Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0021

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 6 september 2018.
Catlin Europe SE tegen O. K. Trans Praha spol. s r. o.
Verzoek van de Nejvyšší soud om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Europese betalingsbevelprocedure – Verordening (EG) nr. 1896/2006 – Uitvaardiging van een betalingsbevel samen met het verzoek om een bevel – Ontbreken van een vertaling van het verzoek om een bevel – Uitvoerbaar verklaard Europees betalingsbevel – Verzoek om heroverweging na het verstrijken van de termijn voor de indiening van een verweerschrift – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening (EG) nr. 1393/2007 – Toepasselijkheid – Artikel 8 en bijlage II – Mededeling aan de geadresseerde van het recht om de ontvangst te weigeren van een niet-vertaald stuk dat het geding inleidt – Ontbreken van het modelformulier – Gevolgen.
Zaak C-21/17.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:675

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

6 september 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Europese betalingsbevelprocedure – Verordening (EG) nr. 1896/2006 – Uitvaardiging van een betalingsbevel samen met het verzoek om een bevel – Ontbreken van een vertaling van het verzoek om een bevel – Uitvoerbaar verklaard Europees betalingsbevel – Verzoek om heroverweging na het verstrijken van de termijn voor de indiening van een verweerschrift – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening (EG) nr. 1393/2007 – Toepasselijkheid – Artikel 8 en bijlage II – Mededeling aan de geadresseerde van het recht om de ontvangst te weigeren van een niet-vertaald stuk dat het geding inleidt – Ontbreken van het modelformulier – Gevolgen”

In zaak C‑21/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) bij beslissing van 30 november 2016, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2017, in de procedure

Catlin Europe SE

tegen

O.K. Trans Praha spol. s r. o.,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet, M. Berger en F. Biltgen (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

O.K. Trans Praha spol. s r. o., vertegenwoordigd door M. Laipold, advokát,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Karra, A. Dimitrakopoulou, M. Tassopoulou en E. Tsaousi als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Rocchitta, avvocato dello Stato,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Šimerdová en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 mei 2018,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1) en van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Catlin Europe SE en O.K. Trans Praha spol. s r. o over een Europese betalingsbevelprocedure.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1896/2006

3

Artikel 7 van verordening nr. 1896/2006 bepaalt:

„1.   Het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend door middel van het standaardformulier A van bijlage I.

2.   Het verzoek vermeldt:

[...]

d)

de grondslag van de rechtsvordering, waaronder een beschrijving van de elementen waarmee de schuldvordering en, in voorkomend geval, de geëiste rente worden gestaafd;

e)

een beschrijving van het bewijs tot staving van de schuldvordering;

[...]”

4

In artikel 12, lid 2, van deze verordening staat te lezen:

„Het Europees betalingsbevel wordt uitgevaardigd samen met een afschrift van het verzoekformulier. [...]”

5

Artikel 16, leden 1 tot en met 3, van dezelfde verordening bepaalt:

„1.   De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen [...].

2.   Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3.   In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.”

6

Artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, met als opschrift „Heroverweging in uitzonderingsgevallen”, luidt:

„1.   De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

i)

het betalingsbevel is op een van de in artikel 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht;

en

ii)

de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld, niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,

of

b)

de verweerder [heeft] de vordering niet [...] kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld,

mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.

2.   Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

3.   Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht.

Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.”

7

In artikel 26 van deze verordening staat te lezen:

„Niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht.”

8

Artikel 27 van verordening nr. 1896/2006, met als opschrift „Verhouding tot verordening (EG) nr. 1348/2000”, preciseert:

„Deze verordening laat onverlet de toepassing van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken [(PB 2000, L 160, blz. 37)].”

9

Bijlage I bij verordening nr. 1896/2006 bevat formulier A, met als opschrift „Verzoek om een Europees betalingsbevel”.

10

Formulier E voor de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel is opgenomen in bijlage V bij deze verordening.

Verordening nr. 1393/2007

11

Volgens artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 is deze verordening van toepassing in burgerlijke en in handelszaken waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar.

