Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CJ0020

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 21 juni 2018.
Procedure ingeleid door Vincent Pierre Oberle.
Verzoek van het Kammergericht Berlin om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikel 4 – Algemene bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel – Nationale regeling die de internationale bevoegdheid voor de opstelling van nationale erfrechtverklaringen regelt – Europese erfrechtverklaring.
Zaak C-20/17.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:485

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

21 juni 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Artikel 4 – Algemene bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel – Nationale regeling die de internationale bevoegdheid voor de opstelling van nationale erfrechtverklaringen regelt – Europese erfrechtverklaring”

In zaak C‑20/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Kammergericht Berlin (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland) bij beslissing van 10 januari 2017, ingekomen bij het Hof op 18 januari 2017, in de procedure ingeleid door

Vincent Pierre Oberle

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Tizzano, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, C. Toader (rapporteur), A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 november 2017,

gelet op de opmerkingen van:

de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Hellmann, T. Henze en E. Lankenau als gemachtigden,

de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Armoët als gemachtigde,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Nowak en S. Żyrek als gemachtigden,

de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo en M. Carvalho als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2018,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure die Vincent Pierre Oberle had ingeleid bij het Amtsgericht Schöneberg (rechter in eerste aanleg Schöneberg, Duitsland) om een nationale erfrechtverklaring te verkrijgen na het overlijden van zijn vader, een Frans staatsburger met laatste gewone verblijfplaats in Frankrijk.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 7 tot en met 9, 27, 32, 34, 59 en 67 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:

„(7)

De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.

(8)

Om deze doelstellingen te bereiken, moeten in deze verordening bepalingen worden samengebracht inzake rechterlijke bevoegdheid, inzake toepasselijk recht, inzake erkenning – of, naargelang van het geval, aanvaarding –, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, en inzake het tot stand brengen van een Europese erfrechtverklaring.

(9)

Het toepassingsgebied van deze verordening moet alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon omvatten, namelijk elke vorm van overgang en overdracht van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden, ongeacht of het gaat om een onder een uiterste wilsbeschikking vrijwillige overgang en overdracht dan wel om overgang in het geval van erfopvolging bij versterf.

[…]

(27)

De voorschriften van deze verordening zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de autoriteit die de erfopvolging behandelt, in de meeste gevallen, haar eigen recht kan toepassen. […]

[…]

(32)

Ten behoeve van de erfgenamen en legatarissen met gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die waar de erfopvolging wordt of zal worden behandeld, moet in deze verordening worden bepaald dat eenieder die volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht een verklaring houdende aanvaarding of verwerping van de nalatenschap, van een legaat of van een wettelijk erfdeel, of houdende beperking van zijn aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap kan afleggen, deze verklaring kan afleggen voor de gerechten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats, in de bij het recht van die lidstaat voorgeschreven vorm. Dit mag niet beletten dat dergelijke verklaringen kunnen worden afgelegd voor andere autoriteiten in die lidstaat die krachtens het nationaal recht bevoegd zijn om verklaringen te ontvangen. Wie gebruik wil maken van de mogelijkheid verklaringen af te leggen in de lidstaat van de gewone verblijfplaats, moet het gerecht of de autoriteit die de erfopvolging behandelt, binnen de termijn die in het op de erfopvolging toepasselijke recht is bepaald, ervan in kennis stellen dat dergelijke verklaringen bestaan.

[…]

(34)

Met het oog op een ordelijke rechtspleging moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onderling onverenigbare beslissingen worden gegeven. Daarom moet deze verordening voorzien in algemene procedureregels die vergelijkbaar zijn met die welke vervat zijn in andere regelgeving van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in civiele zaken.

[…]

(59)

Gelet op de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk de wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven beslissingen in erfrechtzaken, ongeacht of deze beslissingen in contentieuze of niet-contentieuze procedures zijn gewezen, moeten in deze verordening regels betreffende de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen worden vastgelegd die gelijkaardig zijn aan die welke de Unie reeds op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken heeft vastgesteld.

[…]

(67)

Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, moet bij deze verordening worden voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring […] die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. Teneinde het subsidiariteitsbeginsel te eerbiedigen, mag de erfrechtverklaring niet in de plaats treden van interne documenten met gelijkaardige strekking in de lidstaten.”

