EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CO0441(02)

Beschikking van het Hof (Grote kamer) van 20 november 2017.
Europese Commissie tegen Republiek Polen.
Kort geding – Verzoek om voorlopige maatregelen – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna – Richtlijn 2009/147/EG – Behoud van de vogelstand.
Zaak C-441/17 R.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:877

BESCHIKKING VAN HET HOF (Grote kamer)

20 november 2017 ( *1 )

„Kort geding – Verzoek om voorlopige maatregelen – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna – Richtlijn 2009/147/EG – Behoud van de vogelstand”

In zaak C‑441/17 R,

betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen krachtens artikel 279 VWEU en artikel 160, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, ingediend op 20 juli 2017,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Hermes, H. Krämer, K. Herrmann en E. Kružíková als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Republiek Polen, vertegenwoordigd door J. Szyszko, minister van Milieu, en B. Majczyna en D. Krawczyk als gemachtigden,

verweerster,

geeft

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano (rapporteur), vicepresident, R. Silva de Lapuerta, T. von Danwitz, J. L. da Cruz Vilaça, A. Rosas, C. G. Fernlund en C. Vajda, kamerpresidenten, E. Juhász, A. Arabadjiev, C. Toader, D. Šváby, M. Berger, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal M. Wathelet gehoord,

de navolgende

Beschikking

1

Met haar verzoek in kort geding verzoekt de Europese Commissie het Hof de Republiek Polen te gelasten, in afwachting van het arrest van het Hof ten gronde en behalve indien de openbare veiligheid daardoor zou worden bedreigd, een einde te maken aan de verrichtingen van actief bosbeheer in habitats 91D 0 – beboste veengebieden – en 91E0 – bossen op alluviale gronden met wilgen, populieren, elzen en essen –, en in de eeuwenoude bosbestanden van habitat 9170 – subcontinentale eiken-haagbeukbossen – alsook in de habitats van de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de dwerguil (Glaucidium passerinum), de ruigpootuil (Aegolius funereus), de wespendief (Pernis apivorus), de kleine vliegenvanger (Ficedula parva), de withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis) en de holenduif (Colomba oenas), en tevens in de habitats van bepaalde xylobionte kevers namelijk de Cucujus cinnaberinus (vermiljoenkever), de Boros schneideri (behorende tot de familie Boridae), de Phryganophilus ruficollis (een springkever), de Pytho kolwensis (glansschorskever), de Rhysodes sulcatus (een loopkever) en de Buprestis splendens (behorende tot de familie prachtkevers), en op te houden met dode eeuwenoude sparren te verwijderen en bomen te vellen in het kader van de verhoging van het volume hout dat in aanmerking komt voor exploitatie in het gebied PLC200004 Puszcza Białowieska (Polen; hierna: „Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska”). Deze activiteiten vloeien voort uit het besluit van de minister van Milieu van de Republiek Polen van 25 maart 2016 en artikel 1, punten 2 en 3, van besluit nr. 51 van de directeur-generaal van Lasy Państwowe (Agentschap voor bossen, Polen) van 17 februari 2017 (hierna: „besluit nr. 51”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een door de Commissie op 20 juli 2017 volgens artikel 258 VWEU ingesteld beroep wegens niet-nakoming dat tot doel heeft vast te stellen dat de Republiek Polen de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens:

artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193) (hierna: „habitatrichtlijn”), door op 25 maart 2016 met betrekking tot het bosgebied Białowieża (Polen) een wijziging van het bosbeheerplan goed te keuren en de in deze wijziging vastgestelde bosbeheerhandelingen te verrichten, zonder zich ervan te hebben vergewist dat daardoor de integriteit van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska niet zou worden aangetast;

artikel 6, lid 1, van de habitatrichtlijn en artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010, L 20, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17 (hierna: „vogelrichtlijn”), door niet de nodige instandhoudingsmaatregelen vast te stellen die voldoen aan de ecologische eisen van de typen natuurlijke habitats als bedoeld in bijlage I bij de habitatrichtlijn en van de soorten als bedoeld in bijlage II bij de habitatrichtlijn, alsmede van de vogels als bedoeld in bijlage I bij de vogelrichtlijn en van de regelmatig voorkomende trekvogelsoorten die niet zijn vermeld in bijlage I bij de vogelrichtlijn, waarvoor het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska als gebied van communautair belang en speciaal beschermingsgebied voor vogels is aangewezen;

artikel 12, lid 1, onder a) en d), van de habitatrichtlijn, door geen strikte bescherming te waarborgen van de in bijlage IV, onder a), van deze richtlijn genoemde xylobionte kevers (de Cucujus cinnaberinus, de Buprestis splendens, de Phryganophilus ruficollis en de Pytho kolwensis), met name door niet ervoor te zorgen dat het opzettelijk doden of verstoren van deze kevers en het beschadigen of vernietigen van hun broedplaatsen in het bosgebied Białowieża daadwerkelijk verboden is, en

artikel 5, onder b) en d), van de vogelrichtlijn, door niet de bescherming te waarborgen van de vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn, met name de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de dwerguil (Glaucidium passerinum) en de ruigpootuil (Aegolius funereus), namelijk door niet ervoor te zorgen dat deze soorten niet worden gedood of gestoord tijdens de broed- en afhankelijkheidsperiode en dat hun nesten en eieren niet opzettelijk worden vernietigd, beschadigd of verwijderd in het bosgebied Białowieża.

3

Voorts heeft de Commissie op grond van artikel 160, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht de in punt 1 van de onderhavige beschikking bedoelde voorlopige maatregelen te verlenen nog voordat verweerster haar opmerkingen heeft ingediend, gelet op het risico van ernstige en onherstelbare schade aan de habitats en de integriteit van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska.

4

Bij beschikking van 27 juli 2017, Commissie/Polen (C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), heeft de vicepresident van het Hof dit verzoek voorlopig toegewezen totdat de beschikking wordt gewezen waarbij de onderhavige kortgedingprocedure wordt beëindigd.

5

Op 4 augustus 2017 heeft de Republiek Polen haar schriftelijke opmerkingen betreffende het verzoek om voorlopige maatregelen ingediend.

6

Op 11 september 2017 zijn de partijen gehoord in hun pleidooien tijdens een hoorzitting voor de vicepresident van het Hof.

7

Na deze hoorzitting heeft de Commissie op 13 september 2017 haar verzoek om voorlopige maatregelen vervolledigd met het verzoek aan het Hof om de Republiek Polen eveneens te veroordelen tot betaling van een dwangsom indien zij de in de onderhavige procedure vastgestelde bevelen niet naleeft.

8

Op 19 september 2017 heeft de Republiek Polen gevraagd, de Commissie te gelasten haar het bewijsmateriaal over te leggen waarop haar aanvullend verzoek is gebaseerd.

9

Op verzoek van het Hof heeft de Commissie op 21 september 2017 het gevraagde bewijsmateriaal verstrekt.

10

In haar op 28 september 2017 ingediende opmerkingen heeft de Republiek Polen geconcludeerd dat het aanvullend verzoek van de Commissie niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond was.

11

Daarnaast heeft de Republiek Polen in dezelfde opmerkingen en op grond van artikel 16, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht de onderhavige zaak toe te wijzen aan de Grote kamer van het Hof.

12

Hoewel het Hof niet verplicht is een dergelijk verzoek in te willigen wanneer het in een zeer laat stadium van de procedure is ingediend, hetgeen hier het geval is (zie naar analogie arrest van 7 september 2006, Spanje/Raad, C‑310/04, EU:C:2006:521, punt 23), heeft de vicepresident van het Hof overeenkomstig artikel 161, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niettemin de zaak verwezen naar het Hof, dat haar, gelet op het belang ervan, overeenkomstig artikel 60, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft toegewezen aan de Grote kamer.

13

Partijen zijn op 17 oktober 2017 voor de Grote kamer gehoord in hun mondelinge opmerkingen.

Toepasselijke bepalingen

Habitatrichtlijn

14

De habitatrichtlijn heeft volgens artikel 2, lid 1, ervan tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biodiversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het VWEU van toepassing is.

15

Artikel 4, lid 2, derde alinea, van deze richtlijn bepaalt:

„De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.”

