EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0250

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 6 juni 2018.
Virgílio Tarragó da Silveira tegen Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group SA.
Verzoek van de Supremo Tribunal de Justiça om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedure – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 15 – Gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende rechtsvorderingen betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren – Begrip ,lopende rechtsvordering’ – Procedure ten gronde strekkende tot de erkenning van het bestaan van een schuldvordering.
Zaak C-250/17.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:398

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

6 juni 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Insolventieprocedure – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Artikel 15 – Gevolgen van de insolventieprocedure voor lopende rechtsvorderingen betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren – Begrip ‚lopende rechtsvordering’ – Procedure ten gronde strekkende tot de erkenning van het bestaan van een schuldvordering”

In zaak C‑250/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supremo Tribunal de Justiça (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Portugal) bij beslissing van 26 april 2017, ingekomen bij het Hof op 12 mei 2017, in de procedure

Virgílio Tarragó da Silveira

tegen

Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group SA,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: C. Vajda, kamerpresident, E. Juhász en K. Jürimäe (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Tarragó da Silveira, vertegenwoordigd door P. de Almeida, L. Mesquita en E. Viveiros, advogados,

de Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group SA, vertegenwoordigd door N. Líbano Monteiro, F. da Cunha Matos en S. Estima Martins, advogados,

de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en P. Lacerda als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Afonso, M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Virgílio Tarragó da Silveira en de Massa Insolvente da Espírito Santo Financial Group SA over de betaling van een bedrag dat is verschuldigd voor de diensten die Tarragó da Silveira aan de vennootschap Espírito Santo Financial Group SA heeft verstrekt vóór die vennootschap failliet is verklaard, en over schadevergoeding wegens de niet-uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 8, 23 en 24 van verordening nr. 1346/2000 luiden als volgt:

„(8)

Met het oog op een meer efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen is het noodzakelijk en aangewezen dat de bepalingen inzake rechterlijke bevoegdheid, erkenning en toepasselijk recht vervat worden in een instrument van het gemeenschapsrecht dat verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.

[…]

(23)

Deze verordening moet voor haar werkingssfeer uniforme conflictregels vaststellen die, voor zover zij van toepassing zijn, in de plaats treden van de nationale voorschriften op het gebied van het internationale privaatrecht. Tenzij anders is bepaald, moet het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend van toepassing zijn (lex concursus). Deze conflictregels moeten voor zowel de hoofdprocedure als de territoriale procedures gelden. De lex concursus is bepalend voor alle rechtsgevolgen van de insolventieprocedure, zowel procedureel als materieel, ten aanzien van de betrokken rechtssubjecten en rechtsbetrekkingen. Dit recht beheerst alle voorwaarden voor het openen, het verloop en het beëindigen van de insolventieprocedure.

(24)

De automatische erkenning van een insolventieprocedure, waarop in de regel het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend van toepassing is, kan de regels doorkruisen die de rechtshandelingen in die lidstaten normaliter beheersen. Ter bescherming van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid van rechtshandelingen in andere lidstaten dan de lidstaat waarin de procedure is geopend, moet er in een aantal uitzonderingen op de algemene regel worden voorzien.”

4

Artikel 4, lid 1 en lid 2, onder f), van die verordening bepaalt:

„1.   Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ,lidstaat waar de procedure wordt geopend’.

2.   Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

[…]

f)

de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen met uitzondering van lopende rechtsvorderingen;

[…]”

5

Artikel 15 van die verordening luidt als volgt:

„De gevolgen van de insolventieprocedure voor een lopende rechtsvordering betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren, worden uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar deze rechtsvordering aanhangig is.”

6

Artikel 16, lid 1, eerste alinea, van die verordening bepaalt:

„Elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, genomen door een krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat, wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend.”

Portugees recht

7

Artikel 277, onder e), van de Código do Processo Civil (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) luidt als volgt:

„Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan bij:

[…]

e)

verdwijning van het procesbelang.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

8

Op 25 juli 2008 heeft Tarragó da Silveira, wonende te Londen (Verenigd Koninkrijk), tegen Espírito Santo Financial Group, met zetel in Luxemburg, een zaak aanhangig gemaakt bij de Tribunal de Comarca de Lisboa (rechter in eerste aanleg van het gerechtelijk district Lissabon, Portugal) strekkende tot betaling van een vordering op grond van een dienstverleningsovereenkomst.