4

Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt:

„Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken.”

5

Artikel 1, lid 2, van deze verordening somt de kwesties op die zijn uitgesloten van de werkingssfeer ervan.

6

Artikel 2 van die verordening is in de volgende bewoordingen gesteld:

„Deze verordening laat de bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaten inzake kwesties van erfopvolging onverlet.”

7

Artikel 3, lid 1, onder a) en g), van verordening nr. 650/2012 luidt:

„In deze verordening wordt verstaan onder:

a)

‚erfopvolging’: de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf;

[…]

g)

‚beslissing’: een door een gerecht van een lidstaat inzake erfopvolging gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, alsmede de beslissing betreffende de vaststelling door de griffier van het bedrag van de proceskosten;

[…]”

8

In artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening wordt het begrip gerecht als volgt gedefinieerd:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt onder het begrip ‚gerecht’ verstaan: elke gerechtelijke autoriteit en alle andere autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren met bevoegdheid in een erfrechtzaak, die rechterlijke functies vervullen of handelen krachtens volmacht van, of onder toezicht van, een gerechtelijke autoriteit, voor zover dergelijke autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaren waarborgen bieden wat betreft onpartijdigheid en het horen van partijen, en voor zover hun beslissingen overeenkomstig het recht van de lidstaat waar zij gevestigd zijn:

a)

vatbaar zijn voor een rechtsmiddel ten overstaan van een gerechtelijke autoriteit of voor toetsing door een zodanige autoriteit, en

b)

dezelfde rechtskracht en dezelfde werking hebben als een beslissing van een gerechtelijke autoriteit over dezelfde aangelegenheid.”

9

Hoofdstuk II van deze verordening draagt het opschrift „Bevoegdheid”. Dit hoofdstuk bevat onder meer de artikelen 4, 13 en 15.

10

Artikel 4 van de verordening, „Algemene bevoegdheid”, bepaalt:

„De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.”

11

Artikel 13 van verordening nr. 650/2012 bepaalt:

„Naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, zijn de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht voor een gerecht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen, indien deze verklaringen volgens het recht van die lidstaat in rechte mogen worden afgelegd.”

12

Artikel 15 van deze verordening luidt als volgt:

„Indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt, waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is, verklaart het zich ambtshalve onbevoegd.”

13

Artikel 21, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.”

14

Artikel 23, lid 1, van die verordening luidt:

„Het krachtens artikel 21 of artikel 22 aangewezen recht beheerst de vererving van de gehele nalatenschap.”

15

Artikel 62, leden 2 en 3, van verordening nr. 650/2012 bepaalt:

„2.   Het gebruik van de [Europese] erfrechtverklaring is niet verplicht.

3.   De [Europese] erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de [Europese] erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.”

16

Artikel 64 van deze verordening luidt als volgt:

„De [Europese] erfrechtverklaring wordt afgegeven in de lidstaat van wie de gerechten op grond van artikel 4, artikel 7, artikel 10 of artikel 11 bevoegd zijn. […]”

Duits recht

17

§ 105 van het Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (wet inzake de procedure in familierechtzaken en in de voluntaire jurisdictie; hierna: „FamFG”), in de versie van 17 december 2008 (BGBl. 2008 I, blz. 2586) bepaalt:

„In andere procedures op grond van deze wet zijn de Duitse gerechten bevoegd wanneer een Duits gerecht territoriaal bevoegd is.”

18

De territoriale bevoegdheid in erfopvolgingszaken wordt geregeld door § 343 FamFG. Deze bepaling luidt, in de versie van het Gesetz zum Internationalen Erbrecht und zur Änderung von Vorschriften zum Erbschein sowie zur Änderung sonstiger Vorschriften (wet inzake het internationaal erfrecht en tot wijziging van de bepalingen inzake de gerechtelijke erfrechtverklaring en van andere bepalingen) van 29 juni 2015 (BGBl. 2015 I, blz. 1042), in werking getreden op 17 augustus 2015:

„1.   Territoriaal bevoegd is het gerecht van het rechtsgebied waar de erflater op het moment van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.

2.   Indien de erflater op het moment van overlijden geen gewone verblijfplaats had op het nationale grondgebied, is het gerecht bevoegd van het rechtsgebied waar de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats op het nationale grondgebied had.

