EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CC0673

Conclusie van advocaat-generaal M. Szpunar van 21 maart 2019.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2019:246

 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 21 maart 2019 ( 1 )

Zaak C‑673/17

Planet49 GmbH

tegen

Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände – Verbraucherzentrale Bundesverband e.V.

[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 95/46/EG – Richtlijn 2002/58/EG – Verordening (EU) 2016/679 – Verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie – Cookies – Begrip ‚toestemming van de betrokkene’ – Verklaring van toestemming door middel van reeds aangevinkt selectievakje”

I. Inleiding

1.

Om te kunnen deelnemen aan een door Planet49 georganiseerde loterij werd een internetgebruiker geconfronteerd met twee selectievakjes die moesten worden aangevinkt of uitgevinkt voordat hij op de deelnameknop kon klikken. Door middel van het ene selectievakje diende de gebruiker te aanvaarden dat hij kon worden benaderd door een reeks bedrijven met reclameaanbiedingen; door middel van het andere selectievakje diende de gebruiker in te stemmen met het plaatsen van cookies op zijn computer. In het kort zijn dit de feiten van de onderhavige prejudiciële verwijzing van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland).

2.

Achter deze ogenschijnlijk onschuldige feiten gaan fundamentele vraagstukken van Unierecht inzake gegevensbescherming schuil: wat zijn precies de vereisten voor de vrijelijk te geven geïnformeerde toestemming? Is er een verschil met betrekking tot de (enkele) verwerking van persoonsgegevens en de opslag van en de toegang tot cookies? Welke rechtsinstrumenten zijn van toepassing?

3.

In deze conclusie zal ik betogen dat de vereisten voor toestemming krachtens richtlijn 95/46/EG ( 2 ) en verordening (EU) 2016/679 ( 3 ) wat de onderhavige zaak betreft dezelfde zijn en dat het in casu geen verschil maakt of we te maken hebben met de algemene kwestie van de verwerking van persoonsgegevens dan wel met de meer specifieke kwestie van het opslaan van cookies en het verkrijgen van toegang tot informatie door middel daarvan.

II. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

1.   Richtlijn 95/46/EG

4.

Artikel 2 van richtlijn 95/46, met als opschrift „Definities”, luidt:

„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

h)

‚toestemming van de betrokkene’, elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem/haar betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.”

5.

In afdeling II van die richtlijn, die het opschrift „Beginselen betreffende de toelaatbaarheid van gegevensverwerking” draagt, bepaalt artikel 7, onder a), het volgende:

„De lidstaten bepalen dat de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden indien:

a)

de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend, of

[...]”.

6.

Artikel 10 van die richtlijn, met als opschrift „Informatieverstrekking in geval van verkrijging van gegevens bij de betrokkene”, luidt:

„De lidstaten bepalen dat de voor de verwerking verantwoordelijke of diens vertegenwoordiger aan de betrokkene, bij wie de betrokkene zelf betreffende gegevens worden verkregen, ten minste de hierna volgende informatie moet verstrekken, behalve indien de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is:

a)

de identiteit van de voor de verwerking verantwoordelijke en, in voorkomend geval, van diens vertegenwoordiger,

b)

de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn bestemd,

c)

verdere informatie zoals

de ontvangers of de categorieën ontvangers van de gegevens,

antwoord op de vraag of men al dan niet verplicht is om te antwoorden en de eventuele gevolgen van niet‑beantwoording,

het bestaan van een recht op toegang tot zijn eigen persoonsgegevens en op rectificatie van deze gegevens,

voor zover die, met inachtneming van de specifieke omstandigheden waaronder de verdere informatie verkregen wordt, nodig is om tegenover de betrokkene een eerlijke verwerking te waarborgen.”

2.   Richtlijn 2002/58/EG ( 4 )

7.

De overwegingen 24 en 25 van richtlijn 2002/58/EG ( 5 ) luiden als volgt:

„(24)

Eindapparatuur van gebruikers van netwerken voor elektronische communicatie en in die apparatuur bewaarde informatie maken deel uit van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers die op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bescherming vereist. Zogeheten spionagesoftware, webtaps, verborgen identificatoren en andere soortgelijke programmatuur kunnen de terminal van de gebruiker zonder diens medeweten binnenkomen teneinde toegang tot informatie te krijgen, verborgen informatie op te slaan of de activiteiten van de gebruiker te traceren en kunnen ernstig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van die gebruikers. Het gebruik van die programmatuur dient alleen te worden toegestaan voor legitieme doeleinden met medeweten van de betrokken gebruikers.

(25)

Dergelijke programmatuur, bijvoorbeeld zogeheten cookies, kan evenwel een legitiem en nuttig hulpmiddel zijn om bijvoorbeeld de doeltreffendheid van het ontwerp van websites en van reclame te onderzoeken, en om de identiteit te bepalen van gebruikers die onlinetransacties verrichten. Wanneer dergelijke programmatuur, bijvoorbeeld cookies, voor een legitiem doel bestemd is, zoals het vergemakkelijken van de levering van diensten van de informatiemaatschappij, dient hun gebruik te worden toegestaan op voorwaarde dat gebruikers worden voorzien van duidelijke en nauwkeurige informatie, overeenkomstig richtlijn 95/46/EG, over de doeleinden van cookies of soortgelijke programmatuur, welke verzekert dat de gebruiker zich ervan bewust is dat er informatie op de door hem gebruikte eindapparatuur wordt geplaatst. De gebruikers dienen de gelegenheid te hebben te weigeren dat een cookie of soortgelijke voorziening op hun eindapparatuur wordt opgeslagen. Dat is met name belangrijk in situaties waarin ook andere gebruikers toegang hebben tot de eindapparatuur en zo tot op die apparatuur opgeslagen gegevens die privacygevoelige informatie bevatten. De informatie en het recht van weigering kan voor het gebruik van de verschillende programmatuur bestemd om op de eindapparatuur van gebruikers te worden geïnstalleerd, eenmaal gedurende eenzelfde verbinding worden aangeboden en geldt dan ook voor het eventuele verdere gebruik van die programmatuur gedurende volgende verbindingen. De wijze waarop informatie wordt gegeven, een recht van weigering wordt aangeboden of toestemming wordt gevraagd dient zo gebruikersvriendelijk mogelijk te zijn. Aan toegang tot specifieke inhoud van een website kan nog altijd de voorwaarde worden verbonden dat een cookie of soortgelijke voorziening, indien gebruikt voor een legitiem doel, bewust wordt aanvaard.”

8.

Artikel 2, met het opschrift „Definities”, bepaalt onder f) het volgende:

„Tenzij anders is bepaald, zijn de definities van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten (kaderrichtlijn)[ ( 6 )] van toepassing.

Daarnaast wordt in deze richtlijn verstaan onder:

[...]

f)

‚toestemming’ van een gebruiker of abonnee: toestemming van de betrokkene in de zin van richtlijn 95/46/EG;

[...]”

9.

Artikel 5 van die richtlijn draagt het opschrift „Vertrouwelijk karakter van de communicatie”. Lid 3 ervan bepaalt het volgende:

„De lidstaten dragen ervoor zorg dat de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van een abonnee of gebruiker, alleen is toegestaan op voorwaarde dat de betrokken abonnee of gebruiker toestemming heeft verleend, na te zijn voorzien van duidelijke en volledige informatie overeenkomstig richtlijn 95/46/EG, onder meer over de doeleinden van de verwerking. Zulks vormt geen beletsel voor enige vorm van technische opslag of toegang met als uitsluitend doel de uitvoering van de verzending van een communicatie over een elektronischecommunicatienetwerk, of, indien strikt noodzakelijk, om ervoor te zorgen dat de aanbieder van een uitdrukkelijk door de abonnee of gebruiker gevraagde dienst van de informatiemaatschappij deze dienst levert.”

3.   Richtlijn 2009/136/EG ( 7 )

10.

Overweging 66 van richtlijn 2009/136/EG ( 8 ) luidt:

„Het is mogelijk dat derden informatie op de apparatuur van een gebruiker willen installeren of toegang tot reeds opgeslagen informatie willen krijgen, dit om tal van redenen, gaande van wettige handelingen (bv. bepaalde types cookies) tot ongeoorloofde indringing in de privésfeer (bv. spyware of virussen). Daarom is het van kapitaal belang dat gebruikers duidelijke en omvattende informatie krijgen wanneer zij een handeling stellen die kan resulteren in een dergelijke opslag of toegang. De wijze waarop informatie wordt gegeven en een recht van weigering wordt aangeboden moet zo gebruikersvriendelijk mogelijk zijn. Uitzonderingen op de verplichting om informatie te geven en een recht van weigering aan te bieden moeten worden beperkt tot situaties waarbij de technische opslag of toegang strikt noodzakelijk is voor het wettige doel of om het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker heeft verzocht. Wanneer dit technisch mogelijk en doeltreffend is, kan, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van richtlijn 95/46/EG, de toestemming van de gebruiker met verwerking worden uitgedrukt door gebruik te maken van de desbetreffende instellingen van een browser of een andere toepassing. Deze bepalingen moeten doeltreffender worden afgedwongen via uitgebreide bevoegdheden die aan de desbetreffende nationale instanties worden verleend.”