9

In de loop van die procedure is Espírito Santo Financial Group op 10 oktober 2014 door de tribunal d’arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg van het gerechtelijk district Luxemburg, Luxemburg) failliet verklaard. Vanaf die datum is dus de faillissementsboedel van Espírito Santo Financial Group, vertegenwoordigd door de door die rechter aangewezen Luxemburgse curator van het faillissement, de verweerder in bovengenoemde procedure geworden.

10

Bij beschikking van 1 juni 2005 heeft de Tribunal de Comarca de Lisboa op grond van artikel 277, onder e), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en het arrest houdende uniformisering van rechtspraak nr. 1/2014 van de Supremo Tribunal de Justiça (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Portugal) van 8 mei 2013, geoordeeld dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan op grond dat artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 in de onderhavige zaak van toepassing was, gelet op het feit een insolventieprocedure was geopend in Luxemburg.

11

Tarragó da Silveira heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij de Tribunal da Relação de Lisboa (rechter in tweede aanleg Lissabon, Portugal), die de beslissing in eerste aanleg bij arrest van 7 juli 2016 heeft bevestigd.

12

Tarragó da Silveira heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Supremo Tribunal de Justiça. Ter ondersteuning van zijn cassatieberoep voert hij aan dat artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 slechts van toepassing is op lopende rechtsvorderingen betreffende een bepaald goed of recht en dat de rechtsvorderingen inzake een verbintenis tot betaling van een geldsom niet binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen. In de onderhavige zaak zouden de gevolgen van de in Luxemburg geopende insolventieprocedure voor de procedure die voor de Portugese rechters loopt, overeenkomstig de algemene collisieregel geformuleerd in artikel 4 van de verordening worden beheerst door het recht van de lidstaat waar die procedure aanhangig is gemaakt, in casu het Groothertogdom Luxemburg. Anders dan het Portugese recht zou het Luxemburgse recht echter niet voorzien in de uitdoving van de lopende rechtsvordering.

13

De curator van het faillissement Espírito Santo Financial Group voert aan dat artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is op alle procedures die lopen bij een rechterlijke instantie van een andere lidstaat dan de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, en betrekking hebben op bepaalde of onbepaalde goederen of rechten, op voorwaarde dat de schuldenaar het beheer en de beschikking daarover heeft verloren.

14

Gelet op die uiteenlopende standpunten twijfelt de verwijzende rechterlijke instantie over de draagwijdte van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000.

15

In die omstandigheden heeft de Supremo Tribunal de Justiça de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 15 van [verordening nr. 1346/2000] aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat lopende rechtsvordering strekkende tot veroordeling van een schuldenaar tot betaling van een op grond van een dienstverleningsovereenkomst verschuldigd geldbedrag en van schadevergoeding voor niet-nakoming van die contractuele verplichting, in aanmerking genomen dat (i) de schuldenaar in het kader van een procedure voor een gerecht van een andere lidstaat insolvent is verklaard, en (ii) de insolventverklaring het volledige vermogen van de schuldenaar omvat?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

16

Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 in die zin moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat lopende rechtsvordering strekkende tot veroordeling van een schuldenaar tot betaling van een op grond van een dienstverleningsovereenkomst verschuldigd geldbedrag en op schadevergoeding voor niet-nakoming van die contractuele verplichting, wanneer de schuldenaar in een procedure die voor een rechterlijke instantie van een andere lidstaat is geopend, insolvent is verklaard, en de insolventverklaring het volledige vermogen van de schuldenaar omvat.

17

Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 bepaalt dat, tenzij die verordening iets anders bepaalt, de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan worden beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. Dit artikel bevat aldus de algemene collisieregel die van toepassing is op grensoverschrijdende insolventieprocedures en de gevolgen daarvan.

18

Als uitzondering op die regel bepaalt artikel 15 van die verordening dat de gevolgen van de insolventieprocedure voor een lopende rechtsvordering betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend worden beheerst door het recht van de lidstaat waar deze rechtsvordering loopt.

