EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018CJ0025

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 mei 2019.
Brian Andrew Kerr tegen Pavlo Postnov en Natalia Postnova.
Verzoek van de Okrazhen sad – Blagoevgrad om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 7, punt 1, onder a) – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst – Begrip ‚verbintenissen uit overeenkomst’ – Besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een gebouw – Op de mede-eigenaars rustende verplichting om de bij dat besluit vastgestelde jaarlijkse financiële bijdragen te leveren aan het budget van de vereniging van eigenaars – Rechtsvordering ter verkrijging van de nakoming van die verplichting – Recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Verordening (EG) nr. 593/2008 – Artikel 4, lid 1, onder b) en c) – Begrippen ‚overeenkomst inzake dienstverlening’ en ‚overeenkomst die een zakelijk recht op een onroerend goed tot onderwerp heeft’ – Besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een gebouw met betrekking tot de onderhoudskosten van de gemeenschappelijke delen ervan.
Zaak C-25/18.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2019:376

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

8 mei 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 7, punt 1, onder a) – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst – Begrip ‚verbintenissen uit overeenkomst’ – Besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een gebouw – Op de mede-eigenaars rustende verplichting om de bij dat besluit vastgestelde jaarlijkse financiële bijdragen te leveren aan het budget van de vereniging van eigenaars – Rechtsvordering ter verkrijging van de nakoming van die verplichting – Recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Verordening (EG) nr. 593/2008 – Artikel 4, lid 1, onder b) en c) – Begrippen ‚overeenkomst inzake dienstverlening’ en ‚overeenkomst die een zakelijk recht op een onroerend goed tot onderwerp heeft’ – Besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een gebouw met betrekking tot de onderhoudskosten van de gemeenschappelijke delen ervan”

In zaak C‑25/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okrazhen sad – Blagoevgrad (districtsrechter Blagoëvgrad, Bulgarije) bij beslissing van 19 december 2017, ingekomen bij het Hof op 16 januari 2018, in de procedure

Bryan Andrew Kerr

tegen

Pavlo Postnov,

Natalia Postnova

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, C. Toader, L. Bay Larsen en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kucina en V. Soņeca als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin, M. Heller en Y. Marinova als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 januari 2019,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1) en van artikel 4, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Brian Andrew Kerr enerzijds, en Pavlo Postnov en Natalia Postnova anderzijds, over de niet-betaling door laatstgenoemden van de jaarlijkse financiële bijdragen aan het budget van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex, waarvoor Kerr als beheerder zorg draagt.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1215/2012

3

De overwegingen 4, 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 luiden als volgt:

„(4)

Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing, zijn onontbeerlijk.

[...]

(15)

De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(16)

Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.”

4

Artikel 4, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

5

Artikel 7 van voornoemde verordening luidt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

l.

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

[...]”

6

Artikel 24 van diezelfde verordening is als volgt verwoord:

„Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

1.

voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.

[...]”

Verordening nr. 593/2008

7

De overwegingen 7 en 17 van verordening nr. 593/2008 luiden:

„(7)

Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van deze verordening moeten stroken met verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [(PB 2001, L 12, blz. 1)] (‚Brussel I’) en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‚Rome II’) [(PB 2007, L 199, blz. 40)].

[...]

(17)

Wat het toepasselijke recht bij ontstentenis van een rechtskeuze betreft, dient het concept ‚verrichten van diensten’ en ‚verkoop van goederen’ op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd als bij de toepassing van artikel 5 van [verordening nr. 44/2001], voor zover de verkoop van goederen en de verrichting van diensten onder die verordening vallen. Hoewel franchise- en distributieovereenkomsten overeenkomsten inzake het verrichten van diensten zijn, zijn deze aan specifieke regels onderworpen.”

8

Artikel 1 van verordening nr. 593/2008 bepaalt:

„1.   Deze verordening is, in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken.

[...]