3.   Indien de bevoegdheid niet kan worden vastgesteld op grond van de leden 1 en 2, is het Amtsgericht Schöneberg in Berlijn bevoegd indien de erflater de Duitse nationaliteit heeft of indien er zich goederen uit de nalatenschap op het nationale grondgebied bevinden.

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

19

Adrien Théodore Oberle (hierna: „erflater”), een Frans staatsburger met laatste gewone verblijfplaats in Frankrijk, is op 28 november 2015 zonder uiterste wilsbeschikking overleden. Hij heeft twee zonen nagelaten: Vincent Pierre (hierna: „Oberle”) en zijn broer. De echtgenote van de erflater was reeds voor hem overleden. De bestanddelen van de nalatenschap bevinden zich in Frankrijk en Duitsland.

20

Op verzoek van Oberle heeft de tribunal d’instance de Saint-Avold (rechter in eerste aanleg Saint-Avold, Frankrijk) op 8 maart 2016 een nationale verklaring van erfrecht afgegeven waarin Oberle en zijn broer zijn aangeduid als erfgenamen, elk voor de helft van de nalatenschap.

21

Voor het Amtsgericht Schöneberg heeft Oberle om afgifte verzocht van een erfrechtverklaring voor uitsluitend het in Duitsland gelegen deel van de nalatenschap waarin wordt vastgesteld dat hij en zijn broer naar Frans recht elk de helft van de nalatenschap van de erflater hebben geërfd.

22

Na toetsing van zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 650/2012 heeft het Amtsgericht Schöneberg zich bij beslissingen van 17 en 28 november 2016 onbevoegd verklaard om deze aanvraag te behandelen, omdat § 105 en § 343, lid 3, FamFG volgens hem niet kunnen worden toegepast om de internationale bevoegdheid vast te stellen zonder inbreuk te maken op artikel 4 van verordening nr. 650/2012, dat bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.

23

Oberle is opgekomen tegen deze beslissing bij de verwijzende rechter, het Kammergericht Berlin (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Berlijn, Duitsland).

24

De verwijzende rechter is van oordeel dat het Amtsgericht Schöneberg internationaal bevoegd is om de door Oberle aangevraagde beperkte erfrechtverklaring af te geven omdat zich goederen uit de nalatenschap op het nationale grondgebied bevinden, overeenkomstig de voorwaarde in § 343, lid 3, FamFG.

25

Volgens de verwijzende rechter is niet duidelijk dat de Uniewetgever met de bepalingen van hoofdstuk II van verordening nr. 650/2012 de internationale bevoegdheid voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen uitputtend heeft willen regelen, zoals hij in artikel 64, lid 1, van die verordening heeft gedaan voor de Europese erfrechtverklaring.

26

De verwijzende rechter meent namelijk dat het zinloos zou zijn een specifieke bepaling over de internationale bevoegdheid voor de afgifte van de Europese erfrechtverklaring – namelijk artikel 64, lid 1, van verordening nr. 650/2012 – op te nemen als die al was geregeld door de bepalingen van hoofdstuk II van die verordening. Als de Uniewetgever de internationale bevoegdheid voor de afgifte van niet alleen Europese erfrechtverklaringen maar ook nationale erfrechtverklaringen had willen regelen, zou hij volgens deze rechter voor nationale erfrechtverklaringen een bepaling in die verordening hebben opgenomen die mutatis mutandis overeenkomt met die van artikel 64, lid 1, van die verordening.

27

Bovendien overweegt de verwijzende rechter dat het Amtsgericht Schöneberg in casu ten onrechte heeft geoordeeld dat de regel in artikel 4 van verordening nr. 650/2012 van toepassing was. De algemene bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had om „uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel” in de zin van die bepaling ziet namelijk enkel op rechterlijke beslissingen en nationale erfrechtverklaringen vallen daar niet onder. Deze verklaringen worden namelijk afgegeven in een niet-contentieuze procedure en de beslissing om een dergelijke verklaring af te geven omvat enkel feitelijke vaststellingen, zodat zij niet in kracht van gewijsde kan gaan.

28

Daarop heeft het Kammergericht Berlin de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld.

