EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CC0386

Conclusie van advocaat-generaal Y. Bot van 6 september 2018.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:670

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 6 september 2018 ( 1 )

Zaak C‑386/17

Stefano Liberato

tegen

Luminita Luisa Grigorescu

[verzoek van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechterlijke instantie, Italië) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in civiele zaken – Verordening (EG) nr. 44/2001– Artikel 5, punt 2 – Artikel 27 – Artikel 35, lid 3 – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de onderhoudsverplichtingen – Verordening (EG) nr. 2201/2003 – Artikelen 19 en 24 – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid – Aanhangigheid – Schending van de aanhangigheidsregels – Gevolgen – Verbod op toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht”

1. 

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 19 en 24 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: „verordening nr. 2201/2003”). ( 2 )

2. 

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stefano Liberato en Luminita Luisa Grigorescu over de erkenning door de Italiaanse rechter van een door de Roemeense rechter gegeven beslissing over de huwelijksband, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichtingen.

3. 

Deze zaak stelt het Hof in de gelegenheid te preciseren of schending van de aanhangigheidsregels door de laatst aangezochte rechter een reden kan zijn om de beslissing die door die rechter is gegeven, niet te erkennen.

4. 

Aan het einde van mijn onderzoek zal ik in overweging geven om, overeenkomstig het arrest P van 19 november 2015 ( 3 ), primair vast te stellen dat artikel 35, lid 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 ( 4 ) van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „verordening nr. 44/2001”) ( 5 ), en artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat zij verbieden dat schending van de aanhangigheidsregels, die zijn neergelegd in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, door de laatst aangezochte rechter een reden kan zijn om de beslissing die door die rechter is gegeven, niet te erkennen wegens strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.

I. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

1. Verordening nr. 44/2001

5.

Artikel 5, punt 2, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

2)

ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen recht bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen;”

6.

Artikel 27 van deze verordening luidt als volgt:

„1.   Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.   Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”

7.

Artikel 28 van deze verordening bepaalt:

„1.   Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

2.   Wanneer deze vorderingen in eerste aanleg aanhangig zijn, kan dit gerecht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat.

3.   Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.”

8.

Artikel 34 van dezelfde verordening bepaalt:

„Een beslissing wordt niet erkend indien:

1)

de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]

3)

de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;

4)

de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte lidstaat.”

9.

Artikel 35 van verordening nr. 44/2001 luidt:

„1.   De beslissingen worden tevens niet erkend, indien de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden, of indien het in artikel 72 bedoelde geval zich voordoet.

2.   Bij de toetsing of de in het vorige lid genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is het aangezochte gerecht of de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de lidstaat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

3.   Onverminderd lid 1 mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, punt 1.”

2. Verordening nr. 2201/2003

10.

Overwegingen 11, 12, 21 en 33 van verordening nr. 2201/2003 luiden:

„(11)

Onderhoudsverplichtingen zijn van de werkingssfeer van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds door verordening [...] nr. 44/2001 worden geregeld. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn, zullen over het algemeen bevoegd zijn om uitspraak te doen inzake onderhoudsverplichtingen, krachtens artikel 5, lid 2, van verordening [...] nr. 44/2001.

(12)

De in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid. Dit betekent dat de bevoegdheid in de eerste plaats bij de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind moet berusten, behalve in bepaalde gevallen waarin het kind van verblijfplaats is veranderd of wanneer er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

[...]

(21)

De erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen dienen gebaseerd te zijn op het beginsel van wederzijds vertrouwen, en de gronden tot weigering van de erkenning dienen tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven.

[...]

(33)

Deze verordening erkent de grondrechten en is in overeenstemming met de beginselen, die zijn erkend bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder beoogt zij de grondrechten van het kind, zoals die in artikel 24 van het Handvest van grondrechten [...] zijn erkend, ten volle te eerbiedigen,”

11.

Artikel 12 van deze verordening, met als opschrift „Prorogatie van rechtsmacht”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.   De gerechten van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid op grond van artikel [3] ter zake van een verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, indien:

a)

ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt;

en

b)

de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

2.   De overeenkomstig lid 1 uitgeoefende bevoegdheid neemt een einde zodra:

a)

de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek om echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden; hetzij;

b)

ingeval op het onder a) bedoelde tijdstip nog een procedure betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is, een beslissing in die procedure definitief is geworden; hetzij;

c)

de onder a) en b) bedoelde procedures om een andere reden zijn beëindigd.”

12.

Artikel 17 van deze verordening, met als opschrift „Toetsing van de bevoegdheid”, luidt:

„Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.”

13.

Artikel 19 van dezelfde verordening, met als opschrift „Aanhangigheid en onderling samenhangende procedures”, luidt:

„1.   Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig zijn, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.   Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

3.   Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar dat gerecht.

In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.”

14.

Artikel 21 van verordening nr. 2201/2003, met als opschrift „Erkenning van een beslissing”, vermeldt in de leden 1 en 4:

„1.   De in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is.

[...]

4.   Indien voor een gerecht van een lidstaat de erkenning van een beslissing als incidentele vraag wordt opgeworpen, kan zij daarover uitspraak doen.”

15.

Artikel 22 van deze verordening, met als opschrift „Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk”, bepaalt:

„Een beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk wordt niet erkend:

a)

indien de erkenning kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]

c)

indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing; [...]

[...]”

16.

Artikel 23 van deze verordening, met als opschrift „Gronden tot weigering van de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid”, bepaalt het volgende:

„Een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt niet erkend:

a)

indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;

[...]

e)

indien zij onverenigbaar is met een latere beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, die in de aangezochte lidstaat is gegeven;

[...]”

17.

Artikel 24 van dezelfde verordening, met als opschrift „Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht”, luidt:

„De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 22, onder a), en artikel 23, onder a), wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.”

B.   Italiaans recht

18.

Artikel 150 van de codice civile (burgerlijk wetboek), met als opschrift „Scheiding van tafel en bed”, bepaalt:

„Scheiding van tafel en bed is toegestaan.

Scheiding van tafel en bed kan door de rechter worden uitgesproken of met wederzijds goedvinden geschieden.