4.   Verordening (EU) 2016/679

11.

Overweging 32 van verordening 2016/679 luidt:

„Toestemming dient te worden gegeven door middel van een duidelijke actieve handeling, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring, ook met elektronische middelen, of een mondelinge verklaring, waaruit blijkt dat de betrokkene vrijelijk, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig met de verwerking van zijn persoonsgegevens instemt. Hiertoe zou kunnen behoren het klikken op een vakje bij een bezoek aan een internetwebsite, het selecteren van technische instellingen voor diensten van de informatiemaatschappij of een andere verklaring of een andere handeling waaruit in dit verband duidelijk blijkt dat de betrokkene instemt met de voorgestelde verwerking van zijn persoonsgegevens. Stilzwijgen, het gebruik van reeds aangevinkte vakjes of inactiviteit mag derhalve niet als toestemming gelden. De toestemming moet gelden voor alle verwerkingsactiviteiten die hetzelfde doel of dezelfde doeleinden dienen. Indien de verwerking meerdere doeleinden heeft, moet toestemming voor elk daarvan worden verleend. Indien de betrokkene zijn toestemming moet geven na een verzoek via elektronische middelen, dient dat verzoek duidelijk en beknopt te zijn en niet onnodig storend voor het gebruik van de dienst in kwestie.”

12.

Artikel 4, punt 11, van die verordening bepaalt, onder het opschrift „Definities”, het volgende:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

11)

‚toestemming’ van de betrokkene: elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt;

[...]”

13.

Artikel 6 van diezelfde verordening, met als opschrift „Rechtmatigheid van de verwerking”, luidt:

„1.   De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;

[...]”

14.

Artikel 7 van verordening 2016/679 heeft als opschrift „Voorwaarden voor toestemming”. Artikel 7, lid 4, ervan bepaalt dat „[b]ij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven, [...] onder meer ten sterkste rekening [wordt] gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst, met inbegrip van een dienstenovereenkomst, toestemming vereist is voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst”.

B. Duits recht

1.   Bürgerliches Gesetzbuch

15.

§ 307 ( 9 ) van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) luidt:

„(1)   Bedingen in algemene verkoopvoorwaarden zijn ongeldig wanneer zij de medecontractant in strijd met de eisen van de goede trouw onredelijk benadelen. Van een onredelijke benadeling kan ook sprake zijn doordat een bepaling niet duidelijk en begrijpelijk is.

(2)   In geval van twijfel moet een onredelijke benadeling worden aangenomen wanneer een beding:

1.

niet verenigbaar is met de beginselen die ten grondslag liggen aan de wettelijke regeling waarvan wordt afgeweken, dan wel

2.

wezenlijke, uit de aard van de overeenkomst voortvloeiende rechten of plichten zodanig beperkt dat het bereiken van het doel van de overeenkomst in gevaar komt.

(3)   De leden 1 en 2 alsmede de §§ 308 en 309 gelden uitsluitend voor bedingen in algemene voorwaarden waarbij regelingen worden overeengekomen die afwijken van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of deze aanvullen. Andere bepalingen kunnen uit hoofde van lid 1, tweede zin, juncto lid 1, eerste zin, ongeldig zijn.”

2.   Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb

16.

Volgens het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (wet tot bestrijding van oneerlijke mededinging; hierna: „UWG”) zijn oneerlijke handelspraktijken die de belangen van marktdeelnemers onaanvaardbaar schaden verboden. § 7, lid 2, punt 2, UWG, bepaalt dat „onaanvaardbare hinder altijd moet worden verondersteld [...] in geval van telefonische reclame die is gericht tot een consument zonder diens voorafgaande uitdrukkelijke toestemming of aan een andere marktdeelnemer zonder voorafgaande toestemming”.

3.   Telemediengesetz

17.

§ 12, lid 1, van het Telemediengesetz (wet inzake telemedia; hierna: „TMG”) vormt de omzetting van artikel 7, onder a), van richtlijn 95/46 en legt de voorwaarden vast waaronder een aanbieder van diensten persoonsgegevens in verband met de terbeschikkingstelling van telemedia mag verzamelen en benutten. Ingevolge die paragraaf mag de aanbieder van diensten persoonsgegevens in verband met de terbeschikkingstelling van telemedia slechts verzamelen en benutten, voor zover het TMG of een ander wettelijk voorschrift dat expliciet op telemedia betrekking heeft, dit toestaat of de gebruiker zijn toestemming heeft gegeven.

18.

§ 12, lid 3, TMG bepaalt dat de voor de bescherming van persoonsgegevens geldende regels ook van toepassing zijn wanneer de gegevens niet automatisch worden verwerkt.

19.

§ 13, lid 1, TMG bepaalt dat de aanbieder van diensten de gebruiker bij het begin van het gebruik moet informeren over de aard, de omvang en het doel van de verzameling en het gebruik van persoonsgegevens en over de verwerking van zijn gegevens buiten het toepassingsgebied van richtlijn 95/46.

20.

Ingevolge § 15, lid 1, TMG mag de aanbieder van diensten persoonsgegevens van een gebruiker slechts verzamelen en benutten voor zover dit nodig is om het gebruik van telemedia mogelijk te maken en te factureren („gebruiksgegevens”). Gebruiksgegevens worden gedefinieerd als onder andere gegevens die de identificatie van de gebruiker mogelijk maken.

21.

§ 15, lid 3, TMG zet artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 om en machtigt een aanbieder van diensten om gebruikersprofielen op te stellen door middel van pseudoniemen voor doeleinden van reclame, marktanalyse of configuratie van elektronische media, op voorwaarde dat de gebruiker geen bezwaar maakt en de aanbieder van diensten de gebruiker op de hoogte heeft gebracht van zijn recht van weigering, overeenkomstig de informatieplicht krachtens § 13, lid 1, TMG.

4.   Bundesdatenschutzgesetz

22.

§ 3, lid 1, van het Bundesdatenschutzgesetz (federale gegevensbeschermingswet; hierna: „BDSG”) ( 10 ) vormt de omzetting van artikel 2, onder a), van richtlijn 95/46 en definieert persoonsgegevens als gegevens over persoonlijke of zakelijke omstandigheden van een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

23.

§ 4, onder a), BDSG zet artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46 in nationaal recht om en bepaalt dat toestemming enkel geldig is wanneer zij berust op de vrije keuze van de betrokkene.

III. Feiten, procedure en prejudiciële vragen

24.

Op 24 september 2013 heeft Planet49 GmbH een reclameloterij georganiseerd op de website „www.dein-macbook.de”. ( 11 ) Om hieraan deel te nemen diende de internetgebruiker zijn postcode in te voeren, waarna hij op een pagina terechtkwam waar hij zijn naam en adres diende in te voeren. Onder de invoervelden voor het adres stonden twee aanwijzingen met de bijbehorende selectievakjes. Ik zal hiernaar verder verwijzen als „eerste selectievakje” en „tweede selectievakje”. De eerste aanwijzing, welke was voorzien van een selectievakje dat niet reeds was aangevinkt, luidde:

„Ik vind het goed dat sponsors en partners mij per post of telefonisch dan wel via e‑mail of sms op de hoogte stellen van aanbiedingen die verband houden met hun activiteiten. Ik kan deze hier zelf bepalen; anders zal de keuze door de organisator worden gemaakt. Ik kan mijn instemming te allen tijde weer intrekken. Meer informatie daarover is hier te vinden.”

25.

De tweede aanwijzing, welke was voorzien van een selectievakje dat reeds was aangevinkt, luidde:

„Ik vind het goed dat webanalysebedrijf Remintrex bij mij wordt ingeschakeld. Dat brengt mee dat de organisator van het kansspel, Planet49 GmbH, na mijn registratie voor het kansspel cookies zal plaatsen, waardoor deze in de gelegenheid zal zijn mijn surf‑ en gebruiksgedrag op websites van reclamepartners te analyseren en Remintrex mij specifieke reclameberichten zal kunnen toesturen. Deze cookies kan ik te allen tijde weer wissen. Meer daarover hier.”

26.

Deelname aan de loterij was alleen mogelijk wanneer ten minste het eerste selectievakje was aangevinkt.

27.

Via de elektronische link waarvan de woorden „sponsors en partners” en „hier” uit de eerste aanwijzing waren voorzien, kwam de gebruiker in een lijst terecht met 57 bedrijven, hun adres, de activiteiten waarvoor reclame zou worden gemaakt en de daarvoor gebruikte communicatiemiddelen (e‑mail, post of telefoon) alsmede het onderstreepte woord „Afmelden” onder elk bedrijf. De lijst werd voorafgegaan door de volgende aanwijzing:

„Door op de link ‚Afmelden’ te klikken beslis ik dat aan de genoemde partner/sponsor geen toestemming mag worden gegeven om reclame te maken. Wanneer ik geen of onvoldoende partners/sponsors heb afgemeld, zal Planet49 naar eigen goeddunken partners/sponsors voor mij selecteren (maximaal aantal: 30 partners/sponsors).”