16

Artikel 6, leden 1, 3 en 4, van deze richtlijn luidt:

„1.   De lidstaten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

[…]

3.   Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in het vierde lid, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

4.   Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.

Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.”

17

Artikel 12, lid 1, onder a) en d), van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:

a)

het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten

[…]

b)

de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.”

De vogelrichtlijn

18

Artikel 1 van de vogelrichtlijn bepaalt:

„1.   Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.”

19

Artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.   Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten.

[…]

2.   De lidstaten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het gebied van bescherming in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. Met het oog hierop besteden de lidstaten zelf bijzondere aandacht aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis.”

20

Artikel 5, onder b) en d), van deze richtlijn bepaalt:

„Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

[…]

b)

een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen;

[…]

d)

een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is.”

Voorgeschiedenis van het geding

21

Uit het verzoek in kort geding blijkt dat de Commissie bij besluit van 13 november 2007 overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de habitatrichtlijn heeft ingestemd met de aanwijzing van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska als gebied van „communautair belang” wegens de aanwezigheid van natuurlijke habitats en habitats van bepaalde dier- en vogelsoorten. Dit gebied vormt ook een overeenkomstig de vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszone voor vogels.

22

Volgens dat verzoek is het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska een van de best bewaarde natuurlijke bossen in Europa, dat wordt gekenmerkt door grote hoeveelheden dood hout en een groot aantal oude bomen, waarvan verscheidene meer dan honderd jaar oud zijn. In dit gebied bevinden zich zeer goed bewaarde natuurlijke habitats die als „prioritair” in de zin van bijlage I bij de habitatrichtlijn zijn aangemerkt, zoals beboste veengebieden (Natura 2000-code 91D 0) en bossen op alluviale gronden met wilgen, populieren, elzen en essen (Natura 2000-code 91E0), alsook andere habitats van „communautair belang”, met name subcontinentale eiken-haagbeukbossen (Natura 2000-code 9170).

23

Door de grote hoeveelheid dood hout – dat het natuurlijke bos kenmerkt ten opzichte van beheerde bossen – vindt men in bosgebieden zoals het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska vele soorten xylobionte kevers, zoals de Cucujus cinnaberinus, de Boros schneideri, de Buprestis splendens, de Phryganophilus ruficollis, de Pytho kolwensis en de Rhysodes sulcatus, die worden vermeld in bijlage II en IV, onder a), bij de habitatrichtlijn, en met name vogelsoorten als bedoeld in bijlage I bij de vogelrichtlijn waarvan het leefgebied bestaat uit stervende en dode sparren, met inbegrip van die welke zijn gekoloniseerd door de letterzetter (Ips typographus), zoals de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de dwerguil (Glaucidium passerinum) en de ruigpootuil (Aegolius funereus). Vanwege zijn natuurlijke waarde is het Białowieżabos ook ingeschreven op de werelderfgoedlijst van de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (UNESCO).

24

Zoals de Commissie in haar verzoek in kort geding opmerkt, valt het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska, dat 63147 hectare beslaat, onder de bevoegdheid van twee verschillende entiteiten, namelijk enerzijds de Białowieski Park Narodowy (directeur van het nationaal park van Białowieża), die 17 % van de oppervlakte van het gebied beheert, en anderzijds het Agentschap voor Bossen, dat de bosgebieden Białowieża, Browsk en Hajnówka beheert. Alleen al het bosgebied Białowieża beslaat 19 % van de oppervlakte van het gebied.

25

Op 25 maart 2016 heeft de minister van Milieu, onder verwijzing naar de verspreiding van de letterzetter (Ips typographus), een bijlage bij het op 9 oktober 2012 vastgestelde bosbeheerplan van het bosgebied Białowieża goedgekeurd (hierna: „bijlage van 2016”) om meer houtkap in dit bosgebied mogelijk te maken en verrichtingen van actief bosbeheer uit te voeren in gebieden die tot dan toe van die activiteiten waren uitgesloten, zoals reinigingskap, herbebossing en verjongingskap.

26

Na besluit nr. 51 te hebben vastgesteld, werden in de drie bosgebieden Białowieża, Browsk en Hajnówka droge bomen en door de letterzetter gekoloniseerde bomen verwijderd op een oppervlakte van ongeveer 34000 hectare van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska.

27

Volgens de Commissie zijn verschillende wetenschappers en milieuorganisaties van mening dat de in het vorige punt genoemde bosbeheermaatregelen een negatief effect hebben op de handhaving van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en de habitats van de dier- en vogelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska is aangewezen. De Commissie heeft daarom besloten het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen in te dienen.

Verzoek in kort geding

28

Artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat verzoeken in kort geding een duidelijke omschrijving moeten bevatten van „het voorwerp van het geding en van de omstandigheden waaruit de spoedeisendheid van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt”.

29

Voorlopige maatregelen kunnen door de kortgedingrechter slechts worden toegestaan indien wordt aangetoond dat zij op het eerste gezicht feitelijk en rechtens gerechtvaardigd zijn (fumus boni juris) en spoedeisend zijn in die zin dat het ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade aan de belangen van de verzoeker noodzakelijk is dat zij reeds vóór de beslissing in de hoofdzaak worden gelast en effect sorteren. De kortgedingrechter weegt in voorkomend geval ook de betrokken belangen tegen elkaar af (beschikkingen van de president van het Hof van 24 april 2008, Commissie/Malta, C‑76/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2008:252, punt 21, en 10 december 2009, Commissie/Italië, C‑573/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2009:775, punt 11, en beschikking van de vicepresident van het Hof van 3 december 2014, Griekenland/Commissie, C‑431/14 P-R, EU:C:2014:2418, punt 19).

30

Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat de voorlopige maatregelen moeten worden afgewezen wanneer niet is voldaan aan een van die voorwaarden (beschikkingen van de president van het Hof van 24 april 2008, Commissie/Malta, C‑76/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2008:252, punt 22, en 10 december 2009, Commissie/Italië, C‑573/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2009:775, punt 12).

Fumus boni juris

31

De voorwaarde van fumus boni juris is vervuld wanneer in de fase van de kortgedingprocedure een belangrijk juridisch of feitelijk twistpunt bestaat waarvan de oplossing niet bij voorbaat vaststaat, zodat de hogere voorziening niet op het eerste gezicht redelijke grond mist (zie in die zin beschikkingen van de president van het Hof van 13 juni 1989, Publishers Association/Commissie, 56/89 R, EU:C:1989:238, punt 31, en 8 mei 2003, Commissie/Artegodan e.a., C‑39/03 P-R, EU:C:2003:269, punt 40, en beschikking van de vicepresident van het Hof van 3 december 2014, Griekenland/Commissie, C‑431/14 P-R, EU:C:2014:2418, punt 20).

32

In casu voert de Commissie aan dat het kappen van bomen, voornamelijk van door de letterzetter gekoloniseerde sparren, het verwijderen van dode of stervende bomen of stronken en eeuwenoude bosbestanden en de herbebossing in het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska, welke verrichtingen op grond van de bijlage van 2016 en besluit nr. 51 worden uitgevoerd (hierna: „betrokken verrichtingen van actief bosbeheer”), in verschillende opzichten in strijd zijn met het Unierecht.

33

Ten eerste is de bijlage van 2016 volgens de Commissie niet vastgesteld in overeenstemming met artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Die bijlage is immers een „plan” in de zin van deze bepaling, zodat de Poolse autoriteiten, alvorens deze bijlage vast te stellen, zich er volgens de beste wetenschappelijke kennis ter zake van hadden moeten vergewissen dat daardoor de integriteit van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska niet werd aangetast. Deze autoriteiten hebben echter op geen enkel moment in het besluitvormingsproces rekening gehouden met de adviezen van verschillende wetenschappelijke organen, ofschoon zij daarvan op de hoogte waren, waarin in wezen wordt gesteld dat de genoemde activiteiten schade kunnen toebrengen aan dit gebied. Bovendien hebben de Poolse autoriteiten met de bijlage van 2016 juist verrichtingen van actief bosbeheer uitgevoerd waarvan de uitsluiting tot dan toe werd beschouwd als een maatregel om dit gebied in stand te houden, hoewel het gedrag van de letterzetter – namelijk de kolonisatie van sparren en de verspreiding van dit insect – niet als een bedreiging voor de beschermde habitats van dit gebied werd beschouwd.