„Moet artikel 4 van verordening [nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat het ook exclusieve internationale bevoegdheid verleent voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen – waarvoor de Europese erfrechtverklaring niet in de plaats komt (zie artikel 62, lid 3, van de verordening) – in de lidstaten, met als gevolg dat afwijkende bepalingen van de nationale wetgever met betrekking tot de internationale bevoegdheid voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen – zoals in Duitsland § 105 FamFG – wegens schending van hogere Unierechtelijke regels buiten toepassing moeten worden gelaten?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

29

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat, zoals die in het hoofdgeding, die bepaalt dat de gerechten van die lidstaat bevoegd blijven voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen in het kader van een grensoverschrijdende erfopvolging ook al had de erflater daar op het moment van overlijden niet zijn gewone verblijfplaats, indien bestanddelen van de nalatenschap gelegen zijn op het grondgebied van die lidstaat of indien de erflater de nationaliteit van die lidstaat had.

30

Vooraf dient in herinnering te worden geroepen dat verordening nr. 650/2012 krachtens artikel 1, lid 1, in het licht van overweging 9 ervan, van toepassing is op alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, met uitzondering van fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken. Artikel 1, lid 2, van deze verordening noemt een aantal kwesties die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van die verordening. Daaronder worden nationale erfrechtverklaringen en de bijbehorende procedures niet vermeld.

31

Artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012 preciseert dat de term erfopvolging betrekking heeft op „elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf”.

32

Deze verordening is overigens van toepassing op erfopvolgingen met grensoverschrijdende gevolgen, zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 67. Dat is in casu het geval, want deze erfopvolging omvat goederen die gelegen zijn in verschillende lidstaten.

33

Met betrekking, meer bepaald, tot de vraag of artikel 4 van verordening nr. 650/2012 de internationale bevoegdheid van gerechten van de lidstaten bepaalt voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen moet eraan worden herinnerd dat bepalingen inzake de bevoegdheidsregels die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijzen naar het recht van de lidstaten, volgens vaste rechtspraak van het Hof in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze dienen te worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepalingen en de doelstelling van de betrokken regeling (zie in die zin arresten van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 24, en 1 maart 2018, Mahnkopf, C‑558/16, EU:C:2018:138, punt 32).

34

Volgens de bewoordingen ervan verleent artikel 4 van verordening nr. 650/2012 de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegdheid om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.

35

In dat verband moet duidelijk worden gemaakt dat weliswaar niets in de bewoordingen van deze bepaling erop wijst dat voor de toepassing van de algemene bevoegdheidsregel in dat artikel de voorwaarde geldt dat bij de erfopvolging meerdere lidstaten betrokken zijn, maar deze regel berust op het bestaan van een grensoverschrijdende erfopvolging.

36

Bovendien blijkt uit het opschrift van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 dat deze bepaling ziet op de afbakening van de algemene bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten, terwijl de bevoegdheid op nationaal niveau conform artikel 2 van die verordening wordt verdeeld aan de hand van de nationale regels.

37

Uit de bewoordingen van artikel 4 blijkt dat de algemene bevoegdheidsregel daarin ziet op „de erfopvolging in haar geheel”, hetgeen erop wijst dat hij van toepassing is met betrekking tot alle procedures in erfrechtelijke zaken die worden gevoerd voor gerechten van de lidstaten, zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

38

Met betrekking tot de uitlegging van de uitdrukking „uitspraak doen” in die bepaling moet worden onderzocht of de Uniewetgever aldus heeft gedoeld op louter de beslissingen die de nationale gerechten hebben genomen in de uitvoering van hun rechtsprekende taak. Zoals in herinnering gebracht in punt 27 van dit arrest blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de procedure voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen niet-contentieus is en dat beslissingen omtrent de afgifte van deze verklaringen enkel feitelijke vaststellingen omvatten en geen vaststellingen die in kracht van gewijsde kunnen gaan.

39

Zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft opgemerkt, levert het begrip gerecht in de zin van artikel 4 van verordening nr. 650/2012, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van die verordening, geen aanwijzingen over de strekking van de uitdrukking „uitspraak doen”.