28.

Door te klikken op de link waarvan het woord „hier” uit de tweede aanwijzing was voorzien, verscheen de volgende informatie:

„De geplaatste cookies met de namen ceng_cache, ceng_etag, ceng_png en gcr zijn kleine bestanden die door uw browser worden opgeslagen op uw harde schijf en waardoor gegevens worden binnengehaald die een gebruikersvriendelijkere en effectievere reclame mogelijk maken. De cookies bevatten een gerandomiseerd identificatienummer dat tevens is toegekend aan uw registratiegegevens. Wanneer u vervolgens de website van een voor Remintrex geregistreerde reclamepartner bezoekt (of er sprake is van registratie vindt u in de privacyverklaring van de reclamepartner), wordt via een iFrame van Remintrex automatisch geregistreerd dat u (dat wil zeggen de gebruiker met het opgeslagen identificatienummer) de website heeft bezocht, voor welk product u belangstelling had en of er al dan niet een overeenkomst is aangegaan.

Vervolgens kan Planet49 GmbH u op basis van uw instemming met de reclame die u bij uw registratie voor het kansspel heeft verleend, e‑mails met reclame toesturen waarin rekening wordt gehouden met uw interesses op de website van de reclamepartner. Wanneer u uw instemming met de reclame weer intrekt, zult u uiteraard geen reclame via e‑mail meer ontvangen.

De gegevens die via de cookies worden doorgegeven, worden uitsluitend benut met het oog op reclame voor producten van de reclamepartner. De gegevens worden voor iedere reclamepartner apart verzameld, opgeslagen en benut. In geen geval zullen er gebruikersprofielen met de gegevens van verschillende reclamepartners worden opgesteld. De verschillende reclamepartners ontvangen geen persoonsgegevens.

Wanneer u niet wilt dat de cookies nog langer worden gebruikt, kunt u deze op elk gewenst moment in uw browser wissen. In de helpfunctie van uw browser kunt u een handleiding vinden.

De cookies kunnen geen programma’s op uw computer laten draaien of virussen overdragen.

Uiteraard kunt u uw instemming op elk gewenst moment weer intrekken. U kunt uw intrekking schriftelijk kenbaar maken aan PLANET49 GmbH [adres]. Een e‑mail naar onze klantenservice [e‑mailadres] volstaat echter ook.”

29.

Verzoeker in het hoofdgeding, het Bundesverband der Verbraucherzentralen (een vereniging van consumentenbeschermingsorganisaties; hierna: „Bundesverband”), is opgenomen in de lijst van bevoegde entiteiten in de zin van het Gesetz über Unterlassungsklagen bei Verbraucherrechts- und anderen Verstößen (Unterlassungsklagengesetz) (Duitse wet inzake de stakingsvordering; hierna: „UKlaG”). Volgens het Bundesverband voldeden de hiervoor genoemde verklaringen van toestemming die zijn gebruikt door Planet49 niet aan de vereisten van § 307 BGB, § 7, lid 2, punt 2, UWG en §§ 12 e.v. TMG. Een precontentieuze aanmaning dienaangaande leverde niets op.

30.

Het Bundesverband heeft een procedure ingesteld bij het Landgericht Frankfurt am Main (rechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) en hierin geëist dat Planet49 stopt met het gebruik van de hiervoor genoemde bedingen ( 12 ) en dat zij wordt veroordeeld tot betaling van 214 EUR, vermeerderd met rente vanaf 15 maart 2014.

31.

Het Landgericht Frankfurt am Main heeft een aantal vorderingen toegewezen en de eis voor het overige verworpen. Na het hoger beroep ten gronde ( 13 ) bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hessen, Frankfurt am Main, Duitsland) is beroep over een rechtsvraag ingesteld bij het Bundesgerichtshof. ( 14 )

32.

Volgens het Bundesgerichtshof hangt het succes van het beroep in Revision af van de uitlegging van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46, en van artikel 6, lid 1, onder a), van verordening 2016/679. Het heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1.

a)

Is er sprake van daadwerkelijke toestemming in de zin van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van [richtlijn 2002/58], gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van [richtlijn 95/46], wanneer de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen op de eindapparatuur van de gebruiker wordt toegestaan door middel van een vooraf aangevinkt selectievakje dat door de gebruiker moet worden uitgevinkt ingeval hij weigert zijn toestemming te verlenen?

b)

Maakt het bij de toepassing van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van [richtlijn 2002/58], gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van [richtlijn 95/46], enig verschil of de opgeslagen of opgevraagde gegevens persoonsgegevens zijn?

c)

Is in de in prejudiciële vraag 1 a) beschreven omstandigheden sprake van daadwerkelijke toestemming in de zin van artikel 6, lid 1, onder a), van [verordening 2016/679]?

2.

Welke gegevens dienen door de aanbieder van diensten aan de gebruiker te worden verstrekt in het kader van de ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn [2002/58] te verstrekken duidelijke en volledige informatie? Valt daaronder ook de informatie hoelang de cookies actief blijven en of derden toegang tot de cookies hebben?”

33.

De verwijzingsbeslissing is bij het Hof ingekomen op 30 november 2017. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Planet49, het Bundesverband, de Portugese en de Italiaanse regering en de Europese Commissie. Op 13 november 2018 vond een terechtzitting plaats, waar Planet49, het Bundesverband, de Duitse regering en de Commissie zijn verschenen.

IV. Beoordeling

34.

Beide prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof betreffen de toestemming voor de opslag van informatie en het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen op de eindapparatuur van de gebruiker, dat wil zeggen cookies, in de specifieke context van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met richtlijn 95/46 of verordening 2016/679.

35.

Bij wijze van inleidende opmerkingen acht ik het nuttig om een feitelijke verduidelijking te geven met betrekking tot het verschijnsel cookies en verwante terminologie, alsmede een juridische verduidelijking van de rechtsinstrumenten die op deze zaak van toepassing zijn.

A. Inleidende opmerkingen

1.   Cookies

36.

Een cookie is een vorm van verzamelen van informatie die afkomstig is van een website en wordt bewaard door de browser van de internetgebruiker. ( 15 ) Het is een gegevens‑ of tekstbestandje, meestal minder dan één kilobyte groot. Een website vraagt de browser van een internetgebruiker om dit bestandje op de lokale harde schijf van de computer of het mobiele apparaat van de gebruiker op te slaan. ( 16 )

37.

Met een cookie kan de website het internetgedrag of de voorkeuren van de gebruiker in de loop van de tijd „onthouden”. De meeste webbrowsers ondersteunen cookies, maar gebruikers kunnen hun browsers zo instellen dat zij worden geweigerd. Ze kunnen ze ook te allen tijde verwijderen. Veel gebruikers stellen hun cookie‑instellingen in hun browsers in om cookies automatisch te verwijderen wanneer het browservenster wordt gesloten. Niettemin bestaat er overweldigend empirisch bewijs voor het feit dat mensen zelden de standaardinstellingen veranderen, een verschijnsel waarvoor de term default inertia is gemunt. ( 17 )

38.

Websites gebruiken cookies om gebruikers te identificeren, hun eigen voorkeuren te onthouden en om het mogelijk te maken dat gebruikers taken voltooien zonder informatie opnieuw in te voeren tijdens het browsen van de ene naar de andere pagina of bij een later bezoek aan de site.

39.

Cookies kunnen ook worden gebruikt om informatie te verzamelen met betrekking tot onlinegedrag voor reclame‑ en marketingdoeleinden. ( 18 ) Bedrijven gebruiken bijvoorbeeld software om het gedrag van gebruikers bij te houden en persoonlijke profielen op te stellen, waardoor gebruikers advertenties te zien krijgen die samenhangen met eerdere zoekopdrachten van een gebruiker. ( 19 )

40.

Er zijn verschillende soorten cookies, waarvan sommige zijn ingedeeld op basis van de levensduur van het cookie (bijvoorbeeld sessiecookies en permanente cookies) en andere op basis van het domein waartoe het cookie behoort (bijvoorbeeld first-party- en third‑party-cookies). ( 20 ) Als de webserver waarvan de webpagina afkomstig is, cookies opslaat op de computer of het mobiele apparaat van de gebruiker, dan worden deze cookies http header-cookies genoemd. ( 21 ) Een andere manier om cookies op te slaan is door middel van JavaScript-code die op die pagina staat of waarnaar wordt verwezen. ( 22 ) De geldigheid van de toestemming voor het plaatsen van cookies en de toepasselijkheid van relevante vrijstellingen moeten evenwel worden beoordeeld op basis van het doel van het cookie en niet op basis van de technische kenmerken ervan. ( 23 )

2.   Toepasselijke rechtsinstrumenten

41.

Het rechtskader dat van toepassing is op het hoofdgeding heeft zich in de loop van de jaren ontwikkeld en heeft uiteindelijk geleid tot de inwerkingtreding van verordening 2016/679.

42.

