EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0601

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 12 september 2018.
Dirk Harms e.a. tegen Vueling Airlines SA.
Verzoek van het Amtsgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 8, lid 1 – Terugbetaling van de prijs van een ticket bij annulering van een vlucht – Provisie geïnd door een persoon die bij de aankoop van het ticket als tussenpersoon tussen de passagier en de luchtvaartmaatschappij optreedt – Daaronder begrepen.
Zaak C-601/17.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:702

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

12 september 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 8, lid 1 – Terugbetaling van de prijs van een ticket bij annulering van een vlucht – Provisie geïnd door een persoon die bij de aankoop van het ticket als tussenpersoon optreedt tussen de passagier en de luchtvaartmaatschappij – Daaronder begrepen”

In zaak C‑601/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) bij beslissing van 6 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 18 oktober 2017, in de procedure

Dirk Harms,

Ann-Kathrin Harms,

Nick-Julius Harms,

Tom-Lukas Harms,

Lilly-Karlotta Harms,

Emma-Matilda Harms,

tegen

Vueling Airlines SA,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Malenovský (rapporteur), kamerpresident, D. Šváby en M. Vilaras, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Vueling Airlines SA, vertegenwoordigd door B. Liebert, Rechtsanwältin,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en N. Yerrell als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, de echtgenoten Harms en hun vier kinderen en, anderzijds, Vueling Airlines SA betreffende de terugbetaling van de prijs van via de tussenpersoon Opodo Ltd. gekochte tickets.

Toepasselijke bepalingen

3

Artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004 definieert het begrip „ticket” als „een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan”.

4

Artikel 5 van die verordening heeft als opschrift „Annulering” en bepaalt in lid 1:

„In geval van annulering van een vlucht:

a)

wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;

[...]”

5

Artikel 8 van die verordening heeft als opschrift „Recht op terugbetaling of een andere vlucht” en bepaalt in lid 1:

„Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen:

a)

volledige terugbetaling van het ticket binnen zeven dagen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was [...]

een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt [...]

[...]”

6

Artikel 10 van deze verordening, met als opschrift „Plaatsen in een hogere of lagere klasse”, bepaalt in lid 2 het volgende:

„Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een passagier in een lagere klasse plaatst dan die waarvoor een ticket is gekocht, vindt er, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, binnen zeven dagen terugbetaling plaats, van

a)

30 % van de prijs van het ticket voor alle vluchten van 1500 km of minder, of

b)

50 % van de prijs van het ticket voor alle vluchten binnen de Gemeenschap van meer dan 1500 km, [...] en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km, of

c)

75 % van de prijs van het ticket voor alle vluchten die niet onder a) of b) vallen [...].”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

7

Dirk Harms heeft op de website opodo.de tickets voor zijn echtgenote, zichzelf en hun vier kinderen gekocht om met een vlucht van de luchtvaartmaatschappij Vueling Airlines te reizen van Hamburg (Duitsland) via Barcelona (Spanje) naar Faro (Portugal). Opodo heeft voor deze aankoop 1108,88 EUR aan Harms in rekening gebracht en hem de desbetreffende bevestiging, waarop voormeld bedrag zonder nadere precisering was vermeld, toegezonden. Parallel hieraan heeft Opodo een bedrag van 1031,88 EUR overgemaakt aan Vueling Airlines.

8

De door het gezin Harms geboekte vlucht is echter niet uitgevoerd volgens het door Vueling Airlines opgestelde reisplan. Volgens de verwijzende rechter moet deze situatie worden gelijkgesteld met een annulering van de vlucht in de zin van verordening nr. 261/2004.

9

Voor de nationale rechter stellen de echtgenoten Harms, handelend in eigen naam en namens hun vier kinderen, dat Vueling Airlines krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 verplicht is hun het door Opodo in rekening gebrachte bedrag van 1108,88 EUR volledig terug te betalen. Vueling Airlines betwist de gegrondheid van deze vordering niet voor zover zij betrekking heeft op het bedrag van 1031,88 EUR dat haar door Opodo is overgemaakt, aangezien het daarbij gaat om de prijs van de door Harms gekochte tickets. Daartegen is zij van mening dat zij hem niet het verschil hoeft terug te betalen tussen dat bedrag en het bedrag van 1108,88 EUR dat Opodo heeft ontvangen, omdat dit verschil van 77 EUR geen deel uitmaakt van die prijs.