34

Ten tweede druisen de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer volgens de Commissie in tegen artikel 6, lid 1, van de habitatrichtlijn en artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn, aangezien zij een belemmering vormen voor – of zelfs het effect ontnemen aan – de instandhoudingsmaatregelen van de in bijlage I bij de habitatrichtlijn vermelde natuurlijke habitats, waaronder beboste veengebieden (Natura 2000-code 91D 0), bossen op alluviale gronden met wilgen, populieren, elzen en essen (Natura 2000-code 91E0) en subcontinentale eiken-haagbeukbossen (Natura 2000-code 9170), van de in bijlage II bij deze richtlijn vermelde diersoorten, waaronder xylobionte kevers zoals de Cucujus cinnaberinus, de Boros schneideri, de Buprestis splendens, de Pytho kolwensis, de Rhysodes sulcatus en de Phryganophilus ruficollis, en van de vogelsoorten als bedoeld in bijlage I bij de vogelrichtlijn, waaronder de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de dwerguil (Glaucidium passerinum) en de ruigpootuil (Aegolius funereus) en ook – zoals de Commissie tijdens de hoorzitting van 11 september 2017 heeft gepreciseerd – de wespendief, de kleine vliegenvanger, de withalsvliegenvanger en de holenduif. In dit verband betoogt de Commissie dat de uitvoering van deze activiteiten in strijd is met de instandhoudingsmaatregelen – die overigens voor de betrokken habitats zijn vastgesteld – waarin met name wordt aanbevolen „elke beheeractiviteit uit te sluiten”, „elke bosopstand van een soort die voor ten minste 10 % uit eeuwenoude specimens bestaat, van beheeractiviteiten uit te sluiten”, „dode bomen te behouden” en „alle dode eeuwenoude sparren te behouden totdat zij volledig zijn gemineraliseerd”.

35

Ten derde dragen de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer volgens de Commissie bij tot de afbraak en de vernietiging van de habitat van de in het vorige punt genoemde populaties van xylobionte kevers en daarmee tot de verdwijning van specimens, hetgeen in strijd is met artikel 12, lid 1, onder a) en d), van de habitatrichtlijn.

36

Ten vierde en ten laatste geldt hetzelfde voor bepaalde in bijlage I bij de vogelrichtlijn genoemde vogelsoorten. Dergelijke activiteiten vormen immers niet alleen geen beletsel voor het opzettelijk vernielen of beschadigen van de nesten en de eieren van de betrokken vogels en het verstoren van deze vogels, met name gedurende de broedperiode, maar zij kunnen deze zelfs teweegbrengen, hetgeen in strijd is met de verbodsbepalingen van artikel 5, onder b) en d), van deze richtlijn.

37

De Republiek Polen betoogt dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft kunnen aantonen dat haar bezwaren prima facie gegrond zijn. Zij wijst er met name op dat deze bezwaren in feite gebaseerd zijn op veronderstellingen en overwegingen die voorbijgaan aan veel wetenschappelijke adviezen waarin een standpunt naar voren wordt gebracht dat tegengesteld is aan dat van deze instelling.

38

Vastgesteld moet worden dat de door de Commissie aangevoerde argumenten op het eerste gezicht niet ongegrond lijken te zijn en dat derhalve niet kan worden uitgesloten dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer niet voldoen aan de uit de habitat- en vogelrichtlijn voortvloeiende beschermingsvereisten.

39

Met betrekking tot het eerste middel van de hogere voorziening volstaat het immers er enerzijds op te wijzen dat de Republiek Polen in het kader van de onderhavige kortgedingprocedure niet heeft betwist dat de Poolse autoriteiten zich niet ervan hebben vergewist dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer volgens de beste wetenschappelijke kennis ter zake de integriteit van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska niet zouden aantasten. Anderzijds vereist het feit zelf dat de door de partijen aangevoerde wetenschappelijke adviezen niet met elkaar in overeenstemming zijn dat de kortgedingrechter – wiens beoordeling noodzakelijkerwijs beknopt is (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 31 juli 2003, Le Pen/Parlement, C‑208/03 P-R, EU:C:2003:424, punt 97) – de argumenten van de Commissie niet als ongegrond aanmerkt.

40

In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bevoegde autoriteiten slechts toestemming kunnen verlenen voor een plan in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn indien zij, na alle aspecten van het plan of project te hebben geïdentificeerd die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen en rekening houdend met de beste wetenschappelijke kennis ter zake, de zekerheid hebben verkregen dat dit plan geen blijvende schadelijke gevolgen heeft voor de integriteit van dit gebied. Dat is het geval wanneer er wetenschappelijk bezien redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat over het feit dat dergelijke gevolgen ontbreken (arrest van 11 april 2013, Sweetman e.a., C‑258/11, EU:C:2013:220, punt 40en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Wat de ter ondersteuning van de andere beroepsmiddelen aangevoerde argumenten betreft, moet worden vastgesteld dat de Republiek Polen in antwoord hierop weliswaar tracht aan te tonen dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer dringend moeten worden voortgezet, maar dat uit haar bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het betoog van de Commissie volgens hetwelk artikel 6, lid 1, en artikel 12, lid 1, onder a) en d), van de habitatrichtlijn en artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, onder b) en d), van de vogelrichtlijn zijn geschonden, volkomen ongegrond is.

42

Hieruit volgt dat, mede rekening houdend met het voorzorgsbeginsel – dat overeenkomstig artikel 191, lid 2, eerste alinea, VWEU een van de hoekstenen vormt van het door de Europese Unie nagestreefde hoge beschermingsniveau op milieugebied en in het licht waarvan de Uniewetgeving inzake milieubescherming moet worden uitgelegd (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 10 december 2009, Commissie/Italië, C‑573/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2009:775, punt 24en aldaar aangehaalde rechtspraak) –, het beroep in het hoofdgeding op het eerste gezicht niet als volstrekt ongegrond kan worden beschouwd.

Spoedeisendheid

43

Wat de voorwaarde inzake de spoedeisendheid betreft, moet eraan worden herinnerd dat de kortgedingprocedure tot doel heeft de volledige doeltreffendheid van de toekomstige eindbeslissing te waarborgen, teneinde een leemte in de door het Hof gewaarborgde rechtsbescherming te voorkomen. Om dit doel te bereiken, moet de spoedeisendheid worden beoordeeld in het licht van de noodzaak van een voorlopige uitspraak, teneinde te voorkomen dat de partij die om voorlopige bescherming verzoekt, ernstige en onherstelbare schade wordt berokkend (beschikkingen van de president van het Hof van 24 april 2008, Commissie/Malta, C‑76/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2008:252, punt 31, en 10 december 2009, Commissie/Italië, C‑573/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2009:775, punt 17).

44

Het staat aan de partij die een dergelijk nadeel aanvoert, het bestaan ervan vast te stellen. Hoewel in dit verband niet hoeft te worden aangetoond dat het absoluut zeker is dat die schade zal ontstaan en een voldoende graad van waarschijnlijkheid volstaat, moet de verzoeker niettemin het bewijs leveren van de feiten op grond waarvan een dergelijke schade kan worden verwacht (beschikkingen van de president van het Hof van 24 april 2008, Commissie/Malta, C‑76/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2008:252, punt 32, en 10 december 2009, Commissie/Italië, C‑573/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2009:775, punt 18).

45

In casu betoogt de Commissie dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer onherstelbare en ernstige schade aan het milieu kunnen toebrengen.

46

Met name de schade als gevolg van het kappen en verwijderen van oude bomen en dood hout, met inbegrip van stervende staande bomen, is onherstelbaar, aangezien het na voltooiing van deze activiteiten niet langer mogelijk is de oorspronkelijke toestand van de door die activiteiten getroffen gebieden te herstellen. Bovendien dreigt de voortzetting van deze activiteiten een ernstige verstoring teweeg te brengen van de structuur en de functies van de getroffen boompopulaties in de betrokken habitats, die niet door schadeloosstelling of andere vormen van compensatie in hun vorige staat kunnen worden hersteld. Deze activiteiten zouden dus leiden tot een onomkeerbare metamorfose van een natuurlijk bos tot een beheerd bos, met het risico dat zeldzame soorten hun habitat verliezen.