Het recht om scheiding van tafel en bed door de rechter of bekrachtiging van de scheiding van tafel en bed met wederzijds goedvinden te vorderen, komt uitsluitend toe aan de echtgenoten.”

19.

Artikel 151 van de codice civile, met als opschrift „Door de rechter uitgesproken scheiding van tafel en bed”, luidt:

„Scheiding van tafel en bed kan worden verzocht wanneer zich, ook buiten de wil van een der echtgenoten of beiden, gebeurtenissen voordoen waardoor voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden of de opvoeding van de kinderen ernstig wordt verstoord.

Wanneer de rechter de scheiding van tafel en bed uitspreekt, verklaart hij, op verzoek en indien de omstandigheden dat rechtvaardigen, aan welke echtgenoot de scheiding kan worden toegerekend omdat hij of zij zich in strijd met de huwelijkse plichten heeft gedragen.”

20.

De verwijzende rechter preciseert dat voor de definitieve ontbinding van de huwelijksband (echtscheiding) artikel 3, eerste alinea, punt 2, onder b), van legge n. 898 (Disciplina dei casi di scioglimento del matrimonio) [wet nr. 898 (Echtscheidingswet)] ( 6 ) van 1 december 1970, de bepaling is die ratione temporis van toepassing is, welk artikel als volgt is geformuleerd:

„De ontbinding of de beëindiging van de civielrechtelijke gevolgen van het huwelijk kan door een der echtgenoten worden verzocht:

[...]

2)

indien:

[...]

b)

bij definitieve rechterlijke beslissing scheiding van tafel en bed is uitgesproken, of de scheiding van tafel en bed met wederzijds goedvinden is bekrachtigd, of scheiding van tafel en bed een feit is geworden indien deze scheiding feitelijk ten minste twee jaar vóór 18 december 1970 is aangevangen. In alle bovenvermelde gevallen moeten de echtgenoten, om te kunnen verzoeken om ontbinding of beëindiging van de civielrechtelijke gevolgen van het huwelijk, nadat zij in de procedure tot scheiding van tafel en bed voor de president van de rechtbank zijn verschenen ten minste drie jaar lang ononderbroken van tafel en bed gescheiden leven, ook indien scheiding van tafel en bed niet langer door één partij maar door beide partijen gezamenlijk wordt verzocht.”

21.

De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichting voor het kind bij scheiding van tafel en bed en echtscheiding op dezelfde wijze worden geregeld door de artikelen 337 bis tot en met 337 octies van het burgerlijk wetboek.

II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

22.

Liberato en Grigorescu zijn op 22 oktober 2005 in Rome (Italië) in het huwelijk getreden en hebben tot de geboorte van hun kind op 20 februari 2006 in die lidstaat samengewoond. De huwelijksbetrekkingen werden steeds slechter en de moeder heeft het kind meegenomen naar Roemenië en is niet meer naar Italië teruggekeerd. ( 7 )

23.

Liberato heeft op 22 mei 2007 bij de Tribunale di Teramo (rechter in eerste aanleg Teramo, Italië) scheiding van tafel en bed en het ouderlijk gezag over zijn kind gevorderd. Grigorescu heeft verweer gevoerd door scheiding van tafel en bed te vorderen met het verzoek de schuld toe te wijzen aan haar echtgenoot. Tevens vorderde zij het eenhoofdig ouderlijk gezag over haar kind en een onderhoudsbijdrage voor het kind ten laste van de vader.

24.

Bij vonnis van 19 januari 2012 ( 8 ) heeft de Tribunale di Teramo de scheiding van tafel en bed uitgesproken waarbij de schuld daarvoor bij Grigorescu werd gelegd, en bij afzonderlijke beslissing de zaak voor onderzoek doorverwezen wat betreft de beslissing over de wederzijdse vorderingen van partijen ter zake van de uitoefening van ouderlijke verantwoordelijkheid.

25.

Hangende de beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid in Italië heeft Grigorescu op 30 september 2009 bij de Judecătoria București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) echtscheiding, het eenhoofdig ouderlijk gezag over hun kind en een bijdrage van de vader in het levensonderhoud van hun kind gevorderd.

26.

In deze contradictoire procedure heeft Liberato verweer gevoerd door in de eerste plaats de exceptie van aanhangigheid op te werpen, aangezien de scheidingsprocedure als eerste in Italië aanhangig was gemaakt. Toch heeft de Judecătoria București bij vonnis van 31 mei 2010 de ontbinding van de huwelijksband uitgesproken, het gezag over het kind aan de moeder toegewezen, de omgangsregeling voor de vader vastgesteld alsmede de door de vader ten behoeve van het kind te betalen onderhoudsbijdrage.

27.

Deze beslissing heeft kracht van gewijsde gekregen na een arrest van de Curtea de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) van 12 juni 2013, die het vonnis van de Tribunal București van 3 december 2012 heeft bevestigd door het door Liberato tegen het vonnis van 31 mei 2010 ingestelde beroep te verwerpen.

28.

Hierna is de scheidingsprocedure in Italië afgesloten met een vonnis van 8 juli 2013 van de Tribunale di Teramo. Bij dit vonnis is het eenhoofdig ouderlijk gezag over het kind toegewezen aan de vader en de onmiddellijke terugkeer van deze minderjarige naar Italië bevolen. Ook is daarbij de omgangsregeling voor de moeder in Italië geregeld onder toezicht van de kinderbescherming en het openbaar ministerie, en is een bijdrage in het onderhoud van het kind ten laste van de moeder vastgesteld.

29.

De Tribunale di Teramo heeft het incidentele verzoek van Grigorescu om het echtscheidingsvonnis van de Tribunal București van 3 december 2012 in Italië te erkennen, afgewezen op grond van verordening nr. 2201/2003. Volgens de Tribunale di Teramo was de echtscheidingsprocedure in Roemenië in 2009 ingeleid nadat de procedure tot scheiding van tafel en bed in 2007 in Italië aanhangig was gemaakt, en had de Tribunal București artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 geschonden door zijn uitspraak niet aan te houden.

30.

