EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0343

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 september 2018.
Fremoluc NV tegen Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant (Vlabinvest ABP) e.a.
Verzoek van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Fundamentele vrijheden – Artikelen 21, 45, 49 en 63 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Artikelen 22 en 24 – Voorkooprecht van een overheidsinstantie met betrekking tot in haar werkgebied gelegen gronden om er sociale woningen op te bouwen – Woningen die bij voorrang worden toegewezen aan particulieren die ‚een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding’ hebben met het deel van het grondgebied dat overeenkomt met dat werkgebied – Situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen – Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
Zaak C-343/17.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:754

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

20 september 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Fundamentele vrijheden – Artikelen 21, 45, 49 en 63 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Artikelen 22 en 24 – Voorkooprecht van een overheidsinstantie met betrekking tot in haar werkgebied gelegen gronden om er sociale woningen op te bouwen – Woningen die bij voorrang worden toegewezen aan particulieren die ‚een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding’ hebben met het deel van het grondgebied dat overeenkomt met dat werkgebied – Situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen – Niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing”

In de zaak C‑343/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) bij beslissing van 19 mei 2017, ingekomen bij het Hof op 8 juni 2017, in de procedure

Fremoluc NV

tegen

Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant (Vlabinvest APB),

Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant (Vlaams Financieringsfonds),

Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen NV (VMSW),

Christof De Knop e.a.,

in tegenwoordigheid van:

Vlaams Gewest,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), kamerpresident, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 mei 2018,

gelet op de opmerkingen van:

Fremoluc NV, vertegenwoordigd door P. Peeters, R. van Cleemput, P. de Bandt en J. Dewispelaere, advocaten,

het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant (Vlabinvest APB) en de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen NV (VMSW), vertegenwoordigd door P. Hofströssler en V. Sagaert, advocaten,

het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door E. Cloots, S. Sottiaux en J. Roets, advocaten,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en J. Pavliš als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe, M. Kellerbauer, L Malferrari en F. Wilman als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 21, 45, 49 en 63 VWEU alsook van de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Fremoluc NV en anderzijds het Agentschap voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant (België) (hierna: „Vlabinvest APB”), het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant (België), de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen NV (België) (hierna: „VMSW”), het Vlaams Gewest (België) en Christof De Knop e.a. (hierna: „De Knop e.a.”) over de geldigheid van een overeenkomst inzake verkoop van onroerende goederen door De Knop e.a. aan Vlabinvest APB na de uitoefening door deze laatste van een wettelijk voorkooprecht met betrekking tot die goederen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 22 („Territoriale werkingssfeer”) van richtlijn 2004/38 luidt:

„Het verblijfsrecht en het duurzaam verblijfsrecht gelden voor het gehele grondgebied van een gastland. De lidstaten kunnen geen territoriale beperkingen van het verblijfsrecht en het duurzaam verblijfsrecht toepassen, dan wanneer zij dezelfde beperkingen ten aanzien van hun eigen onderdanen toepassen.”

4

Artikel 24 („Gelijke behandeling”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1:

„Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.”

Belgisch recht

5

Volgens het decreet van 31 januari 2014 betreffende opdracht van de bevoegdheid inzake het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant aan de provincie Vlaams-Brabant (Belgisch Staatsblad van 28 februari 2014, blz. 17458) is Vlabinvest APB bevoegd voor het voeren van een specifiek grond- en woonbeleid voor de provincie Vlaams-Brabant (België), daaronder begrepen het realiseren van woonprojecten met een sociaal karakter in de gemeenten van deze provincie, en beschikt zij daartoe over een recht van voorkoop met betrekking tot bouwgronden die zijn gelegen in door de Vlaamse regering aan te wijzen woonvernieuwings- en woningbouwgebieden van 26 gemeenten binnen haar werkgebied.

6

Het besluit van 25 februari 2014 houdende het provinciaal reglement betreffende de werking en het beheer van [Vlabinvest APB] (hierna: „provinciaal reglement van 25 februari 2014”) bepaalt dat het werkgebied van Vlabinvest APB 39 gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant omvat, definieert het begrip „woonproject met een sociaal karakter” als „een project dat geheel of gedeeltelijk werd of wordt gefinancierd met middelen van [...] Vlabinvest APB om woningen of kavels beschikbaar te stellen tegen gunstige voorwaarden” en bepaalt de inkomensvoorwaarden om in aanmerking te komen voor de te huur en de te koop aangeboden woningen.

