Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0245

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 21 november 2018.
Pedro Viejobueno Ibáñez en Emilia de la Vara González tegen Consejería de Educación de Castilla-La Mancha.
Verzoek van de Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 1999/70/EG – Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Clausule 4 – Non-discriminatiebeginsel – Nationale regeling op grond waarvan arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden beëindigd wanneer de reden voor de aanstelling ophoudt te bestaan – Leraren die in dienst worden genomen voor het schooljaar – Beëindiging van de arbeidsverhouding op de laatste dag van het schooljaar – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG.
Zaak C-245/17.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:934

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

21 november 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 1999/70/EG – Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Clausule 4 – Non-discriminatiebeginsel – Nationale regeling op grond waarvan arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden beëindigd wanneer de reden voor de aanstelling ophoudt te bestaan – Leraren die in dienst worden genomen voor het schooljaar – Beëindiging van de arbeidsverhouding op de laatste dag van het schooljaar – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG”

In zaak C‑245/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha (hooggerechtshof van Castilië-La Mancha, Spanje) bij beslissing van 19 april 2017, ingekomen bij het Hof op 11 mei 2017, in de procedure

Pedro Viejobueno Ibáñez,

Emilia de la Vara González

tegen

Consejería de Educación de Castilla-La Mancha,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev (rapporteur), E. Regan en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 april 2018,

gelet op de opmerkingen van:

Pedro Viejobueno Ibáñez en Emilia de la Vara González, vertegenwoordigd door J. J. Donate Valera, abogado,

de Consejería de Educación de Castilla-La Mancha, vertegenwoordigd door C. Aguado Martín en M. Barahona Migueláñez, letrados,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en S. Jiménez García als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en N. Ruiz García als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 2018,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van clausule 4 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen als bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van gedingen tussen Pedro Viejobueno Ibáñez en Emilia de la Vara González (hierna gezamenlijk: „belanghebbenden”) enerzijds en de Consejería de Educación de Castilla-La Mancha (regionaal ministerie van Onderwijs van Castilië-La Mancha, Spanje) (hierna: „regionaal ministerie”) anderzijds betreffende de beëindiging van de arbeidsverhoudingen tussen belanghebbenden en het regionale ministerie.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Uit overweging 14 van richtlijn 1999/70 blijkt dat „de partijen bij deze overeenkomst beoogden een raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te sluiten waarin de algemene beginselen en minimumvoorschriften inzake arbeidsovereenkomsten en arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd worden geformuleerd[, alsook] dat zij hun wil te kennen hebben gegeven de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te garanderen, en een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen”.

4

Richtlijn 1999/70 is volgens artikel 1 ervan gericht „op de uitvoering van de [...] door de algemene brancheoverkoepelende organisaties (EVV, Unice, CEEP) gesloten raamovereenkomst [...], die in de bijlage is opgenomen”.

5

In de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst staat te lezen:

„De partijen bij deze overeenkomst erkennen dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer zijn en zullen blijven. Zij erkennen ook dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in sommige omstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer voorzien.”

6

In de derde alinea van die preambule wordt de volgende precisering gegeven:

„[De] overeenkomst bevat de algemene beginselen en minimumeisen met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, onder erkenning van het feit dat bij de nadere toepassing ervan rekening moet worden gehouden met de specifieke nationale, sectoriële en seizoensituaties. Zij is een blijk van de bereidheid van de sociale partners een algemeen kader vast te stellen om de gelijke behandeling van werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te waarborgen door hen tegen discriminatie te beschermen, en om gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op een manier die zowel voor de werkgevers als voor de werknemers aanvaardbaar is.”

7

De raamovereenkomst heeft volgens clausule 1 ervan tot doel de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te waarborgen, alsook een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.

8

Clausule 3 van de raamovereenkomst, met als opschrift: „Definities”, bepaalt:

„In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

1.

‚werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’: iemand met een rechtstreeks tussen een werkgever en een werknemer aangegane arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor bepaalde tijd waarvan het einde wordt bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, het voltooien van een bepaalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis;

2.