Grigorescu heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en om te beginnen een incidentele vordering ingediend tot erkenning van het arrest van Curtea de Apel București van 12 juni 2013 waarin de exceptie van aanhangigheid is afgewezen, omdat, volgens de verwijzende rechter, beide zaken volgens Roemeens procesrecht niet hetzelfde onderwerp hadden. ( 9 ) Bij arrest van 31 maart 2014 heeft de Corte d’appello di L’Aquila (rechter in tweede aanleg L’Aquila, Italië) het in eerste aanleg gewezen vonnis vernietigd en de exceptie dat de door de Roemeense rechter gegeven echtscheidingsbeslissing die ook op het gezag over het kind en de bijdrage in diens onderhoud betrekking had, kracht van gewijsde had verkregen, aanvaard. Volgens deze rechter is de schending van de Unierechtelijke aanhangigheidsregels door de rechter die het laatst is aangezocht, te weten de Roemeense rechter, niet „van belang” voor het onderzoek van de voorwaarden voor erkenning van de definitieve, door Roemenië vastgestelde maatregelen, zijn de Roemeense beslissingen niet onverenigbaar met de beslissingen die in Italië zijn gegeven en bestaat er geen enkele reden, met name geen reden van openbare orde, die aan de erkenning van de Roemeense beslissing in de weg staat.

31.

Liberato heeft tegen dit arrest van de Corte d’appello di L’Aquila beroep in cassatie ingesteld.

32.

De Corte suprema di cassazione (hoogste rechterlijke instantie, Italië), de verwijzende rechter, geeft aan dat de in Roemenië genomen beslissing betrekking heeft op de huwelijksband, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichting. In de in Italië ingeleide procedure tot scheiding van tafel en bed zijn dezelfde vorderingen ingediend, behalve waar het gaat om de vordering inzake de huwelijksband, die niet dezelfde is, aangezien de Italiaanse rechtsorde voor echtscheiding vereist dat eerst is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor scheiding van tafel en bed.

33.

Deze rechter zet om te beginnen uiteen dat er uit hoofde van artikel 22, onder c), van verordening nr. 2201/2003, artikel 23, onder e), van deze verordening of artikel 34, punt 4, van verordening nr. 44/2001 geen redenen zijn die in de weg staan aan erkenning van de Roemeense beslissing inzake respectievelijk de echtelijke status, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichtingen.

34.

Volgens deze rechter moet vervolgens worden onderzocht of de toepasselijke aanhangigheidsbepalingen van het Unierecht, te weten artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 en artikel 27 van verordening nr. 44/2001, zijn geschonden door de rechter van de lidstaat waarin de beslissing waarvan de erkenning wordt verzocht, is gegeven, en of, indien beide bepalingen zijn geschonden, deze schending als grond kan worden aangemerkt die aan erkenning in de weg staat wegens kennelijke strijdigheid met de openbare orde.

35.

De verwijzende rechter benadrukt dat de Unierechtelijke aanhangigheid uitdrukking geeft aan het beginsel van het stelsel van vertrouwen en samenwerking dat ten grondslag ligt aan het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten. De aanhangigheid is gebaseerd op drie beginselen, te weten dat dit begrip autonoom is, dat de laatst aangezochte rechter de bevoegdheid van de rechter waarbij de zaak het eerst is aangebracht niet mag toetsen, en dat deze eerste aanhangigheid verplicht van toepassing is voor de rechter waarbij de zaak het laatst is aangebracht.

36.

De verwijzende rechter merkt op dat de exceptie van aanhangigheid die Liberato in iedere fase van de Roemeense procedure, en met name bij de Curtea de Apel București heeft aangevoerd, is verworpen op grond van het feit dat de zaken dezelfde oorzaak, hetzelfde onderwerp en dezelfde partijen moeten hebben, overeenkomstig enerzijds het nationale Roemeense procesrechtelijke begrip aanhangigheid en anderzijds het Unierechtelijke begrip „aanhangigheid”, zoals neergelegd in artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003. Daaruit leidt de verwijzende rechter af dat de Roemeense rechters zich niet hebben gehouden aan de bewoordingen van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, die vorderingen tot scheiding van tafel en bed, echtscheiding en nietigverklaring van het huwelijk aan elkaar gelijkstelt, en dus niet vereist dat deze vorderingen dezelfde oorzaak en hetzelfde onderwerp hebben.

37.

De verwijzende rechter merkt op dat de beslissing inzake de onderhoudsverplichting ten aanzien van het kind ondergeschikt is aan de beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en in logisch noch juridisch opzicht daarvan los kan worden gezien, aangezien deze beslissing afhankelijk is van de hoofdbeslissing. Zijns inziens is voldaan aan de voorwaarden van artikel 28 van verordening nr. 44/2001, gelezen in het licht van artikel 3 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen ( 10 ), hoewel deze bepaling niet rechtstreeks van toepassing is. ( 11 )

38.

De verwijzende rechter is van oordeel dat de definitieve Roemeense beslissing, waarvan erkenning wordt verzocht, is gegeven door een rechter die niet bevoegd was om over het geschil te beslissen, aangezien deze rechter later is aangezocht.

39.

Volgens de verwijzende rechter betreft deze schending niet alleen de toepassing van een criterium voor de toekenning van rechterlijke bevoegdheid tussen twee lidstaten, maar ook – gezien de functie van aanhangigheid in het systeem van automatische erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken in de lidstaten – de uitvoering van een Unierechtelijk beginsel van procedurele openbare orde, dat resulteert in het legitieme verkeer van beslissingen binnen de Unie. Het beginsel van eerste aanhangigheid, dat ten grondslag ligt aan de procedureregel voor litispendentie, neemt binnen het procesrecht van de Unie een centrale plaats in, omdat het ertoe strekt te voorkomen dat naar de rechter wordt gestapt uitsluitend om procedures te dwarsbomen waarin de eerst aangezochte rechter – wiens bevoegdheid in casu onbetwist is aanvaard – ten gronde beslissingen heeft genomen waarmee men het niet eens is.

40.