40

Derhalve moet worden vastgesteld dat aan de hand van de bewoordingen van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 op zich niet kan worden uitgemaakt of de omstandigheid dat de procedure al dan niet contentieus is, van invloed is op de vraag of de bevoegdheidsregel in deze bepaling van toepassing is en of uitspraak doen in de zin van die bepaling moet worden opgevat als het nemen van een beslissing van uitsluitend rechtsprekende aard. De letterlijke uitlegging van deze bepaling levert dus geen antwoord op de vraag of een procedure voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen, zoals aan de orde in het hoofdgeding, moet worden beschouwd als een procedure die door artikel 4 wordt bestreken.

41

Wat betreft de analyse van de context waarin deze bepaling is opgenomen, komt uit artikel 13 van verordening nr. 650/2012 naar voren dat naast het gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van eenieder die krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht een verklaring kan afleggen betreffende de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap, een legaat of een wettelijk erfdeel, of een verklaring mag afleggen die als doel heeft zijn aansprakelijkheid te beperken ten aanzien van de schulden van de nalatenschap, bevoegd zijn om dergelijke verklaringen in ontvangst te nemen.

42

Dat artikel 13, gelezen in samenhang met overweging 32 van verordening nr. 650/2012, strekt ertoe de gang van zaken voor erfgenamen en legatarissen te vereenvoudigen door een afwijking van de bevoegdheidsregels in de artikelen 4 tot en met 11 van deze verordening. Dientengevolge zijn de gerechten die uit hoofde van artikel 4 van deze verordening bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel, in beginsel bevoegd om erfrechtelijke verklaringen in ontvangst te nemen. Daaruit volgt dat de bevoegdheidsregel in artikel 4 tevens ziet op procedures die niet uitlopen op een rechterlijke beslissing.

43

Deze uitlegging wordt geschraagd door overweging 59 van verordening nr. 650/2012, waaruit naar voren komt dat de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, ongeacht of beslissingen in grensoverschrijdende erfrechtzaken in contentieuze of niet-contentieuze procedures zijn gewezen.

44

Derhalve verleent artikel 4 van verordening nr. 650/2012 de gerechten van de lidstaten internationale bevoegdheid op het vlak van procedures ter zake van maatregelen die zien op de erfopvolging in haar geheel, zoals de afgifte van nationale erfrechtverklaringen, ongeacht of deze procedures contentieus of niet-contentieus zijn.

45

Deze uitlegging wordt niet aangetast door artikel 64 van verordening nr. 650/2012, daar dit artikel bepaalt dat de Europese erfrechtverklaring wordt afgegeven in de lidstaat waarvan de gerechten op grond van artikel 4, artikel 7, artikel 10 of artikel 11 van die verordening bevoegd zijn.

46

Zoals de advocaat-generaal in punt 90 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kent de Europese erfrechtverklaring, die is ingesteld bij verordening nr. 650/2012, een autonome juridische regeling, die is neergelegd in de bepalingen van hoofdstuk VI ervan. In die context strekt artikel 64 van deze verordening ertoe nader aan te geven dat zowel de gerechten als bepaalde andere autoriteiten bevoegd zijn om een dergelijke erfrechtverklaring af te geven, en bepaalt het door verwijzing naar de bevoegdheidsregels in de artikelen 4, 7, 10 en 11 van die verordening tevens in welke lidstaat het certificaat zal worden afgegeven.

47

Overigens is het gebruik van de Europese erfrechtverklaring niet verplicht en komt de erfrechtverklaring niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt, zoals nationale erfrechtverklaringen, aldus artikel 62, leden 2 en 3, van verordening nr. 650/2012.

48

Onder die omstandigheden kan artikel 64 van verordening nr. 650/2012 niet aldus worden uitgelegd dat nationale erfrechtverklaringen zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de bevoegdheidsregel in artikel 4 van die verordening.

49

Aangaande de doelstellingen van verordening nr. 650/2012 komt uit de overwegingen 7 en 8 ervan naar voren dat zij er met name toe strekt erfgenamen en legatarissen, andere personen die de erflater na staan en schuldeisers van de nalatenschap te helpen hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen, en burgers in staat te stellen op voorhand hun erfopvolging voor te bereiden.

50

In dat perspectief onderstreept overweging 27 van verordening nr. 650/2012 dat de voorschriften van deze verordening zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de autoriteit die de erfopvolging behandelt, in de meeste gevallen, haar eigen recht kan toepassen.