7

Artikel 2 van dit reglement bepaalt:

„§1.   De woningen en de kavels binnen een woonproject met sociaal karakter die gefinancierd zijn met middelen van [...] Vlabinvest APB, worden door het directiecomité van Vlabinvest APB beschikbaar gesteld voor verhuring, erfpacht of verkoop, na beoordeling van de kandidaat-huurders, -erfpachtnemers of -kopers door het beoordelingscomité [...].

§2.   Voor de beschikbaarstelling van woningen of kavels binnen een woonproject met sociaal karakter, vermeld in paragraaf 1, [...] geldt in elke fase van het project een absolute voorrang voor kandidaat-huurders, -erfpachtnemers, of -kopers die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding hebben met het werkgebied.”

8

Artikel 2/2 van het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 2006 betreffende de voorwaarden voor de overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de sociale huisvestingsmaatschappijen ter uitvoering van de Vlaamse Wooncode (Belgisch Staatsblad van 13 november 2006, blz. 60628), zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 (Belgisch Staatsblad van 11 juli 2014, blz. 53261; hierna: „besluit van 29 september 2006”), bepaalt:

„[...] [D]e voorrang voor de overdracht van woningen en kavels die deel uitmaken van een woonproject dat gedeeltelijk gefinancierd is met middelen van [...] Vlabinvest APB, [...] [geldt] pas na de toepassing van de voorrang vermeld in artikel 2, § 2 van het [provinciaal reglement van 25 februari 2014] [...], voor de woonbehoeftige particuliere personen die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding hebben met het werkgebied van Vlabinvest APB.

Deze voorrangsregeling is erop gericht om tegemoet te komen aan de woonbehoeften van de minst kapitaalkrachtige endogene bevolking binnen een regio met specifieke problemen op de woonmarkt. [...]”

9

Deze voorrangsregel is ook opgenomen in artikel 17, tweede tot en met zesde alinea, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode (Belgisch Staatsblad van 7 december 2007, blz. 60428; hierna: „besluit van 12 oktober 2007”).

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

10

Op 9 februari 2015 heeft Fremoluc, die in België is gevestigd, met De Knop e.a., die in dezelfde lidstaat zijn gedomicilieerd, een overeenkomst gesloten over de aankoop door Fremoluc van verschillende in de provincie Vlaams-Brabant gelegen gronden onder de opschortende voorwaarde dat geen wettelijk voorkooprecht wordt uitgeoefend. Vlabinvest APB, dat met het grond- en woonbeleid voor deze provincie is belast, heeft een dergelijk recht uitgeoefend en deze gronden op 14 juli 2015 gekocht alvorens ze op 31 juli 2015 door te verkopen aan de VMSW, die op dezelfde datum aan Vlabinvest een opstalrecht op deze gronden heeft verleend.

11

Fremoluc heeft bij de verwijzende rechterlijke instantie, de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België), een vordering tot nietigverklaring van de op 14 en 31 juli 2015 door Vlabinvest APB gesloten overeenkomsten ingesteld en tevens gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst van 9 februari 2015 volledige uitwerking heeft. Zij betoogt met name dat de overeenkomst van 14 juli 2015 absoluut nietig is omdat deze berust op een ongeoorloofde oorzaak, namelijk de uitvoering door Vlabinvest APB van het grondbeleid waarmee zij is belast en dat voorziet in een met de artikelen 21, 45, 49 en 63 VWEU en met de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38 strijdige voorrangsregel.

12

Vlabinvest APB, de VMSW en het Vlaams Gewest zijn daarentegen van mening dat deze bepalingen in het onderhavige geval niet van toepassing zijn, omdat alle elementen van het geding in de interne sfeer van één enkele lidstaat, namelijk in België, liggen. Zij voegen daaraan toe dat deze voorrangsregel alleen van toepassing kan zijn bij de toewijzing van de door Vlabinvest APB in het kader van een socialewoningbouwproject te realiseren kavels en woningen. De gestelde beperking is dus niet relevant in de fase van het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de aankoop van bouwgrond om een dergelijk project te verwezenlijken.