12

Artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Weigering van ontvangst van een stuk”, luidt:

„1.   De ontvangende instantie stelt degene voor wie het stuk is bestemd, door middel van het in bijlage II opgenomen modelformulier in kennis van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden, indien het niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen:

a)

een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt,

of

b)

de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.

2.   Indien de ontvangende instantie ervan op de hoogte is gesteld dat de persoon voor wie het stuk is bestemd dit overeenkomstig lid 1 weigert in ontvangst te nemen, stelt zij de verzendende instantie daarvan onmiddellijk door middel van het in artikel 10 bedoelde certificaat in kennis en zendt zij de aanvraag alsmede de stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd terug.

3.   Indien degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig lid 1 heeft geweigerd het stuk in ontvangst te nemen, kan de betekening of kennisgeving van het stuk worden geregulariseerd door aan degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig deze verordening betekening of kennisgeving te doen van het stuk vergezeld van een vertaling in een taal zoals bedoeld in lid 1. In dat geval is de datum van betekening of kennisgeving van het stuk die waarop de betekening of kennisgeving van het stuk vergezeld van de vertaling overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. Wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat echter binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, dan is de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking wordt genomen de datum van betekening of kennisgeving van het oorspronkelijke stuk, vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 2.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing op de wijzen van verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken overeenkomstig afdeling 2.

5.   Voor de toepassing van lid 1, stellen diplomatieke of consulaire ambtenaren, wanneer de betekening of kennisgeving overeenkomstig artikel 13 is verricht, of de autoriteit of persoon, wanneer de betekening of kennisgeving overeenkomstig artikel 14 is verricht, degene voor wie het stuk is bestemd in kennis van het feit dat hij kan weigeren het stuk in ontvangst te nemen en dat geweigerde stukken naar deze ambtenaren of naar deze autoriteit of bevoegde persoon moeten worden gezonden.”

13

In het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier („Mededeling aan de geadresseerde inzake zijn recht om de ontvangst van een stuk te weigeren”) wordt ten behoeve van degene voor wie het stuk is bestemd, het volgende vermeld:

„U kunt weigeren het stuk in ontvangst te nemen indien het niet gesteld is in of vergezeld gaat van een vertaling, ofwel in een taal die u begrijpt ofwel in de officiële taal/een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving.

Indien u dat recht wenst uit te oefenen, moet u onmiddellijk bij de betekening of kennisgeving van het stuk en rechtstreeks ten aanzien van de persoon die de betekening of kennisgeving verricht de ontvangst ervan weigeren of moet u het stuk binnen een week terugzenden naar het onderstaande adres en verklaren dat u de ontvangst ervan weigert.”

14

Dat modelformulier bevat ook een „verklaring van de geadresseerde”, die de geadresseerde moet ondertekenen als hij weigert om het betreffende stuk in ontvangst te nemen. Deze verklaring luidt:

„Ik weiger de ontvangst van het hieraan gehechte stuk, omdat dit niet gesteld is in of vergezeld gaat van een vertaling, ofwel in een taal die ik begrijp ofwel in de officiële taal/een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving.”

15

Ten slotte wordt op dat modelformulier aangegeven dat de geadresseerde in dat geval dient te vermelden welke officiële taal of talen van de Unie hij begrijpt.

16

Artikel 25 van verordening nr. 1393/2007 bepaalt:

„1.   Verordening (EG) nr. 1348/2000 wordt ingetrokken met ingang van de datum vanaf welke de onderhavige verordening van toepassing is.

2.   Elke verwijzing naar de ingetrokken verordening wordt gelezen als een verwijzing naar de onderhavige verordening [...].”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

17

Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft O.K. Trans Praha, een vennootschap naar Tsjechisch recht, de Okresní soud Praha – západ (rechter voor het district West-Praag, Tsjechië) verzocht om een Europees betalingsbevel tegen Catlin Innsbruck GmbH, een in Oostenrijk gevestigde vennootschap die in rechte is opgevolgd door Catlin Europe, die is gevestigd te Keulen (Duitsland).

18

De Okresní soud Praha – západ heeft dit verzoek toegewezen door op 1 augustus 2012 het gevraagde Europese betalingsbevel uit te vaardigen.