De verwijzende rechter brengt ook naar voren dat artikel 24 van verordening nr. 2201/2003, dat verbiedt om de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst te toetsen, verwijst naar de bevoegdheidsregels in de artikelen 3 tot en met 14 van deze verordening en niet naar het voorschrift van artikel 19 van deze verordening.

41.

In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Raakt schending van de aanhangigheidsregels van artikel 19, leden 2 en 3, van verordening [...] nr. 2201/2003 [...] uitsluitend de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid, met als gevolg dat artikel 24 van deze verordening van toepassing is, of kan zij daarentegen om redenen van procedurele openbare orde in de weg staan aan erkenning, in de lidstaat van de eerst aangezochte rechter, van de beslissing die is gegeven in de lidstaat van de laatst aangezochte rechter, indien in aanmerking wordt genomen dat artikel 24 van verordening [...] nr. 2201/2003 [...] uitsluitend verwijst naar de regels voor de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid in de artikelen 3 tot en met 14, en niet naar artikel 19 van deze verordening?

2)

Is de uitlegging van artikel 19 van verordening [...] nr. 2201/2003 dat dit artikel uitsluitend is bedoeld als criterium voor de vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid, in strijd met het Unierechtelijke begrip ,aanhangigheid’ en met de functie en de doelstelling van dit artikel, dat ertoe strekt een geheel van voorschriften van procedurele openbare orde te geven, teneinde een gemeenschappelijke ruimte tot stand te brengen die wordt gekenmerkt door vertrouwen en procedurele loyaliteit tussen lidstaten, waarbinnen automatische erkenning en vrij verkeer van beslissingen mogelijk is?”

III. Mijn analyse

42.

Om de gevolgen van het niet eerbiedigen van de aanhangigheidsregels in de omstandigheden van het hoofdgeding te kunnen vaststellen, dient eerst te worden vastgesteld welke bepalingen moeten worden uitgelegd en onder welke voorwaarden de aanhangigheidsregeling van toepassing is.

A.   Opmerkingen vooraf

1. Herformulering van de prejudiciële vragen

43.

Opgemerkt moet worden dat de verwijzende rechter zijn vragen slechts stelt met betrekking tot verordening nr. 2201/2003, terwijl uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de zaak in het hoofdgeding niet alleen betrekking heeft op de ouderlijke verantwoordelijkheid, maar ook op de onderhoudsverplichtingen, die niet onder deze verordening vallen. ( 12 )

44.

Derhalve moeten de gestelde vragen opnieuw worden geformuleerd, door daarbij artikel 5, punt 2, van verordening nr. 44/2001 te betrekken, dat van toepassing is omdat de vorderingen vóór 18 juni 2011 zijn ingediend. ( 13 )

45.

Tevens dient in aanmerking te worden genomen dat de verwijzende rechter met zijn twee prejudiciële vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, in wezen wenst te vernemen of artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001 en artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 aldus kunnen worden uitgelegd dat zij niet verbieden dat schending van de aanhangigheidsregels, zoals neergelegd in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, door de laatst aangezochte rechter een reden kan zijn om de beslissing die door deze rechter is gegeven, niet te erkennen wegens strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat die procedurele voorschriften omvat die in de rechtsorde van de Unie van essentieel belang worden geacht.

2. Gelijke regeling voor aanhangigheid in de verordeningen nrs. 44/2001 en 2201/2003

46.

Deze twee verordeningen verplichten de laatste rechter zich onbevoegd te verklaren ingeval van aanhangigheid. ( 14 ) Het Hof heeft vastgesteld dat „de bewoordingen van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003[ ( 15 )] sterk aanleunen bij die van artikel 27 van verordening nr. 44/2001, dat in de plaats is gekomen van artikel 21 van het Executieverdrag[ ( 16 )] en dat voormeld artikel 19 voorziet in een regeling voor de behandeling van gevallen op het gebied van aanhangigheid, die vergelijkbaar is met die waarin die twee laatstgenoemde artikelen voorzien. Derhalve dient rekening te worden gehouden met hetgeen het Hof in verband met deze laatste artikelen heeft vastgesteld.” ( 17 )

3. De voor aanhangigheid geldende regeling en het doel ervan

47.

Zoals het Hof wat verordening nr. 2201/2003 betreft reeds heeft benadrukt, „heeft de Uniewetgever beoogd een duidelijke en afdoende regeling in te stellen om problemen op het gebied van aanhangigheid op te lossen (zie naar analogie, met betrekking tot verordening nr. 44/2001, arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 40)”. ( 18 )

48.

Deze regeling die „gebaseerd [is] op de chronologische volgorde waarin de zaak bij de gerechten is aangebracht” ( 19 ), houdt in dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

49.

Het Hof heeft aangegeven dat „[v]oor het vaststaan in de zin van artikel 19, lid 1, van [...] verordening [nr. 2201/2003] van de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, volstaat [...] dat het gerecht waarbij de zaak voor het eerst is aangebracht zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard en geen van de partijen zijn bevoegdheid heeft betwist vóór of op het tijdstip van de stellingname die naar zijn nationaal procesrecht is te beschouwen als het eerste verweer ten gronde bij hem (zie naar analogie arrest Cartier parfums-lunettes en Axa Corporate Solutions assurances, C‑1/13, EU:C:2014:109, punt 44)”. ( 20 )

50.

Concreter gezegd kan, zoals het Hof heeft aanbevolen, „[a]fhankelijk van de in het nationale recht voorziene mogelijkheden, [...] het nadien aangezochte gerecht, wanneer tussen dezelfde partijen twee gedingen dienen, bij de partij die de exceptie van aanhangigheid opwerpt inlichtingen over het bestaan van het vermeende geding en de inhoud van de vordering inwinnen. In aanmerking nemend dat verordening nr. 2201/2003 gebaseerd is op de wederzijdse bijstand en het wederzijdse vertrouwen tussen rechterlijke instanties, dient dit gerecht bovendien het als eerste aangezochte gerecht in kennis te stellen van de aanhangigmaking van de vordering bij hem, dit erop attent te maken dat er mogelijk sprake is van aanhangigheid, dit te verzoeken hem alle inlichtingen betreffende de aldaar aanhangige vordering te verstrekken en een standpunt in te nemen over zijn bevoegdheid in de zin van verordening nr. 2201/2003 of hem mededeling te doen van enige beslissing die reeds dienaangaande is genomen. Tot slot zal het als laatste aangezochte gerecht zich tot de centrale autoriteit van zijn lidstaat kunnen wenden.” ( 21 )

51.