51

In dat verband verwijzen artikel 21, lid 1, van verordening nr. 650/2012 over de algemene regel voor het toepasselijke recht en artikel 4 van die verordening over de algemene bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten beide naar het criterium van de gewone verblijfplaats van de erflater op het moment van overlijden.

52

De toepassing van het nationale recht om de algemene bevoegdheid te bepalen van de gerechten van de lidstaten om nationale erfrechtverklaringen af te geven zou echter ingaan tegen de in overweging 27 van verordening nr. 650/2012 bedoelde doelstelling ervoor te zorgen dat de bepalingen over de bevoegdheid en die over het op dat terrein toepasselijke recht met elkaar in overeenstemming zijn.

53

Bovendien wordt in overweging 34, in verband met de in overweging 59 genoemde algemene doelstelling van deze verordening, namelijk wederzijdse erkenning van in de lidstaten gegeven beslissingen in erfrechtzaken, onderstreept dat de verordening ernaar streeft te voorkomen dat in verschillende lidstaten onderling onverenigbare beslissingen worden gegeven.

54

Die doelstelling sluit aan bij het beginsel van eenheid van erfopvolging, dat met name in artikel 23, lid 1, van verordening nr. 650/2012 wordt geconcretiseerd. Dat lid bepaalt dat het krachtens die verordening aangewezen recht „de vererving van de gehele nalatenschap” beheerst.

55

Dat beginsel van de eenheid van erfopvolging ligt ook ten grondslag aan de regel in artikel 4 van verordening nr. 650/2012, want ook dat artikel geeft aan dat deze regel bevoegdheid verleent aan de gerechten van de lidstaten om uitspraak te doen „over de erfopvolging in haar geheel”.

56

Zoals de advocaat-generaal in de punten 109 en 110 van zijn conclusie in herinnering heeft geroepen, heeft het Hof dus al geoordeeld dat een uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 650/2012 die zou leiden tot versnippering van de nalatenschap niet verenigbaar zou zijn met de doelstellingen van de verordening (zie in die zin arrest van 12 oktober 2017, Kubicka, C‑218/16, EU:C:2017:755, punt 57). Een van die doelstellingen is immers een eenvormige regeling tot stand brengen voor erfopvolgingen met grensoverschrijdende gevolgen; voor de verwezenlijking daarvan moeten de regels voor de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten worden geharmoniseerd, zowel voor de contentieuze als voor de niet-contentieuze procedure.

57

De uitlegging van artikel 4 van de verordening dat deze bepaling de internationale bevoegdheid omschrijft van de gerechten van de lidstaten voor de procedures van afgifte van nationale erfrechtverklaringen draagt er, in het belang van een goede rechtsbedeling, toe bij dat deze doelstelling wordt verwezenlijkt, door het risico te beperken dat parallelle procedures voor gerechten van verschillende lidstaten worden gevoerd en daaruit tegenstrijdige uitspraken voortkomen.

58

De verwezenlijking van de doelstellingen van verordening nr. 650/2012 zou daarentegen worden belemmerd als de bepalingen van hoofdstuk II van die verordening, en inzonderheid artikel 4, in een situatie als in het hoofdgeding aldus zouden moeten worden uitgelegd dat zij niet zien op de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten voor procedures die leiden tot de afgifte van nationale erfrechtverklaringen.

59

Gelet op een en ander moet artikel 4 van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat, zoals die in het hoofdgeding, die bepaalt dat de gerechten van die lidstaat bevoegd blijven voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen in het kader van een grensoverschrijdende erfopvolging, ook al had de erflater daar op het moment van overlijden niet zijn gewone verblijfplaats, indien bestanddelen van de nalatenschap gelegen zijn op het grondgebied van die lidstaat of indien de erflater de nationaliteit van die lidstaat had.

Kosten

60

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 4 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat, zoals die in het hoofdgeding, die bepaalt dat de gerechten van die lidstaat bevoegd blijven voor de afgifte van nationale erfrechtverklaringen in het kader van een grensoverschrijdende erfopvolging, ook al had de erflater daar op het moment van overlijden niet zijn gewone verblijfplaats, indien bestanddelen van de nalatenschap gelegen zijn op het grondgebied van die lidstaat of indien de erflater de nationaliteit van die lidstaat had.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top