47

De schade is volgens de Commissie ook ernstig doordat in de bijlage van 2016 is bepaald dat het volume gewonnen hout tegen 2021 zou worden verhoogd tot 188000 m3, vergeleken met 63471 m3 in 2012. Sinds begin 2017 heeft de houtkap in het Białowieżabos inmiddels een totaal aantal van meer dan 35000 m3 bereikt, waarvan meer dan 29000 m3 sparrenhout, waardoor 29000 bomen zijn verdwenen. De houtkap van eeuwenoude opstand heeft tot mei 2017 eveneens meer dan 10000 m3 hout opgeleverd in de drie bosgebieden Białowieża, Browsk en Hajnówka. Bovendien heeft het ministerie van Milieu zelf aangegeven dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer zullen worden uitgevoerd op een oppervlakte van 34000 hectare in het Białowieżabos. Ten slotte brengen deze activiteiten het behoud van het oorspronkelijk karakter en dus de integriteit van een van de zeldzame natuurlijke bossen in Europa, waarvan het behoud nochtans van essentieel belang is, in gevaar.

48

Ter betwisting van de spoedeisendheid van de gevraagde voorlopige maatregelen te betoogt de Republiek Polen dat de Commissie zelf geen zorgvuldigheid heeft betracht bij de behandeling van de onderhavige zaak, aangezien zij na ontvangst van het antwoord op de aanmaningsbrief negen maanden heeft laten verstrijken vooraleer zij het met redenen omkleed advies heeft verzonden. Overigens vinden de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer in het gebied in kwestie al meer dan 100 jaar plaats en de onmiddellijke stopzetting ervan valt niet te rechtvaardigen, temeer daar de in de bijlage van 2016 gespecificeerde houtkap ver onder de vorige volumes ligt.

49

Bovendien is de bewering van de Commissie dat deze activiteiten ernstige en onherstelbare schade veroorzaken, niet onderbouwd. Integendeel, het stopzetten van deze activiteiten en de verspreiding van de letterzetter zou aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor het ecosysteem van het Białowieżabos. Dit zou leiden tot een aanzienlijke en duurzame verslechtering van de staat van instandhouding van waardevolle natuurlijke habitats die in het kader van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska worden beschermd, zoals met name de subcontinentale eiken-haagbeukbossen.

50

De betrokken verrichtingen van actief bosbeheer zijn volgens de Republiek Polen in feite instandhoudingsmaatregelen die verband houden met duurzaam bosbeheer en die trouwens overeenkomen met die welke in andere lidstaten worden toegepast. Bovendien blijven zij beperkt tot een deel van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska en hebben zij geen betrekking op het streng beschermde deel daarvan.

51

Wat de door de Commissie aangehaalde wetenschappelijke studies over de schadelijkheid van deze activiteiten betreft, wijst de Republiek Polen erop dat het ontbreken van maatregelen tegen de letterzetter in het Białowieżabos het volgens andere serieuze studies juist zeer waarschijnlijk maakt dat ernstige en onherstelbare schade zal ontstaan aan de natuurlijke habitats en de habitats van de diersoorten, waaronder vogels, voor het behoud waarvan het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska is aangewezen. In dit verband preciseert de Republiek Polen dat in de grote meerderheid van de wetenschappelijke adviezen op basis van in het Białowieżabos verzamelde gegevens wordt gewezen op de noodzaak om in te grijpen tegen de letterzetter, terwijl de tegengestelde adviezen grotendeels gebaseerd zijn op gegevens van andere ecosystemen die bijgevolg geen rekening houden met de hoge specificiteit en het unieke karakter van het Białowieżabos.

52

De Republiek Polen benadrukt dat zij heeft besloten om in het Białowieżabos twee alternatieve maatregelen toe te passen voor de instandhouding van de habitats. De eerste soort maatregelen, namelijk het verbod op actieve beschermingsmaatregelen waaronder het kappen van bomen en het verwijderen van dode, door de schorskever aangetaste bomen, geldt momenteel voor een uitgestrekt deel van dit bos. De tweede soort maatregelen, te weten het uitvoeren van actieve beschermingsmaatregelen, wordt daarentegen slechts toegepast in bepaalde delen van de bosgebieden Białowieża, Browsk en Hajnówka. Wat meer in het bijzonder het bosgebied Białowieża betreft, is 58 % van de oppervlakte ervan overeenkomstig de bijlage van 2016 uitgesloten van deze activiteiten, terwijl het aandeel van dit bosgebied dat wordt getroffen door deze maatregelen slechts 5,4 % van de totale oppervlakte van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska uitmaakt.

53

Ten slotte vormen volgens de Republiek Polen, gelet op de gegevens over de huidige populatie van de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de dwerguil (Glaucidium passerinum) en de ruigpootuil (Aegolius funereus), de mogelijke negatieve gevolgen van de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer geen bedreiging voor de populatie van deze soorten. Overigens wijst de huidige trend zelfs op een toename van deze populatie.

54

Dienaangaande zij er bij de beoordeling van de spoedeisendheid aan herinnerd dat de kortgedingprocedure er niet toe strekt de echtheid van complexe en zeer controversiële feiten vast te stellen. De kortgedingrechter beschikt niet over de nodige middelen om de vereiste verificaties uit te voeren en in veel gevallen zou het moeilijk zijn om deze tijdig uit te voeren (beschikkingen van de president van het Hof van 24 april 2008, Commissie/Malta, C‑76/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2008:252, punt 36, en 10 december 2009, Commissie/Italië, C‑573/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2009:775, punt 22).

55

Tevens dient eraan te worden herinnerd dat de kortgedingrechter, enkel wat de beoordeling van het bestaan van ernstige en onherstelbare schade betreft, ervan moet uitgaan dat de door de verzoeker in kort geding ten gronde aangevoerde grieven mogelijkerwijs zullen worden aanvaard. De ernstige en onherstelbare schade waarvan het waarschijnlijke intreden moet worden aangetoond, is immers die welke in voorkomend geval zou voortvloeien uit de weigering van de gevraagde voorlopige maatregelen indien het beroep ten gronde zou slagen, en deze schade moet derhalve op basis van die premisse worden beoordeeld, zonder dat dit impliceert dat de rechter in kort geding enig standpunt inneemt over de grieven ten gronde (zie in die zin beschikkingen van de vicepresident van het Hof van 19 december 2013, Commissie/Duitsland, C‑426/13 P(R), EU:C:2013:848, punten 51 en 52, en 14 januari 2016, AGC Glass Europe e.a./Commissie, C‑517/15 P-R, EU:C:2016:21, punt 30).

56

Als bewijs van de spoedeisendheid voert de Commissie aan dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer – waarbij de Republiek Polen niet betwist dat deze daadwerkelijk worden verricht – negatieve gevolgen hebben voor de betrokken habitats, die in wezen bestaan uit oude, al dan niet door de schorskever aangetaste, stervende of dode bomen.

57

Aangezien dergelijke handelingen echter juist inhouden dat die bomen worden verwijderd, lijkt het inderdaad zeer waarschijnlijk dat zij gevolgen hebben voor deze habitats. Dit blijkt ook uit het feit dat een van de maatregelen die – tot het tijdstip waarop de bijlage van 2016 is vastgesteld – zijn genomen om deze habitats in stand te houden, juist het uitsluiten van dergelijke activiteiten in bepaalde gebieden betrof.

58

Bovendien betwist de Republiek Polen niet dat de verrichtingen van actief bosbeheer op korte termijn enerzijds een invloed kunnen hebben op de natuurlijke habitats als bedoeld in bijlage I bij de habitatrichtlijn – zoals de beboste veengebieden (Natura 2000-code 91D 0), de bossen op alluviale gronden met wilgen, populieren, elzen en essen (Natura 2000-code 91E0) en de subcontinentale eiken-haagbeukbossen (Natura 2000-code 9170) – alsook op de beschermde diersoorten als bedoeld in bijlage II en bijlage IV, onder a), bij die richtlijn, zoals xylobionte kevers, en anderzijds dat deze handelingen vogelsoorten kunnen aantasten als bedoeld in bijlage I bij de vogelrichtlijn, met name de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de dwerguil (Glaucidium passerinum) en de ruigpootuil (Aegolius funereus).