‚vergelijkbare werknemer in vaste dienst’: een werknemer met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd, in dezelfde vestiging, die hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met kwalificaties/bekwaamheden. [...]”

9

Clausule 4 van de raamovereenkomst, met als opschrift „Non-discriminatiebeginsel”, bepaalt in lid 1:

„Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.”

10

Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9), luidt:

„Jaarlijkse vakantie

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

2.   De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.”

Spaans recht

11

Artikel 1, lid 1, van Ley 7/2007 del Estatuto Básico del Empleado Público (wet 7/2007 betreffende het basisstatuut van het overheidspersoneel) van 12 april 2007 (hierna: „wet 7/2007”) bepaalt:

„Dit statuut heeft tot doel om de grondslagen vast te stellen voor de rechtspositieregeling die geldt voor de ambtenaren die binnen zijn werkingssfeer vallen.”

12

Volgens artikel 2 van deze wet is het basisstatuut van het overheidspersoneel onder meer van toepassing op ambtenaren en werknemers van de besturen van de autonome gemeenschappen.

13

Artikel 10, lid 1, van die wet luidt:

„Ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst zijn personen die om uitdrukkelijk aangetoonde redenen van noodzakelijkheid en spoedeisendheid in die hoedanigheid in dienst worden genomen teneinde in een van de hiernavolgende gevallen werkzaamheden van ambtenaren te verrichten:

a)

het feit dat er posten vacant zijn die niet met ambtenaren kunnen worden bezet;

b)

de tijdelijke vervanging van ambtenaren;

c)

de realisatie van tijdelijke programma’s;

d)

bovenmatige of toegenomen werkdruk, voor ten hoogste zes maanden binnen een periode van twaalf maanden.”

14

Volgens artikel 10, lid 3, van diezelfde wet eindigt de arbeidsverhouding van ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst – afgezien van de beëindiging om redenen die verband houden met het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar – wanneer de reden voor hun aanstelling ophoudt te bestaan.

15

Artikel 10, lid 5, van wet 7/2007 bepaalt dat de algemene regeling voor ambtenaren van toepassing is op ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst, voor zover die regeling past bij de aard van de situatie waarin deze tijdelijke overheidsfunctionarissen zich bevinden.

16

Artikel 7 van Ley 4/2011 del Empleo Público de Castilla La Mancha (wet 4/2011 betreffende het openbaar ambt in Castilië-La Mancha) van 10 maart 2011 (hierna: „wet 4/2011”) luidt:

„Voor de toepassing van deze wet zijn ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst personen die om uitdrukkelijk aangetoonde redenen van noodzakelijkheid en spoedeisendheid in die hoedanigheid in dienst worden genomen teneinde in een van de in artikel 8 bedoelde gevallen tijdelijk taken van ambtenaren te verrichten.”

17

Artikel 8, lid 1, van deze wet bepaalt:

„De aanstelling van een ambtenaar in tijdelijke dienst kan enkel plaatsvinden in een van de volgende gevallen:

a)

het feit dat er posten vacant zijn waarvoor middelen zijn uitgetrokken met het oog op aanstelling in de laagste rang en die worden begeven via een vergelijkend onderzoek op basis van schriftelijke bewijsstukken, wanneer die posten niet met ambtenaren in vaste dienst kunnen worden bezet;

[...]”

18

In artikel 9, lid 1, van dezelfde wet staat te lezen:

„De arbeidsverhouding van ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst eindigt om de volgende redenen:

[...]

b)

het wegvallen van de noodzakelijkheid en spoedeisendheid die de redenen vormden voor de aanstelling;”

19

Volgens de op 10 maart 1994 tussen het Ministerio de Educación y Ciencia (ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Spanje) en de vakbond ANPE gesloten overeenkomst betreffende de procedure voor de selectie van leraren die worden aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst (hierna: „overeenkomst van 10 maart 1994”), die bij besluit van 15 maart 1994 van de Dirección General de Personal y Servicios (directoraat-generaal Personeelszaken en Diensten) van dat ministerie is bekendgemaakt, verrichten de ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst die op 30 juni van een schooljaar ten minste vijf en een halve maand hebben gewerkt, de bij hun post behorende taken vanaf die datum tot aan het begin van het volgende schooljaar.