Op de onderhavige zaak zijn twee clusters van instrumenten van Unierecht van toepassing. In de eerste plaats richtlijn 95/46 en verordening 2016/679 en, in de tweede plaats, richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136. ( 24 )

43.

Ik wil twee opmerkingen maken met betrekking tot deze twee clusters van instrumenten.

44.

De eerste opmerking heeft betrekking op de toepasselijkheid van richtlijn 95/46 en verordening 2016/679.

45.

Bij verordening 2016/679, die sinds 25 mei 2018 ( 25 ) van toepassing is, is richtlijn 95/46 met ingang van dezelfde datum ingetrokken. ( 26 )

46.

Deze datum van 25 mei 2018 viel na de laatste terechtzitting bij de verwijzende rechter van 14 juli 2017 en ook na 5 oktober 2017, de datum waarop de onderhavige zaak voor een prejudiciële beslissing naar het Hof werd verwezen.

47.

Dit betekent dus dat de toepasselijke regeling voor situaties die dateren van vóór 25 mei 2018 richtlijn 2002/58 is, gelezen in samenhang met richtlijn 95/46, terwijl op situaties die dateren van na 25 mei 2018 richtlijn 2002/58 juncto verordening 2016/679 van toepassing is.

48.

Voor zover het Bundesverband met de stakingsvordering ( 27 ) Planet49 ertoe wil brengen zich in de toekomst anders te gedragen, is verordening 2016/679 van toepassing in de onderhavige zaak. In zijn uitspraak met betrekking tot de stakingsvordering zal het Bundesgerichtshof derhalve rekening moeten houden met de voorschriften van verordening 2016/679. In dit verband verwijst de Duitse regering naar vaste nationale rechtspraak inzake de betrokken juridische situatie in stakingsvorderingen. ( 28 )

49.

Bijgevolg moet bij de beantwoording van de gestelde vraag rekening worden gehouden met zowel richtlijn 95/46 als verordening 2016/679. ( 29 )

50.

Verder moet worden opgemerkt dat verwijzingen in richtlijn 2002/58 naar richtlijn 95/46 moeten worden begrepen als verwijzingen naar verordening 2016/679. ( 30 )

51.

De tweede opmerking betreft de ontwikkeling van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58.

52.

Richtlijn 2002/58 strekt tot volledige eerbiediging van de grondrechten en beginselen die tot uitdrukking zijn gebracht in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name de artikelen 7 en 8 ervan. ( 31 ) Artikel 5 van deze richtlijn heeft tot doel het „vertrouwelijk karakter van de communicatie” te garanderen. In het bijzonder regelt artikel 5, lid 3, het gebruik van cookies en stelt het de eisen vast waaraan moet worden voldaan voordat gegevens door middel van het plaatsen van een cookie op de computer van een gebruiker kunnen worden opgeslagen of toegang hiertoe kan worden verkregen.

53.

Richtlijn 2009/136 heeft ter versterking van de bescherming van de gebruiker de toestemmingsvereisten van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 aanzienlijk gewijzigd. Vóór de wijzigingen door die richtlijn vereiste artikel 5, lid 3, enkel dat gebruikers de mogelijkheid kregen van een geïnformeerde opt‑out van de gegevensverwerking via cookies. Met andere woorden: volgens de oorspronkelijke versie van artikel 5, lid 3, moet de dienstenaanbieder voor de opslag van informatie of voor het verkrijgen van toegang tot informatie die is opgeslagen in de eindapparatuur van een gebruiker, de gebruiker voorzien van duidelijke en volledige informatie over met name de doeleinden van de verwerking en hem het recht bieden om een dergelijke verwerking te weigeren.

54.

Richtlijn 2009/136 heeft dit vereiste van recht van weigering vervangen door het vereiste dat „de betrokken abonnee of gebruiker toestemming heeft verleend”, wat betekent dat deze richtlijn het geïnformeerde opt-out-systeem, waaraan gemakkelijker was te voldoen, heeft vervangen door een geïnformeerd opt-in-systeem. Behoudens een zeer beperkte uitzondering die niet van toepassing is op de onderhavige zaak ( 32 ) is het gebruik van cookies krachtens het herziene artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 alleen toegestaan wanneer de gebruiker toestemming heeft gegeven na duidelijke en omvattende informatie te hebben gekregen in overeenstemming met richtlijn 95/46 over de redenen voor het bijhouden van zijn gegevens, dat wil zeggen de doeleinden van de verwerking. ( 33 )

55.

Zoals hieronder nader zal worden uiteengezet, vormt de reikwijdte van de informatieplicht krachtens artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 de kern van waar het in de onderhavige zaak om gaat, met name in de context van de standaardinstellingen voor onlineactiviteiten.

B. Eerste vraag

56.

Met zijn eerste vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter te vernemen of sprake is van geldige toestemming in de zin van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46, wanneer de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van de gebruiker wordt toegestaan door middel van een reeds aangevinkt selectievakje dat door de gebruiker moet worden uitgevinkt ingeval hij weigert zijn toestemming te verlenen. Hiermee samenhangend vraagt de verwijzende rechter zich af of het enig verschil maakt of de opgeslagen of opgevraagde gegevens persoonsgegevens zijn [eerste vraag, onder b)]. Tot slot wenst de verwijzende rechter te vernemen of in de hiervoor beschreven omstandigheden sprake is van daadwerkelijke toestemming in de zin van artikel 6, lid 1, onder a), van verordening 2016/679 [eerste vraag, onder c)].

1.   Vrije en op informatie berustende toestemming

57.

Een kenmerk van de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming is dat van de toestemming.

58.

Alvorens in te gaan op het specifieke probleem van cookies wil ik de algemene, uit de toepasselijke rechtsinstrumenten voortvloeiende beginselen betreffende het geven van toestemming in kaart brengen.

a)   Richtlijn 95/46

1) Actieve toestemming

59.

Ik leid uit de bepalingen van richtlijn 95/46 af dat actief ( 34 ) blijk moet worden gegeven van toestemming.

60.

Artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46 verwijst naar een wilsuiting van de betrokkene, wat duidelijk wijst op een actieve in plaats van een passieve gedraging. Daarenboven bepaalt artikel 7, onder a), van richtlijn 95/46, waarin het gaat om beginselen betreffende de toelaatbaarheid van de verwerking van (persoons-)gegevens, dat de betrokkene zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend. Dubbelzinnigheid kan evenzeer enkel worden weggenomen door een actieve, niet door een passieve gedraging.

61.

Hieruit leid ik af dat het in dit opzicht niet voldoende is als de verklaring van toestemming van de gebruiker vooraf is geformuleerd en als de gebruiker actief bezwaar moet maken als hij het niet eens is met de verwerking van gegevens.

62.

In het laatste geval is het immers niet zeker of een dergelijke vooraf geformuleerde tekst is gelezen en begrepen. De situatie is niet ondubbelzinnig. Een gebruiker kan de tekst al dan niet hebben gelezen. Hij kan dit uit pure nalatigheid niet hebben gedaan. In een dergelijke situatie is het niet mogelijk om vast te stellen of toestemming vrijelijk is gegeven.

2) Afzonderlijke toestemming

63.

Nauw gekoppeld aan het vereiste van actieve toestemming is dat van afzonderlijke toestemming. ( 35 )

64.

Men zou met Planet49 kunnen betogen dat geldige toestemming niet wordt gegeven door de betrokkene wanneer hij het vinkje bij de vooraf geformuleerde toestemmingsverklaring niet verwijdert, maar wanneer hij actief klikt op de deelnameknop voor de onlineloterij.

65.

Ik onderschrijf deze uitlegging niet.

66.

Om te kunnen spreken van „vrije” en „op informatie berustende” toestemming, moet deze niet alleen actief maar ook afzonderlijk zijn gegeven. De activiteit van een gebruiker op internet (lezen van een webpagina, deelname aan een loterij, bekijken van een video enzovoort) en het geven van toestemming kunnen geen deel uitmaken van dezelfde handeling. Met name kan het geven van toestemming vanuit de gebruiker bezien niet bijkomend aan de deelname aan de loterij zijn. Beide acties moeten, vooral optisch, als gelijk worden gepresenteerd. Het lijkt mij bijgevolg twijfelachtig of een bundel uitingen van voornemens, waaronder het geven van toestemming, in overeenstemming is met het begrip toestemming in de zin van richtlijn 95/46.

3) Verplichting om volledig te informeren

67.

Wat dit betreft, moet het voor een gebruiker glashelder worden gemaakt of de activiteit die hij op internet ontplooit, verbonden is met het geven van toestemming. Een gebruiker moet in staat zijn te beoordelen in hoeverre hij bereid is zijn gegevens te verstrekken om zijn activiteit op internet te ontplooien. Er mag geen enkele marge zijn voor welke dubbelzinnigheid dan ook. ( 36 ) Een gebruiker moet weten of en, zo ja, in hoeverre zijn verklaring van toestemming van invloed is op zijn activiteit op internet.

b)   Verordening 2016/679

68.

De hierboven in kaart gebrachte beginselen gelden eveneens voor verordening 2016/679.

69.

Artikel 4, punt 11, van verordening 2016/679 definieert toestemming van de betrokkene als elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt.