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

[...]

f)

kwesties behorende tot het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals hun oprichting door registratie of anderszins, hun rechts- en handelingsbevoegdheid, hun inwendig bestel en hun ontbinding, alsook de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de organen voor de verbintenissen van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon;

[...]”

9

Artikel 4, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:

„Bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 en onverminderd de artikelen 5 tot en met 8, wordt het op de overeenkomst toepasselijke recht als volgt vastgesteld:

a)

de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft;

b)

de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft;

c)

de overeenkomst die een zakelijk recht op een onroerend goed of de huur van een onroerend goed tot onderwerp heeft, wordt beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen;

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10

Postnov en Postnova, woonachtig te Dublin (Ierland), zijn de eigenaars van een appartement dat deel uitmaakt van een gebouw in mede-eigendom in Bansko (Bulgarije), dat zij hebben verworven bij koopovereenkomst van 30 mei 2008.

11

Bij de jaarvergaderingen van de vereniging van eigenaars van dat gebouw, die plaatsvonden in januari 2013, januari 2014, februari 2015, maart 2016 en maart 2017, zijn besluiten vastgesteld over de jaarlijkse financiële bijdragen aan het budget van de vereniging van eigenaars voor het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten.

12

Omdat Postnov en Postnova niet geheel zouden hebben voldaan aan hun verbintenis tot betaling van die jaarlijkse bijdragen heeft Kerr, als beheerder van voornoemd gebouw, bij de Rayonen sad Razlog (rechter in eerste aanleg Razlog, Bulgarije) een verzoek ingediend om hen te veroordelen tot betaling van het bedrag van die bijdragen, vermeerderd met vertragingsrente.

13

Bij beschikking waarbij op dat verzoek werd beslist, heeft de Rayonen sad Razlog geoordeeld dat hij krachtens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil tussen Kerr en Postnov en Postnova, omdat zij woonachtig waren te Dublin (Ierland) en niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de uitzonderingen op de algemene bevoegdheidsregel van die bepaling.

14

Kerr is tegen die beschikking opgekomen bij de verwijzende rechter.

15

Deze rechter twijfelt over het rechtskarakter van verbintenissen die ontstaan uit een besluit van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid zoals een vereniging van eigenaars van een appartementencomplex.

16

Daarop heeft de Okrazhen sad – Blagoevgrad (districtsrechter Blagoëvgrad, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Vormen besluiten van rechtsgemeenschappen – die geen rechtspersoonlijkheid hebben en krachtens de wet speciaal worden ingesteld om bepaalde rechten uit te oefenen –, welke besluiten door de meerderheid van hun leden worden vastgesteld maar verbindend zijn voor alle leden, ook die welke niet gestemd hebben, een basis voor een ‚verbintenis uit overeenkomst’ voor de vaststelling van de internationale bevoegdheid op grond van artikel 7, punt 1, onder a), van [verordening nr. 1215/2012]?

2)

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: dienen op dergelijke besluiten de voorschriften voor de vaststelling van het bij contractuele verhoudingen toepasselijke recht, die zijn vervat in [verordening nr. 593/2008], te worden toegepast?

3)

Voor het geval dat de eerste en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord: dienen op dergelijke besluiten de voorschriften van [verordening nr. 864/2007] te worden toegepast, en welke van de in die verordening genoemde rechtsgronden voor niet-contractuele vorderingen is in dit geval relevant?

4)

Voor het geval dat de eerste of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: dienen besluiten van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid over de uitgaven voor het onderhoud van een gebouw te worden aangemerkt als een ‚overeenkomst inzake dienstverlening’ in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van [verordening nr. 593/2008] of als een overeenkomst over een ‚zakelijk recht’ of ‚huur’ in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), van deze verordening?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

17

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een geschil over een betalingsverplichting die voortkomt uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex – die geen rechtspersoonlijkheid heeft en krachtens de wet speciaal is opgericht om bepaalde rechten uit te oefenen –, welk besluit door de meerderheid van de leden is vastgesteld maar bindend is voor alle leden ervan, moet worden geacht onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van die bepaling te vallen.