59

Dergelijke gevolgen kunnen ernstige en onherstelbare schade toebrengen aan de belangen van de Unie en het gemeenschappelijk erfgoed. Zodra de schade als gevolg van het kappen en verwijderen van oude bomen en dood hout, met inbegrip van stervende staande bomen, zich eenmaal heeft voorgedaan, kan deze schade later namelijk niet meer ongedaan worden gemaakt indien de niet-nakomingen die de Commissie de Republiek Polen verwijt, zouden worden vastgesteld, aangezien het kennelijk onmogelijk is – zoals de Commissie terecht stelt – om de oorspronkelijke toestand van de door dergelijke activiteiten getroffen gebieden te herstellen. De ernst van de door de Commissie gestelde schade blijkt verder uit het feit dat deze activiteiten, mede gelet op hun omvang en intensiteit, bij voortzetting ervan de onomkeerbare metamorfose van een natuurlijk bos tot een beheerd bos kunnen teweegbrengen op een niet te verwaarlozen oppervlakte, hetgeen zou kunnen leiden tot het verlies van habitats voor zeldzame soorten, waaronder talrijke bedreigde kevers en vogels. Ook al zijn partijen het niet eens over de vraag of de hoeveelheid verwijderd hout een op- of neerwaartse tendens vertoont ten opzichte van de periode vóór de bij de bijlage van 2016 ingevoerde wijziging, voor de beoordeling van het spoedeisendheidsvereiste in de onderhavige kortgedingprocedure hoeft er slechts op te worden gewezen dat, alleen al door de gegevens in aanmerking te nemen die de Republiek Polen zelf in haar geschreven opmerkingen heeft verstrekt, deze hoeveelheid 188000 m3 zou kunnen bedragen, hetgeen een aanzienlijk niveau van houtkap vertegenwoordigt.

60

Bovendien moet de Uniewetgeving inzake milieubescherming, zoals in punt 42 van deze beschikking in herinnering is gebracht, worden uitgelegd in het licht van het voorzorgsbeginsel.

61

Aangezien er op het eerste gezicht geen wetenschappelijke informatie voorhanden is die buiten elke redelijke twijfel uitsluit dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer schadelijke en onomkeerbare gevolgen hebben voor de beschermde habitats van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska waarop het verzoek van de Commissie betrekking heeft, moet worden geoordeeld dat de spoedeisendheid van de door de Commissie gevraagde voorlopige maatregelen vaststaat.

Belangenafweging

62

Overeenkomstig de in punt 29 van deze beschikking in herinnering gebrachte rechtspraak moet voorts ook nog worden vastgesteld of de te verrichten belangenafweging ertoe leidt dat de gevraagde voorlopige maatregelen moeten worden verleend dan wel het verzoek moet worden afgewezen.

63

Volgens de Commissie weegt het algemeen belang van het behoud van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en de natuurlijke bossoorten van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska zwaarder dan het belang dat de Republiek Polen heeft bij de bestrijding van de letterzetter, met name in het licht van het voorzorgsbeginsel.

64

In de eerste plaats wordt in het bosbeheerplan dat vóór de bij de bijlage van 2016 ingevoerde wijziging van kracht was, de verspreiding van de letterzetter niet erkend als een bedreiging voor de staat van instandhouding van de habitats van dat gebied en wordt daarin evenmin vastgesteld dat de bestrijding van de letterzetter door het kappen van bomen en het verwijderen van gekoloniseerde sparren een gepaste instandhoudingsmaatregel vormde. Uit dit bosbeheerplan blijkt daarentegen dat het verwijderen van eeuwenoude sparren die door de letterzetter gekoloniseerd zijn, een gevaar vormt voor de habitats van de ruigpootuil (Aegolius funereus), de dwerguil (Glaucidium passerinum) en de drieteenspecht (Picoides tridactylus).

65

Vervolgens moet de graduele verspreiding van de letterzetter volgens de huidige kennis worden beschouwd als onderdeel van de natuurlijke cyclus van oerbossen met sparren. Volgens de wetenschappelijke studies is het dus niet wenselijk om de verspreiding van de letterzetter actief te bestrijden door massaal gekoloniseerde bomen en droge bomen te kappen in bossen die als belangrijkste functie het behoud en de instandhouding van de biodiversiteit hebben. Dit zou enkel anders kunnen zijn in bossen die worden geëxploiteerd, waarbij de kwaliteit van de opstand en de vertegenwoordigde handelswaarde van de grondstoffen dienen als criterium voor de beoordeling van de staat van de bossen. In dat geval kan de letterzetter een schadelijk organisme zijn.

66

Tot slot benadrukt de Commissie dat de recreatieve, toeristische of landschappelijke aantrekkingskracht van het Białowieżabos op geen enkele wijze in gevaar wordt gebracht door de verspreiding van de letterzetter.

67

De Republiek Polen voert harerzijds aan dat de bijlage van 2016 noch om economische redenen, noch enkel en alleen met het oog op de bestrijding van de letterzetter in het kader van het gebruikelijke beheer van bosbestanden is vastgesteld. Volgens die lidstaat heeft deze bijlage uitsluitend tot doel, het gevaar voor achteruitgang van de natuurlijke habitats van het Białowieżabos te beperken.

68

Terwijl de Poolse autoriteiten twee alternatieve beschermingsmaatregelen toepassen, een actieve en een passieve, is de Commissie daarentegen voornemens de methoden voor de instandhouding van habitats in de hele Unie te standaardiseren, waarbij zij opteert voor de enkele toepassing van passieve beschermingsmaatregelen, ongeacht de te verwachten milieueffecten.

69

In de praktijk brengt de stopzetting van de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer volgens de Republiek Polen het risico met zich mee dat belangrijke, krachtens de Uniewetgeving en de Poolse wetgeving beschermde natuurlijke habitats worden vernietigd, hetgeen onherstelbare schade aan het milieu zou kunnen toebrengen.

70

Dienaangaande zou volgens de Poolse wetgeving, die voorziet in een vergoedingsplicht voor het geval dat een bos zijn status van bosgebied verliest, de milieuschade als gevolg van de stopzetting van de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer 3240000000 PLN (ongeveer 757000000 EUR) bedragen.

71

De Republiek Polen wijst er verder op dat de stopzetting van deze activiteiten zou kunnen leiden tot economische en sociale schade die niet kwantificeerbaar is, aangezien het de omwonenden zou worden verboden de verschillende economische activiteiten te verrichten die zij momenteel in het Białowieżabos uitoefenen, zoals met name de exploitatie van de bosbodem of de honingproductie.

72

In dit verband zij erop gewezen dat de belangen die op basis van de door de partijen verstrekte gegevens moeten worden afgewogen, enerzijds bestaan in de bescherming van de in punt 1 van de onderhavige beschikking vermelde habitats en soorten tegen een mogelijke bedreiging door de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer en anderzijds in het belang van het voorkomen van de achteruitgang van de natuurlijke habitats van het Białowieżabos ten gevolge van de aanwezigheid van de letterzetter.

73

Om te beginnen, terwijl de Commissie terecht stelt dat er gevaar bestaat voor ernstige en onherstelbare schade aan verschillende habitats die door deze activiteiten worden getroffen, verklaart de Republiek Polen louter dat deze activiteiten met name nodig zijn om de letterzetter te bestrijden en aldus de instandhouding te waarborgen van de natuurlijke habitats die in het kader van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska zijn beschermd, waarbij zij enkel de subcontinentale eiken-haagbeukbossen vermeldt.

74

Voorts geeft de Republiek Polen niet aan waarom de stopzetting van deze activiteiten tot de uitspraak van het arrest ten gronde – en dus waarschijnlijk slechts voor enkele maanden na de datum van de onderhavige beschikking – ernstige en onherstelbare schade aan deze habitat zou kunnen veroorzaken.

75

Bovendien biedt de verklaring van de Republiek Polen dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer beperkt zijn tot een klein deel van het Natura 2000-gebied Puszcza Białowieska, geen steun voor de stelling die deze lidstaat verdedigt, maar bevestigt zij veeleer het standpunt van de Commissie dat de tijdelijke stopzetting van deze activiteiten geen ernstige schade aan dit gebied zou toebrengen.

