EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0118

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 maart 2019.
Zsuzsanna Dunai tegen ERSTE Bank Hungary Zrt.
Verzoek van de Budai Központi Kerületi Bíróság om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 1, lid 2 – Artikel 6, lid 1 – Leningsovereenkomst in vreemde valuta – Wisselkoersverschil – Vervanging van een nietig verklaard oneerlijk beding door een wettelijke bepaling – Wisselkoersrisico – Voortbestaan van de overeenkomst na schrapping van het oneerlijke beding – Nationaal systeem van uniforme uitlegging van het recht.
Zaak C-118/17.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2019:207

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

14 maart 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 1, lid 2 – Artikel 6, lid 1 – Leningsovereenkomst in vreemde valuta – Wisselkoersverschil – Vervanging van een nietig verklaard oneerlijk beding door een wettelijke bepaling – Wisselkoersrisico – Voortbestaan van de overeenkomst na schrapping van het oneerlijke beding – Nationaal systeem van uniforme uitlegging van het recht”

In zaak C‑118/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Budai Központi Kerületi Bíróság (rechter in eerste aanleg voor het centrum van Boeda, Hongarije) bij beslissing van 9 januari 2017, ingekomen bij het Hof op 7 maart 2017, in de procedure

Zsuzsanna Dunai

tegen

ERSTE Bank Hungary Zrt.,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen ingediend door:

ERSTE Bank Hungary Zrt., vertegenwoordigd door T. Kende, ügyvéd,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér als gemachtigde,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Tokár en A. Cleenewerck de Crayencour als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 november 2018,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 3 van het dictum van het arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282), van de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en van de fundamentele Unierechtelijke beginselen van gelijkheid voor de wet, non-discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Zsuzsanna Dunai en ERSTE Bank Hungary Zrt. (hierna: „bank”) over het beweerdelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding dat bepaalt dat de toepasselijke wisselkoers bij de vrijgave van een in vreemde valuta luidende lening is gebaseerd op de door de bank gehanteerde aankoopkoers, terwijl de wisselkoers die van toepassing is bij de terugbetaling van de lening is gebaseerd op de verkoopkoers.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13/EEG

3

De dertiende en de eenentwintigste overweging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) luiden als volgt:

„Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, worden geacht geen oneerlijke bedingen te bevatten; dat het bijgevolg niet nodig blijkt bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen dan wel beginselen of bepalingen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, aan de bepalingen van deze richtlijn te onderwerpen; dat in dat verband onder de term ,dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen’ [in artikel 1, lid 2,] tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen;

[...]

Overwegende dat de lidstaten de nodige maatregelen dienen te treffen om te voorkomen dat in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument oneerlijke bedingen worden opgenomen; dat, als toch dergelijke bedingen zijn opgenomen, deze de consument niet binden en de overeenkomst de partijen blijft binden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

4

Artikel 1, lid 2, van die richtlijn luidt:

„Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.”

5

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

6

Artikel 4 van deze richtlijn luidt:

„1.   Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

2.   De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

7

Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

8

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Hongaars recht

Grondwet

9

§ 25, lid 3, van de Alaptörvény (Hongaarse grondwet) luidt:

„De Kúria [(hoogste rechterlijke instantie, Hongarije)] waarborgt [...] de uniforme toepassing van het recht door de rechterlijke instanties en geeft beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht waaraan de rechterlijke instanties zijn gebonden.”

Wet DH 1

10

§ 1, lid 1, van de Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvény (wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties in verband met de beslissing die de Kúria in het belang van de uniformisering van het recht heeft gegeven met betrekking tot leningsovereenkomsten die kredietinstellingen met consumenten hebben gesloten; hierna: „wet DH 1”), luidt als volgt:

„Deze wet is van toepassing op leningsovereenkomsten die met consumenten zijn gesloten tussen 1 mei 2004 en de datum van inwerkingtreding van deze wet. Voor de toepassing van deze wet wordt onder de term leningsovereenkomst die met een consument is gesloten, verstaan elke krediet-, lenings‑ of leasingovereenkomst die is gebaseerd op vreemde valuta (gekoppeld aan of luidend in een vreemde valuta en terug te betalen in Hongaarse forint) of op de Hongaarse forint, en die is gesloten tussen een financiële instelling en een consument, wanneer daarin standaardbedingen met de in § 3, lid 1, of § 4, lid 1, beschreven inhoud zijn opgenomen of enig beding waarover niet individueel is onderhandeld met een dergelijke inhoud.”

11

§ 3, leden 1 en 2, van wet DH 1 bepaalt:

„1.   Bedingen in met consumenten gesloten leningsovereenkomsten – met uitzondering van bedingen waarover individueel is onderhandeld – op grond waarvan de financiële instelling voor de vrijgave van de middelen voor de aankoop van het goed of voor de leasing de aankoopkoers toepast, terwijl zij voor de aflossing de verkoopkoers of een andere soort koers toepast dan die welke voor de vrijgave van de middelen wordt gehanteerd, zijn nietig.