19

Dit bevel is op 3 augustus 2012 aan Catlin Europe ter kennis gebracht en is op 3 september 2012 uitvoerbaar geworden.

20

Op 21 december 2012, dus na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 vastgestelde termijn voor de indiening van een verweerschrift, heeft Catlin Europe overeenkomstig artikel 20, lid 2, van deze verordening verzocht dat bevel te heroverwegen.

21

Ter ondersteuning van dit verzoek heeft Catlin Europe aangevoerd dat zij, in strijd met artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, niet door middel van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier in kennis was gesteld van haar recht om te weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen terwijl dit stuk niet was gesteld in of vergezeld ging van een vertaling in een van de in die bepaling bedoelde talen.

22

Het afschrift van het aanvraagformulier voor een betalingsbevel, dat overeenkomstig de voorschriften van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bij het betalingsbevel van 1 augustus 2012 was gevoegd, was immers uitsluitend opgesteld in het Tsjechisch, zonder dat het vergezeld ging van een vertaling in het Duits.

23

Catlin Europe heeft hieruit de gevolgtrekking gemaakt dat zij niet in staat was het stuk te begrijpen waarmee het geding was ingeleid, hetgeen een uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 vormt die de heroverweging van het bevel op grond van deze bepaling rechtvaardigt.

24

De Okresní soud Praha – západ heeft dit verzoek om heroverweging echter afgewezen bij beslissing van 8 april 2013, die op 17 juni 2013 in hoger beroep is bevestigd door de Krajský soud v Praze (rechter in tweede aanleg Praag, Tsjechië).

25

Volgens de Krajský soud v Praze was het Europese betalingsbevel naar behoren ter kennis gebracht van Catlin Europe overeenkomstig de vereisten van artikel 14 van verordening nr. 1896/2006. Voorts kon het feit dat geen informatie was verstrekt over de mogelijkheid voor de geadresseerde om overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 te weigeren het ter kennis gebrachte stuk in ontvangst te nemen, noch het bevel ongeldig maken noch de heroverweging ervan rechtvaardigen, omdat verordening nr. 1896/2006 niet in een dergelijk gevolg voorziet.

26

Catlin Europe heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië).

27

Deze rechter vraagt zich af of de niet-naleving van de voorschriften van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 in de voor hem aanhangige zaak de heroverweging van het bevel als bedoeld in artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 rechtvaardigt.

28

Met name bevat verordening nr. 1896/2006 geen enkel voorschrift over de taal waarin het verzoek om een betalingsbevel aan de verweerder moet worden betekend of ter kennis gebracht. Bovendien zijn in deze verordening – anders dan in verordening nr. 1393/2007 – specifieke regels vervat die zijn gebaseerd op het gebruik van standaardformulieren die zijn opgenomen in de bijlagen bij die verordening en die hoofdzakelijk moeten worden ingevuld met behulp van vooraf vastgestelde numerieke codes. De verwijzende rechter wenst derhalve te vernemen of een procedurefout als die welke door Catlin Europe wordt aangevoerd, de rechten van de verdediging kan schenden.

29

In deze omstandigheden heeft de Nejvyšší soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dient artikel 20, lid 2, van [verordening nr. 1896/2006] aldus te worden uitgelegd dat het verzuim om degene voor wie het stuk bestemd is, in kennis te stellen van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen, als bepaald in artikel 8, lid 1, van [verordening nr. 1393/2007], de verweerder (degene voor wie het stuk bestemd is) het recht geeft om te verzoeken om heroverweging van het Europese betalingsbevel, overeenkomstig artikel 20, lid 2, van [verordening nr. 1896/2006]?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

30

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1896/2006 en verordening nr. 1393/2007 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een Europees betalingsbevel wordt betekend aan of ter kennis gebracht van de verweerder zonder dat het daarbij gevoegde verzoek om een bevel is gesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die hij wordt geacht te begrijpen – zoals artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 vereist – deze verweerder door middel van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier naar behoren in kennis moet worden gesteld van zijn recht om te weigeren het betreffende stuk in ontvangst te nemen. Daarnaast wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de gevolgen zijn van het verzuim om die informatie te verstrekken, en meer bepaald of deze omstandigheid een verzoek om heroverweging van het Europese betalingsbevel op grond van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 kan rechtvaardigen.