70.

Deze definitie is strikter dan die van artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46, omdat zij een ondubbelzinnige wilsuiting van de betrokkene vereist en een ondubbelzinnige actieve handeling waarmee de betrokkene hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt.

71.

Voorts zijn de overwegingen van verordening 2016/679 bijzonder verhelderend. Omdat ik uitgebreid naar de overwegingen zal verwijzen ( 37 ), voel ik me genoodzaakt eraan te herinneren dat zij klaarblijkelijk geen zelfstandige juridische betekenis hebben ( 38 ), maar dat het Hof daarvan bij de uitlegging van een rechtshandeling van de Unie vaak gebruikmaakt. Binnen de rechtsorde van de Unie zijn deze overwegingen descriptief en niet prescriptief van aard. Normaal gesproken komt de vraag naar hun juridische betekenis niet aan de orde om de eenvoudige reden dat de overwegingen gewoonlijk hun neerslag vinden in het dispositief van een richtlijn. Goede wetgevingspraktijken van de politieke instellingen van de EU hebben de neiging om te streven naar een situatie waarin de overwegingen een nuttige achtergrond bieden voor de bepalingen van een juridische tekst. ( 39 )

72.

Volgens overweging 32 van verordening 2016/679 dient toestemming te worden gegeven door middel van een duidelijke actieve handeling, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring, ook met elektronische middelen, of een mondelinge verklaring, waaruit blijkt dat de betrokkene vrijelijk, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig met de verwerking van zijn persoonsgegevens instemt. Hiertoe zou kunnen behoren het klikken op een vakje bij een bezoek aan een internetwebsite, het selecteren van technische instellingen voor diensten van de informatiemaatschappij of een andere verklaring of een andere handeling waaruit in dit verband duidelijk blijkt dat de betrokkene instemt met de voorgestelde verwerking van zijn persoonsgegevens. Stilzwijgen, het gebruik van reeds aangevinkte vakjes of inactiviteit mag derhalve niet als toestemming gelden.

73.

Actieve toestemming is nu dus uitdrukkelijk voorgeschreven door verordening 2016/679.

74.

Voorts valt in overweging 43 van die verordening te lezen dat om ervoor te zorgen dat toestemming vrijelijk wordt verleend, toestemming geen geldige rechtsgrond mag zijn voor de verwerking van persoonsgegevens in een specifiek geval wanneer er sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de betrokkene en de verwerkingsverantwoordelijke, met name wanneer de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie is, en dit het onwaarschijnlijk maakt dat de toestemming in alle omstandigheden van die specifieke situatie vrijelijk is verleend. De toestemming wordt geacht niet vrijelijk te zijn verleend indien geen afzonderlijke toestemming kan worden gegeven voor verschillende persoonsgegevensverwerkingen ondanks het feit dat dit in het individuele geval passend is, of indien de uitvoering van een overeenkomst, daaronder begrepen het verlenen van een dienst, afhankelijk is van de toestemming ondanks het feit dat dergelijke toestemming niet noodzakelijk is voor die uitvoering.

75.

De noodzaak van afzonderlijke toestemming wordt daarom nu nadrukkelijk in deze overweging beklemtoond.

c)   Richtlijn 2002/58 – de kwestie van de cookies

76.

Ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 dragen de lidstaten er zorg voor dat de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die is opgeslagen in de eindapparatuur van een abonnee of gebruiker, alleen is toegestaan op voorwaarde dat de betrokken gebruiker overeenkomstig richtlijn 95/46 voorzien wordt van duidelijke en volledige informatie, onder andere over de doeleinden van de verwerking.

77.

Deze bepaling stelt geen verdere criteria vast met betrekking tot het begrip toestemming.

78.

Niettemin bevatten de overwegingen van richtlijn 2002/58 en richtlijn 2009/136 een leidraad wat betreft toestemming met betrekking tot cookies.

79.

Zo vermeldt overweging 17 van richtlijn 2002/58 dat toestemming kan worden gegeven op elke wijze die de gebruiker in staat stelt vrijelijk een specifieke en geïnformeerde indicatie te geven omtrent zijn wensen, onder andere door bij een bezoek aan een internetwebsite op een vakje te klikken. ( 40 )

80.

Bovendien maakt overweging 66 van richtlijn 2009/136 gewag van het feit dat het van kapitaal belang is dat gebruikers duidelijke en omvattende informatie krijgen wanneer zij een handeling stellen die kan resulteren in een dergelijke opslag van informatie in de apparatuur van een gebruiker of toegang tot reeds opgeslagen informatie en dat de wijze waarop informatie wordt gegeven en een recht van weigering wordt aangeboden zo gebruikersvriendelijk mogelijk moet zijn.

81.

In dit verband wil ik ook wijzen op het niet-bindende maar niettemin verhelderende werk van de Groep gegevensbescherming artikel 29 (hierna: „Artikel 29-Groep”) ( 41 ), volgens hetwelk toestemming impliceert dat gebruikers voorafgaand actief toestemming hebben gegeven voor de opslag van het cookie en het gebruik ervan. ( 42 ) Diezelfde werkgroep wijst erop dat het begrip „uiting” een element van actie omvat. ( 43 ) Andere elementen van de definitie van toestemming en het aanvullende vereiste in artikel 7, onder a), van richtlijn 95/46 dat toestemming ondubbelzinnig moet zijn, staven deze uitlegging. ( 44 ) Het vereiste dat de betrokkene zijn toestemming „te kennen moet geven” lijkt erop te duiden dat inactiviteit onvoldoende is en enige vorm van handelen is vereist om van toestemming te kunnen spreken, hoewel dat handelen verschillende vormen kan aannemen, „afhankelijk van de context”. ( 45 )

2.   Toepassing op de onderhavige zaak

82.

Ik zou deze criteria nu willen toepassen op de onderhavige zaak. Daarbij zal ik om te beginnen ingaan op de eerste vraag, onder a) en c), dat wil zeggen de vraag of sprake is van geldige toestemming voor het plaatsen van en de toegang tot de cookies. Dit betreft het tweede selectievakje.

83.

Gelet op het feit dat de vereisten voor toestemming niet sterk verschillen, of het nu gaat om cookies dan wel om meer in het algemeen de verwerking van persoonsgegevens, zoals zojuist is vastgesteld, acht ik het – zowel ten behoeve van de volledigheid als van de duidelijkheid en ook al stelt de verwijzende rechter niet uitdrukkelijk een vraag over dit onderwerp – voor de juiste en uniforme uitlegging van het Unierecht noodzakelijk om kort te onderzoeken of er sprake is van geldige toestemming betreffende de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het eerste selectievakje. Ik begrijp tevens dat het Bundesgerichtshof in de daar aanhangige procedure uitspraak moet doen over het eerste selectievakje. ( 46 )

a)   Tweede selectievakje - Eerste vraag, onder a) en c)

84.

De verwijzende rechter vraagt zich af of er sprake is van geldige toestemming in de zin van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46, wanneer de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van de gebruiker wordt toegestaan door middel van een vooraf aangevinkt selectievakje dat door de gebruiker moet worden uitgevinkt ingeval hij weigert zijn toestemming te verlenen.

85.

De begrippen van artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46 en artikel 4, punt 11, van verordening 2016/679 waar het wat deze vraag betreft om gaat zijn „vrije” en „geïnformeerde”. De vraag die rijst in een situatie als door de verwijzende rechter beschreven, is of toestemming op vrije en geïnformeerde wijze kan worden gegeven.

86.

Volgens Planet49 is dat het geval. Alle andere deelnemers aan de procedure vinden van niet. ( 47 ) In deze context spitste het juridische debat van de deelnemers aan de procedure zich eerst en vooral toe op de vraag of het aanvinken dan wel uitvinken van een vooraf aangevinkt selectievakje aan deze vereisten voldoet. Het debat draait om de kwestie van activiteit en passiviteit. Dit aspect, hoe belangrijk het ook is, omvat evenwel slechts een deel van de vereisten, aangezien het alleen gaat over het vereiste van actieve maar niet over dat van afzonderlijke toestemming.

87.

Naar mijn mening is het antwoord op basis van de hierboven vastgestelde criteria dat er in het onderhavige geval geen sprake is van geldige toestemming.

88.

Ten eerste voldoet het feit dat een gebruiker een vooraf aangevinkt selectievakje moet uitvinken, en dus in actie moet komen, wanneer hij geen toestemming geeft voor het plaatsen van cookies, niet aan het criterium van actieve toestemming. In een dergelijke situatie is het zo goed als onmogelijk om objectief vast te stellen of een gebruiker wel of niet vrijelijk en geïnformeerd toestemming heeft gegeven. Het vereiste dat een gebruiker een vakje moet aanvinken, maakt een dergelijke bewering daarentegen veel aannemelijker.

89.

