaalde tijd wat de vergoeding betreft die hun wordt uitgekeerd wanneer hun overeenkomst wordt beëindigd wegens identieke feitelijke omstandigheden maar op basis van verschillende rechtsgronden, aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een door artikel 21 van het Handvest verboden discriminatie, die in strijd is met de in de artikelen 20 en 21 ervan neergelegde beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie, die tot de algemene beginselen van Unierecht behoren?


(1)  Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).


Top