Het dwingend karakter van de in artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 ( 22 ) neergelegde aanhangigheidsregels wordt gerechtvaardigd door het doel ervan. Het Hof heeft vastgesteld dat „die regels zien op het voorkomen van parallelle procedures voor de rechters van verschillende lidstaten en de tegenstrijdige beslissingen die ervan het resultaat zouden kunnen zijn”. ( 23 )

52.

Zij dragen bij aan de toepassing van het beginsel dat in de lidstaten gewezen beslissingen van rechtswege worden erkend, hetgeen berust op het beginsel van wederzijds vertrouwen.

4. Voorwaarden voor aanhangigheid en toepassing ervan op het hoofdgeding

53.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten de begrippen die met name in de verordeningen nrs. 44/2001 en 2201/2003 worden gebruikt om de situatie van aanhangigheid te omschrijven, als autonome begrippen worden opgevat.

54.

Zo heeft het Hof wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft uitdrukkelijk aan dat beginsel herinnerd, waarbij het zich baseerde op de door verordening nr. 2201/2003 nagestreefde doelstellingen en op „de omstandigheid dat de tekst van artikel 19, lid 2, van deze verordening, in plaats van te verwijzen naar de term ,aanhangigheid’ zoals die wordt gebruikt in de onderscheiden nationale rechtsstelsels van de lidstaten, een aantal materiële voorwaarden opsomt als onderdelen van een definitie”. ( 24 )

55.

Wat de vorderingen over de huwelijksband betreft, blijkt uit een vergelijking van de leden 1 en 2 van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 dat de enige voorwaarde die moet worden onderzocht om te kunnen bepalen of er sprake is van een concurrerende procedure, betrekking heeft op partijen. Het Hof is reeds in de gelegenheid gesteld om dit uitdrukkelijk uit te spreken in het arrest van 6 oktober 2015, A. ( 25 ) Het heeft dan ook voor recht verklaard dat „van litispendentie [sprake kan zijn] wanneer [...] bij twee gerechten van verschillende lidstaten een zaak aanhangig is gemaakt, waarbij het enerzijds gaat om een procedure tot scheiding van tafel en bed en anderzijds om een echtscheidingsprocedure, of wanneer bij beide gerechten een verzoek tot echtscheiding is ingediend”. ( 26 )

56.

Indien bij de rechter die beslist over de huwelijksband, vorderingen over de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn ingediend, zijn de aanhangigheidregels voor scheiding van toepassing. ( 27 )

57.

Hetzelfde geldt voor de onderhoudsverplichting, aangezien de vordering overeenkomstig artikel 5, punt 2, van verordening nr. 44/2001 „een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen”.

58.

Nadat de scheiding is uitgesproken, geldt, behoudens de toepassing van artikel 12, lid 2, onder b), van verordening nr. 2201/2003, krachtens artikel 19, lid 2, van deze verordening voor de ouderlijke verantwoordelijkheid de voorwaarde dat onderwerp en oorzaak dezelfde moeten zijn. ( 28 ) Voor de vordering betreffende de onderhoudsverplichting vereisen de aanhangigheidsregels, neergelegd in artikel 27 van verordening nr. 44/2001, die in dit geval van toepassing zijn, dat wordt nagegaan of het onderwerp, de oorzaak en partijen dezelfde zijn.

59.

Bovendien moet worden opgemerkt dat de voorrang van de eerste aangezochte rechter voortduurt voor zover hij zich niet onbevoegd heeft verklaard, na zijn bevoegdheid overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 2201/2003 ( 29 ) verplicht te hebben getoetst in iedere fase van de procedure ( 30 ).

60.

Bijgevolg had de Roemeense rechter in de zaak van het hoofdgeding vanaf het moment dat hij werd aangezocht, de regeling die voor aanhangigheid is neergelegd, moeten toepassen, en zulks zowel voor de scheidingsbeslissing als voor de gevolgen daarvan ten aanzien van het kind, dat in Roemenië woonde, ingevolge de prorogatie van de rechtsmacht van de Italiaanse rechter. ( 31 )

61.

Uit het arrest van de Curtea de Apel București van 12 juni 2013 blijkt evenwel dat de Roemeense rechter het Unierecht onjuist heeft toegepast ( 32 ) door de door Liberato opgeworpen exceptie van aanhangigheid, die was gebaseerd op de vorderingen betreffende de huwelijksband, te verwerpen. Deze rechter was immers, na eerst te hebben verwezen naar het nationale Roemeense recht waarin de voorwaarden voor aanhangigheid en het gezag van het gewijsde zijn neergelegd, vervolgens van oordeel dat „uit de formulering van artikel 19 [van verordening nr. 2201/2003], dat de drie gevallen van aanhangigheid apart opsomt, te weten ‚procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk [tussen dezelfde partijen]’, duidelijk naar voren komt dat de twee concurrerende vorderingen enkel en alleen één van de drie onderwerpen en niet twee verschillende onderwerpen van deze uitdrukkelijk en limitatief in de tekst opgesomde onderwerpen gemeen moeten hebben. [...] [I]n casu hebben de twee vorderingen elk een verschillend onderwerp, te weten scheiding van tafel en bed in Italië en echtscheiding in Roemenië, hetgeen de toepassing van artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 uitsluit. Terecht heeft de beroepsrechter overwogen dat het Roemeense stelsel het instituut scheiding van tafel en bed niet kent. Daarom kan bij een dergelijke vordering die bij de rechter van een andere lidstaat aanhangig is, duidelijk geen sprake zijn van dezelfde vordering. Hierbij zij aangetekend dat zelfs al zou het instituut bekend zijn, scheiding van tafel en bed en echtscheiding niet hetzelfde zijn.”

62.

