This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62017CJ0603
Judgment of the Court (First Chamber) of 11 April 2019.#Peter Bosworth and Colin Hurley v Arcadia Petroleum Limited and Others.#Request for a preliminary ruling from the Supreme Court of the United Kingdom.#Reference for a preliminary ruling — Area of freedom, security and justice — Judicial cooperation in civil matters — Lugano II Convention — Jurisdiction and recognition and enforcement of judgments in civil and commercial matters — Title II, Section 5 (Articles 18 to 21) — Jurisdiction over individual contracts of employment.#Case C-603/17.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 april 2019.
Peter Bosworth en Colin Hurley tegen Arcadia Petroleum Limited e.a.
Verzoek van de Supreme Court of the United Kingdom om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Lugano II-Verdrag – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21) – Bevoegdheid ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst.
Zaak C-603/17.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 april 2019.
Peter Bosworth en Colin Hurley tegen Arcadia Petroleum Limited e.a.
Verzoek van de Supreme Court of the United Kingdom om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Lugano II-Verdrag – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21) – Bevoegdheid ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst.
Zaak C-603/17.
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2019:310
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
11 april 2019 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Lugano II-Verdrag – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21) – Bevoegdheid ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst”
In zaak C‑603/17,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 20 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 2017, in de procedure
Peter Bosworth,
Colin Hurley
tegen
Arcadia Petroleum Limited e.a.,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, A. Arabadjiev, E. Regan, C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 september 2018,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
Peter Bosworth en Colin Hurley, vertegenwoordigd door A. Briggs en D. Foxton, QC, R. Eschwege, barrister, en T. Greeno en A. Forster, solicitors, |
|
– |
Arcadia Petroleum Limited e.a., vertegenwoordigd door M. Howard, QC, F. Pilbrow en N. Venkatesan, barristers, en S. Trevan, J. Kelly en T. Snelling, solicitors, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden, |
|
– |
de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door M. Schöll als gemachtigde, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 januari 2019,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1; hierna: „Lugano II-Verdrag”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in een geding tussen Peter Bosworth en Colin Hurley, enerzijds, en Arcadia Petroleum Limited en andere vennootschappen, anderzijds, betreffende een verzoek tot vergoeding van de schade die deze vennootschappen naar eigen zeggen hebben geleden door frauduleuze handelingen van Bosworth en Hurley. |
Toepasselijke bepalingen
|
3 |
Artikel 5 van het Lugano II-Verdrag bepaalt: „Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, kan in een andere door dit verdrag gebonden staat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
[...]
[...]” |
|
4 |
Artikel 18, lid 1, van dat verdrag luidt: „Voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 4 en artikel 5, punt 5.” |
|
5 |
Artikel 20, lid 1, van het verdrag luidt: „De vordering van de werkgever kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de door dit verdrag gebonden staat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
6 |
Arcadia London, Arcadia Singapore en Arcadia Switzerland zijn ondernemingen die handeldrijven in ruwe aardolie en aardolieproducten. Zij maken deel uit van de Arcadiagroep, die volledig in handen is van Farahead Holdings Ltd. |
|
7 |
Bosworth en Hurley zijn in Zwitserland woonachtige Britten die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding respectievelijk chief executive officer en chief financial officer van de Arcadiagroep waren. Daarnaast waren zij bestuurder van Arcadia London, Arcadia Singapore en Arcadia Zwitserland en waren zij elk met een van deze ondernemingen verbonden door een arbeidsovereenkomst die door henzelf of volgens hun instructies was opgesteld. |
|
8 |
Bij een op 12 februari 2015 ingediend verzoekschrift hebben Arcadia London, Arcadia Singapore, Arcadia Switzerland en Farahead Holdings (hierna samen: „Arcadia”) bij de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Commercial Court) (rechter in eerste aanleg in handelszaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) een procedure aangespannen tegen verschillende personen, waaronder Bosworth en Hurley. Deze vorderingen strekten tot vergoeding van de schade die de Arcadiagroep stelde te hebben geleden door frauduleuze transacties waarbij de ondernemingen van die groep betrokken waren. |
|
9 |
Ter ondersteuning van haar vordering voerde Arcadia aan dat de betrokkenen op onrechtmatige wijze hadden samengespannen (unlawful means conspiracy), hun fiduciaire verplichtingen hadden geschonden (breach of fiduciary duty) en niet hadden voldaan aan de expliciete en/of impliciete contractuele verplichtingen (breach of express and/or implied contractual duties) die voortvloeiden uit hun arbeidsovereenkomsten. |
|
10 |