2.   In plaats van het krachtens lid 1 nietige beding – en onverminderd het bepaalde in lid 3 – wordt zowel voor de uitbetaling als voor de terugbetaling (van zowel de maandelijkse aflossingen als de kosten en vergoedingen die in vreemde valuta zijn gesteld) de officiële wisselkoers toegepast die door de Nationale Bank van Hongarije voor de betrokken vreemde valuta is vastgesteld.”

12

§ 4 van die wet bepaalt:

„1.   In het kader van leningsovereenkomsten die met consumenten zijn gesloten en die eenzijdig kunnen worden gewijzigd, worden als oneerlijk beschouwd bedingen in een dergelijke overeenkomst die de mogelijkheid bieden om de rente, de kosten en de vergoedingen eenzijdig te verhogen, met uitzondering van bedingen waarover individueel is onderhandeld. [...]

2.   Een beding zoals bedoeld in lid 1 is nietig indien de financiële instelling [...] geen civiele procedure heeft ingeleid of indien de rechter het beroep heeft verworpen of de procedure heeft beëindigd, tenzij de contentieuze procedure [...] met betrekking tot het beding kan worden ingesteld, maar dit niet is gebeurd, of deze procedure wel is ingesteld, maar de rechter het beding niet nietig heeft verklaard overeenkomstig lid 2a.

2a.   Een beding als bedoeld in lid 1 is nietig indien de rechter op grond van de bijzondere wet inzake de afrekening de nietigheid ervan heeft vastgesteld in het kader van een contentieuze procedure die door de toezichthoudende autoriteit in het algemeen belang is ingesteld.

3.   In de in lid 2 en lid 2a bedoelde gevallen moet de financiële instelling op de door de bijzondere wet vastgestelde wijze een afrekening met de consument opstellen.”

Wet DH 2

13

§ 37, lid 1, van de Kúriának a pénzügyi intézmények fogyasztói kölcsönszerződéseire vonatkozó jogegységi határozatával kapcsolatos egyes kérdések rendezéséről szóló 2014. évi XXXVIII. törvényben rögzített elszámolás szabályairól és egyes egyéb rendelkezésekről szóló 2014. évi XL. törvény (wet nr. XL van 2014 betreffende de regels inzake afrekening die zijn vastgesteld in wet nr. XXXVIII van 2014 tot regeling van bepaalde kwesties in verband met de beslissing die de Kúria in het belang van de uniformisering van het recht heeft gegeven met betrekking tot leningsovereenkomsten die kredietinstellingen met consumenten hebben gesloten, en betreffende verschillende andere bepalingen; hierna: „wet DH 2”), bepaalt:

„De partijen kunnen met betrekking tot overeenkomsten die binnen de werkingssfeer van deze wet vallen – ongeacht de ongeldigheidsgrond – slechts vorderen dat de rechter de overeenkomst of bepaalde bedingen ervan [(hierna: ‚gedeeltelijke ongeldigheid’)] ongeldig verklaart indien zij tevens vorderen dat de rechter de rechtsgevolgen van de ongeldigheid toepast, namelijk vaststelt dat de overeenkomst geldig is of gevolgen sorteert tot de datum waarop de beslissing wordt gegeven. Bij gebreke daarvan en wanneer niet wordt ingegaan op het verzoek om het verzoekschrift aan te vullen, kan geen uitspraak worden gedaan over de grond van de zaak. Indien een partij vordert dat de rechter rechtsgevolgen verbindt aan de volledige of gedeeltelijke ongeldigheid, moet zij ook aangeven welk rechtsgevolg dient te worden toegepast. Wat de toepassing van de rechtsgevolgen betreft, moeten de partijen een nauwkeurige en becijferde vordering indienen die tevens de afrekening tussen partijen omvat.”

Wet DH 3

14

§ 10 van az egyes fogyasztói kölcsönszerződések devizanemének módosulásával és a kamatszabályokkal kapcsolatos kérdések rendezéséről szóló 2014. évi LXXVII. törvény (wet nr. LXXVII van 2014 tot regeling van diverse kwesties betreffende de wijziging van de valuta waarin bepaalde met consumenten gesloten leningsovereenkomsten luiden, en houdende regels inzake interesten; hierna: „wet DH 3”), luidt:

„De financiële instelling die crediteur is in het kader van een hypothecaire lening die in vreemde valuta luidt of daarop is gebaseerd, is verplicht om binnen de termijn waarover zij beschikt om een afrekening op te stellen overeenkomstig [wet DH 2], de volledige uitstaande schuld die verschuldigd is krachtens of voortvloeit uit de met een consument gesloten hypothecaire lening die in vreemde valuta luidt of daarop is gebaseerd, en die dient te worden vastgesteld op basis van de overeenkomstig [wet DH 2] te verrichten afrekening, met inbegrip van de in vreemde valuta luidende interesten, kosten en vergoedingen, om te zetten in een schuld in Hongaarse forint. Daarbij dient zij tussen de twee volgende waarden,

a)

het gemiddelde van de wisselkoersen voor de betrokken vreemde valuta die door de Nationale Bank van Hongarije officieel zijn vastgesteld in de periode tussen 16 juni 2014 en 7 november 2014, of

b)

de wisselkoers die door de Nationale Bank van Hongarije officieel is vastgesteld op 7 november 2014,

die te kiezen welke op het referentietijdstip het gunstigste is voor de consument.”