Bovendien zij opgemerkt dat de exceptie van aanhangigheid die door Liberato in iedere fase van de procedure is aangevoerd, gebaseerd was op deze prorogatie van rechtsmacht in verband met de vordering tot scheiding van tafel en bed, en niet op de regels die bij de ouderlijke verantwoordelijkheid of de onderhoudsverplichting van toepassing zijn.

63.

Dienaangaande kan worden opgemerkt dat na het geven van de beslissing inzake de huwelijksband door de Italiaanse rechter op 19 januari 2012 ( 33 ), het onderzoek van de aanhangigheidsproblematiek duidelijk moeilijker is geworden. ( 34 ) Van aanhangigheid bij de ouderlijke verantwoordelijkheid kon immers alleen nog sprake zijn uit hoofde van het feit dat deze rechter zijn bevoegdheid positief heeft getoetst. Deze aanhangigheid kan mijns inziens slechts voortvloeien uit de uitlegging van de bepalingen van artikel 12, lid 2, onder b), van verordening nr. 2201/2003 ( 35 ), waarbij volgens mij ook het belang van het kind moet worden onderzocht, hetwelk samen met de instemming van de moeder de prorogatie van zijn rechtsmacht bij het begin van de procedure heeft gerechtvaardigd. ( 36 )

64.

Aangezien aan deze voorwaarden moet zijn voldaan om te kunnen rechtvaardigen dat de Italiaanse rechter bevoegd is om bij wege van incident uitspraak te doen over de erkenning van de Roemeense beslissing waardoor een einde is gekomen aan de aanhangigheid, is het aan de verwijzende rechter om zich ervan te verzekeren dat deze voorwaarden zijn getoetst. ( 37 )

65.

In het licht van al deze overwegingen moet thans worden gepreciseerd welke gevolgen moeten worden verbonden aan het niet eerbiedigen van de aanhangigheidsregels, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding.

B.   Gevolgen van het niet eerbiedigen van de aanhangigheidsregels

66.

Om te beginnen moet worden gewezen op de bijzondere omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding. De eerst aangezochte rechter bij wie dezelfde vorderingen tussen dezelfde partijen ( 38 ) nog steeds hangende zijn, moet immers uitspraak doen over een incidentele vordering tot erkenning van de definitieve beslissing van de rechter die later is aangezocht.

67.

Alleen al daarom, en anders dan de Europese Commissie stelt, kan de beslissing van het Hof in het arrest van 22 december 2010, Mercredi ( 39 ), volgens welke in geval van aanhangigheid een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, die door de later aangezochte rechter in strijd met de verplichting om zijn beslissing aan te houden ( 40 ) is gewezen, „geen invloed heeft” op de beslissing die de eerst aangezochte rechter moet nemen ( 41 ), dus niet van toepassing zijn in het hoofdgeding. Het Hof heeft immers in punt 67 van het arrest van 22 december 2010, Mercredi ( 42 ), vastgesteld, dat de door de later aangezochte rechter gegeven litigieuze beslissing niet definitief was. Bovendien rechtvaardigen de onzekerheid over de woonplaats van het kind en de vervlechting met de procedure die ertoe strekte om het kind terug te laten keren, ook de bijzondere oplossing in die zaak.

68.

De vraag of de aanhangigheidsregels in het hoofdgeding zijn geschonden, moet dus worden onderzocht in het licht van de gronden tot weigering van erkenning die in de verordeningen nrs. 2201/2003 en 44/2001 zijn neergelegd.

69.

In het kader van de hangende procedure die niet meer gaat over de scheiding ( 43 ), heeft de verwijzende rechter terecht gesteld dat van de in verordening nr. 2201/2003 vermelde gronden tot weigering van erkenning, enkel het in artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 neergelegde criterium dat de erkenning van de beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid kennelijk in strijd zou zijn met de openbare orde van de aangezochte lidstaat ( 44 ), moet worden onderzocht in samenhang met artikel 24 van deze verordening. Dit laatste artikel sluit namelijk uit dat het criterium van de openbare orde wordt toegepast op de in de artikelen 3 tot en met 14 van deze verordening bedoelde bevoegdheidsregels.

70.

Het Hof heeft een dergelijke kwestie reeds onderzocht in het arrest P.

71.

Dat de omstandigheden die in die zaak aan de orde waren ( 45 ), verschillen van de omstandigheden in het hoofdgeding, is volgens mij geen beletsel, aangezien de beslissing van het Hof gaat over de systematiek van de regels die de bevoegdheid betreffen dan wel de coördinatie van procedures die parallel lopen met procedures waarbij erkenning van in een lidstaat gewezen beslissingen kan worden geweigerd, en voorts is gebaseerd op algemene beginselen die nagenoeg identiek van het arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands ( 46 ), zijn overgenomen.

72.

In het arrest P heeft het Hof zich uitgesproken voor eenzelfde strikte opvatting van de gronden tot weigering van erkenning van een beslissing, door te verwijzen naar de opvatting waarvoor was gekozen in geval van toepassing van verordening nr. 44/2001, hetgeen het oordeel rechtvaardigt – wat voor de zaak in het hoofdgeding zinvol is wegens de twee verordeningen die van toepassing zijn – dat deze uitspraak als basis moet dienen voor het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vragen.

73.

Het Hof heeft eraan herinnerd dat „verordening [nr. 2201/2003], volgens overweging 21 ervan, is gebaseerd op de opvatting dat de erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen dienen te zijn gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen en dat de gronden tot weigering van de erkenning tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven” ( 47 ) en voorts dat „[b]innen dit stelsel [...] artikel 23 van verordening nr. 2201/2003, dat de gronden bevat waarop kan worden geweigerd een beslissing betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid te erkennen, strikt [moet] worden uitgelegd omdat het de verwezenlijking van een van de fundamentele doelstellingen van deze verordening [...] belemmert” ( 48 ).

74.