20

De dertiende aanvullende bepaling van Ley 5/2012 de Presupuestos Generales de la Junta de Comunidades de Castilla la Mancha para 2012 (wet 5/2012 tot vaststelling van de begroting van de gemeenschap Castilië-La Mancha voor 2012) van 12 juli 2012 (hierna: „begrotingswet 2012”) is als volgt verwoord:

„1.

Overeenkomstig artikel 38, lid 10, van [wet 7/2007] en artikel 153, lid 6, van [wet 4/2011] wordt de toepassing van de volgende overeenkomsten in de volgende omstandigheden opgeschort:

[...]

i)

de [overeenkomst van 10 maart 1994], wat betreft de [financiële vergoeding] voor vakantie in juli en augustus, bij vervangingen van vijf en een halve maand en bij het vervullen van vacante posten. In dit verband ontvangen niet-universitaire leraren die zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, een financiële vergoeding die overeenkomt met 22 werkdagen indien zij voor het volledige schooljaar zijn aangesteld, of die evenredig is met het aantal gewerkte dagen indien de diensttijd geen volledig schooljaar omvat.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

21

Viejobueno Ibáñez is door de Dirección General de Recursos Humanos y Programación Educativa (directoraat-generaal personeelszaken en onderwijsprogramma’s) van het regionale ministerie aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst (funcionario interino) om tijdens het schooljaar 2011/2012 de post van leraar in het middelbaar onderwijs te bekleden aan het college Alonso Quijano te Esquivias (provincie Toledo, Spanje). De la Vara González is door die directie aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst om tijdens hetzelfde schooljaar de post van leraar in het beroepsonderwijs te bekleden in het centrum voor volwassenenonderwijs Campos del Záncara te San Clemente (provincie Cuenca, Spanje).

22

Op 29 juni 2012, de laatste dag van het schooljaar, hebben de provinciale onderwijscoördinatoren van Toledo en Cuenca elk een besluit vastgesteld waarbij het dienstverband van Viejobueno Ibáñez respectievelijk de la Vara González vanaf die datum is beëindigd, met als opgave van reden de „niet aan voorwaarden onderworpen beëindiging van het dienstverband van een ambtenaar met een aanstelling in tijdelijke dienst” respectievelijk de „definitieve beëindiging van het dienstverband wegens een wijziging van de administratieve situatie”.

23

Belanghebbenden hebben administratief beroep ingesteld tegen het besluit waarbij hun respectieve dienstverband is beëindigd. Nadat hun administratief beroep impliciet was afgewezen, hebben zij op 12 april 2013 bij de Juzgado de lo Contencioso-Administrativo no 2 (Toledo) (bestuursrechter nr. 2 Toledo, Spanje) beroep ingesteld. Deze beroepen strekten met name tot nietigverklaring van het impliciete besluit houdende afwijzing van het administratief beroep van belanghebbenden en tot nietigverklaring van het besluit waarbij hun dienstverband was beëindigd, alsook tot erkenning van hun recht om tot 14 september 2012 hun respectieve post te behouden. Ter ondersteuning van hun beroepen hebben belanghebbenden met name aangevoerd dat de besluiten tot beëindiging van het dienstverband het beginsel van gelijke behandeling schonden, omdat die besluiten ertoe leidden dat leraren verschillend werden behandeld naargelang zij ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst dan wel ambtenaren in vaste dienst waren, aangezien deze laatsten hun post behielden na het einde van het schooljaar.

24

Bij vonnis van 26 januari 2015 heeft die rechter de beroepen verworpen, met name omdat de aanstellingsbesluiten van belanghebbenden geen einddatum van de aanstelling bevatten, omdat de aanstelling van ambtenaren in tijdelijke dienst gebaseerd moet zijn op aangetoonde redenen van noodzakelijkheid en spoedeisendheid, zodat het wegvallen van deze redenen een wettelijke grond vormt voor de beëindiging van het dienstverband van de betrokken ambtenaren, zelfs indien op de loonstroken een einddatum van de aanstelling zou worden vermeld, en ten slotte omdat het einde van het schooljaar mogelijkerwijs impliceerde dat de noodzakelijkheid of spoedeisendheid die aanleiding had gegeven tot de aanstelling van die ambtenaren, had opgehouden te bestaan. Bovendien heeft de Juzgado de lo Contencioso-Administrativo no 2 (Toledo) geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling niet was geschonden, omdat de situatie van ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst, waarvan de arbeidsverhouding met de overheid hoofdzakelijk tijdelijk is, niet vergelijkbaar is met die van ambtenaren in vaste dienst, die in een permanente arbeidsverhouding tot de overheid staan.

