This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62018CA0493
Case C-493/18: Judgment of the Court (Ninth Chamber) of 4 December 2019 (request for a preliminary ruling from the Cour de cassation — France) — UB v VA, Tiger SCI, WZ, acting as UB’s trustee in bankruptcy, Banque patrimoine et immobilier SA (Reference for a preliminary ruling — Judicial cooperation in civil matters — Insolvency proceedings — Regulation (EC) No 1346/2000 — Article 3(1) — Actions which derive directly from insolvency proceedings and which are closely connected with such proceedings — Sale of immovable property and creation of a mortgage — Action brought by the trustee in bankruptcy seeking a declaration that the transactions concerned are ineffective — Article 25(1) — Exclusive jurisdiction of the courts of the Member State in which the insolvency proceedings were opened)
Zaak C-493/18: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 4 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation - Frankrijk) – UB/VA, Tiger SCI, WZ, in de hoedanigheid van curator in het faillissement van UB, Banque patrimoine et immobilier SA (Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 3, lid 1 – Vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure of daar nauw op aansluiten – Verkoop van onroerend goed en vestiging van een hypotheek – Vordering tot niet-tegenwerpbaarheid die is ingesteld door de faillissementscurator – Artikel 25, lid 1 – Exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend)
Zaak C-493/18: Arrest van het Hof (Negende kamer) van 4 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation - Frankrijk) – UB/VA, Tiger SCI, WZ, in de hoedanigheid van curator in het faillissement van UB, Banque patrimoine et immobilier SA (Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedures – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 3, lid 1 – Vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure of daar nauw op aansluiten – Verkoop van onroerend goed en vestiging van een hypotheek – Vordering tot niet-tegenwerpbaarheid die is ingesteld door de faillissementscurator – Artikel 25, lid 1 – Exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend)
PB C 36 van 3.2.2020, p. 10–10
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
3.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 36/10 |
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 4 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation - Frankrijk) – UB/VA, Tiger SCI, WZ, in de hoedanigheid van curator in het faillissement van UB, Banque patrimoine et immobilier SA
(Zaak C-493/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Insolventieprocedures - Verordening (EG) nr. 1346/2000 - Artikel 3, lid 1 - Vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit de insolventieprocedure of daar nauw op aansluiten - Verkoop van onroerend goed en vestiging van een hypotheek - Vordering tot niet-tegenwerpbaarheid die is ingesteld door de faillissementscurator - Artikel 25, lid 1 - Exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend)
(2020/C 36/12)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: UB
Verwerende partijen: VA, Tiger SCI, WZ, in de hoedanigheid van curator in het faillissement van UB, Banque patrimoine et immobilier SA
Dictum
|
1) |
Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de curator die is benoemd door een rechterlijke instantie van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, een vordering heeft ingesteld om de verkoop van in een andere lidstaat gelegen onroerend goed en de hierop gevestigde hypotheek niet-tegenwerpbaar aan de insolvente boedel te laten verklaren, deze vordering onder de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de eerstgenoemde lidstaat valt. |
|
2) |
Artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat een beslissing waarbij een rechterlijke instantie van de lidstaat waar de procedure is geopend, de curator machtigt om een vordering waarvoor deze rechterlijke instantie zelf exclusief bevoegd is desalniettemin in te stellen in een andere lidstaat, niet tot gevolg kan hebben dat de rechterlijke instanties van deze andere lidstaat internationale bevoegdheid verkrijgen. |