31

Wat betreft het eerste aspect van de prejudiciële vraag, dat betrekking heeft op de toepasselijkheid van de voorschriften van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 in verband met de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel aan de verweerder samen met het aanvraagformulier voor een bevel overeenkomstig de voorschriften van verordening nr. 1896/2006, zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 de geadresseerde van een te betekenen of ter kennis te brengen stuk uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om te weigeren dit stuk in ontvangst te nemen indien het niet is opgesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in hetzij een taal die hij begrijpt, hetzij de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of – indien er in die lidstaat verschillende officiële talen zijn – de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.

32

In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat deze mogelijkheid om te weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen, een recht vormt van degene voor wie dat stuk is bestemd (zie in die zin arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus, C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 49; beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat, C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 61, en arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 50).

33

Zoals het Hof eveneens heeft beklemtoond, vloeit het recht om te weigeren een te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen, voort uit de noodzaak om de rechten van verdediging van degene voor wie het stuk bestemd is, te beschermen in overeenstemming met de vereisten van een eerlijk proces, die zijn verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verordening nr. 1393/2007 beoogt namelijk weliswaar in de eerste plaats de doelmatigheid en snelheid van gerechtelijke procedures te verbeteren en een goede rechtsbedeling te verzekeren, maar dit neemt niet weg dat het Hof heeft geoordeeld dat bij het nastreven van die doelstellingen op geen enkele wijze afbreuk mag worden gedaan aan de daadwerkelijke eerbiediging van de rechten van verdediging van degenen voor wie de betreffende stukken bestemd zijn (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

Er dient dus niet alleen op te worden toegezien dat degene voor wie een stuk bestemd is, dat stuk daadwerkelijk ontvangt, maar ook dat hij in staat wordt gesteld de betekenis en reikwijdte van de in het buitenland tegen hem ingestelde vordering te vernemen en effectief en volledig te begrijpen, zodat hij zijn verweer behoorlijk kan voorbereiden en in de lidstaat van herkomst zijn rechten daadwerkelijk kan doen gelden (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

Wil het in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 genoemde recht de ermee beoogde effecten daadwerkelijk sorteren, dan is het noodzakelijk dat aan degene voor wie het stuk bestemd is, vooraf en schriftelijk naar behoren wordt meegedeeld dat hij dat recht heeft (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

In het door verordening nr. 1393/2007 ingevoerde stelsel wordt die informatie aan die persoon verstrekt door middel van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

Wat betreft de reikwijdte die aan dit modelformulier moet worden toegekend, heeft het Hof reeds geoordeeld dat verordening nr. 1393/2007 niet voorziet in enige uitzondering op het gebruik van dat formulier (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 55en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Uit die overweging en uit de doelstelling die wordt nagestreefd met het in bijlage II bij die verordening opgenomen modelformulier, zoals omschreven in de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest, moet worden afgeleid dat de met de betekening of kennisgeving belaste autoriteit verplicht is om – in alle omstandigheden en zonder dat zij ter zake over enige beoordelingsmarge beschikt – aan degene voor wie een stuk bestemd is, mee te delen dat hij het recht heeft te weigeren dat stuk in ontvangst te nemen, waarbij zij stelselmatig gebruik dient te maken van genoemd modelformulier (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

Wat betreft de vraag of de voorgaande overwegingen ook moeten gelden met betrekking tot verordening nr. 1896/2006, moet worden vastgesteld dat artikel 27 ervan expliciet bepaalt dat deze verordening de toepassing van verordening nr. 1348/2000 onverlet laat. Laatstgenoemde verordening is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1393/2007, waarvan artikel 25, lid 2, bepaalt dat „[e]lke verwijzing naar [verordening nr. 1348/2000] wordt gelezen als een verwijzing naar [verordening nr. 1393/2007]”.