15

§ 15/A van die wet bepaalt:

„1.   In aanhangig gemaakte en nog steeds aanhangige procedures die ertoe strekken dat met consumenten gesloten leningsovereenkomsten (gedeeltelijk) ongeldig worden verklaard of dat de daaraan verbonden rechtsgevolgen worden bepaald, moeten de in deze wet vastgestelde regels voor de omzetting in Hongaarse forint worden toegepast op het bedrag van de schuld van de consument dat voortvloeit uit de leningsovereenkomst die in vreemde valuta luidt of daarop is gebaseerd, zoals vastgesteld op basis van een afrekening die overeenkomstig wet [DH 2] is verricht.

2.   Het bedrag van de aflossingen die de consument heeft verricht tot op de dag waarop de beslissing wordt genomen, wordt afgetrokken van zijn schuld, zoals vastgesteld in Hongaarse forint op het referentietijdstip voor de afrekening.

3.   Wanneer een met een consument gesloten leningsovereenkomst geldig wordt verklaard, moeten de contractuele rechten en plichten van de partijen zoals deze voortvloeien uit de overeenkomstig wet [DH 2] verrichte afrekening, overeenkomstig de bepalingen van deze wet worden vastgesteld.”

Wet Hpt

16

§ 213, lid 1, van de hitelintézetekről és a pénzügyi vállalkozásokról szóló 1996. évi CXII. törvény (wet nr. CXII van 1996 betreffende de kredietinstellingen en de financiële ondernemingen; hierna: „wet Hpt”) bepaalt:

„Een consumentenkredietovereenkomst is nietig wanneer daarin geen melding wordt gemaakt van

[...]

c)

het totale bedrag van de met de overeenkomst verband houdende kosten, met inbegrip van rente, bijkomende kosten en de waarde daarvan op jaarbasis, uitgedrukt in een percentage,

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17

Op 24 mei 2007 heeft Dunai met de bank een leningsovereenkomst in Zwitserse frank (CHF) gesloten, terwijl de lening, volgens de bewoordingen van die overeenkomst, in Hongaarse forint (HUF) moest worden vrijgegeven tegen de wisselkoers CHF‑HUF, gebaseerd op de door de bank gehanteerde aankoopkoers van die dag, wat heeft geleid tot een storting van 14734000 HUF, terwijl het geleende bedrag in Zwitserse frank 115573 CHF bedroeg. De overeenkomst bepaalde eveneens dat de aflossingen van de lening in Hongaarse forint zouden worden gedaan, waarbij de toepasselijke wisselkoers echter de door de bank gehanteerde verkoopkoers zou zijn.

18

Het wisselkoersrisico verbonden aan de schommeling van de wisselkoers van de betrokken valuta, dat zich in casu heeft geconcretiseerd in een daling van de Hongaarse forint ten opzichte van de Zwitserse frank, rustte op Dunai.

19

Aangezien de partijen in het hoofdgeding de betreffende overeenkomst bij notariële akte hadden gesloten, volstond één niet-nakoming door de schuldenaar opdat de overeenkomst uitvoerbaar zou worden, zonder dat een contentieuze procedure bij een Hongaarse rechter nodig was.

20

Op 12 april 2016 heeft de notaris, op verzoek van de bank, de gedwongen tenuitvoerlegging van de overeenkomst gelast. Dunai heeft daartegen bij de verwijzende rechter verzet gedaan en heeft zich daarbij beroepen op de nietigheid van de overeenkomst omdat daarin, in strijd met § 213, lid 1, onder c), van de wet Hpt, geen melding was gemaakt van het verschil tussen de wisselkoersen die bij de vrijgave van de gelden en bij de aflossing van de lening van toepassing waren.

21

De bank heeft om afwijzing van het verzet verzocht.

22

De verwijzende rechter wijst erop dat de Hongaarse wetgever in 2014 een aantal wetten over in vreemde valuta opgestelde leningsovereenkomsten heeft vastgesteld ter uitvoering van een beslissing die de Kúria in het belang van een uniforme uitlegging van het burgerlijk recht had gegeven, op grond van § 25, lid 3, van de Grondwet, naar aanleiding van de uitspraak van het arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282). De Kúria had bij deze beslissing met name geoordeeld dat bedingen als het beding dat is opgenomen in de leningsovereenkomst in het hoofdgeding, volgens welke bij de vrijgave van de gelden de aankoopkoers en bij de aflossing ervan de verkoopkoers van toepassing was, oneerlijk waren.

23

Volgens de verwijzende rechter voorzien die wetten, die op het hoofdgeding van toepassing zijn, met name in de schrapping, in dergelijke overeenkomsten, van bedingen die de bank in staat stellen haar eigen aan‑ en verkoopkoersen van vreemde valuta toe te passen, en in de vervanging ervan door de officiële wisselkoers die door de Nationale Bank van Hongarije voor de betrokken vreemde valuta is vastgesteld. Dit ingrijpen van de wetgever heeft het verschil tussen de verschillende op die koersen gebaseerde wisselkoersen weggenomen.