Deze doeleinden en beginselen hebben gerechtvaardigd dat de Uniewetgever in artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 elke toetsing van de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat verbiedt ( 49 ) en „zelfs uitdrukkelijk preciseert dat artikel 23, onder a), van deze verordening niet kan worden gebruikt om een dergelijke toetsing te verrichten” ( 50 ), waarbij hij verwijst naar de artikelen 3 tot en met 14 van deze verordening. ( 51 ) Dit fundament waarvan niet direct of indirect kan worden afgeweken, vloeit ook voort uit de uniformering van de bevoegdheidsregels en het vermoeden dat deze regels door iedere rechter op juiste wijze worden getoetst wanneer bij hem een zaak aanhangig wordt gemaakt.

75.

Om al deze redenen heeft het Hof in het arrest P het verbod om het criterium van strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat toe te passen, uitgebreid tot artikel 15 van verordening nr. 2201/2003. ( 52 )

76.

Hoewel artikel 19 van deze verordening, net als artikel 15, in hoofdstuk II, met het opschrift „Bevoegdheid”, ervan staat, vormt dit artikel echter geen aanvulling van de bijzondere bevoegdheidsbepalingen die zijn opgenomen in de afdelingen 1 en 2, aangezien dit artikel zich bevindt in afdeling 3 betreffende „[g]emeenschappelijke bepalingen”.

77.

Toch moet mijns inziens de oplossing van het arrest P toepassing vinden. Wanneer de eerst aangezochte rechter die over een incidentele vordering tot erkenning uitspraak doet, namelijk nagaat of de aanhangigheidsregels door de later aangezochte rechter op juiste wijze zijn toegepast en derhalve de gronden toetst waarom deze rechter zich niet onbevoegd heeft verklaard, controleert de in eerste instantie aangezochte rechter immers de toetsing door de tweede rechter van diens bevoegdheid. Artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 verbiedt hem dit echter.

78.

Bovendien zou deze controle zich wegens de voorwaarden voor de toepassing van de bevoegdheidsregels, zoals hierboven door mij uiteengezet, zich niet mogen beperken tot de toetsing van de data waarop de vorderingen aanhangig zijn gemaakt. Bijgevolg zou de beoordeling van de mate waarin deze regels niet zijn nageleefd in het stadium van de erkenning van de beslissing net zo problematisch kunnen blijken te zijn. Het is immers denkbaar, vooral wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft en in geval van prorogatie van rechtsmacht, dat na de informatie-uitwisseling tussen de rechters, de eerst aangezochte rechter zich met name op grond van de bevoegdheidscriteria, te weten de nabijheid van de woonplaats van het kind en het belang van het kind, onbevoegd verklaart. ( 53 )

79.

Bovendien mag, zoals het Hof in het arrest P heeft vastgesteld „de rechter van de aangezochte staat niet [...] weigeren een beslissing uit een andere lidstaat te erkennen op de enkele grond dat zijns inziens het nationale recht of het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast, aangezien anders het doel van verordening nr. 2201/2003 zou worden doorkruist”. ( 54 ) Het lijkt mij dan ook moeilijk te rechtvaardigen dat het achterwege blijven van de oplossing van het bevoegdheidsconflict ( 55 ) bij parallelle procedures strenger wordt behandeld dan het niet-toetsen van de bevoegdheid ( 56 ) of de daarbij gemaakte fouten, welke situaties overeenkomstig de bepalingen van artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 en van verschillende andere Europese verordeningen aan elke toetsing worden onttrokken.

80.

Ik leid uit al deze elementen af dat artikel 24 van verordening nr. 2201/2003, niettegenstaande het ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing in dit artikel naar artikel 19 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het in dit artikel neergelegde verbod om de bevoegdheid van de rechter van oorsprong te toetsen, ook van toepassing is ingeval van schending van de aanhangigheidsregels. ( 57 )

81.

Wat vorderingen betreffende de onderhoudsverplichting betreft, moet worden vastgesteld dat zich geen enkel probleem voordoet wegens de formulering van artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001. ( 58 )

82.

Gelet op al deze overwegingen geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren dat artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001 en artikel 24 van verordening nr. 2201/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat zij verbieden dat schending van de aanhangigheidsregels, neergelegd in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, door de laatst aangezochte rechter, een reden is om de beslissing die door die rechter is gegeven, niet te erkennen wegens strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.

83.

Volledigheidshalve wil ik preciseren dat, mocht worden aanvaard dat het criterium van de openbare orde wel van toepassing is, het arrest P ook dan grenzen stelt die opnieuw dienen te worden bevestigd. ( 59 )

84.

Dit arrest is namelijk gebaseerd op beginselen die herhaaldelijk zijn geformuleerd bij de uitlegging van de gronden tot weigering van erkenning die zijn neergelegd in verschillende verordeningen die het vrije verkeer van beslissingen regelen ( 60 ), en op het vereiste van de Uniewetgever om rekening te houden met het „belang van het kind” ( 61 ), wanneer wordt geweigerd om een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid te erkennen, waarbij niet uit het oog moet worden verloren dat beslissingen over het kind altijd kunnen worden herzien.

85.

Bijgevolg moet opnieuw voor recht worden verklaard dat „artikel 23, onder a), van verordening nr. 2201/2003 in die zin moet worden uitgelegd dat deze bepaling, bij het ontbreken van kennelijke schending, gelet op het belang van het kind, van een rechtsregel die in de rechtsorde van een lidstaat van essentieel belang wordt geacht, of van een in die rechtsorde als fundamenteel erkend recht, het gerecht van deze lidstaat dat zich bevoegd acht uitspraak te doen over het gezagsrecht over een kind, niet toestaat te weigeren de beslissing te erkennen van een gerecht van een andere lidstaat dat zich over het gezagsrecht over dat kind heeft uitgesproken”. ( 62 )

86.

Volgens de verwijzende rechter tast schending van aanhangigheidsregels – gezien de functie ervan in het systeem van automatische erkenning van beslissingen binnen de Europese Unie – een beginsel van procedurele openbare orde aan waarmee het vrije verkeer van beslissingen wordt verzekerd.

87.