40

Derhalve moet over de niet door verordening nr. 1896/2006 geregelde kwesties op het gebied van betekening of kennisgeving van een Europees betalingsbevel samen met het verzoek om een bevel in voorkomend geval worden beslist overeenkomstig verordening nr. 1393/2007.

41

Voorts lijdt het geen twijfel dat het verzoek om een bevel, dat het stuk vormt waarmee de procedure tot uitvaardiging van het Europese betalingsbevel wordt ingeleid, moet worden aangemerkt als „stuk” in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007.

42

Daarbij komt dat het Europese betalingsbevel volgens artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 wordt uitgevaardigd samen met een afschrift van het verzoekformulier, zodat de betekening of kennisgeving van het bevel aan de verweerder eveneens gepaard gaat met de betekening of kennisgeving van het verzoek. In casu heeft een dergelijke dubbele betekening of kennisgeving plaatsgevonden.

43

Dientengevolge is artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 niet alleen van toepassing op de betekening of kennisgeving van het bevel zelf, maar ook op de betekening of kennisgeving van het verzoek om een bevel. Bijgevolg moet elk van beide stukken aan de geadresseerde ervan worden betekend of ter kennis gebracht in een taal die hij geacht wordt te begrijpen in de zin van voornoemd artikel 8, lid 1. Daartoe moet de betekening of kennisgeving vergezeld gaan van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier dat de betrokkene in kennis stelt van zijn recht om te weigeren het betreffende stuk in ontvangst te nemen.

44

Deze conclusie geldt temeer daar de bij verordening nr. 1896/2006 ingevoerde Europese betalingsbevelprocedure geen procedure op tegenspraak is, in die zin dat de nationale rechter louter op basis van het door de eiser ingediende verzoek uitspraak doet, zonder dat de verweerder ervan in kennis wordt gesteld dat tegen hem een procedure loopt.

45

De verweerder heeft dus pas in het stadium van de betekening of kennisgeving van het bevel de mogelijkheid om kennis te nemen van het bestaan en de inhoud van het verzoek. De eerbiediging van de rechten van de verdediging, die artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 beoogt te beschermen, is in deze context dan ook bijzonder belangrijk.

46

Dat het verzoek om een bevel overeenkomstig verordening nr. 1896/2006 wordt ingediend door middel van een standaardformulier waarvan het model is opgenomen in bijlage I bij deze verordening, is in zoverre niet relevant.

47

Immers, een groot aantal vakken van dit standaardformulier kan weliswaar worden ingevuld met behulp van vooraf vastgestelde codes en is dus gemakkelijk te begrijpen aangezien de toelichtingen bij die codes in alle officiële talen van de Unie zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, maar dat standaardformulier legt de eiser tevens de verplichting op om – zoals blijkt uit artikel 7, lid 2, onder d) en e), van verordening nr. 1896/2006 – nadere toelichtingen te verstrekken met het oog op de beschrijving van zowel de concrete omstandigheden die aan de schuldvordering ten grondslag worden gelegd als het bewijs waarmee het verzoek wordt gestaafd. De verweerder moet van deze gegevens kennis kunnen nemen in een taal die hij geacht wordt te beheersen, opdat hij de betekenis en draagwijdte van de in het buitenland tegen hem ingeleide procedure daadwerkelijk en volledig begrijpt en in voorkomend geval zijn verweer kan voorbereiden.

48

Gelet op het voorgaande dient dan ook te worden geoordeeld dat het gebruik van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier niet alleen dwingend en systematisch is voorgeschreven voor de betekening of kennisgeving van het Europese betalingsbevel, maar tevens voor de daarmee gepaard gaande betekening of kennisgeving van het verzoek om een bevel.