10

In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet het begrip ‚volledige terugbetaling van het ticket [...] overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, lid 3, tegen de prijs waarvoor het gekocht was’ in artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 aldus worden uitgelegd dat daarmee het bedrag is bedoeld dat de passagier voor het desbetreffende vliegtuigticket heeft betaald, dan wel dat moet worden gekeken naar het bedrag dat de verwerende luchtvaartmaatschappij daadwerkelijk heeft ontvangen, wanneer bij de boeking een bemiddelingsonderneming betrokken is die het verschil int tussen hetgeen de passagier betaalt en hetgeen de luchtvaartmaatschappij ontvangt, zonder dit evenwel openbaar te maken?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

11

Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 261/2004, en in het bijzonder artikel 8, lid 1, onder a), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de ticketprijs die in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, het verschil tussen het door de passagier betaalde bedrag en het door de luchtvaartmaatschappij ontvangen bedrag omvat, welk verschil overeenkomt met de provisie ontvangen door een persoon die als tussenpersoon tussen hen is opgetreden.

12

Volgens artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening, dient de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers bijstand te bieden die daarin bestaat dat hun de terugbetaling van hun ticket tegen de prijs waarvoor het gekocht was, wordt aangeboden, en, in voorkomend geval, een retourvlucht naar het eerste vertrekpunt.

13

De bewoordingen van artikel 8, lid 1, onder a), van verordening nr. 261/2004 leggen een direct verband tussen het begrip „ticket” en de uitdrukking „prijs waarvoor het gekocht was”, waarbij de betrokken passagiers een dergelijk ticket direct bij de luchtvaartmaatschappij kunnen kopen, dan wel bij een tussenpersoon zoals met name een agent als bedoeld in artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004.

14

Wanneer een dergelijke tussenpersoon daarvoor een provisie ontvangt van de passagier, zoals in het hoofdgeding het geval is, rijst de vraag of en in hoeverre deze provisie deel uitmaakt van de prijs van het ticket dat door de betrokken luchtvaartmaatschappij aan die passagier moet worden terugbetaald in geval van annulering van de betrokken vlucht.

15

Dienaangaande moet in het algemeen worden opgemerkt dat verordening nr. 261/2004 niet alleen een hoog niveau van bescherming van de passagiers, maar ook een evenwicht tussen de belangen van deze passagiers en die van de luchtvaartmaatschappijen beoogt te waarborgen (arrest van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 67).

16

In het licht van die doelstellingen moet worden aangenomen dat een provisie die een tussenpersoon bij de koop van een ticket van een passagier ontvangt weliswaar in beginsel moet worden geacht deel uit te maken van de aan die passagier terug te betalen prijs in geval van annulering van de betrokken vlucht, maar dat in dat verband, gelet op de belangen van de luchtvaartmaatschappijen die daardoor worden geraakt, bepaalde beperkingen moeten gelden.

17

Wat dit laatste betreft, volgt uit artikel 2, onder f), van verordening nr. 261/2004 dat een „ticket” een document of een immaterieel equivalent daarvan – inclusief in elektronische vorm – is, dat door een luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan. Blijkens deze definitie moeten de verschillende elementen van een ticket, waaronder de prijs ervan, in het geval dat het ticket niet door de luchtvaartmaatschappij zelf wordt uitgegeven, in elk geval door haar worden toegestaan, en kunnen deze dus niet buiten haar medeweten worden vastgesteld.

18

Deze uitlegging vindt steun in de rechtspraak van het Hof, waaruit volgt dat de in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met c), van verordening nr. 261/2004 bedoelde gedeeltelijke terugbetaling van de „prijs van het ticket”, ingeval de luchtvaartmaatschappij een passagier in een lagere klasse plaatst dan die waarvoor de passagier zijn ticket heeft gekocht, moet worden vastgesteld door alleen rekening te houden met de „onvermijdelijke” onderdelen van die prijs, dit zijn de onderdelen waarvan de betaling noodzakelijk is om in ruil daarvoor gebruik te kunnen maken van de door de luchtvaartmaatschappij aangeboden diensten (arrest van 22 juni 2016, Mennens, C‑255/15, EU:C:2016:472, punt 36).

19

Een onderdeel van de ticketprijs dat buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij wordt vastgesteld kan immers niet worden geacht noodzakelijk te zijn om gebruik te kunnen maken van de door haar aangeboden diensten.

20

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat verordening nr. 261/2004, en in het bijzonder artikel 8, lid 1, onder a), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de ticketprijs die in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, het verschil tussen het door de passagier betaalde bedrag en het door de luchtvaartmaatschappij ontvangen bedrag omvat, welk verschil overeenkomt met de provisie ontvangen door een persoon die als tussenpersoon tussen hen is opgetreden, tenzij deze provisie is vastgesteld buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

Kosten

21

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

 

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, en in het bijzonder artikel 8, lid 1, onder a), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat de ticketprijs die in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bedrag dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht aan een passagier dient terug te betalen, het verschil tussen het door de passagier betaalde bedrag en het door de luchtvaartmaatschappij ontvangen bedrag omvat, welk verschil overeenkomt met de provisie ontvangen door een persoon die als tussenpersoon tussen hen is opgetreden, tenzij deze provisie is vastgesteld buiten medeweten van de luchtvaartmaatschappij, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top