13

De verwijzende rechterlijke instantie is echter van mening dat, ofschoon alle elementen van het hoofdgeding in de interne sfeer van België liggen, het toch niet gaat om een geding dat geen enkel aanknopingspunt heeft met een situatie waarop het Unierecht van toepassing is. Met name vertoont de regeling waarvan de door Fremoluc bestreden voorrangsregel deel uitmaakt, tal van gelijkenissen maar ook aanzienlijke verschillen met de regeling die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 8 mei 2013, Libert e.a. (C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288). Onder verwijzing naar de punten 33 tot en met 35 van dat arrest verklaart die rechterlijke instantie dat deze regel staatsburgers en ondernemingen van andere lidstaten lijkt te treffen, en dat in geval van nietigverklaring van de overeenkomsten van 14 en 31 juli 2015 zou worden vermeden dat die regel bij latere verkoop of verhuur van de kavels en de woningen wordt toegepast. De verwijzende rechterlijke instantie sluit echter niet uit dat het Hof in het onderhavige geval beslist dat het Unierecht niet van toepassing is op het hoofdgeding.

14

In deze omstandigheden heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dienen de artikelen 21, 45, 49 en 63 [VWEU] en de artikelen 22 en 24 van [richtlijn 2004/38] in die zin te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling op grond waarvan een overheidsinstantie gronden ontwikkelt met het oog op het aanbieden op de koop- en huurmarkt van kavels en woningen tegen gunstige voorwaarden, bij voorrang aan personen die een sterke maatschappelijke, economische of socio-culturele binding hebben met het werkingsgebied van die instantie, en waarbij inkomensvoorwaarden worden gesteld waaraan de grote meerderheid van die personen kan voldoen, zoals de regeling die volgt uit de samenlezing van:

het [provinciaal reglement van 25 februari 2014];

artikel 2/2 van het [besluit van 29 september 2006] en artikel 17, tweede tot en met zesde alinea, van het [besluit van 12 oktober 2007]?”

15

Op 9 maart 2018 hebben Vlabinvest APB en VMSW hoger beroep ingesteld tegen de verwijzingsbeslissing. Bij arrest van 24 april 2018 heeft het hof van beroep Brussel (België), dat als gevolg van de devolutieve kracht van het hoger beroep naar nationaal recht bevoegd was geworden, beslist het verzoek om een prejudiciële beslissing te handhaven.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

16

Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de artikelen 21, 45, 49 en 63 VWEU en de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij aan een met de uitvoering van een grond- en woonbeleid belaste overheidsinstantie een voorkooprecht wordt verleend voor het verwerven van bouwgronden waarop sociale woningen zullen worden gebouwd, en waarbij wordt bepaald dat deze sociale woningen zullen worden toegewezen aan de hand van een voorrangsregel volgens welke de potentiële begunstigden een sterke binding moeten hebben met het deel van het grondgebied dat overeenkomt met het werkgebied van die instantie.

17

Vlabinvest APB, VMSW en het Vlaams Gewest voeren aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat het hoofdgeding geen enkel aanknopingspunt heeft met het Unierecht, wat door Fremoluc, de Tsjechische regering en de Europese Commissie wordt betwist.

18

Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op de uitlegging van de in het VWEU opgenomen bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen, de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal, alsmede van ter uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen, in een situatie waarin – zoals de verwijzende rechterlijke instantie zelf opmerkt – alle elementen van het hoofdgeding in de interne sfeer van één enkele lidstaat liggen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen deze bepalingen van het VWEU en de ter uitvoering daarvan vastgestelde handelingen echter niet worden toegepast op een situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen (zie in die zin arresten van 8 mei 2013, Libert e.a., C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19

Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht, impliceert het instellen van een beroep wegens niet-nakoming dat het Hof toetst of de bestreden nationale maatregel in het algemeen ertoe kan leiden dat marktdeelnemers uit andere lidstaten ervan afzien gebruik te maken van de betrokken fundamentele vrijheden, terwijl het Hof in een prejudiciële procedure de taak heeft de verwijzende rechterlijke instantie bij te staan bij de beslechting van het voor haar aanhangige concrete geding, hetgeen onderstelt dat die vrijheden in dat geding kunnen worden ingeroepen en dus dat wordt aangetoond dat zij van toepassing zijn op dat geding (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 49, en beschikking van 31 mei 2018, Bán, C‑24/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:376, punt 22).