76

Terwijl het ten slotte duidelijk is dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer een directe impact hebben op de door de Commissie genoemde habitats, zouden de gevolgen van een stopzetting van deze activiteiten voor het leefgebied van de subcontinentale eiken-haagbeukbossen slechts indirect zijn en afhangen van de daadwerkelijke verspreiding van de letterzetter en de schadelijkheid van een dergelijke verspreiding. Aangezien deze activiteiten, zoals de Republiek Polen betoogt, deel uitmaken van het gebruikelijke beheer van bosbestanden, kan de stopzetting ervan gedurende slechts enkele maanden na de datum van de onderhavige beschikking niet zo schadelijk zijn voor de andere betrokken habitats als de voortzetting van deze activiteiten. Hoe dan ook heeft de Republiek Polen niet aangegeven op welke gegevens zij zich baseert voor haar bewering dat de stopzetting van de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer tot de vernietiging van het leefgebied van de subcontinentale eiken-haagbeukbossen zou leiden.

77

Overigens heeft de president van het Hof, juist om de periode waarin de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer zouden worden stopgezet in afwachting van het arrest ten gronde zoveel mogelijk te beperken, en rekening houdend met de argumenten van de Republiek Polen dat het Hof dringend uitspraak moet doen in de procedure wegens niet-nakoming, niet alleen op 9 augustus 2017 besloten het verzoek van de Commissie toe te wijzen om overeenkomstig artikel 53 van het Reglement voor de procesvoering zaak C‑441/17 bij voorrang te berechten, maar heeft hij bij beschikking van 11 oktober 2017 ook ambtshalve besloten de zaak overeenkomstig artikel 133, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering volgens een versnelde procedure te behandelen.

78

Wat de door de Republiek Polen gestelde maatschappelijke schade betreft, geeft deze lidstaat geen enkele verklaring waarom de stopzetting van de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer ertoe zou leiden dat „het gebruik van de sociaal-economische functie van het betrokken gebied volledig wordt geblokkeerd” en met name de omwonende bevolking zou verhinderen het Białowieżabos voor economische doeleinden te gebruiken. Hoe dan ook lijken dergelijke belangen geen hogere waarde te hebben dan het belang om de betrokken habitats en soorten in stand te houden.

79

Bij gebrek aan gedetailleerde informatie over de hinder die op korte termijn door de letterzetter kan worden veroorzaakt, is het bijgevolg urgenter om schade aan het beschermde gebied als gevolg van de voortzetting van deze activiteiten te vermijden.

80

Gelet op een en ander moet het verzoek van de Commissie om voorlopige maatregelen als bedoeld in punt 1 van de onderhavige beschikking worden toegewezen.

81

Overeenkomstig dit verzoek moeten echter bij wijze van uitzondering de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer van de aldus gelaste voorlopige maatregelen worden uitgesloten indien deze interventies strikt noodzakelijk blijken – en voor zover zij evenredig zijn – om rechtstreeks en onmiddellijk de openbare veiligheid van personen te waarborgen, mits andere, minder ingrijpende maatregelen om objectieve redenen niet mogelijk zijn.

82

Bijgevolg mogen deze activiteiten alleen worden voortgezet voor zover zij de enige manier vormen om de openbare veiligheid van personen in de onmiddellijke omgeving van wegen of andere belangrijke infrastructuur te waarborgen, indien het om objectieve redenen niet mogelijk is deze veiligheid te waarborgen door andere, minder ingrijpende maatregelen vast te stellen, zoals een geschikte waarschuwing voor gevaren of een tijdelijk verbod op de toegang van het publiek tot deze onmiddellijke omgeving, dat eventueel gepaard gaat met passende sancties.

83

In dit verband dient enerzijds te worden gepreciseerd dat, aangezien de in de punten 81 en 82 van de onderhavige beschikking bedoelde uitzondering uit hoofde van de openbare veiligheid een afwijking vormt van de verleende voorlopige maatregelen, deze uitzondering strikt moet worden uitgelegd, temeer daar een dergelijke uitlegging het nuttig effect van deze maatregelen waarborgt.

84

Anderzijds staat het aan de Republiek Polen om te bewijzen dat aan de in die punten genoemde voorwaarden is voldaan in elk geval waarin zij voornemens is van deze afwijking gebruik te maken, met name door foto’s te nemen vóór en na de voortzetting van de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer. De partij die zich op een dergelijke afwijking wil beroepen, dient immers te bewijzen dat de uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen, daadwerkelijk bestaan (zie in die zin arrest van 8 april 2008, Commissie/Italië, C‑337/05, EU:C:2008:203, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Verzoek tot zekerheidstelling

85

De Republiek Polen is van mening dat, indien het verzoek van de Commissie zou worden ingewilligd, de tenuitvoerlegging van de beschikking houdende voorlopige maatregelen afhankelijk zou moeten worden gesteld van de voorwaarde dat de Commissie overeenkomstig artikel 162, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering zekerheid stelt tot het bedrag van de schade die uit de tenuitvoerlegging van deze beschikking kan voortvloeien, hetgeen overeenkomt met 3240000000 PLN. Dit bedrag is berekend op basis van de Poolse wetgeving die voorziet in een schadevergoedingsverplichting voor het geval een terrein zijn status van bosgebied verliest, zoals in punt 70 van de onderhavige beschikking is vermeld.

86

In dit verband zij erop gewezen dat er voor het stellen van zekerheid overeenkomstig deze bepaling slechts aanleiding kan bestaan indien de partij van wie dit wordt verlangd, schuldenaar is van de bedragen waarvan de borg de betaling moet verzekeren en er gevaar van insolventie van haar kant bestaat (beschikking van 12 juli 1990, Commissie/Duitsland, C‑195/90 R, EU:C:1990:314, punt 48).

87

Dit kan echter niet het geval zijn in de onderhavige zaak, daar hoe dan ook niet valt te verwachten dat de Unie niet in staat zal zijn de gevolgen te dragen van haar eventuele veroordeling tot schadevergoeding (zie naar analogie beschikking van 12 juli 1990, Commissie/Duitsland, C‑195/90 R, EU:C:1990:314, punt 49).

88

Hieruit volgt dat de toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen niet afhankelijk dient te worden gesteld van een zekerheidstelling door de Commissie.

Aanvullend verzoek van de Commissie ertoe strekkende dat betaling van een dwangsom wordt gelast

89

In haar aanvullend verzoek van 13 september 2017 stelt de Commissie dat de activiteiten waarvan de voorlopige stopzetting is gelast bij beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017, Commissie/Polen (C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), na de kennisgeving ervan aan deze lidstaat in strijd met de opgelegde voorlopige maatregelen zijn voortgezet. Ter staving van haar bewering verwijst de Commissie met name naar een door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) opgesteld rapport van 6 september 2017 dat gebaseerd is op satellietbeelden van het Białowieżagebied, en naar een studie van de diensten van de Commissie die is verricht aan de hand van een vergelijking tussen foto’s van het Poolse maatschappelijk middenveld en de officiële gegevens die door het Agentschap voor bossen zijn verstrekt met betrekking tot de locatie van de natuurlijke habitats en de beschermde soorten.

90

Op basis daarvan verzoekt de Commissie volgens artikel 279 VWEU de Republiek Polen te gelasten een dwangsom te betalen indien deze laatste de in de onderhavige beschikking opgelegde bevelen niet naleeft. De Commissie specificeert het bedrag van de gevorderde dwangsom niet nader, maar zij stelt voor om bij de vaststelling ervan rekening te houden met de vermindering van het boomareaal in de beschermde habitats, zodat zij kan nagaan of de Republiek Polen de onderhavige beschikking eerbiedigt en in voorkomend geval dat bedrag kan berekenen.

91

De Republiek Polen brengt daar in wezen tegen in dat dit aanvullend verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, aangezien artikel 279 VWEU, anders dan artikel 260 VWEU, het Hof niet uitdrukkelijk de bevoegdheid verleent om de lidstaten dwangsommen op te leggen en een dergelijke bevoegdheid niet kan worden gebaseerd op een louter teleologische uitlegging van eerstgenoemde bepaling. Bovendien zou de inwilliging van dit verzoek in casu ook indruisen tegen de rechten van verdediging van de Republiek Polen, aangezien zij haar standpunt niet kenbaar heeft kunnen maken over de vraag of de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer onder de uitzondering uit hoofde van de openbare veiligheid vallen die is erkend in de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017 (Commissie/Polen, C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), en evenmin over het bedrag van de gevorderde dwangsom.