24

De verwijzende rechter wijst erop dat de aangezochte rechter, als gevolg van die ad-hocwetgeving, niet meer de ongeldigheid van de in vreemde valuta opgestelde leningsovereenkomst kan vaststellen, aangezien hiermee een eind is gemaakt aan de situatie die een ongeldigheidsgrond opleverde, zodat de overeenkomst, en bijgevolg de verplichting voor de consument om de uit het wisselkoersrisico voortvloeiende financiële last te dragen, geldig is. Aangezien het juist deze verplichting is waarvan de consument zich heeft willen bevrijden door een vordering tegen de bank in te stellen, is het niet in zijn belang dat de verwijzende rechter die overeenkomst geldig acht.

25

Volgens de verwijzende rechter is het duidelijk dat de Hongaarse wetgever de inhoud van leningsovereenkomsten uitdrukkelijk heeft gewijzigd teneinde de beslissingen van de aangezochte rechters te sturen in een richting die in het voordeel van de banken is. Hij vraagt zich af of dit in overeenstemming is met de uitlegging die het Hof heeft gegeven van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.

26

Wat de beslissingen betreft die de Kúria kan geven in het belang van een uniforme uitlegging van het burgerlijk recht, waaronder met name beslissing nr. 6/2013 PJE van 16 december 2013, die volgens de verwijzende rechter oplegt dat leningsovereenkomsten zoals aan de orde in het hoofdgeding geldig worden geacht, merkt de verwijzende rechter op dat bij de vaststelling van dergelijke beslissingen door de Kúria noch het beroep op de door de wet aangewezen rechter noch de eerbiediging van de vereisten van een eerlijk proces is gewaarborgd. Hoewel de daartoe te volgen procedure niet contradictoir is, zijn die beslissingen bindend voor rechters bij wie contradictoire procedures aanhangig worden gemaakt.

27

De verwijzende rechter verwijst in deze context naar de punten 69 tot en met 75 van het advies dat de Commissie van Venetië tijdens haar 90ste plenaire zitting (Venetië, 16‑17 maart 2012) heeft uitgebracht over wet nr. CLXII van 2011 betreffende de rechtsstatus en de bezoldiging van rechters en over wet nr. CLXI van 2011 betreffende de organisatie en het beheer van de gerechten van Hongarije, waaruit blijkt dat de beslissingen die in Hongarije uit hoofde van de zogeheten „uniformiseringsprocedure” worden gegeven, betwistbaar zijn uit het oogpunt van de grondrechten.

28

In die omstandigheden heeft de Budai Központi Kerületi Bíróság (rechter in eerste aanleg voor het centrum van Boeda, Hongarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet punt 3 [van het dictum] van het arrest [van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282)] aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter de ongeldigheid van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument ook dan kan verhelpen wanneer voortzetting van de overeenkomst de economische belangen van de consument schaadt?

2)

Is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid voor de wet, non-discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, dat het parlement van een lidstaat bij wet privaatrechtelijke overeenkomsten wijzigt die behoren tot soortgelijke categorieën en zijn gesloten tussen een verkoper en een consument?

3)

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van gelijkheid voor de wet, non-discriminatie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, dat het parlement van een lidstaat bij wet verschillende onderdelen van in vreemde valuta luidende leningsovereenkomsten wijzigt om de consumenten te beschermen, maar daarmee een resultaat bereikt dat in feite indruist tegen de rechtmatige belangen van consumentenbescherming, doordat de leningsovereenkomst na die wijzigingen geldig blijft en de consument de uit het wisselkoersrisico voortvloeiende kosten moet blijven dragen?

4)

Is het, wat overeenkomsten tussen een verkoper en een consument betreft, verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht op een eerlijk proces in aangelegenheden van civielrechtelijke aard, dat de raad voor uniformisering van de hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat de rechtspraak van de aangezochte rechter stuurt door middel van ‚beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht’?

5)

Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is het verenigbaar met de bevoegdheid die aan de Europese Unie is toebedeeld ter waarborging van een hoog niveau van consumentenbescherming en met de algemene Unierechtelijke beginselen van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht op een eerlijk proces in aangelegenheden van civielrechtelijke aard, dat de raad voor uniformisering van de hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat de rechtspraak van de aangezochte rechter stuurt door middel van ‚beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht’, wanneer de rechters niet op een transparante wijze en volgens vooraf vastgestelde regels tot lid van de raad voor uniformisering worden benoemd, de procedure voor die raad niet openbaar is en achteraf niet kan worden achterhaald hoe die raad te werk is gegaan, dat wil zeggen op welke deskundigenverklaringen en rechtsgeleerde publicaties hij zich heeft gebaseerd [alsmede] wat het stemgedrag (voor‑ of tegenstem) van de verschillende leden was?”

Procedure bij het Hof

29

Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 januari 2019, heeft Dunai verzocht om de mondelinge behandeling te heropenen.