25

Belanghebbenden hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, te weten de Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha (hooggerechtshof van Castilië-La Mancha, Spanje), waarbij zij met name aanvoerden dat clausule 4 van de raamovereenkomst is geschonden doordat hun dienstverband is beëindigd met ingang van 29 juni 2012. Zij zijn immers van mening dat zij wegens hun hoedanigheid van ambtenaar met een aanstelling in tijdelijke dienst minder gunstig worden behandeld dan leraren die ambtenaar in vaste dienst zijn, aangezien deze laatsten hun post behouden tijdens de periode die gewoonlijk samenvalt met de jaarlijkse zomervakantie. Daarnaast betogen zij dat zij zijn aangesteld voor het schooljaar 2011/2012 en dezelfde functies vervullen als een leraar die ambtenaar in vaste dienst is, zodat er geen redenen zijn waarom zij na het einde van het schooljaar niet de taken zouden kunnen verrichten die bij hun functie horen. Tevens voeren belanghebbenden aan dat de besluiten waarbij hun dienstverband is beëindigd, artikel 7 van richtlijn 2003/88 schenden, omdat hun dienstverband is beëindigd voordat zij hun jaarlijkse vakantie konden opnemen en voordat zij hiervoor een financiële vergoeding ontvingen. Voorts stellen belanghebbenden dat de beëindiging van hun dienstverband inbreuk maakt op de overeenkomst van 10 maart 1994.

26

De verwijzende rechter preciseert dat arbeidsverhoudingen als die van belanghebbenden – overeenkomstig artikel 7 van wet 4/2011 – worden aangegaan om redenen van noodzakelijkheid en spoedeisendheid. Volgens die rechter vloeit uit de Spaanse rechtspraak voort dat het feit dat er na het schooljaar geen behoefte is aan werk dat wordt verricht door leraren – overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder b), van die wet en artikel 10, lid 3, van wet 7/2007 – een wettelijke grond vormt om op de laatste dag van het schooljaar het dienstverband te beëindigen van degenen die als ambtenaar in tijdelijke dienst zijn aangesteld, aangezien de reden voor hun aanstelling is weggevallen.

27

Wat de toepassing van het non-discriminatiebeginsel betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat leraren die zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, onder het begrip „werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” in de zin van de raamovereenkomst vallen, aangezien zij in dienst worden genomen om de posten van leraren in vast ambtelijk dienstverband te bezetten die bij hun indienstneming vacant waren. Leraren die onder het ambtenarenstatuut vallen, zouden van hun kant kunnen worden aangemerkt als „vergelijkbare werknemer in vaste dienst” in de zin van clausule 4 van die overeenkomst. Voor de toepassing van deze clausule dient de situatie van ambtenaren in tijdelijke dienst dus te worden vergeleken met die van ambtenaren in vaste dienst die soortgelijk werk verrichten in dezelfde onderwijsinstellingen of in andere onderwijsinstellingen van dezelfde autonome gemeenschap.

28

De vraag rijst dan ook of het einde van het schooljaar daadwerkelijk een objectieve reden vormt die rechtvaardigt dat leraren verschillend worden behandeld naargelang zij ambtenaren in tijdelijke dan wel vaste dienst zijn.

29

Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of de praktijk die erin bestaat het dienstverband van als ambtenaar in tijdelijke dienst aangestelde leraren bij afloop van het schooljaar te beëindigen, verenigbaar is met artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88, aangezien het regionale ministerie in deze situatie aan die leraren een vergoeding dient te betalen voor de dagen jaarlijkse vakantie die zij niet hebben kunnen opnemen.