18

In het onderhavige geval vloeit de verbintenis waarvan nakoming wordt geëist voort uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex, waarbij het bedrag van de jaarlijkse financiële bijdragen aan het budget van de vereniging van eigenaars voor het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten van dat complex werd vastgesteld.

19

Aangezien verordening nr. 1215/2012 in de plaats is gekomen van verordening nr. 44/2001, geldt de door het Hof aan de bepalingen van laatstgenoemde verordening gegeven uitlegging ook voor verordening nr. 1215/2012 voor zover de bepalingen van deze beide rechtshandelingen van de Unie als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (arrest van 15 november 2018, Kuhn, C‑308/17, EU:C:2018:911, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20

Derhalve geldt de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 ook voor artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, aangezien deze bepalingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (arrest van 15 juni 2017, Kareda, C‑249/16, EU:C:2017:472, punt 27).

21

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de bevoegdheid waarin artikel 4 van verordening nr. 1215/2012 voorziet, namelijk dat de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd is, de algemene regel. Deze verordening voorziet alleen als uitzondering op deze algemene regel in bijzondere en exclusieve bevoegdheidsregels in limitatief opgesomde gevallen waarin de verweerder kan of, al naargelang het geval, moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat (arresten van 7 maart 2018, E.ON Czech Holding, C‑560/16, EU:C:2018:167, punt 26, en 12 september 2018, Löber, C‑304/17, EU:C:2018:701, punt 18).

22

De bijzondere bevoegdheidsregels van verordening nr. 1215/2012 moeten derhalve restrictief worden uitgelegd en er mag geen uitlegging aan worden gegeven die verder gaat dan de door die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen (arresten van 18 juli 2013, ÖFAB, C‑147/12, EU:C:2013:490, punt 31; 17 oktober 2013, OTP Bank, C‑519/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:674, punt 23, en 14 juli 2016, Granarolo, C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 18).

23

Aangaande de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 heeft het Hof geoordeeld dat de sluiting van een overeenkomst geen voorwaarde vormt voor de toepassing van deze bepaling (arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 38, en 21 april 2016, Austro-Mechana, C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 34).

24

Hoewel deze bepaling niet vereist dat een overeenkomst is gesloten, moet er voor de toepassing ervan wel een verbintenis zijn, aangezien de rechterlijke bevoegdheid op grond van voornoemde bepaling wordt bepaald door de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Derhalve mag het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van diezelfde bepaling niet aldus worden uitgelegd dat zij ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis (arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna, C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 46; 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 39, en 21 april 2016, Austro-Mechana, C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 35).

25

Voor de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 is dientengevolge vereist dat er sprake is van een vrijwillig aangegane juridische verbintenis van een persoon jegens een andere waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd (arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna, C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 47; 18 juli 2013, ÖFAB, C‑147/12, EU:C:2013:490, punt 33, en 21 april 2016, Austro-Mechana, C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 36).

26

Wat artikel 5, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32) betreft, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, zodat, zoals in punt 19 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de door het Hof gegeven uitlegging van eerstgenoemde bepaling ook geldt voor de tweede, heeft het Hof reeds geoordeeld dat verplichtingen die betrekking hebben op de betaling van een geldsom en gebaseerd zijn op de betrekkingen tussen een vereniging en haar leden, moeten worden geacht te vallen onder „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van deze bepaling, op grond dat het lidmaatschap van een vereniging tussen de leden nauwe betrekkingen tot stand brengt, die van dezelfde aard zijn als die tussen de partijen bij een overeenkomst (arresten van 22 maart 1983, Peters Bauunternehmung, 34/82, EU:C:1983:87, punten 13 en 15; 10 maart 1992, Powell Duffryn, C‑214/89, EU:C:1992:115, punt 15, en 20 januari 2005, Engler, C‑27/02, EU:C:2005:33, punt 47).