92

Hoe dan ook is dit aanvullend verzoek ongegrond, aangezien de Commissie voor haar conclusie dat de voormelde beschikking niet is nageleefd, zich, ten eerste, op een onjuiste lezing van die beschikking baseert daar zij de reikwijdte van de daarin neergelegde uitzondering uit hoofde van de openbare veiligheid onjuist opvat en, ten tweede, gegevens hanteert die geen enkele bewijskracht hebben.

93

Tijdens de hoorzitting van 17 oktober 2017 hebben de partijen hun betoog in wezen herhaald.

94

Ter afdoening van het aanvullend verzoek van de Commissie moet rekening ermee worden gehouden dat, zoals in punt 43 van de onderhavige beschikking in herinnering is gebracht, de kortgedingprocedure tot doel heeft de volledige doeltreffendheid van de toekomstige eindbeslissing te waarborgen, teneinde een leemte in de door het Hof gewaarborgde rechtsbescherming te voorkomen.

95

Deze procedure is derhalve ondergeschikt aan de hoofdprocedure waarop zij is geënt. In dit verband moet de beslissing van de kortgedingrechter voorlopig zijn, in die zin dat zij niet vooruit mag lopen op de beslissing ten gronde door daaraan de nuttige werking te ontnemen (zie in die zin beschikking van 17 mei 1991, CIRFS e.a./Commissie, C‑313/90 R, EU:C:1991:220, punt 24).

96

In het stelsel van rechtsmiddelen van het Verdrag kan een partij echter niet alleen overeenkomstig artikel 278 VWEU om opschorting van de uitvoering van de in de zaak ten gronde bestreden handeling verzoeken, maar kan zij zich ook beroepen op artikel 279 VWEU om de toekenning van voorlopige maatregelen te vorderen. Volgens laatstgenoemde bepaling kan de kortgedingrechter met name de andere partij bij wege van voorlopige maatregel gepaste bevelen geven (beschikking van de president van het Hof van 24 april 2008, Commissie/Malta, C‑76/08 R, niet gepubliceerd, EU:C:2008:252, punt 19).

97

Het Hof is derhalve krachtens artikel 279 VWEU bevoegd om alle voorlopige maatregelen vast te stellen die het noodzakelijk acht om de volledige doeltreffendheid van de eindbeslissing te waarborgen.

98

Weliswaar vloeit uit artikel 160, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering voort dat het aan de verzoeker staat om de voorlopige maatregelen te vorderen die hij daartoe nodig acht en om aan te tonen dat is voldaan aan de toekenningsvoorwaarden van deze maatregelen.

99

Zodra de zaak aan de kortgedingrechter is voorgelegd, moet deze evenwel ervoor zorgen dat de maatregelen die hij voornemens is te gelasten, voldoende doeltreffend zijn om hun doel te bereiken. Het is juist daartoe dat artikel 279 VWEU een ruime beoordelingsbevoegdheid aan deze rechter verleent bij de uitoefening waarvan hij, rekening houdend met de omstandigheden van elke zaak, het voorwerp en de draagwijdte van de gevraagde voorlopige maatregelen nader kan omschrijven en, indien hij zulks passend acht en in voorkomend geval zelfs ambtshalve, aanvullende maatregelen kan vaststellen om de doeltreffendheid te waarborgen van de voorlopige maatregelen die hij gelast.

100

De kortgedingrechter moet met name de doeltreffendheid van een krachtens artikel 279 VWEU aan een partij gericht bevel kunnen waarborgen door elke maatregel vast te stellen die tot doel heeft de beschikking in kort geding door deze partij te doen naleven. Een dergelijke maatregel kan met name bestaan in de oplegging van een dwangsom ingeval de betrokken partij dit bevel niet zou eerbiedigen.

101

De Republiek Polen is van mening dat alleen artikel 260 VWEU het Hof de bevoegdheid verleent om sancties op te leggen aan lidstaten. Zij leidt hieruit af dat, indien de Commissie van oordeel is dat zij niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017 (Commissie/Polen, C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), het aan de Commissie staat om eerst krachtens artikel 258 VWEU een beroep wegens niet-nakoming in te stellen, en dat alleen indien het Hof dit beroep zou toewijzen en de Republiek Polen de beslissing van het Hof niet zou naleven, de Commissie bevoegd zou zijn om beroep in te stellen op grond van artikel 260 VWEU.

102

Vastgesteld moet evenwel worden dat een dwangsom in de omstandigheden van het voorliggende geval niet als een sanctie kan worden beschouwd, en dat de uitlegging die de Republiek Polen aan het stelsel van rechtsbescherming in het Unierecht in het algemeen en aan de kortgedingprocedure in het bijzonder geeft, anderzijds ertoe zou leiden dat de mogelijkheid om het met deze procedure nagestreefde doel te bereiken, aanzienlijk zou worden beperkt ingeval de betrokken lidstaat de tegen hem gelaste voorlopige maatregelen niet naleeft. De oplegging van een dwangsom bij niet-naleving door een lidstaat van door de kortgedingrechter opgelegde voorlopige maatregelen strekt ertoe de doeltreffende toepassing van het Unierecht te waarborgen, die inherent is aan de in artikel 2 VEU verankerde waarde van de rechtsstaat, waarop de Unie is gegrondvest.

103

Ook al is het dus juist dat de draagwijdte van de op grond van artikel 279 VWEU ingeleide kortgedingprocedure beperkt is, gelet op de ondergeschiktheid ervan aan de procedure ten gronde en het voorlopige karakter van de maatregelen die aan het einde ervan kunnen worden vastgesteld, deze procedure wordt niettemin gekenmerkt door de aanzienlijke prerogatieven waarover de kortgedingrechter beschikt om hem in staat te stellen de volledige doeltreffendheid van de eindbeslissing te waarborgen.

104

Daartoe is de kortgedingrechter met name op grond van artikel 279 VWEU bevoegd om, indien hij van oordeel is dat de omstandigheden van de zaak vereisen dat aanvullende maatregelen worden genomen om de doeltreffendheid van de gevraagde voorlopige maatregelen te waarborgen, een dwangsom op te leggen aan een lidstaat voor het geval dat deze de opgelegde voorlopige maatregelen niet zou eerbiedigen.

105

Aangezien het vooruitzicht om in dergelijke gevallen te worden geconfronteerd met een dwangsom ertoe bijdraagt dat de betrokken lidstaat ervan wordt weerhouden de voorlopige maatregelen niet na te leven, versterkt dit vooruitzicht immers de doeltreffendheid van de voorlopige maatregelen en waarborgt het aldus de volledige doeltreffendheid van de eindbeslissing, wat volkomen strookt met het doel van artikel 279 VWEU.

106

Wat het argument van de Republiek Polen betreft dat de oplegging van een dwangsom niet omkeerbaar is en dus buiten de werkingssfeer van artikel 279 VWEU valt, zij eraan herinnerd dat de beslissing van de kortgedingrechter voorlopig is in die zin dat zij niet vooruit mag lopen op de beslissing ten gronde door daaraan de nuttige werking te ontnemen.

107

Dat een dwangsom kan worden opgelegd met als enig doel de naleving van de betrokken voorlopige maatregelen te waarborgen, loopt op generlei wijze vooruit op de beslissing ten gronde.

108

Bijgevolg valt een ondergeschikte maatregel die erin bestaat een dwangsom op te leggen indien de betrokken lidstaat de gelaste voorlopige maatregelen niet naleeft, binnen de werkingssfeer van artikel 279 VWEU.

109

In casu moet worden opgemerkt, zonder dat in dit stadium hoeft te worden vastgesteld of de Republiek Polen – zoals de Commissie stelt – niet heeft voldaan aan de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017, Commissie/Polen (C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat op basis waarvan het Hof betwijfelt of deze lidstaat heeft voldaan aan die beschikking en bereid is om de onderhavige beschikking na te leven tot aan de uitspraak van het arrest ten gronde.

110

De Republiek Polen heeft immers betoogd dat een restrictieve uitlegging van de uitzondering uit hoofde van de openbare veiligheid als bedoeld in de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017, Commissie/Polen (C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), niet kan worden aanvaard en heeft in algemene termen verklaard dat die beschikking volledig is nageleefd en dat de activiteiten die na de kennisgeving van deze beschikking zijn verricht, enkel bedoeld waren om de openbare veiligheid te waarborgen.