19

De verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of, zoals Tarragó da Silveira aanvoert, de uitdrukking „een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren” de werkingssfeer van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 beperkt tot de lopende rechtsvorderingen betreffende een bepaald goed of recht. Dit artikel zou met andere woorden alleen van toepassing zijn op de lopende rechtsvorderingen betreffende een bepaald recht dat de schuldenaar bezit of een bepaald goed waarover hij beschikt. Dat zou niet het geval zijn met een rechtsvordering betreffende de betaling van een geldsom op grond van een contractuele verplichting.

20

Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of voorrang hebben boven de andere taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten immers uniform worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de tekst in alle talen van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 28 juli 2016, JZ, C‑294/16 PPU, EU:C:2016:610, punt 38en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21

In dat verband zij opgemerkt dat de verschillende taalversies van deze bepaling niet eenduidig zijn. Met name in de Engelse, de Franse en de Italiaanse versie wordt immers respectievelijk de uitdrukking „an asset or a right of which the debtor has been divested”, „un bien ou un droit dont le débiteur est dessaisi” en „un bene o a un diritto del quale il debitore è spossessato” gebruikt. Met name in de Spaanse, de Tsjechische, de Deense en de Duitse versie wordt echter respectievelijk de uitdrukking „un bien o un derecho de la masa”, „majetku nebo práva náležejícího do majetkové podstaty”, „et aktiv eller en rettighed i massen” en „einen Gegenstand oder ein Recht der Masse” gebruikt.

22

Gelet op de in punt 20 van dit arrest aangehaalde rechtspraak en op de verschillen die blijken uit de verschillende taalversies van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000, kan de uitlegging van dit artikel niet alleen op de bewoordingen ervan worden gebaseerd.

23

De bewoordingen van dit artikel zijn weliswaar niet eenduidig, maar de context en de doelstellingen van dit artikel pleiten voor een uitlegging volgens welke de werkingssfeer ervan niet kan worden beperkt tot de lopende procedures inzake een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren.

24

Wat in de eerste plaats de context betreft, moet artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 enerzijds worden gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, onder f), van die verordening, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen „lopende rechtsvorderingen” en andere individuele vervolgingen (arrest van 9 november 2016, ENEFI, C‑212/15, EU:C:2016:841, punt 32). Die bepaling geeft echter geenszins aan dat een lopende rechtsvordering als die in het hoofdgeding, een bepaald goed of recht moet betreffen. Het gebruik van de algemene uitdrukking „lopende rechtsvordering” bevestigt integendeel dat artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 van toepassing is op lopende rechtsvorderingen die niet alleen een bepaald recht of goed betreffen, maar ruimer, een goed of recht dat onder de insolventieboedel valt.

25

Anderzijds zij vastgesteld dat de goederen of rechten „waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren” in de zin van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000, degene zijn waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren wegens de opening van de insolventieprocedure. Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van die verordening wordt elke beslissing tot opening van een dergelijke insolventieprocedure echter erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend. Het begrip „goederen of rechten waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren”, doelt dus niet alleen op bepaalde goederen of rechten van de schuldenaar, maar ziet eerder op de insolventieboedel van de schuldenaar die voortvloeit uit de opening van de insolventieprocedure.

26

Wat in de tweede plaats de doelstellingen van verordening nr. 1346/2000 betreft, zij erop gewezen dat de rechterlijke instantie die de zaak behandelt, in rechterlijke procedures inzake een betalingsverplichting verplichten om in de loop van het geding buitenlands recht toe te passen met als enig doel voor dat geding de gevolgen te bepalen van de opening van een insolventieprocedure in een andere lidstaat, in strijd zou zijn met het door die verordening nagestreefde doel, te komen tot een meer efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen, zoals dat blijkt uit overweging 8 van die verordening. Dat zou de beslissing van die rechterlijke instantie inzake de vaststelling en de bepaling van het bedrag van een eventuele vordering kunnen vertragen en, in voorkomend geval, de schuldenaar kunnen beletten, zijn vordering tijdig in te dienen in het passief van de boedel die in het kader van die insolventieprocedure is ontstaan.