27

Zoals de advocaat-generaal in punt 54 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het lidmaatschap van een vereniging van eigenaars weliswaar bij wet voorgeschreven, maar neemt dit niet weg dat de bijzonderheden van het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het betrokken onroerend goed in voorkomend geval bij overeenkomst worden geregeld en dat de toetreding tot de vereniging gebeurt door de vrijwillige verwerving van een appartement samen met de aandelen in het mede-eigendom van die gemeenschappelijke gedeelten, waardoor een verplichting van de mede-eigenaars jegens de vereniging van eigenaars, zoals aan de orde in het hoofdgeding, moet worden aangemerkt als een vrijwillig aangegane juridische verbintenis in de zin van de in punt 25 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

28

Het feit dat deze verbintenis uitsluitend voortvloeit uit die verwerving of uit de combinatie van die verwerving en een besluit dat is genomen door de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van dat onroerend goed, is niet van invloed op de toepassing van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 op een geschil over voornoemde verbintenis (zie naar analogie arrest van 22 maart 1983, Peters Bauunternehmung, 34/82, EU:C:1983:87, punt 18).

29

Ook het feit dat de betrokken mede-eigenaars niet hebben deelgenomen aan de vaststelling van dat besluit of zich daartegen hebben verzet, maar het besluit en de daaruit voortvloeiende verbintenis hen krachtens de wet binden, is niet van invloed op die toepassing, aangezien iedere mede-eigenaar, door de mede-eigendom van een onroerend goed te verkrijgen en te behouden, zich vrijwillig onderwerpt aan alle bepalingen van het reglement van de betrokken vereniging van eigenaars en aan de door de algemene vergadering daarvan genomen besluiten (zie in die zin arrest van 10 maart 1992, Powell Duffryn, C‑214/89, EU:C:1992:115, punten 18 en 19).

30

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een geschil over een betalingsverplichting die voortkomt uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex – die geen rechtspersoonlijkheid heeft en krachtens de wet speciaal is opgericht om bepaalde rechten uit te oefenen –, welk besluit door de meerderheid van de leden is vastgesteld maar bindend is voor alle leden ervan, moet worden geacht onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van die bepaling te vallen.

Tweede en derde vraag

31

Daar de tweede en de derde vraag slechts zijn gesteld voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, behoeven deze niet te worden beantwoord.

Vierde vraag

32

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of een geschil over een betalingsverplichting die voortkomt uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex over de onderhoudskosten van de gemeenschappelijke gedeelten van dat onroerend goed, moet worden geacht betrekking te hebben op een „overeenkomst inzake dienstverlening” in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 of op een overeenkomst over een „zakelijk recht op een onroerend goed” in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), van die verordening?

33

Vooraf moet worden opgemerkt dat de in artikel 1, lid 2, onder f), van verordening nr. 593/2008 voorziene uitsluiting van de werkingssfeer van die verordening van kwesties behorende tot het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals hun oprichting door registratie of anderszins, hun rechts- en handelingsbevoegdheid, hun inwendig bestel en hun ontbinding, uitsluitend ziet op de organische aspecten van deze vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen en dus niet op een vordering van een rechtsgemeenschap, in het onderhavige geval die welke wordt gevormd door de mede-eigenaars van een appartementencomplex, vertegenwoordigd door de beheerder daarvan, om jaarlijkse financiële bijdragen te betalen aan het budget van de vereniging van eigenaars van dat onroerend goed, die onder het gemene recht inzake verbintenissen uit overeenkomst valt.

34

In dit verband moet ook worden opgemerkt dat die uitlegging wordt bevestigd door het rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, opgesteld door Mario Giuliano, hoogleraar aan de universiteit van Milaan, en Paul Lagarde, hoogleraar aan de universiteit van Parijs I (PB 1980, C 282, blz.1), waarin staat te lezen dat de uitsluiting van voornoemde kwesties van de werkingssfeer van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1), dat tussen de lidstaten is vervangen door verordening nr. 593/2008, doelt op al de complexe rechtshandelingen die noodzakelijk zijn voor de oprichting van een vennootschap, of haar interne werking of ontbinding regelen, met andere woorden de rechtshandelingen die onder het vennootschapsrecht vallen.