Ten tweede, en belangrijker: de deelname aan de onlineloterij en de toestemming voor het plaatsen van cookies kunnen geen deel uitmaken van dezelfde handeling. Maar dit is precies het geval in de onderhavige zaak. Uiteindelijk doet een gebruiker met slechts één klik op de deelnameknop mee aan de loterij. Tegelijkertijd stemt hij in met het plaatsen van cookies. Twee wilsuitingen (deelname aan de loterij en toestemming voor het plaatsen van cookies) worden tegelijkertijd gedaan. Deze twee uitingen kunnen niet allebei onder één deelnameknop worden samengebracht. In het onderhavige geval lijkt de toestemming voor de cookies namelijk bijkomstig van aard, in die zin dat het geenszins duidelijk is dat zij een onderdeel vormt van een afzonderlijke handeling. Anders gezegd, het aanvinken van het selectievakje voor de cookies dan wel uitvinken van het vooraf aangevinkt selectievakje lijkt een voorbereidende handeling voor de laatste en juridisch bindende handeling, te weten het aanklikken van de deelnameknop.

90.

In een dergelijke situatie is een gebruiker niet in de positie om vrijelijk zijn afzonderlijke toestemming te geven voor de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in zijn eindapparatuur.

91.

Bovendien is hierboven vastgesteld dat deelname aan de loterij alleen mogelijk was als ten minste het eerste selectievakje was aangevinkt. Bijgevolg hing de deelname aan de loterij niet af ( 48 ) van het geven van toestemming voor het plaatsen van en het verkrijgen van toegang tot cookies. Een gebruiker kon net zo goed (enkel) het eerste selectievakje hebben aangevinkt.

92.

Maar voor zover ik weet, werd de gebruiker op geen enkel moment hiervan op de hoogte gebracht. Dit voldoet niet aan de hierboven in kaart gebrachte criteria voor het volledig geïnformeerd zijn van gebruikers.

93.

Samenvattend geef ik in overweging om op de eerste vraag, onder a) en c), te antwoorden dat er geen sprake is van geldige toestemming in de zin van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46, in een situatie als in het hoofdgeding waarin de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van de gebruiker wordt toegestaan door middel van een vooraf aangevinkt selectievakje dat door de gebruiker moet worden uitgevinkt ingeval hij weigert zijn toestemming te verlenen en waarin toestemming niet afzonderlijk wordt verleend maar tegelijkertijd met de bevestiging van de deelname aan een onlineloterij. Dit geldt ook voor de uitlegging van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 4, punt 11, van verordening 2016/679.

b)   Eerste selectievakje

94.

Hoewel de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op enkel het tweede selectievakje wil ik twee specifieke opmerkingen maken met betrekking tot het eerste selectievakje, die de verwijzende rechter kunnen helpen bij zijn definitieve beslissing.

95.

Ter herinnering: het eerste selectievakje heeft geen betrekking op cookies maar enkel op de verwerking van persoonsgegevens. Met dit eerste selectievakje stemt een gebruiker er niet mee in om informatie op zijn apparatuur op te slaan, maar (enkel) om door een reeks bedrijven per post, telefoon of e‑mail te worden benaderd.

96.

Ten eerste zijn de criteria voor actieve en afzonderlijke toestemming en volledige informatie uiteraard ook van toepassing op het eerste selectievakje. Actieve toestemming lijkt geen probleem te vormen, aangezien het selectievakje niet vooraf is aangevinkt. Wel heb ik enige twijfels wat betreft de afzonderlijke toestemming. Op basis van de bovenstaande analyse ( 49 ) zou het, wat de feiten in de onderhavige zaak betreft, beter zijn als er, figuurlijk gesproken, een afzonderlijke knop moest worden aangeklikt ( 50 ) in plaats van alleen een vakje dat moet worden aangevinkt om toestemming te geven voor de verwerking van persoonsgegevens.

97.

Ten tweede moet, waar het in het eerste selectievakje gaat om het contact door sponsors en partners, rekening worden gehouden met artikel 7, lid 4, van verordening 2016/679. Krachtens deze bepaling wordt bij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven, onder meer ten sterkste rekening gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst, met inbegrip van een dienstenovereenkomst, toestemming vereist is voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst. Artikel 7, lid 4, van verordening 2016/679 codificeert nu dus een „verbod op gezamenlijke aanbiedingen”. ( 51 )

98.

Zoals uit de bewoordingen „wordt [...] ten sterkste rekening gehouden met” blijkt, is het verbod op gezamenlijke aanbiedingen niet absoluut van aard. ( 52 )

99.

Wat dit aangaat, staat het aan de bevoegde rechter om na te gaan of de toestemming voor de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is om mee te kunnen doen aan de loterij. In dit verband moet in gedachten worden gehouden dat het onderliggende doel van de deelname aan de loterij de „verkoop” van persoonsgegevens is (dat wil zeggen dat toestemming wordt verleend om te worden benaderd door zogenoemde sponsors voor reclameaanbiedingen). Met andere woorden, het verstrekken van persoonsgegevens vormt de hoofdverplichting van de gebruiker voor deelname aan de loterij. In een dergelijke situatie komt het mij voor dat de verwerking van deze persoonsgegevens inderdaad noodzakelijk is voor de deelname aan de loterij. ( 53 )

3.   Persoonsgegevens [eerste vraag, onder b)]

100.

Ik wil nu nagaan of het bij de toepassing van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46, enig verschil maakt of de opgeslagen of opgevraagde gegevens persoonsgegevens zijn.

101.

Deze vraag kan het best worden begrepen tegen de achtergrond van de omzetting van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 in Duits recht. ( 54 ) In het Duitse recht wordt namelijk een verschil gemaakt tussen het verzamelen en het gebruiken van persoonsgegevens en andere gegevens.

102.

Ingevolge § 12, lid 1, TMG mag een aanbieder van diensten persoonsgegevens slechts verzamelen en benutten voor zover, onder andere, de gebruiker zijn toestemming heeft gegeven.

103.

§ 15, lid 3, TMG daarentegen machtigt een aanbieder van diensten om gebruikersprofielen op te stellen met gebruikmaking van pseudoniemen, onder meer voor doeleinden van reclame en marktanalyse, op voorwaarde dat de gebruiker hiertegen geen bezwaar maakt. Voor zover het niet gaat om persoonsgegevens is het vereiste in het Duitse recht dus minder strikt: geen toestemming, maar enkel een verklaring van geen bezwaar.

104.

Persoonsgegevens worden in artikel 4, punt 1, van verordening 2016/679 gedefinieerd als „alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‚de betrokkene’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online-identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”.

105.

Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat de in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 bedoelde „informatie”, wat het onderhavige geval betreft, „persoonsgegevens” vormt. Dit lijkt ook de opvatting van de verwijzende rechter, die in zijn verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk vermeldt dat de opvraging van gegevens uit de door verweerster gebruikte cookies onder het toestemmingsvereiste van § 12, lid 1, TMG valt, aangezien het hier om persoonsgegevens gaat. ( 55 ) Bovendien lijkt het voor de partijen in het hoofdgeding buiten kijf te staan dat we hier te maken hebben met persoonsgegevens.

106.

Men zou zich daarom kunnen afvragen wat het belang van deze vraag voor het onderhavige geval is en of de vraag niet hypothetisch van aard is. ( 56 )

107.

Hoe het ook zij, ik denk dat het antwoord op deze vraag vrij eenvoudig is: het maakt geen verschil of de opgeslagen of opgevraagde informatie persoonsgegevens vormt. Artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 verwijst naar de „opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen”. ( 57 ) Het is duidelijk dat dergelijke informatie een privacyaspect heeft, ongeacht of deze wel of niet moet worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van artikel 4, punt 1, van verordening 2016/679. Zoals de Commissie terecht benadrukt, beoogt artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 de gebruiker te beschermen tegen inmenging in zijn privésfeer, ongeacht of die inmenging betrekking heeft op persoonsgegevens of andere gegevens.

108.

Een dergelijke lezing van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 vindt bovendien steun in de overwegingen 24 ( 58 ) en 25 ( 59 ) van die richtlijn, alsmede in de adviezen van de Artikel 29-Groep. Volgens deze groep is „[a]rtikel 5, lid 3 [...] van toepassing op ‚informatie’ (opgeslagen en/of verkregen). Dergelijke informatie wordt niet gekwalificeerd. Het is [niet] noodzakelijk voor de toepassing van deze bepaling dat deze informatie persoonsgegevens betreft in de zin van [richtlijn 95/46].” ( 60 )

109.

Het lijkt er bijgevolg op dat § 15, lid 3, TMG de voorschriften van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 niet volledig in Duits recht omzet. ( 61 )

110.

Daarom geef ik in overweging om op de eerste vraag, onder b), te antwoorden dat het voor de toepassing van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46 niet uitmaakt of de opgeslagen of opgevraagde informatie persoonsgegevens vormt.

C. Tweede vraag

111.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke gegevens door de aanbieder van diensten aan de gebruiker dienen te worden verstrekt in het kader van het vereiste van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 om duidelijke en volledige informatie te verstrekken en of daaronder ook de informatie valt hoelang de cookies actief blijven en of derden toegang tot de cookies hebben.

1.   Duidelijke en volledige informatie

112.