30

Ter ondersteuning van dit verzoek voert zij, kort samengevat, aan dat de advocaat-generaal in zijn conclusie twijfels heeft geuit over de precieze betekenis van de vierde en vijfde prejudiciële vraag aangaande de door de Kúria gegeven beslissingen ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht. In dat verband acht Dunai het nodig om het Hof een beschrijving te verstrekken van de elementen waarvan het Hof volgens haar zeker op de hoogte moet zijn om de werkelijke inzet van die vragen te begrijpen, die met name betrekking heeft op het feit dat de Hongaarse rechters geenszins verplicht zijn – noch in de praktijk, noch krachtens een nationale rechtsregel – om een beslissing die is gegeven ten behoeve van een uniforme uitlegging van het recht buiten beschouwing te laten wanneer zij strijdig is met het Unierecht.

31

Krachtens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

32

In casu is het Hof van oordeel, de advocaat-generaal gehoord, dat het over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn om uitspraak te kunnen doen. Het Hof merkt bovendien op dat de door Dunai aangevoerde elementen geen nieuwe feiten zijn in de zin van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

33

In deze omstandigheden is er geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

Prejudiciële vragen

Eerste tot en met derde vraag

34

Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die de aangezochte rechter verhindert om een vordering tot nietigverklaring van een in vreemde valuta luidende leningsovereenkomst, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een contractueel beding dat de consument verplicht om de kosten van het verschil tussen de verkoopkoers en de aankoopkoers van de betrokken valuta te dragen, toe te wijzen, zelfs als die rechter van oordeel is dat het handhaven van de overeenkomst strijdig is met de belangen van de consument aangezien laatstgenoemde het wisselkoersrisico blijft dragen dat bestaat in de financiële last van de eventuele daling van de koers van de nationale munteenheid, die dient als betalingsmunt, ten opzichte van de vreemde valuta waarin de lening moet worden afgelost.

35

Om te beginnen dient te worden verduidelijkt dat, hoewel de eerste tot en met derde vraag slechts verwijzen naar het beding inzake het verschil in wisselkoers als oneerlijk beding dat volgens verzoekster in het hoofdgeding de nietigverklaring van de leningsovereenkomst rechtvaardigt, uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de belanghebbende het onrechtmatige karakter van dit beding aanvoert om zich te bevrijden van het wisselkoersrisico. Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan dus niet worden uitgesloten dat in het hoofdgeding de vraag naar de toepassing van een beding inzake het wisselkoersrisico nog altijd relevant is, temeer daar de verwijzende rechter eventueel ambtshalve het onrechtmatige karakter ervan moet toetsen (zie in die zin arrest van 7 augustus 2018, Banco Santander en Escobedo Cortés, C‑96/16 en C‑94/17, EU:C:2018:643, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Om de nationale rechter dus een nuttig antwoord te geven dat hem in staat stelt het bij hem aanhangige geding te beslechten, moeten de eerste drie vragen ook worden beantwoord uit het oogpunt van het onderzoek van een vordering tot nietigverklaring van een leningsovereenkomst, zoals aan de orde in het hoofdgeding, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding betreffende het wisselkoersrisico.

36

Wat ten eerste het beding inzake het verschil in wisselkoers betreft dat aan de orde is in het hoofdgeding, blijkt in dat verband uit de prejudiciële verwijzing dat de in de eerste drie vragen bedoelde wetgeving de wetten DH 1, DH 2 en DH 3 omvat, zoals uiteengezet in de punten 9 tot en met 14 van het onderhavige arrest, die zijn vastgesteld na het sluiten van de leningsovereenkomsten waarop zij betrekking hebben om uitvoering te geven aan een beslissing van de Kúria die is gegeven naar aanleiding van het arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282). Deze wetten kwalificeren met name bedingen betreffende het verschil in wisselkoers in leningsovereenkomsten zoals omschreven in die wetten als onrechtmatig en nietig, zij vervangen die bedingen met terugwerkende kracht door bedingen die de officiële, door de Nationale Bank van Hongarije vastgestelde wisselkoers toepassen voor de betrokken munteenheid en zetten het resterende, terug te betalen bedrag van de lening voor de toekomst om in een leningsovereenkomst die is gesteld in de nationale munteenheid.

37

Met betrekking tot laatstgenoemde bedingen, die krachtens die wetten met terugwerkende kracht deel zijn gaan uitmaken van de betrokken leningsovereenkomsten, heeft het Hof in de punten 62 tot en met 64 van zijn arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring (C‑51/17, EU:C:2018:750), geoordeeld dat dergelijke bedingen waarin dwingende wettelijke bepalingen zijn overgenomen, niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 kunnen vallen aangezien deze richtlijn, overeenkomstig artikel 1, lid 2, ervan, niet van toepassing is op de bedingen in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument die worden bepaald door een nationale wettelijke regeling.

38

De drie prejudiciële vragen betreffen echter niet de contractuele bedingen die a posteriori door die wetgeving in de leningsovereenkomsten zijn ingevoegd als zodanig, maar de gevolgen van die wetgeving voor de beschermingswaarborgen die voortvloeien uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 wat het beding inzake het verschil in wisselkoers betreft dat oorspronkelijk in de betrokken leningsovereenkomsten stond.