49

Wat betreft het tweede aspect van de prejudiciële vraag, dat betrekking heeft op de gevolgen die voortvloeien uit de niet-nakoming van deze verplichting, is het vaste rechtspraak dat het verzuim om het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier bij het stuk te voegen, niet kan leiden tot nietigheid van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk, noch tot nietigheid van de betekenings- of kennisgevingsprocedure, aangezien een dergelijk gevolg onverenigbaar zou zijn met de doelstelling van deze verordening, namelijk te voorzien in een rechtstreekse, snelle en doeltreffende wijze van verzending tussen de lidstaten van stukken in burgerlijke en in handelszaken (arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 57en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

Daartegenover staat dat de toezending van voornoemd modelformulier een wezenlijk vormvoorschrift is dat tot doel heeft de rechten van verdediging van de geadresseerde van het stuk te waarborgen, zodat het verzuim ervan moet worden hersteld overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1393/2007. De met de betekening of kennisgeving belaste autoriteit dient de geadresseerde van het stuk onverwijld mee te delen dat hij het recht heeft de inontvangstneming ervan te weigeren, door hem dat modelformulier overeenkomstig artikel 8, lid 1, van die verordening toe te zenden (zie in die zin arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 58en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51

Om identieke redenen als die welke in de punten 39 tot en met 48 van het onderhavige arrest zijn vermeld, moeten dezelfde regels naar analogie ook gelden voor de betekening of kennisgeving van stukken in het kader van verordening nr. 1896/2006.

52

Hieruit volgt dat in een geval als in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de betekening of kennisgeving aan de verweerder van het verzoek om een betalingsbevel dat is opgesteld in een andere taal dan de talen die worden bedoeld in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, niet vergezeld is gegaan van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier, dit verzuim en het daaruit voortvloeiende verzuim om degene voor wie het stuk is bestemd, in kennis te stellen van zijn recht om de inontvangstneming van dat stuk te weigeren zo spoedig mogelijk overeenkomstig de bepalingen van die verordening moeten worden hersteld door toezending van dat modelformulier aan de betrokkene.

53

Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer er sprake is van een onregelmatige betekening of kennisgeving zoals in het hoofdgeding, het Europese betalingsbevel niet op rechtsgeldige wijze uitvoerbaar is geworden en de voor de verweerder geldende termijn voor indiening van een verweerschrift geen aanvang heeft genomen (zie naar analogie arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen, C‑119/13 en C‑120/13, EU:C:2014:2144, punten 4143, en punt 48).

54

Bijgevolg is de door de verwijzende rechter opgeworpen kwestie van de heroverweging van het Europese betalingsbevel op grond van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 in casu niet aan de orde.

55

Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 1896/2006 en verordening nr. 1393/2007 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een Europees betalingsbevel wordt betekend aan of ter kennis gebracht van de verweerder zonder dat het daarbij gevoegde verzoek om een bevel is gesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die hij wordt geacht te begrijpen – zoals artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 vereist – deze verweerder door middel van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier naar behoren in kennis moet worden gesteld van zijn recht om te weigeren het betreffende stuk in ontvangst te nemen.

56

Als aan dit vormvereiste niet is voldaan, moet de procedure overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1393/2007 worden geregulariseerd door het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier toe te zenden aan de betrokkene.

57

Alsdan brengt de procedurele onregelmatigheid bij de betekening of kennisgeving van het Europese betalingsbevel, samen met het verzoek om een bevel, met zich mee dat dit bevel niet uitvoerbaar is geworden en dat de voor de verweerder geldende termijn voor de indiening van een verweerschrift geen aanvang kan hebben genomen, zodat artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 niet van toepassing kan zijn.

Kosten

58

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, en verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, moeten aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een Europees betalingsbevel wordt betekend aan of ter kennis gebracht van de verweerder zonder dat het daarbij gevoegde verzoek om een bevel is gesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in een taal die hij wordt geacht te begrijpen – zoals artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 vereist – deze verweerder door middel van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier naar behoren in kennis moet worden gesteld van zijn recht om te weigeren het betreffende stuk in ontvangst te nemen.

 

Als aan dit vormvereiste niet is voldaan, moet de procedure overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1393/2007 worden geregulariseerd door het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier toe te zenden aan de betrokkene.

 

Alsdan brengt de procedurele onregelmatigheid bij de betekening of kennisgeving van het Europese betalingsbevel, samen met het verzoek om een bevel, met zich mee dat dit bevel niet uitvoerbaar is geworden en dat de voor de verweerder geldende termijn voor de indiening van een verweerschrift geen aanvang kan hebben genomen, zodat artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 niet van toepassing kan zijn.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Top