De artikelen 10 en 11 van richtlijn 95/46 (en de artikelen 13 en 14 van verordening 2016/679) houden een verplichting in om aan de betrokkenen informatie te verstrekken. De informatieplicht is gekoppeld aan de toestemming, aangezien er altijd informatie moet zijn verstrekt voordat toestemming kan worden verleend.

113.

Gelet op het feit dat de termen internetgebruiker (en aanbieder) en consument (en handelaar) conceptueel dicht bijeen liggen ( 62 ), kan in dit stadium worden teruggegrepen op de notie van de gemiddelde Europese consument die redelijk goed geïnformeerd, omzichtig en oplettend ( 63 ) is en die in staat is om te besluiten geïnformeerd toestemming te verlenen. ( 64 )

114.

Wegens de technische complexiteit van cookies, de asymmetrische verhouding tussen aanbieder en gebruiker wat betreft informatie en, meer in het algemeen, het relatieve gebrek aan kennis van elke gemiddelde internetgebruiker, kan van de gemiddelde internetgebruiker evenwel niet worden verwacht dat hij ten aanzien van de werking van cookies over een hoog kennisniveau beschikt.

115.

Duidelijke en volledige informatie houdt dus in dat een gebruiker in staat is om gemakkelijk de gevolgen te bepalen van eventuele toestemming die hij verleent. Daartoe moet hij de gevolgen van zijn handelen kunnen beoordelen. De verstrekte informatie moet duidelijk te begrijpen zijn, ondubbelzinnig en niet voor meerderlei uitleg vatbaar. Zij moet voldoende gedetailleerd zijn om de gebruiker in staat te stellen de werking van de daadwerkelijk geplaatste cookies te begrijpen.

116.

Zoals de verwijzende rechter terecht in overweging geeft, omvat dat zowel de duur van de werking van de cookies als de vraag of derden toegang verkrijgen tot de cookies.

2.   Informatie over de duur en de werking van de cookies

117.

Ingevolge de overwegingen 23 en 26 van richtlijn 2002/58 is de duur van de werking van cookies een element van het vereiste van geïnformeerde toestemming, wat betekent dat dienstenaanbieders „hun abonnees altijd op de hoogte [moeten] brengen van de soorten gegevens die zij verwerken, waarvoor zij dat doen en hoelang dat wordt gedaan”. Zelfs als het cookie wezenlijk is, moet ten behoeve van de toestemming in het licht van de samenhangende omstandigheden worden nagegaan in hoeverre het de privacy schendt. Naast de vraag welke gegevens elk cookie bevat en of het is gekoppeld aan andere informatie over de gebruiker, moeten de aanbieders van diensten rekening houden met de levensduur van het cookie en of deze levensduur passend is in het licht van het doel van het cookie.

118.

De duur van de werking van de cookies heeft betrekking op de uitdrukkelijke vereisten inzake geïnformeerde toestemming met betrekking tot de kwaliteit van de informatie aan de gebruikers en de toegankelijkheid van die informatie. Dit is van essentieel belang om betrokkenen in staat te stellen om vóór de verwerking een op informatie berustende beslissing te nemen. ( 65 ) Zoals door de Portugese en de Italiaanse regering is opgemerkt, moet de duur van de opslag van de verzamelde gegevens – gelet op het feit dat de door cookies verzamelde gegevens dienen te worden verwijderd zodra deze niet langer nodig zijn om het oorspronkelijke doel te bereiken – duidelijk aan de gebruiker worden medegedeeld.

3.   Informatie over toegang door derden

119.

Planet49 betoogt dat wanneer derden toegang tot een cookie verkrijgen, gebruikers hiervan eveneens op de hoogte moeten worden gebracht. Wanneer evenwel, zoals in het onderhavige geval, alleen een aanbieder die het cookie wil plaatsen toegang hiertoe heeft, zou het voldoende zijn om de aandacht op dit feit te vestigen. Het feit dat andere derden geen toegang hebben, zou niet apart hoeven te worden vermeld. Een dergelijke verplichting zou niet verenigbaar zijn met de bedoeling van de wet dat de teksten inzake gegevensbescherming gebruiksvriendelijk en beknopt moeten blijven.

120.

Ik deel deze opvatting niet. Voor duidelijke en volledige informatie moet een gebruiker juist uitdrukkelijk ervan op de hoogte worden gebracht of derden wel of niet toegang hebben tot de cookies. Hebben derden toegang, dan moet hun identiteit bekend worden gemaakt. Zoals het Bundesverband terecht beklemtoont, is dit onmisbaar om ervoor te zorgen dat sprake is van geïnformeerde toestemming.

4.   Resultaat

121.

Ik geef bijgevolg in overweging om op de tweede vraag te antwoorden dat onder de ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 te verstrekken duidelijke en volledige informatie ook de informatie valt over de duur van de werking van de cookies en of derden wel of niet toegang tot de cookies hebben.

V. Conclusie

122.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:

„1)

Er is geen sprake van geldige toestemming in de zin van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), gelezen in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, in een situatie als in het hoofdgeding waarin de opslag van informatie of het verkrijgen van toegang tot informatie die reeds is opgeslagen in de eindapparatuur van de gebruiker wordt toegestaan door middel van een vooraf aangevinkt selectievakje dat door de gebruiker moet worden uitgevinkt ingeval hij weigert zijn toestemming te verlenen en waarin toestemming niet afzonderlijk wordt verleend maar tegelijkertijd met de bevestiging van de deelname aan een onlineloterij.

2)

Dit geldt evenzeer voor de uitlegging van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 4, punt 11, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46 (algemene verordening gegevensbescherming).

3)

Voor de toepassing van artikel 5, lid 3, en artikel 2, onder f), van richtlijn 2002/58, in samenhang met artikel 2, onder h), van richtlijn 95/46 maakt het niet uit of de opgeslagen of opgevraagde informatie persoonsgegevens vormt.

4)

Onder de ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 te verstrekken duidelijke en volledige informatie valt ook de informatie over de duur van de werking van de cookies en of derden wel of niet toegang tot de cookies hebben.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31).

( 3 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1).

( 4 ) Vaak aangeduid als e‑privacyrichtlijn.

( 5 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 11).

( 6 ) PB 2002, L 108, blz. 33.

( 7 ) Vaak aangeduid als cookierichtlijn.

( 8 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten, richtlijn 2002/58/EG en verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (PB 2009, L 337, blz. 11). De normatieve inhoud van richtlijn 2009/136 is daarom nu opgenomen in de laatstgenoemde richtlijnen en in de genoemde verordening, zoals gewijzigd (en, wat de onderhavige zaak betreft, in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58), wat de reden is waarom in het onderhavige geval alleen een overweging van richtlijn 2009/136 wordt aangehaald.

( 9 ) [Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse versie.]

( 10 ) Dit is de vorige versie van het BDSG van 20 december 1990, zoals gewijzigd, en niet de huidige versie van 30 juni 2017.

( 11 ) Een indruk van hoe de echte website eruitzag, kan hier worden verkregen: https://web.archive.org/web/20130902100750/http:/www.dein-macbook.de:80/.

( 12 ) En andere bedingen die niet van belang zijn voor de onderhavige zaak.

( 13 ) Berufung.

( 14 ) Revision.

( 15 ) Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein (C‑210/16, EU:C:2017:796, punt 5).

( 16 ) Zie Lynskey, O., „Track[ing] changes: an examination of EU Regulation of online behavioural advertising through a data protection lens”, European Law Review, Sweet & Maxwell, 2011, blz. 874‑886, in het bijzonder blz. 875 en 876.

( 17 ) Zie Lynskey, O., ibid., blz. 878.

( 18 ) Zie in het algemeen Clifford, D., „EU Data Protection Law and Targeted Advertising: Consent and the Cookie Monster – Tracking the crumbs of online user behaviour”, Journal of Intellectual Property, Information Technology and Electronic Commerce Law, 2014, blz. 195‑196.

( 19 ) Zie http://ec.europa.eu/ipg/basics/legal/cookies/index_en.htm.

( 20 ) Zie Clifford, D., ibid., blz. 195 en 196.

( 21 ) Zie http://ec.europa.eu/ipg/basics/legal/cookies/index_en.htm

( 22 ) Zie http://ec.europa.eu/ipg/basics/legal/cookies/index_en.htm

( 23 ) Zie bijvoorbeeld advies 04/2012 over ontheffing van de toestemmingsverplichting voor cookies, op 7 juni 2012 goedgekeurd door de Groep gegevensbescherming artikel 29 (00879/12/NL, WP 194, blz. 13).

( 24 ) Om het beeld te vervolledigen kan hieraan worden toegevoegd dat richtlijn 2002/58 ook is gewijzigd bij richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG (PB 2006, L 105, blz. 54). Om te beginnen was deze wijziging, zoals blijkt uit artikel 11 van richtlijn 2006/24, evenwel van ondergeschikt belang en betrof zij slechts één artikel van richtlijn 2002/58 en voorts, en nog belangrijker, is richtlijn 2006/24 intussen ongeldig verklaard; zie arrest van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C‑293/12 en C‑594/12, EU:C:2014:238, punt 71).