27

Overeenkomstig het in het vorige punt vermelde doel staat de uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 in punt 23 van dit arrest de rechterlijke instantie waarbij een geding aanhangig is, aldus toe om krachtens zijn nationale recht de gevolgen van de opening van een insolventieprocedure voor dat geding te bepalen.

28

Uit het voorgaande volgt dat de werkingssfeer van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 niet kan worden beperkt tot de lopende procedures inzake een bepaald goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren.

29

Er zij echter op gewezen dat dit artikel niet zonder onderscheid van toepassing kan zijn op alle lopende gedingen inzake een bepaald goed of recht dat onder de insolventieboedel valt.

30

Zoals het Hof al heeft opgemerkt, zou het tegenstrijdig zijn, artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 aldus uit te leggen dat het ook op tenuitvoerleggingsprocedures ziet, waardoor de gevolgen van de opening van een insolventieprocedure zouden vallen onder het recht van de lidstaat waar een tenuitvoerleggingsprocedure aanhangig is, terwijl artikel 20, lid 1, van die verordening, door uitdrukkelijk voor te schrijven dat hetgeen door „executiemaatregelen” is verkregen, aan de curator moet worden gerestitueerd, tegelijkertijd dat artikel 15 zijn nuttige werking zou ontnemen (arrest van 9 november 2016, ENEFI, C‑212/15, EU:C:2016:841, punt 34).

31

Bovendien is verordening nr. 1346/2000 gebaseerd op het beginsel dat het vereiste van gelijke behandeling van de schuldeisers, dat mutatis mutandis ten grondslag ligt aan alle insolventieprocedures, zich in de regel verzet tegen individuele vervolgingen door middel van tenuitvoerleggingsprocedures die worden ingesteld en gevoerd terwijl tegen de schuldenaar een insolventieprocedure loopt (arrest van 9 november 2016, ENEFI, C‑212/15, EU:C:2016:841, punt 33).

32

Derhalve moeten tenuitvoerleggingsprocedures worden geacht niet binnen de werkingssfeer van artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 te vallen (arrest van 9 november 2016, ENEFI, C‑212/15, EU:C:2016:841, punt 35).

33

Vallen echter wel binnen de werkingssfeer van genoemd artikel 15, de vorderingen tot vaststelling van betalingsverplichtingen die beperkt zijn tot de bepaling van de rechten en de verplichtingen van de schuldenaar zonder de verwezenlijking daarvan te impliceren, en die dus, anders dan de individuele tenuitvoerleggingsprocedures het beginsel van gelijke behandeling van alle schuldeisers en de collectieve schuldenregeling niet dreigen te schenden.

34

Aldus staat het aan de verwijzende rechterlijke instantie om, vóór zij artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 toepast, na te gaan of de vordering van Tarragó da Silveira een vordering ten gronde is die precies strekt tot betaling van een schuldvordering en of zij zich als dusdanig onderscheidt van een procedure tot gedwongen inning van die schuldvordering.

35

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 15 van verordening nr. 1346/2000 in die zin moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat lopende rechtsvordering strekkende tot veroordeling van een schuldenaar tot betaling van een op grond van een dienstverleningsovereenkomst verschuldigd geldbedrag en op schadevergoeding voor niet-nakoming van die contractuele verplichting, wanneer de schuldenaar in een procedure die voor een rechterlijke instantie van een andere lidstaat is geopend, insolvent is verklaard, en de insolventverklaring het volledige vermogen van de schuldenaar omvat.

Kosten

36

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 15 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet in die zin worden uitgelegd dat het van toepassing is op een bij een rechterlijke instantie van een lidstaat lopende rechtsvordering strekkende tot veroordeling van een schuldenaar tot betaling van een op grond van een dienstverleningsovereenkomst verschuldigd geldbedrag en op schadevergoeding voor niet-nakoming van die contractuele verplichting, wanneer de schuldenaar in een procedure die voor een rechterlijke instantie van een andere lidstaat is geopend, insolvent is verklaard, en de insolventverklaring het volledige vermogen van de schuldenaar omvat.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Portugees.

Top