20

In de punten 50 tot en met 53 van het arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten (C‑268/15, EU:C:2016:874), heeft het Hof de vier hypothesen in herinnering gebracht waarin het verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk verklaart omdat het voor de beslechting van het hoofdgeding noodzakelijk blijkt te zijn de op de fundamentele vrijheden betrekking hebbende Verdragsbepalingen uit leggen, ook al spelen alle aspecten van dat geding zich af binnen één lidstaat.

21

Tevens heeft het Hof gepreciseerd dat het, wanneer de verwijzende rechterlijke instantie alleen aangeeft dat de betrokken nationale regeling zonder onderscheid geldt voor onderdanen van de betrokken lidstaat en voor onderdanen van andere lidstaten, in die vier hypothesen niet kan oordelen dat die rechterlijke instantie voor de beslechting van het bij haar aanhangige geding behoefte heeft aan het verzoek om een prejudiciële beslissing dat betrekking heeft op de in het VWEU opgenomen bepalingen inzake de fundamentele vrijheden. De concrete gegevens waaruit blijkt dat er een verband bestaat tussen deze bepalingen en het voorwerp of de omstandigheden van een geding waarvan alle aspecten zich binnen de betrokken lidstaat afspelen, moeten immers naar voren komen uit de verwijzingsbeslissing (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 54; beschikkingen van 27 april 2017, Emmea en Commercial Hub, C‑595/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:320, punt 18, en 31 mei 2018, Bán, C‑24/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:376, punt 17).

22

Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat in een situatie als die van het hoofdgeding, waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, de verwijzende rechterlijke instantie, zoals artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof vereist, aan het Hof duidelijk dient te maken in welk opzicht er in het bij haar aanhangige geding, ondanks het zuiver nationale karakter daarvan, sprake is van aanknoping bij de Unierechtelijke bepalingen inzake de fundamentele vrijheden, zodat de gevraagde prejudiciële uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van dat geding (arresten van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punt 55, en 8 december 2016, Eurosaneamientos e.a., C‑532/15 en C‑538/15, EU:C:2016:932, punt 47, en beschikking van 31 mei 2018, Bán, C‑24/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:376, punt 18).

23

Beklemtoond dient te worden dat die vereisten overigens tot uiting komen in de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2016, C 439, blz. 1).

24

In casu zij allereerst opgemerkt dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkele aanwijzing bevat dat de situatie van het hoofdgeding zou kunnen vallen onder een van de hypothesen als bedoeld in de – in de punten 52 en 53 van het arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten (C‑268/15, EU:C:2016:874), in herinnering gebrachte – rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 5 december 2000, Guimont (C‑448/98, EU:C:2000:663), en 18 oktober 1990, Dzodzi (C‑297/88 en C‑197/89, EU:C:1990:360). De verwijzende rechterlijke instantie geeft met name niet aan dat zij naar Belgisch recht verplicht zou zijn ervoor te zorgen dat Fremoluc dezelfde rechten geniet als die welke een onderdaan van een andere lidstaat in dezelfde situatie aan het Unierecht zou ontlenen, noch dat de bepalingen van het Unierecht door de Belgische wettelijke regeling van toepassing zouden zijn verklaard.

25

Vervolgens zij erop gewezen dat het hoofdgeding strekt tot nietigverklaring van een tussen in België gedomicilieerde eigenaren en een overheidsinstantie van die lidstaat gesloten overeenkomst inzake verkoop van in België gelegen gronden, alsmede van daaropvolgende overeenkomsten tussen overheidsinstanties van dezelfde staat, en dat het een concreet civielrechtelijk geding is dat slechts kan uitmonden in een beslissing die geldt tussen de partijen. De onderhavige zaak valt dan ook niet onder de hypothese als bedoeld in het door de verwijzende rechterlijke instantie aangehaalde arrest van 8 mei 2013, Libert e.a. (C‑197/11 en C‑203/11, EU:C:2013:288).

26

In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, was het Hof immers aangezocht door het Grondwettelijk Hof van België in het kader van een procedure tot nietigverklaring van bepalingen die niet alleen golden voor de eigen staatsburgers maar ook voor onderdanen van andere lidstaten, hetgeen impliceerde dat de beslissing die deze rechterlijke instantie ten vervolge op het arrest van het Hof zou geven, ook gevolgen zou hebben voor onderdanen van andere lidstaten. Bijgevolg valt het verzoek om een prejudiciële beslissing evenmin onder de hypothese die is vermeld in punt 51 van het arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten (C‑268/15, EU:C:2016:874).