30

Voorts zet de verwijzende rechter uiteen dat het bestuur van de autonome gemeenschap van Castilië-La Mancha zich tot het schooljaar 2011/2012 heeft gehouden aan de overeenkomst van 10 maart 1994, en dat de bovengenoemde praktijk is begonnen met de vaststelling van de begrotingswet 2012. Aangezien die praktijk is toegestaan op grond van deze wet – waarbij bezuinigingsmaatregelen en maatregelen om het overheidstekort onder controle te houden zijn ingevoerd – rijst de vraag of die wet al dan niet in strijd is met het non-discriminatiebeginsel zoals daaraan invulling is gegeven in de raamovereenkomst, en indien het antwoord bevestigend luidt, of de nationale rechter diezelfde wet buiten toepassing kan laten omdat zij onverenigbaar is met het Unierecht.

31

In deze omstandigheden heeft de Tribunal Superior de Justicia de Castilla-La Mancha de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„Wanneer rekening wordt gehouden met de benadering die is gevolgd in de eerdere arresten van de verwijzende rechter [...] en met de argumenten die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit waarbij het dienstverband van als ambtenaar in tijdelijke dienst aangestelde leraren [...] aan het einde van het schooljaar wordt beëindigd, welke argumenten in het hoofdgeding worden aangevoerd in verband met het in clausule 4 van de [raamovereenkomst] neergelegde beginsel van gelijke behandeling van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vergelijkbare werknemers in vaste dienst, en wanneer voorts in aanmerking wordt genomen dat volgens de nationale juridische regeling die van toepassing is op het openbaar ambt in Castilië-La Mancha, het dienstverband van als ambtenaar in tijdelijke dienst aangestelde leraren wordt beëindigd bij het ,wegvallen van de noodzakelijkheid en spoedeisendheid die de redenen vormden voor de aanstelling’, [...]

1)

kan het einde van het schooljaar dan worden beschouwd als een objectieve reden die rechtvaardigt dat de bovengenoemde als ambtenaar in tijdelijke dienst aangestelde leraren anders worden behandeld dan leraren die zijn aangesteld als ambtenaar in vaste dienst?

2)

is het dan verenigbaar met het beginsel van non-discriminatie van als ambtenaar in tijdelijke dienst aangestelde leraren dat deze leraren, van wie het dienstverband aan het einde van het schooljaar eindigt, hun vakantie niet in de vorm van daadwerkelijke rustdagen kunnen opnemen, maar in de plaats daarvan een financiële vergoeding ontvangen?

3)

is met het beginsel van non-discriminatie van ambtenaren in tijdelijke dienst, die onder het begrip ,werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’ zouden vallen, dan een abstracte regeling verenigbaar zoals die welke is vervat in de dertiende aanvullende bepaling van de [begrotingswet 2012], waarbij met het oog op budgettaire besparingen en de verwezenlijking van doelstellingen in verband met het overheidstekort – naast andere maatregelen – de toepassing van de [overeenkomst van 10 maart 1994] wordt opgeschort wat betreft de [financiële vergoeding] voor vakantie in juli en augustus, in geval van vervangingen van meer dan vijf en een halve maand en het vervullen van vacante posten, en waarbij de verplichting wordt opgelegd om aan niet-universitaire leraren die zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, een vergoeding te betalen die overeenkomt met 22 werkdagen indien zij voor het volledige schooljaar zijn aangesteld, of die evenredig is met het aantal gewerkte dagen indien de diensttijd geen volledig schooljaar omvat?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

32

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een werkgever op de laatste dag van het schooljaar kan overgaan tot beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd van leraren die voor één schooljaar zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, met als reden voor de beëindiging dat op die datum niet meer is voldaan aan de voorwaarden voor hun aanstelling, te weten noodzakelijkheid en spoedeisendheid, terwijl het dienstverband voor onbepaalde tijd van als ambtenaar in vaste dienst aangestelde leraren wordt voortgezet.

33

In dit verband zij eraan herinnerd dat in de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst te lezen staat dat de partijen bij deze overeenkomst „erkennen dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer zijn en zullen blijven[, alsook dat] arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in sommige omstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer voorzien”.