35

Daaruit volgt dat verordening nr. 593/2008 van toepassing is op een situatie zoals die in het hoofdgeding.

36

Volgens overweging 7 van verordening nr. 593/2008 moeten de materiële werkingssfeer en de bepalingen van die verordening stroken met verordening nr. 44/2001. Aangezien laatstgenoemde verordening is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1215/2012, geldt die doelstelling om de verordeningen met elkaar te laten stroken ook voor verordening nr. 1215/2012.

37

In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof met betrekking tot artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, dat voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voorziet in een exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen, reeds heeft geoordeeld dat die bevoegdheid niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerende goederen betreffen, maar alleen die welke zowel vallen binnen de werkingssfeer van die verordening, als behoren tot de rechtsvorderingen die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren (arresten van 17 december 2015, Komu e.a., C‑605/14, EU:C:2015:833, punt 26, en 16 november 2016, Schmidt, C‑417/15, EU:C:2016:881, punt 30).

38

Gelet op het voorgaande, en aangezien de vordering die aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding onder geen van voornoemde vorderingen valt maar is gebaseerd op de rechten van de vereniging van eigenaars op betaling van bijdragen aan het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten van een onroerend goed, kan die vordering niet worden geacht betrekking te hebben op een overeenkomst over een „zakelijk recht op een onroerend goed” in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 593/2008.

39

Het begrip „diensten”, in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012, houdt volgens vaste rechtspraak van het Hof op zijn minst in dat de partij die ze verstrekt, tegen vergoeding een bepaalde activiteit verricht (arresten van 23 april 2009, Falco Privatstiftung en Rabitsch, C‑533/07, EU:C:2009:257, punt 29; 19 december 2013, Corman-Collins, C‑9/12, EU:C:2013:860, punt 37; 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 57; 15 juni 2017, Kareda, C‑249/16, EU:C:2017:472, punt 35, en 8 maart 2018, Saey Home & Garden, C‑64/17, EU:C:2018:173, punt 38).

40

In het onderhavige geval strekt de bij de verwijzende rechter aanhangige vordering tot uitvoering van een verplichting van betrokkenen om bij te dragen aan de kosten van het gebouw waarvan zij een deel in eigendom hebben, waarvan het bedrag is vastgesteld door de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars.

41

Derhalve moet een geschil als aan de orde in het hoofdgeding worden geacht geen betrekking te hebben op een „zakelijk recht op een onroerend goed” in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 593/2008, maar op een dienstverlening in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), ervan.

42

Tegen deze achtergrond moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008 aldus moet worden uitgelegd dat een geschil zoals aan de orde in het hoofdgeding, over een betalingsverplichting die voortkomt uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex over de onderhoudskosten van de gemeenschappelijke gedeelten van dat onroerend goed, moet worden geacht betrekking te hebben op een „overeenkomst inzake dienstverlening” in de zin van die bepaling.

Kosten

43

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een geschil over een betalingsverplichting die voortkomt uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex – die geen rechtspersoonlijkheid heeft en krachtens de wet speciaal is opgericht om bepaalde rechten uit te oefenen –, welk besluit door de meerderheid van de leden is vastgesteld maar bindend is voor alle leden ervan, moet worden geacht onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van die bepaling te vallen.

 

2)

Artikel 4, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) moet aldus worden uitgelegd dat een geschil zoals aan de orde in het hoofdgeding, over een betalingsverplichting die voortkomt uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex over de onderhoudskosten van de gemeenschappelijke gedeelten van dat onroerend goed, moet worden geacht betrekking te hebben op een „overeenkomst inzake dienstverlening” in de zin van die bepaling.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Top