111

Bovendien heeft de Commissie ter staving van haar aanvullend verzoek satellietbeelden aan het Hof verstrekt waaruit blijkt dat de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer werden voortgezet in delen van het bosgebied waar de noodzaak om dergelijke activiteiten niet stop te zetten teneinde de eisen van de openbare veiligheid te kunnen waarborgen, niet vanzelfsprekend was.

112

Hoewel de Republiek Polen deze satellietbeelden van de hand wijst als bewijs, volstaan deze in hun geheel bezien om twijfels te doen rijzen over de volledige naleving door de Republiek Polen van de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017 (Commissie/Polen, C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622) en over het voornemen van die lidstaat om aan de onderhavige beschikking te voldoen, met name met betrekking tot de uitlegging van de daarin bedoelde uitzondering uit hoofde van de openbare veiligheid. In dit verband kan het feit dat de Republiek Polen de beoordeling van de openbare veiligheidseisen heeft toevertrouwd aan een onafhankelijk comité dat ad hoc is opgericht, niet beletten dat deze lidstaat verantwoordelijk blijft voor de inachtneming van de grenzen van die uitzondering.

113

In deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat indien de onderhavige beschikking enkel de maatregelen zou bevestigen die bij beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017, Commissie/Polen (C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), zijn gelast, de doeltreffendheid ervan beperkt zou blijven.

114

Gelet op de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak moet dan ook – nadat in de punten 81 en 82 van de onderhavige beschikking de reikwijdte van de uitzondering uit hoofde van de openbare veiligheid is gespecificeerd, zoals de Commissie daarom tijdens de hoorzittingen van 11 september 2017 en 17 oktober 2017 heeft verzocht – de doeltreffendheid van de bij de onderhavige beschikking gelaste voorlopige maatregelen worden verhoogd door te voorzien in de oplegging van een dwangsom voor het geval dat de Republiek Polen de betrokken voorlopige maatregelen niet onmiddellijk en volledig in acht neemt, teneinde deze lidstaat ervan te weerhouden de naleving van de onderhavige beschikking uit te stellen.

115

Daartoe moet de Republiek Polen bijgevolg worden gelast de Commissie uiterlijk 15 dagen na de kennisgeving van de onderhavige beschikking alle maatregelen mee te delen die zij heeft vastgesteld om volledig aan deze beschikking te voldoen, met inbegrip van de opschorting van de in de punten 25 en 26 van de onderhavige beschikking bedoelde activiteiten met betrekking tot het bos in kwestie, en onder opgave van redenen de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer te preciseren welke zij voornemens is voort te zetten wegens de noodzaak om de openbare veiligheid te waarborgen zoals in de punten 81 en 82 van de onderhavige beschikking is uiteengezet.

116

Indien de Commissie van oordeel is dat de Republiek Polen niet volledig aan de onderhavige beschikking heeft voldaan, kan zij om hervatting van de procedure verzoeken. Ter ondersteuning van een dergelijk verzoek dient de Commissie in voorkomend geval aan te tonen dat de Republiek Polen de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer niet heeft gestaakt en, indien het bewijs daarvan wordt geleverd, dient de betrokken lidstaat aan te tonen dat de voortzetting van deze activiteiten gerechtvaardigd is, gelet op de noodzaak ervan teneinde de openbare veiligheid te waarborgen overeenkomstig de punten 81 en 82 van de onderhavige beschikking. Het Hof zal zich bij een nieuwe beschikking uitspreken over de eventuele schending van de onderhavige beschikking.

117

In dit verband moet er allereerst op worden gewezen dat de onderhavige beschikking de voorlopige maatregelen die reeds zijn gelast bij beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 juli 2017, Commissie/Polen (C‑441/17 R, niet gepubliceerd, EU:C:2017:622), bevestigt, en dat deze beschikking wordt gegeven in het kader van een procedure betreffende voorlopige maatregelen waarvan de naleving noodzakelijk is om ernstige en onherstelbare schade aan het betrokken gebied te voorkomen en waartoe is besloten op basis van een afweging van de betrokken belangen. Vervolgens bestaat het van de Republiek Polen verlangde gedrag erin, de betrokken verrichtingen van actief bosbeheer te staken, zodat de doeltreffendheid van deze voorlopige maatregelen afhankelijk is van de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan. Ten slotte, zelfs indien de Republiek Polen bij de tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking twijfels heeft over de uitlegging ervan, moeten deze twijfels met nakoming van de algemene verplichting tot loyale samenwerking en in overleg met de Commissie worden weggewerkt.

118

Indien wordt vastgesteld dat inbreuk op deze beschikking wordt gemaakt, zal het Hof de Republiek Polen veroordelen tot betaling aan de Commissie van een dwangsom van ten minste 100000 EUR per dag, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking aan de Republiek Polen tot het tijdstip waarop de Republiek Polen eraan voldoet of tot de eindbeslissing in de zaak C‑441/17 is gewezen.

119

Gelet op een en ander dient de beslissing over het aanvullend verzoek van de Commissie te worden aangehouden.

 

Het Hof (Grote kamer) beschikt:

 

1)

De Republiek Polen staakt onmiddellijk en totdat het arrest in de zaak C‑441/17 is gewezen:

de verrichtingen van actief bosbeheer in habitats 91D 0 – beboste veengebieden – en 91E0 – bossen op alluviale gronden met wilgen, populieren, elzen en essen –, en in de eeuwenoude bosbestanden van habitat 9170 – subcontinentale eiken-haagbeukbossen – alsook in de habitats van de witrugspecht (Dendrocopos leucotos), de drieteenspecht (Picoides tridactylus), de dwerguil (Glaucidium passerinum), de ruigpootuil (Aegolius funereus), de wespendief (Pernis apivorus), de kleine vliegenvanger (Ficedula parva), de withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis) en de holenduif (Colomba oenas), en tevens in de habitats van bepaalde xylobionte kevers, namelijk de Cucujus cinnaberinus, de Boros schneideri, de Phryganophilus ruficollis, de Pytho kolwensis, de Rhysodes sulcatus en de Buprestis splendens, en

de verwijdering van dode eeuwenoude sparren en het vellen van bomen in het kader van de verhoging van het volume hout dat in aanmerking komt voor exploitatie in het gebied PLC200004 Puszcza Białowieska (Polen),

welke handelingen voortvloeien uit het besluit van de minister van Milieu van de Republiek Polen van 25 maart 2016 en uit artikel 1, punten 2 en 3, van besluit nr. 51 van de directeur-generaal van Lasy Państwowe (Agentschap voor bossen, Polen) van 17 februari 2017.

 

2)

Bij wijze van uitzondering mag de Republiek Polen de in punt 1 van het dictum van de onderhavige beschikking bedoelde activiteiten handhaven, wanneer deze strikt noodzakelijk zijn – en voor zover zij evenredig zijn – om rechtstreeks en onmiddellijk de openbare veiligheid van personen te waarborgen, mits andere, minder ingrijpende maatregelen om objectieve redenen niet mogelijk zijn.

Bijgevolg mogen deze activiteiten alleen worden voortgezet voor zover zij de enige manier vormen om de openbare veiligheid van personen in de onmiddellijke omgeving van wegen of andere belangrijke infrastructuur te waarborgen, indien het om objectieve redenen niet mogelijk is deze veiligheid te waarborgen door andere, minder ingrijpende maatregelen vast te stellen, zoals een geschikte waarschuwing voor gevaren of een tijdelijk verbod op de toegang van het publiek tot deze onmiddellijke omgeving, waarop in voorkomend geval passende sancties worden gesteld.

 

3)

De Republiek Polen deelt de Commissie uiterlijk 15 dagen na de kennisgeving van de onderhavige beschikking alle maatregelen mee die zij heeft vastgesteld om volledig aan deze beschikking te voldoen en zij preciseert daarbij onder opgave van redenen de verrichtingen van actief bosbeheer die zij voornemens is te handhaven wegens de noodzaak om de openbare veiligheid te waarborgen in de zin van de punten 81 en 82 van de onderhavige beschikking.

 

4)

De beslissing over het aanvullend verzoek van de Europese Commissie wordt aangehouden.

 

5)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Pools.

Top