34

Volgens clausule 1, onder a), van de raamovereenkomst heeft deze overeenkomst onder andere tot doel de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door de toepassing van het non-discriminatiebeginsel te waarborgen. Evenzo wordt in de derde alinea, van de preambule van de raamovereenkomst gepreciseerd dat deze overeenkomst „een blijk [is] van de bereidheid van de sociale partners een algemeen kader vast te stellen om de gelijke behandeling van werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te waarborgen door hen tegen discriminatie te beschermen”. In zoverre strekt de raamovereenkomst volgens overweging 14 van richtlijn 1999/70 met name ertoe de kwaliteit van arbeid voor bepaalde tijd te verbeteren door minimumvoorschriften vast te stellen waarmee de toepassing van het non-discriminatiebeginsel wordt gegarandeerd (arrest van 5 juni 2018, Montero Mateos, C‑677/16, EU:C:2018:393, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

Met de raamovereenkomst, in het bijzonder clausule 4 ervan, wordt beoogd dat beginsel toe te passen op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, teneinde te voorkomen dat dit type arbeidsverhouding door een werkgever wordt gebruikt om deze werknemers rechten te onthouden die wel toekomen aan werknemers in vaste dienst (arrest van 5 juni 2018, Montero Mateos, C‑677/16, EU:C:2018:393, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

De raamovereenkomst schrijft daarentegen niet voor onder welke voorwaarden kan worden gebruikgemaakt van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd noch onder welke voorwaarden kan worden gebruikgemaakt van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (zie in die zin arresten van 18 oktober 2012, Valenza e.a., C‑302/11–C‑305/11, EU:C:2012:646, punt 63, en 14 september 2016, Martínez Andrés en Castrejana López, C‑184/15 en C‑197/15, EU:C:2016:680, punt 39).

37

In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of het non-discriminatiebeginsel, zoals daaraan uitvoering en invulling wordt gegeven door clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, is geschonden omdat aan het einde van het schooljaar niet wordt overgegaan tot beëindiging van het dienstverband voor onbepaalde tijd van leraren die ambtenaar in vaste dienst zijn, zodat deze leraren – met name tijdens de jaarlijkse zomervakantie – hun aanstelling behouden, waardoor hun situatie zich onderscheidt van die van leerkrachten zoals Viejobueno Ibáñez en de la Vara González, die als ambtenaar in tijdelijke dienst zijn aangesteld in het kader van een dienstverband voor bepaalde tijd.

38

In herinnering moet worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de beoordeling of de betrokken personen hetzelfde of soortgelijk werk in de zin van de raamovereenkomst verrichten, vereist dat overeenkomstig clausule 3, punt 2, en clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst, wordt onderzocht of deze personen – gelet op een reeks van factoren, zoals de aard van het werk, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden – kunnen worden geacht zich in een vergelijkbare situatie te bevinden (arrest van 5 juni 2018, Montero Mateos, C‑677/16, EU:C:2018:393, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

Uit de gegevens waarover het Hof beschikt, blijkt evenwel dat Viejobueno Ibáñez en de la Vara González, toen zij door de Dirección General de Recursos Humanos y Programación Educativa werden aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, dezelfde taken verrichtten als leraren die de hoedanigheid van ambtenaar in vaste dienst hadden.

40

De situatie van ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst, zoals Viejobueno Ibáñez en de la Vara González, zou dan ook in beginsel kunnen worden geacht vergelijkbaar te zijn met die van leraren die ambtenaar in vaste dienst zijn.

41

Benadrukt dient evenwel te worden dat in het hoofdgeding – anders dan in de zaak die heeft geleid tot de in punt 38 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak – het gestelde verschil in behandeling uitsluitend voortvloeit uit de omstandigheid dat het dienstverband van belanghebbenden op een bepaalde datum is geëindigd, terwijl het dienstverband van de leraren die ambtenaar in vaste dienst waren, na die datum is voortgezet.

42

Deze omstandigheid is het essentiële kenmerk waardoor een dienstverband voor bepaalde tijd zich onderscheidt van een dienstverband voor onbepaalde tijd.