Bij akte van 9 maart 2015 hebben Bosworth en Hurley betwist dat de gerechten van het Verenigd Koninkrijk bevoegd zijn om kennis te nemen van de schadevorderingen van Arcadia voor zover deze tegen hen gericht zijn, op grond dat deze vorderingen vallen onder de bepalingen van titel II, afdeling 5, van het Lugano II-Verdrag die betrekking hebben op de bevoegdheidsregels inzake individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst, en dat deze vorderingen krachtens deze bepalingen moeten worden gebracht voor de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan zij woonplaats hebben, namelijk voor de Zwitserse gerechten. |
|
11 |
Naar aanleiding van deze betwisting heeft Arcadia haar verzoekschrift gewijzigd. Zij heeft haar grieven inzake schending van contractuele verplichtingen en van schending van deze verplichtingen als een onrechtmatig middel om samen te spannen, ingetrokken. |
|
12 |
Bij arrest van 1 april 2015 heeft de High Court of Justice (England and Wales), Queen’s Bench Division (Commercial Court) zich bevoegd verklaard om de grieven inzake onrechtmatige samenspanning (unlawful means conspiracy) en schending van de fiduciaire plicht (breach of fiduciary duty) die ter ondersteuning van bovengenoemde vordering tot schadevergoeding waren aangevoerd, te onderzoeken, met uitzondering – wat laatstgenoemde grief betreft – van de feiten die zich hebben voorgedaan in de periode dat Bosworth en Hurley elk door een arbeidsovereenkomst aan een van de vennootschappen van de Arcadiagroep waren verbonden, aangezien deze feiten volgens deze rechterlijke instantie betrekking hebben op individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst en krachtens artikel 20, lid 1, van het Lugano II-Verdrag onder de bevoegdheid van de Zwitserse gerechten vallen. |
|
13 |
Bosworth en Hurley hebben tegen dit arrest hoger beroep ingesteld bij de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (rechter in tweede aanleg in burgerlijke zaken, Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk). |
|
14 |
Bij arrest van 19 augustus 2016 heeft deze rechterlijke instantie dit beroep verworpen. Bosworth en Hurley hebben tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. |
|
15 |
In deze omstandigheden heeft de Supreme Court of the United Kingdom (hoogste rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
|
16 |
Na de lezing van de conclusie van de advocaat-generaal hebben Bosworth en Hurley, bij akte neergelegd ter griffie van het Hof, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van hun verzoek betogen zij in wezen dat de advocaat-generaal zijn beoordeling in punt 45 van zijn conclusie heeft gebaseerd op onjuiste feiten, die niet overeenstemmen met de feiten die de verwijzende rechter heeft vastgesteld. |
|
17 |
Volgens bovengenoemd artikel 83 kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. |
|
18 |
Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het Hof is namelijk, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn om uitspraak te doen en dat de zaak niet hoeft te worden onderzocht in het licht van een nieuw feit dat van beslissende invloed kan zijn voor zijn uitspraak of van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. |
|
19 |
Het Hof is dan ook van oordeel dat geen heropening van de mondelinge behandeling hoeft te worden gelast. |
Beantwoording van de prejudiciële vragen
|
20 |
Aangezien de eerste, de derde en de vierde vraag uitgaan van de veronderstelling dat de overeenkomsten tussen Bosworth en Hurley, enerzijds, en bepaalde vennootschappen van de Arcadiagroep, anderzijds, „individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst” betroffen in de zin van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag, is het Hof van oordeel dat eerst de tweede vraag moet worden onderzocht. |
Tweede vraag
|
21 |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een vennootschap en een natuurlijke persoon een „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen kan inhouden wanneer de betrokken persoon de voorwaarden van deze overeenkomst kan vaststellen of daadwerkelijk vaststelt en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, maar de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid hebben om die overeenkomst te beëindigen. |
|
22 |
Aangezien de bewoordingen van deze bepalingen identiek zijn aan die van hoofdstuk II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), kan de uitlegging die het Hof aan laatstgenoemde bepalingen heeft gegeven ook worden toegepast op de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag (zie in die zin arrest van 4 december 2014, H, C‑295/13, EU:C:2014:2410, punten 31 en 32). |
|
23 |
Om uit te maken of de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag toepasselijk zijn in een situatie zoals die van het hoofdgeding, moet worden onderzocht of Bosworth en Hurley kunnen worden geacht door een „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van artikel 18, lid 1, van dat verdrag verbonden te zijn geweest aan een van de vennootschappen van de Arcadiagroep en dus als „werknemers” in de zin van artikel 18, lid 2, van dat verdrag kunnen worden beschouwd (zie in die zin arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 34). |
|
24 |
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een dergelijke kwalificatie niet op basis van het nationale recht kan worden verricht (arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 36) en dat, om de volle werking van het Lugano II-Verdrag en met name van artikel 18 ervan te verzekeren, een autonome en dus voor alle verdragspartijen gemeenschappelijke uitlegging van de erin vervatte rechtsbegrippen geboden is (zie in die zin arresten van 19 juli 2012, Mahamdia, C‑154/11, EU:C:2012:491, punt 42, en 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 37). |
|
25 |