27

Ten slotte dient te worden uitgemaakt of het verzoek om een prejudiciële beslissing zou kunnen vallen onder de hypothese als bedoeld in de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez (C‑570/07 en C‑571/07, EU:C:2010:300), waarnaar is verwezen in punt 50 van het arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten (C‑268/15, EU:C:2016:874). In dit verband dient te worden beklemtoond dat voor de ontvankelijkheid van een dergelijk verzoek moet worden voldaan aan de in de punten 54 en 55 van dat arrest geformuleerde vereisten.

28

Uit deze vereisten volgt dat het voor het oordeel dat er sprake is van een dergelijke aanknoping, niet volstaat dat de verwijzende rechterlijke instantie verklaart dat niet kan worden uitgesloten dat in andere lidstaten wonende burgers van de Uniebepalingen inzake de fundamentele vrijheden gebruik hebben willen maken of zouden willen maken om werkzaamheden te verrichten op het grondgebied van de lidstaat die de betrokken nationale regeling heeft uitgevaardigd, en dus dat deze regeling, die zonder onderscheid geldt voor de eigen staatsburgers en voor onderdanen van andere lidstaten, gevolgen kan hebben die niet beperkt zijn tot die lidstaat.

29

Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet namelijk de concrete gegevens – te weten zekere en niet-hypothetische aanwijzingen zoals klachten of verzoeken die afkomstig zijn van in andere lidstaten gevestigde marktdeelnemers of waarbij onderdanen van die staten zijn betrokken – bevatten die op positieve wijze het bestaan van de vereiste aanknoping kunnen aantonen. Meer in het bijzonder kan de verwijzende rechterlijke instantie er niet mee volstaan het Hof gegevens te verstrekken op grond waarvan het mogelijk is het bestaan van een dergelijke aanknoping niet uit te sluiten, of die daarvoor abstract beschouwd aanwijzingen zouden kunnen vormen, maar moet zij objectieve en onderling overeenstemmende gegevens aandragen aan de hand waarvan het Hof kan nagaan of die aanknoping bestaat (zie naar analogie arresten van 6 oktober 2016, Tecnoedi Costruzioni, C‑318/15, EU:C:2016:747, punten 20 en 22, en 19 april 2018, Oftalma Hospital, C‑65/17, EU:C:2018:263, punten 39 en 40).

30

In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing wordt echter alleen vermeld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorrangsregel onderdanen en ondernemingen van andere lidstaten lijkt te raken, zonder dat daarvoor concrete gegevens worden aangedragen. Met name wordt geen melding gemaakt van enig gegeven waaruit zou blijken dat onderdanen van andere lidstaten, bijvoorbeeld concurrenten van Fremoluc, in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie gebruik zouden willen maken van de betrokken fundamentele vrijheden.

31

Hieruit volgt dat in de onderhavige zaak geen enkele van de vier in punt 20 van het onderhavige arrest genoemde hypothesen voorhanden is waarin de uitlegging van de Verdragsbepalingen inzake de fundamentele vrijheden noodzakelijk zou kunnen blijken te zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Met betrekking tot de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38 zij eraan herinnerd dat deze richtlijn uitsluitend de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf van een Unieburger in andere lidstaten dan die waarvan hij de nationaliteit heeft, regelt (arrest van 5 juni 2018, Coman e.a.,C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 20en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter geenszins dat bij het hoofdgeding onderdanen van andere lidstaten dan het Koninkrijk België zijn betrokken.

32

Uit dat verzoek blijkt dan ook niet dat het voorwerp of de omstandigheden van het hoofdgeding, waarvan alle aspecten zich afspelen binnen één lidstaat, aanknopen bij de artikelen 21, 45, 49 en 63 VWEU en bij de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2004/38, waarvan om uitlegging wordt verzocht.

33

Gelet op een en ander dient te worden vastgesteld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.

Kosten

34

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

Het door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België) bij beslissing van 19 mei 2017 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.

 

von Danwitz

Vajda

Juhász

Jürimäe

Lycourgos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 september 2018.

De griffier

A. Calot Escobar

De president van de Vierde kamer

T. von Danwitz


( *1 ) Procestaal: Nederlands.

Top