43

Het feit dat het dienstverband van leraren die ambtenaar in vaste dienst zijn, niet wordt beëindigd op de laatste dag van het schooljaar, of dat dit dienstverband niet wordt geschorst, is namelijk inherent aan de aard zelf van het dienstverband van deze werknemers. Het is immers de bedoeling dat zij een permanente betrekking bekleden, precies omdat zij zijn aangesteld in het kader van een dienstverband voor onbepaalde tijd.

44

Zoals blijkt uit clausule 3, punt 1, van de raamovereenkomst, worden dienstverbanden voor bepaalde tijd, zoals dat van belanghebbenden, daarentegen gekenmerkt door het feit dat werkgever en werknemer bij de totstandkoming van het betreffende dienstverband zijn overeengekomen dat dit dienstverband eindigt wanneer objectief vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, zoals het voltooien van een bepaalde taak, het intreden van een bepaalde gebeurtenis of het bereiken van een bepaald tijdstip (zie in die zin arresten van 5 juni 2018, Grupo Norte Facility, C‑574/16, EU:C:2018:390, punt 57, en Montero Mateos, C‑677/16, EU:C:2018:393, punt 60).

45

In casu staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de werkgever het dienstverband van belanghebbenden heeft beëindigd voordat was voldaan aan de voorwaarde die op objectieve wijze was vastgesteld door de partijen in het voor hem aanhangige geding. Indien dit het geval blijkt te zijn, zou deze omstandigheid geen door de raamovereenkomst verboden discriminatie vormen, maar wel een schending door de werkgever van de contractuele bepalingen waardoor dat dienstverband wordt geregeld. Deze schending zou in voorkomend geval kunnen worden bestraft overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen.

46

Aangezien de raamovereenkomst in beginsel de rechtmatigheid van zowel het gebruik van arbeidsverhoudingen voor onbepaalde tijd als het gebruik van arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd erkent en niet voorschrijft onder welke voorwaarden kan worden gebruikgemaakt van dergelijke arbeidsverhoudingen – zoals in wezen in herinnering is gebracht in de punten 33 en 36 van het onderhavige arrest – kan een verschil in behandeling zoals in het hoofdgeding aan de orde is, dat bestaat in het enkele feit dat een arbeidsverhouding voor bepaalde tijd op een bepaalde datum eindigt terwijl een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd op die datum niet wordt beëindigd, niet worden bestraft op grond van die raamovereenkomst.

47

Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het argument van de Europese Commissie dat de louter tijdelijke aard van de arbeidsverhouding geen „objectieve reden” kan vormen die een verschil in behandeling kan rechtvaardigen in de zin van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst.

48

Het in punt 46 van het onderhavige arrest bedoelde verschil is immers inherent aan het naast elkaar bestaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd en arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Indien dit verschil onder het in die clausule neergelegde verbod viel, zou elk onderscheid tussen die twee categorieën van arbeidsovereenkomsten worden tenietgedaan.

49

Overigens blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Viejobueno Ibáñez en de la Vara González in wezen aanvoeren dat hun dienstverbanden voor bepaalde tijd niet hadden mogen eindigen op 29 juni 2012, de dag waarop het schooljaar afliep, maar op 14 september 2012, met andere woorden ongeveer twee en een halve maand later, zoals was bepaald in de overeenkomst van 10 maart 1994.

50

Dienaangaande zij opgemerkt dat belanghebbenden niet verlangen dat zij, wat de duur van hun dienstverband betreft, daadwerkelijk op dezelfde manier worden behandeld als hun collega’s die ambtenaar in vaste dienst zijn, welke hun post ook na 14 september 2012 moeten bekleden. Hun verzoeken komen in werkelijkheid neer op de eis om op dezelfde manier te worden behandeld als leraren die in de voorgaande schooljaren waren aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, van wie de aanstelling liep tot 14 september van het betreffende schooljaar.