Voorts zij eraan herinnerd dat het begrip „werknemer” volgens vaste rechtspraak van het Hof moet worden omschreven aan de hand van objectieve criteria die kenmerkend zijn voor de arbeidsverhouding vanuit het oogpunt van de rechten en plichten van de betrokkenen. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties verricht en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (zie met name arrest van 20 september 2007, Kiiski, C‑116/06, EU:C:2007:536, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
26 |
Hieruit volgt dat van een arbeidsverhouding slechts sprake is indien er een band van ondergeschiktheid tussen de werknemer en zijn werkgever bestaat, en dat van geval tot geval aan de hand van alle gegevens en alle omstandigheden die de verhoudingen tussen partijen kenmerken, moet worden nagegaan of van een dergelijke band sprake is (arresten van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 46, en 20 november 2018, Sindicatul Familia Constanţa e.a., C‑147/17, EU:C:2018:926, punt 42). |
|
27 |
Voorts zij opgemerkt dat volgens de bewoordingen van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-verdrag geen overeenkomst hoeft te worden gesloten om de in die bepalingen neergelegde bijzondere bevoegdheidsregels te kunnen toepassen. Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 34 tot en met 36 van zijn conclusie, sluit het ontbreken van een formele arbeidsovereenkomst dus niet uit dat er een arbeidsverhouding bestaat die valt onder het begrip „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen. |
|
28 |
Een dergelijke verhouding betreft echter slechts een „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag indien er een band van ondergeschiktheid tussen de betrokken vennootschap en haar bestuurder bestaat. |
|
29 |
In casu zij opgemerkt dat Bosworth en Hurley volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens respectievelijk chief executive officer en chief financial officer van de Arcadiagroep waren, dat zij bestuurder van Arcadia London, Arcadia Singapore en Arcadia Switzerland waren, dat zij elk aan een van deze ondernemingen verbonden waren door een arbeidsovereenkomst die door henzelf of volgens hun instructies was opgesteld en dat zij steeds in naam en voor rekening van alle ondernemingen van de Arcadiagroep hebben gehandeld. |
|
30 |
Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Bosworth en Hurley zeggenschap hadden over de rechtspersoon waarvoor, de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij werkten. |
|
31 |
Bosworth en Hurley konden dus een aanzienlijke invloed uitoefenen op Arcadia, zodat moet worden geconcludeerd dat een band van ondergeschiktheid ontbrak (zie in die zin arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a., C‑47/14, EU:C:2015:574, punt 47), ongeacht of zij al dan niet een deel van het aandelenkapitaal van Arcadia bezaten. |
|
32 |
Het feit dat Bosworth en Hurley rekening dienden af te leggen aan de aandeelhouders van de Arcadiagroep, die via Farahead Holdings de bevoegdheid hadden om hen te benoemen en te ontslaan, is in dit verband niet relevant. |
|
33 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, houden immers noch de algemene richtsnoeren die een bestuurder van de aandeelhouders van de door hem geleide vennootschap krijgt met betrekking tot de door die vennootschap te volgen koers, noch de wettelijke controlemechanismen ten behoeve van de aandeelhouders op zich een band van ondergeschiktheid in, zodat het enkele feit dat aandeelhouders bevoegd zijn om een bestuurder van zijn functie te ontheffen niet voldoende kan zijn om te concluderen dat een dergelijke band bestaat. |
|
34 |
Hieruit volgt dat een overeenkomst tussen een onderneming en haar bestuurder in omstandigheden als die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding geen „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” betreft in de zin van de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II-Verdrag. |
|
35 |
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het Lugano II‑Verdrag aldus moeten worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een vennootschap en een natuurlijke persoon die de functie van bestuurder van deze vennootschap uitoefent, geen band van ondergeschiktheid tussen hen creëert en dus geen „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen betreft wanneer de betrokken persoon de voorwaarden van deze overeenkomst kan vaststellen of daadwerkelijk vaststelt en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, ook al hebben de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid om die overeenkomst te beëindigen. |
Eerste, derde en vierde vraag
|
36 |
Gelet op het antwoord op de tweede vraag, hoeven de eerste, de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord. |
Kosten
|
37 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: |
|
De bepalingen van titel II, afdeling 5 (artikelen 18‑21), van het op 30 oktober 2007 ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008, moeten aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een vennootschap en een natuurlijke persoon die de functie van bestuurder van deze vennootschap uitoefent, geen band van ondergeschiktheid tussen hen creëert en dus geen „individuele verbintenis uit arbeidsovereenkomst” in de zin van deze bepalingen betreft wanneer de betrokken persoon de voorwaarden van deze overeenkomst kan vaststellen of daadwerkelijk vaststelt en vrije zeggenschap heeft over de dagelijkse gang van zaken van de vennootschap en de uitvoering van zijn eigen taken, ook al hebben de aandeelhouder of aandeelhouders van de vennootschap de bevoegdheid om die overeenkomst te beëindigen. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Engels.