39

In dat verband zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 1, vereist dat de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.

40

Voor zover de Hongaarse wetgever de problemen heeft weggewerkt die verband houden met de praktijk van kredietinstellingen om leningsovereenkomsten te sluiten waarin bedingen met een verschil in wisselkoers staan, door die bedingen bij wet te wijzigen en door tegelijkertijd de geldigheid van die leningsovereenkomsten te vrijwaren, strookt een dergelijke aanpak met het door de Uniewetgever in het kader van richtlijn 93/13 en met name artikel 6, lid 1, ervan nagestreefde doel. Dit doel bestaat immers in het herstel van het evenwicht tussen de partijen, in principe met behoud van de geldigheid van een overeenkomst in haar geheel, en niet in een nietigverklaring van alle overeenkomsten met oneerlijke bedingen (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 31).

41

Evenwel heeft het Hof aangaande dit artikel 6, lid 1, ook reeds geoordeeld dat het in die zin moet worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel moet worden geacht nooit te hebben bestaan zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument, met als gevolg dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 61).

42

Dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 niet belet dat de lidstaten door middel van wetgeving een einde maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in door een verkoper met consumenten gesloten overeenkomsten, neemt echter niet weg dat de wetgever in die context de vereisten moet eerbiedigen die voortvloeien uit artikel 6, lid 1, van die richtlijn.

43

Het feit dat sommige contractuele bedingen door middel van wetgeving onrechtmatig en nietig zijn verklaard en zijn vervangen door nieuwe bepalingen om de betrokken overeenkomst te laten voortbestaan, mag immers niet tot gevolg hebben dat de aan de consumenten gewaarborgde bescherming, zoals in herinnering gebracht in punt 40 van het onderhavige arrest, wordt verzwakt.

44

Voor zover het door Dunai ingestelde beroep zijn oorsprong vindt in het beding betreffende het verschil in wisselkoers dat oorspronkelijk in de met de bank gesloten leningsovereenkomst stond, staat het in casu aan de verwijzende rechter om na te gaan of de nationale wetgeving die degelijke bedingen onrechtmatig heeft verklaard, het mogelijk heeft gemaakt om de situatie waarin Dunai zich zou hebben bevonden zonder dat oneerlijke beding, rechtens en feitelijk te herstellen, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen (zie in die zin arrest van 31 mei 2018, Sziber, C‑483/16, EU:C:2018:367, punt 53).

45

Hieruit volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 niet in de weg staat aan een nationale regeling die de aangezochte rechter verhindert om een vordering tot nietigverklaring van een leningsovereenkomst, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding inzake het verschil in wisselkoers, zoals in het hoofdgeding, toe te wijzen, op voorwaarde dat de vaststelling van het onrechtmatige karakter van een dergelijk beding het mogelijk maakt om de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zou hebben bevonden zonder dat oneerlijke beding, te herstellen.

46

Wat ten tweede de bedingen inzake het wisselkoersrisico betreft, dient in de eerste plaats erop te worden gewezen dat het Hof in de punten 65 tot en met 67 van het arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring (C‑51/17, EU:C:2018:750), reeds heeft geoordeeld dat de in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte overwegingen niet betekenen dat dergelijke bedingen eveneens volledig van de werkingssfeer van richtlijn 93/13 zijn uitgesloten. De wijzigingen die voortvloeien uit artikel 3, lid 2, van wet DH 1 en artikel 10 van wet DH 3 hadden immers niet tot doel de gehele kwestie van het wisselkoersrisico te regelen voor de periode tussen de sluiting van de betrokken leningsovereenkomst en de omzetting ervan in Hongaarse forint uit hoofde van wet DH 3.

47

De verwijzende rechter lijkt evenwel uit te gaan van de premisse dat het voor hem krachtens de bepalingen van de wetten DH 1, DH 2 en DH 3 onmogelijk is, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde leningsovereenkomst nietig te verklaren wanneer het oneerlijke karakter van een beding inzake het wisselkoersrisico zou zijn aangetoond, en hij vraagt zich af of een dergelijke onmogelijkheid strookt met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.

48

In de tweede plaats dient ter zake eraan te worden herinnerd dat, met betrekking tot contractuele bedingen inzake het wisselkoersrisico, uit de rechtspraak van het Hof volgt dat dergelijke bedingen, doordat zij het eigenlijke voorwerp van de leningsovereenkomst bepalen, binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 vallen en enkel aan de beoordeling van hun oneerlijke karakter ontsnappen voor zover de bevoegde nationale rechter, na een beoordeling per geval, oordeelt dat zij door de verkoper duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (zie in die zin arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49

In de derde plaats, als de verwijzende rechter van oordeel is dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding inzake het wisselkoersrisico niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd in de zin van artikel 4, lid 2, staat het aan hem om te onderzoeken of dat beding oneerlijk is en, in het bijzonder, of het, niettegenstaande de vereiste van goede trouw, een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen veroorzaakt ten nadele van de betrokken consument (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 64).