51

Aan het non-discriminatiebeginsel is in de raamovereenkomst evenwel uitsluitend uitvoering en invulling gegeven met betrekking tot verschillen in behandeling tussen werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werknemers in vaste dienst die zich in een vergelijkbare situatie bevinden (arrest van 5 juni 2018, Montero Mateos, C‑677/16, EU:C:2018:393, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat eventuele verschillen in behandeling tussen bepaalde categorieën werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet onder het in die raamovereenkomst neergelegde non-discriminatiebeginsel vallen (zie in die zin arrest van 14 september 2016, de Diego Porras, C‑596/14, EU:C:2016:683, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

Het door belanghebbenden gestelde verschil in behandeling kan dan ook in geen geval onder clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst vallen.

53

Wat ten slotte de omstandigheid betreft dat belanghebbenden de mogelijkheid is ontnomen om daadwerkelijk hun jaarlijkse vakantie op te nemen, dat zij geen vergoeding hebben ontvangen tijdens de maanden juli, augustus en september van 2012, en dat zij voor die maanden geen anciënniteit hebben verworven met het oog op de voortgang van hun loopbaan, zij opgemerkt dat deze omstandigheid slechts het rechtstreekse gevolg is van de beëindiging van hun dienstverband, die geen verschil in behandeling vormt dat krachtens de raamovereenkomst verboden is.

54

Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een werkgever op de laatste dag van het schooljaar kan overgaan tot beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd van leraren die voor één schooljaar zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, met als reden voor de beëindiging dat op die datum niet meer is voldaan aan de voorwaarden voor hun aanstelling, te weten noodzakelijkheid en spoedeisendheid, terwijl het dienstverband voor onbepaalde tijd van als ambtenaar in vaste dienst aangestelde leraren wordt voortgezet.

Tweede en derde vraag

55

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter met zijn tweede en zijn derde vraag, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan op de laatste dag van het schooljaar kan worden overgegaan tot beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd van leraren die voor één schooljaar zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, wanneer deze leraren daardoor hun dagen jaarlijkse zomervakantie met behoud van loon voor dat schooljaar worden ontnomen, ook al ontvangen die leraren daarvoor een financiële vergoeding.

56

In dit verband zij eraan herinnerd dat werknemers in normale omstandigheden daadwerkelijke rust moeten kunnen genieten in het belang van een doeltreffende bescherming van hun veiligheid en gezondheid. Krachtens artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 kan het recht op niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon dus alleen bij beëindiging van het dienstverband worden vervangen door een financiële vergoeding (arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C‑350/06 en C‑520/06, EU:C:2009:18, punt 23, en beschikking van 21 februari 2013, Maestre García, C‑194/12, EU:C:2013:102, punt 28).

57

In het hoofdgeding staat het vast dat de dienstverbanden van belanghebbenden zijn geëindigd. Krachtens artikel 7 van richtlijn 2003/88 kon de Spaanse wetgever bijgevolg bepalen dat belanghebbenden een financiële vergoeding zouden ontvangen voor de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die zij niet hebben kunnen opnemen.

58

Gelet op een en ander dient te worden geantwoord dat artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan op de laatste dag van het schooljaar kan worden overgegaan tot beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd van leraren die voor één schooljaar zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, ook al worden deze leraren daardoor hun dagen jaarlijkse zomervakantie met behoud van loon voor dat schooljaar ontnomen, op voorwaarde dat die leraren daarvoor een financiële vergoeding ontvangen.

Kosten

59

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Clausule 4, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen als bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan een werkgever op de laatste dag van het schooljaar kan overgaan tot beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd van leraren die voor één schooljaar zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, met als reden voor de beëindiging dat op die datum niet meer is voldaan aan de voorwaarden voor hun aanstelling, te weten noodzakelijkheid en spoedeisendheid, terwijl het dienstverband voor onbepaalde tijd van als ambtenaar in vaste dienst aangestelde leraren wordt voortgezet.

2)

Artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan op de laatste dag van het schooljaar kan worden overgegaan tot beëindiging van het dienstverband voor bepaalde tijd van leraren die voor één schooljaar zijn aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst, ook al worden deze leraren daardoor hun dagen jaarlijkse zomervakantie met behoud van loon voor dat schooljaar ontnomen, op voorwaarde dat die leraren daarvoor een financiële vergoeding ontvangen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Spaans.

Top