( 25 ) Ingevolge artikel 99, lid 2, van verordening 2016/679.

( 26 ) Zie artikel 94, lid 1, van verordening 2016/679.

( 27 ) In het Duits Unterlassungsanspruch.

( 28 ) Zie Bundesgerichtshof, 23 februari 2016, XI ZR 101/15, punt II.1., Neue Juristische Wochenschrift (NJW), 2016, blz. 1882: Voor zover het verzoek van de eiser om een voorlopige voorziening gericht is op de toekomst, moeten vorderingen tot voorziening in kort geding waarvan de rechtsgrondslag in de loop van de gerechtelijke procedure is gewijzigd, door de rechter in tweede aanleg worden onderzocht met inachtneming van de huidige juridische situatie, zelfs indien de wetswijziging pas in werking is getreden na afloop van de terechtzitting van de rechterlijke instantie in tweede instantie of in de loop van de hogerberoepsprocedure. Zie ook Bundesgerichtshof, 13 juli 2004, KZR 10/03, punt I., Gewerblicher Rechtsschutz und Urheberrecht (GRUR), 2004, blz. 62.

( 29 ) Zie met betrekking tot de toepasselijkheid van richtlijn 95/46 en verordening 2016/679 in de context van een Feststellungsklage (declaratoire vordering) naar Duits procesrecht arrest van 16 januari 2019, Deutsche Post (C‑496/17, EU:C:2019:26, punt 39), en de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Deutsche Post (C‑496/17, EU:C:2018:838, punt 32): „Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om haar nationale procesrecht uit te leggen, ter zake waarvan het Hof zich niet uitspreekt. Indien die instantie op grond van het nationale recht vaststelt dat het geschil ratione temporis aan de hand van de gegevensbeschermingsverordening en niet aan de hand van richtlijn 95/46 dient te worden beslecht, moet het Hof haar dan ook uitlegging van de gegevensbeschermingsverordening en niet van die richtlijn verstrekken.”

( 30 ) Zie artikel 94, lid 2, van verordening 2016/679.

( 31 ) Zie in het algemeen overweging 2.

( 32 ) Het vereiste van toestemming vormt ingevolge artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58 geen beletsel voor de opslag of toegang met als uitsluitend doel de uitvoering of vergemakkelijking van de verzending van een communicatie over een elektronischecommunicatienetwerk, of, indien strikt noodzakelijk, voor de levering van een uitdrukkelijk door de gebruiker gevraagde dienst van de informatiemaatschappij. In casu is de opslag van of toegang tot de informatie technisch niet noodzakelijk in de zin van de tweede volzin van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2002/58; de opslag of toegang wordt hier veeleer voor reclamedoeleinden aangewend. Daarom is de uitzondering op het vereiste van toestemming niet van toepassing.

( 33 ) Zie ook Bond, R., „The EU E‑Privacy Directive and Consent to Cookies”, The Business Lawyer, deel 68, nr. 1, American Bar Association, november 2012, blz. 215.

( 34 ) In plaats van het gebruik van het begrippenpaar actief en passief zou ook kunnen worden verwezen naar de termen expliciet en impliciet.

( 35 ) Strikt genomen houdt het vereiste van afzonderlijke toestemming reeds het vereiste van actieve toestemming in. Enkel wanneer het toestemmingscriterium afzonderlijk van toepassing is, kan toestemming namelijk niet „slinks” door middel van reeds aangevinkte instellingen worden verkregen.

( 36 ) Dat wil niet zeggen dat de deelname aan een loterij niet afhankelijk van toestemming kan worden gemaakt. Die toestemming moet echter afzonderlijk worden verleend en de gebruiker moet naar behoren worden geïnformeerd. Ik kom hieronder terug op dit punt.

( 37 ) En omdat ik hiervoor reeds heb verwezen naar overwegingen van de richtlijnen 2002/58 en 2009/136.

( 38 ) Arresten van 19 november 1998, Nilsson e.a. (C‑162/97, EU:C:1998:554, punt 54), en 24 november 2005, Deutsches Milch-Kontor (C‑136/04, EU:C:2005:716, punt 32), en de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak TeliaSonera Finland (C‑192/08, EU:C:2009:309, punten 8789).

( 39 ) Zie ook mijn conclusie in de gevoegde zaken X en Visser (C‑360/15 en C‑31/16, EU:C:2017:397, punt 132).

( 40 ) Zie de tweede volzin van overweging 17 van richtlijn 2002/58.

( 41 ) Dit is een adviesgroep krachtens artikel 29 van richtlijn 95/46. Met de inwerkingtreding van verordening 2016/679 is de Artikel 29-Groep vervangen door het Europees Comité voor gegevensbescherming (zie artikel 68 en artikel 94, lid 2, van verordening 2016/679).

( 42 ) Zie advies 2/2010 over online reclame op basis van surfgedrag („behavioural advertising”), op 22 juni 2010 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (00909/10/NL, WP 171, blz. 19, punt 4.1.3.).

( 43 ) Advies 15/2011 over de definitie van toestemming, op 13 juli 2011 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (01197/11/NL, WP 187, blz. 14).

( 44 ) Advies 15/2011 over de definitie van toestemming, op 13 juli 2011 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (01197/11/NL, WP 187, blz. 14).

( 45 ) Advies 15/2011 over de definitie van toestemming, op 13 juli 2011 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (01197/11/NL, WP 187, blz. 14).

( 46 ) Dit punt, dat al uit de verwijzingsbeslissing voortvloeit, is door het Bundesverband ter terechtzitting naar aanleiding van een vraag van het Hof uitdrukkelijk bevestigd.

( 47 ) Dat wil zeggen het Bundesverband, de Duitse, de Italiaanse en de Portugese regering alsmede de Commissie.

( 48 ) Zie artikel 7, lid 4, van verordening 2016/679.

( 49 ) Zie in het bijzonder punt 66 van deze conclusie.

( 50 ) Een knop zoals de deelnameknop.

( 51 ) In de Duitstalige terminologie Kopplungsverbot; zie onder andere Ingold, A., in G. Sydow (ed.), „Europäische Datenschutzgrundverordnung”, Handkommentar, Nomos, Baden-Baden, 2017, artikel 7, punt 30.

( 52 ) Zie Heckmann, D., Paschke, A., in E. Ehmann, M. Selmayr (ed.), „DS-GVO (Datenschutz-Grundverordnung), Kommentar”, C.H. Beck, München, 2017, artikel 7, punt 53.

( 53 ) Zie in die zin ook Buchner, J., Kühling, B., in J. Buchner, B. Kühling (eds.), „Datenschutz-Grundverordnung/BDSG, Kommentar”, 2e druk, 2018, C.H. Beck, München, artikel 7 DS-GVO, punt 48.

( 54 ) Zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136.

( 55 ) Zie punt 24 van de verwijzingsbeslissing.

( 56 ) Ter terechtzitting wees de vertegenwoordiger van het Bundesverband er namelijk op dat een verduidelijking van het Hof met betrekking tot de eerste vraag, onder b), zeer nuttig zou zijn, aangezien er in de Duitse rechtsleer verschil van mening bestaat over de vraag of § 15, lid 3, TMG wel of niet in overeenstemming is met het Unierecht.

( 57 ) Cursivering van mij.

( 58 ) Zie Toepasselijke bepalingen, supra.

( 59 ) Ibid.

( 60 ) Zie advies 2/2010 over online reclame op basis van surfgedrag („behavioural advertising”), op 22 juni 2010 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (00909/10/NL, WP 171, blz. 10, punt 3.2.1). In die lijn wordt in advies 02/2013 over apps op intelligente apparaten, op 27 februari 2013 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (00461/13/NL, WP 202, blz. 6, punt 3.1), gezegd dat „(h)et toestemmingsvereiste van artikel 5, lid 3, [...] voor alle informatie [geldt], ongeacht de aard van de opgeslagen of geraadpleegde informatie. De werkingssfeer is niet beperkt tot persoonsgegevens; het betreft iedere soort informatie die op het apparaat is opgeslagen”.

( 61 ) Om precies te zijn: de vereisten van richtlijn 2009/136 tot wijziging van, onder andere, richtlijn 2002/58.

( 62 ) Zie wat betreft de terminologie op het gebied van de consumentenbescherming artikel 2 van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64).

( 63 ) Dit is de klassieke terminologie die wordt gebruikt door het Hof voor de beschrijving van de gemiddelde Europese consument. Zie bijvoorbeeld arresten van 7 augustus 2018, Verbraucherzentrale Berlin (C‑485/17, EU:C:2018:642, punt 44); 7 juni 2018, Scotch Whisky Association (C‑44/17, EU:C:2018:415, punt 47), en 16 juli 1998, Gut Springenheide en Tusky (C‑210/96, EU:C:1998:369, punt 31).

( 64 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe in de zaak slewo (C‑681/17, EU:C:2018:1041, punt 55).

( 65 ) Advies 15/2011 over de definitie van toestemming, op 13 juli 2011 goedgekeurd door de Artikel 29-Groep (01197/11/NL, WP 187, blz. 43 en 44).

Top