50

In de vierde plaats, wat de gevolgen betreft die moeten worden verbonden aan het eventueel oneerlijke karakter van een dergelijk beding, vereist artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, zoals in punt 39 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.

51

Wat in de vijfde plaats de vraag betreft of een leningsovereenkomst zoals aan de orde in het hoofdgeding in zijn geheel moet worden nietig verklaard wanneer is vastgesteld dat één beding ervan oneerlijk is, dient te worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, zoals al in punt 40 van het onderhavige arrest is uiteengezet, streeft naar het herstel van het evenwicht tussen de partijen en niet naar nietigverklaring van alle overeenkomsten met oneerlijke bedingen. Voorts moet de overeenkomst in beginsel, zonder andere wijzigingen dan de schrapping van de oneerlijke bedingen, voortbestaan voor zover volgens de regels van nationaal recht dat voortbestaan van de overeenkomst rechtens mogelijk is (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C‑421/14, EU:C:2017:60, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat volgens een objectieve benadering moet worden getoetst (zie in die zin arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič, C‑453/10, EU:C:2012:144, punt 32).

52

Zoals al is opgemerkt in punt 48 van het onderhavige arrest, bepaalt in casu het beding inzake het wisselkoersrisico het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. In een dergelijk geval lijkt het voortbestaan van de overeenkomst rechtens niet mogelijk; dit dient de verwijzende rechter echter te beoordelen.

53

In dat verband lijkt uit de door de verwijzende rechter overgelegde gegevens te volgen dat één van de bepalingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetten, te weten § 37, lid 1, van wet DH 2, inhoudt dat wanneer de consument de onrechtmatigheid aanvoert van enig ander beding dan dat betreffende het verschil in wisselkoers of het beding dat de mogelijkheid biedt om de rente, de kosten en de vergoedingen eenzijdig te verhogen, hij ook moet vorderen dat de aangezochte rechter de overeenkomst geldig verklaart tot de datum van zijn beslissing. Zo verhindert die bepaling, in strijd met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, dat de consument niet is gebonden door het betrokken oneerlijke beding, in voorkomend geval door de nietigverklaring van de betrokken overeenkomst in haar geheel als deze overeenkomst niet zonder dat beding kan voortbestaan.

54

Overigens dient nog benadrukt te worden dat, hoewel het Hof in zijn arrest van 30 april 2014, Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:282, punten 83 en 84), heeft erkend dat de nationale rechter de mogelijkheid heeft om een oneerlijk beding te vervangen door een nationale bepaling van aanvullend recht opdat de overeenkomst kan blijven voortbestaan, uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat deze mogelijkheid beperkt is tot gevallen waarin de nietigverklaring van de overeenkomst in haar geheel de consument zou confronteren met uiterst nadelige consequenties, zodat hij in zijn belangen zou worden geschaad (zie in die zin arresten van 7 augustus 2018, Banco Santander en Escobedo Cortés, C‑96/16 en C‑94/17, EU:C:2018:643, punt 74, en 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 61).

55

In het hoofdgeding volgt uit de vaststellingen van de verwijzende rechter dat het voortbestaan van de overeenkomst ingaat tegen de belangen van Dunai. De in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde vervanging lijkt zich dus in casu niet op te dringen.

56

Gelet op het voorgaande dient op de eerste drie vragen te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat:

het niet in de weg staat aan een nationale regeling die de aangezochte rechter verhindert om een vordering tot nietigverklaring van een leningsovereenkomst, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding inzake het verschil in wisselkoers, zoals in het hoofdgeding, toe te wijzen, op voorwaarde dat de vaststelling van het onrechtmatige karakter van een dergelijk beding het mogelijk maakt om de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zou hebben bevonden zonder dat oneerlijke beding, te herstellen, en

het in de weg staat aan een nationale regeling die, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de aangezochte rechter verhindert om een vordering tot nietigverklaring van een leningsovereenkomst, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding inzake het wisselkoersrisico, toe te wijzen, wanneer is vastgesteld dat dit beding oneerlijk is en dat de overeenkomst niet kan voortbestaan zonder dat beding.

Vierde en vijfde vraag

57

Met zijn vierde en vijfde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van daadwerkelijke rechterlijke bescherming en eerlijk proces, gelet op het doel van de Unie om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, eraan in de weg staat dat lagere nationale rechterlijke instanties in de uitoefening van hun rechtsprekende functies formeel zijn gebonden door abstracte en algemene beslissingen die door de hoogste rechterlijke instantie, zoals de Kúria, worden gegeven ten behoeve van de uniforme uitlegging van het recht.

58

Om te beginnen is het juist dat de verwijzende rechter, om uitdrukking te geven aan zijn twijfels over de verenigbaarheid met het Unierecht van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde uniformiseringsprocedure, in zijn motivering ter ondersteuning van zijn vierde en vijfde vraag niet alleen verwijst naar de bevoegdheden van de Unie om een hoog niveau van bescherming te waarborgen en naar algemene beginselen zoals het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, maar ook naar enkele concrete Unierechtelijke bepalingen, zoals artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Dit neemt echter niet weg dat die vragen in het algemeen betrekking hebben op de organisatie van het Hongaarse gerechtelijke systeem en de middelen waarin het voorziet om de uniformiteit van de nationale rechtspraak te waarborgen.

59

Zoals de advocaat-generaal in wezen in de punten 103 en 106 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lijkt dit aspect echter slechts zeer in de verte verband te houden met het hoofdgeding, dat ziet op een vordering van een consument om zich te kunnen bevrijden van een door hem gesloten leningsovereenkomst op grond dat deze overeenkomst een oneerlijk beding bevat, en voorts lijkt uit de door de verwijzende rechter overgelegde gegevens voort te vloeien dat het voortaan de wetten DH 1, DH 2 en DH 3 zijn die de Hongaarse rechterlijke instanties binden wat de bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen zoals aan de orde in het hoofdgeding betreft, en niet langer de beslissingen van de Kúria ter zake, aangezien die wetten zijn aangenomen om uitvoering te geven aan die beslissingen.

60

Gelet op die gegevens dient te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vierde en vijfde vraag wenst te vernemen of richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, zich ertegen verzet dat een hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat, in het belang van de uniforme uitlegging van het recht, bindende beslissingen neemt over de wijze van tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

61

In dat verband kan een bevestigend antwoord op die vragen zich opdringen indien die beslissingen het voor de bevoegde rechter onmogelijk zouden maken om de volle werking van de bepalingen van richtlijn 93/13 te waarborgen door, indien nodig op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing te laten, met inbegrip van elke strijdige rechterlijke praktijk, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving, rechtspraak of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten, en voorts indien de mogelijkheid om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, zou worden belemmerd (zie in die zin arrest van 5 april 2016, PFE, C‑689/13, EU:C:2016:199, punten 34, 40 en 41, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62

Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt echter niet dat de verwijzende rechter dergelijke beslissingen niet buiten toepassing kan laten wanneer hij dat noodzakelijk acht om de volle werking van richtlijn 93/13 te waarborgen, en evenmin blijkt, zoals de onderhavige procedure aantoont, dat hij hierover geen prejudiciële vragen kan stellen aan het Hof. Verder wijst geen enkel gegeven uit het dossier erop dat de verwijzende rechter niet in staat is om in casu aan verzoekster in het hoofdgeding een doeltreffende voorziening in rechte te bieden met het oog op de bescherming van de rechten die zij eraan kan ontlenen.

63

Zoals de advocaat-generaal in punt 113 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft het Hof in punt 68 van het arrest van 7 augustus 2018, Banco Santander en Escobedo Cortés (C‑96/16 en C‑94/17, EU:C:2018:643), geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat de hoogste rechterlijke instanties van een lidstaat, in hun rol bij de harmonisering van de uitlegging van het recht en omwille van de rechtszekerheid, met inachtneming van richtlijn 93/13 bepaalde criteria formuleren aan de hand waarvan de lagere rechterlijke instanties het oneerlijke karakter van contractuele bedingen moeten beoordelen.

64

Gelet op het voorgaande dient op de vierde en de vijfde vraag te worden geantwoord dat richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, zich niet ertegen verzet dat een hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat, in het belang van de uniforme uitlegging van het recht, bindende beslissingen neemt over de wijze van tenuitvoerlegging van deze richtlijn, voor zover die beslissingen niet verhinderen dat de bevoegde rechter de volle werking van de bepalingen van die richtlijn kan waarborgen en de consument een doeltreffende voorziening in rechte kan bieden met het oog op de bescherming van de rechten die hij eraan kan ontlenen, en voor zover zij evenmin beletten dat die rechter hierover prejudiciële vragen stelt aan het Hof, wat de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

Kosten

65

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat:

het niet in de weg staat aan een nationale regeling die de aangezochte rechter verhindert om een vordering tot nietigverklaring van een leningsovereenkomst, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding inzake het verschil in wisselkoers, zoals in het hoofdgeding, toe te wijzen, op voorwaarde dat de vaststelling van het onrechtmatige karakter van een dergelijk beding het mogelijk maakt om de situatie waarin de consument zich rechtens en feitelijk zou hebben bevonden zonder dat oneerlijke beding, te herstellen, en

het in de weg staat aan een nationale regeling die, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de aangezochte rechter verhindert om een vordering tot nietigverklaring van een leningsovereenkomst, die is gebaseerd op het oneerlijke karakter van een beding inzake het wisselkoersrisico, toe te wijzen, wanneer is vastgesteld dat dit beding oneerlijk is en dat de overeenkomst niet kan voortbestaan zonder dat beding.

 

2)

Richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verzet zich niet ertegen dat een hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat, in het belang van de uniforme uitlegging van het recht, bindende beslissingen neemt over de wijze van tenuitvoerlegging van deze richtlijn, voor zover die beslissingen niet verhinderen dat de bevoegde rechter de volle werking van de bepalingen van die richtlijn kan waarborgen en de consument een doeltreffende voorziening in rechte kan bieden met het oog op de bescherming van de rechten die hij eraan kan ontlenen, en voor zover zij evenmin beletten dat die rechter hierover prejudiciële vragen stelt aan het Hof, wat de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Top