Die kwalificatie kan echter niet worden aanvaard, aangezien het belang van deze regels niet te vergelijken is met de regels die door het Hof in aanmerking zijn genomen bij zijn oordeel dat erkenning van de beslissing de procedurele openbare orde van de Unie zou aantasten. ( 63 ) Een dergelijke beoordeling moet in overeenstemming zijn met de hierboven uiteengezette beginselen, te weten de beperking van de gronden tot weigering van erkenning, neergelegd in artikel 23 van verordening nr. 2201/2003, het uitzonderlijk karakter van het beroep op de bepaling van openbare orde en het verbod voor de rechter van de aangezochte lidstaat om een beslissing van een andere lidstaat niet te erkennen op de enkele grond dat zijns inziens het Unierecht in die beslissing onjuist is toegepast.

88.

Ik ben mij volstrekt bewust van de gevolgen van mijn analyse in de algemeen bekende context waarin aanhangigheidsregels instrumenteel worden gebruikt, hetgeen wordt gestimuleerd door het ruime scala van bevoegdheden dat verordening nr. 2201/2003 biedt, in het bijzonder wanneer een zaak aanhangig is gemaakt bij een rechter van een lidstaat waarvan de wet niet toestaat om onmiddellijk echtscheiding te vorderen. ( 64 )

89.

Ook zou kunnen worden aangevoerd dat wegens de zeer ruime strekking van de oplossing, die niet kan worden beperkt tot de verordeningen die voor familiezaken gelden, de pijlers van het beginsel van erkenning van rechtswege van beslissingen ernstig zouden worden ondermijnd door het ontbreken van een sanctie op de schending van een dwingende regel die in veel Europese verordeningen staat.

90.

Niettemin kan deze vrees niet worden bewaarheid, nu deze verordeningen juist zijn gebaseerd op de samenwerking en het onderlinge vertrouwen tussen de rechters van de lidstaten en daarvoor dezelfde logica geldt als die welke aan de erkenning en tenuitvoerlegging van de in elke lidstaat gewezen beslissingen ten grondslag ligt. ( 65 )

91.

Bijgevolg is het in beginsel niet mogelijk dat de gevallen waarbij de aanhangigheidsregels niet worden nageleefd, sterk toenemen, temeer omdat, anders dan de Roemeense rechter in het hoofdgeding, de rechters van de lidstaten sinds 2015 op de hoogte zijn van de uitlegging van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 en dankzij de zaak in het hoofdgeding voor de toekomst zullen beschikken over de aanvullende uitlegging van het Hof over de voorwaarden en wijze van ten uitvoerlegging van de aanhangigheidsregels in familiegeschillen. ( 66 )

92.

Bovendien moet worden benadrukt dat de rechters de mogelijkheid hebben om moeilijkheden die inherent zijn aan procedurele conflicten te voorkomen dankzij de rechterlijke samenwerking en de dialoog tussen de rechters, zoals hierboven beschreven ( 67 ), waarbij zij zich ook laten leiden door de bepalingen van artikel 29, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 en de artikelen 17 van de verordeningen 2016/1103 en 2016/1104. ( 68 )

93.

Voorts ben ik van mening dat bij de ouderlijke verantwoordelijkheid, gelet op het belang van het kind dat de richtsnoer moet zijn bij iedere oplossing ( 69 ), de verplichting bestaat om problemen van erkenning van beslissingen te voorkomen. Dienaangaande zou het in het hoofdgeding zinvol zijn geweest het Hof toe te staan zich eerder uit te spreken ( 70 ) over de aanhangigheidsvoorwaarden. Het in gang zetten van de procedure van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 had ook op verzoek van één der partijen of op initiatief van één van de rechters in overweging kunnen worden genomen. ( 71 )

94.

Overigens lijkt het mij, indien in uitzonderlijke omstandigheden schending van de aanhangigheidsregels zou voortvloeien uit onbekendheid met de toepasselijke verordeningen en de rechtspraak van het Hof of daardoor procedurele rechten werden aangetast van een hogere waarde dan de rechten ter verzekering van bijvoorbeeld het horen van de ouder waarbij het kind niet woont ( 72 ), en de naleving van redelijke termijnen voor het doen van een uitspraak, gerechtvaardigd om een grond tot weigering van erkenning in te roepen ontleend aan de openbare orde van de aangezochte lidstaat die de door het Unierecht erkende fundamentele rechten bevat.

95.

Ten slotte zij eraan herinnerd dat door de Commissie kan worden onderzocht of het zinvol is om een beroep wegens nalaten in te stellen ( 73 ) ingeval van onjuiste toepassing van het nationale of het Unierecht en het falen van het in elke lidstaat bestaande stelsel van rechtsmiddelen, aangevuld met het mechanisme van de prejudiciële verwijzing van artikel 267 VWEU, dat in werking moet worden gesteld om schending van de openbare orde in een eerder stadium te voorkomen. ( 74 )

IV. Conclusie

96.

In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Corte suprema di cassazione te beantwoorden als volgt:

„Artikel 35, lid 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en artikel 24 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, moeten aldus worden uitgelegd dat zij verbieden dat schending van de aanhangigheidsregels, neergelegd in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, door de laatst aangezochte rechter een reden is om de beslissing die door die rechter is gegeven, niet te erkennen wegens strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) PB 2003, L 338, blz. 1.

( 3 ) C‑455/15 PPU, EU:C:2015:763, hierna: „arrest P”.

( 4 ) Zie, wat de noodzaak betreft om deze verordening aan te halen, de punten 43 en 44 van deze conclusie.

( 5 ) PB 2001, L 12, blz. 1.

( 6 ) GURI nr. 306 van 3 december 1970, blz. 8046.

( 7 ) Gepreciseerd wordt in definitieve beslissing nr. 1072 van 12 juni 2013 van de Curtea de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië), 3e burgerlijke kamer voor jeugd- en familiezaken, die aan de verwijzingsbeslissing is gehecht en door Liberato is overgelegd, dat „[d]e rechter van oordeel was dat partijen in Italië in de maand oktober 2005 waren gehuwd en tot oktober 2006 afwisselend in Roemenië en Italië hebben gewoond. Sindsdien zijn partijen in feite uit elkaar gegaan, en wonen verweerster en het minderjarige kind uit deze verbintenis uitsluitend in Roemenië. Sedert 2006 is verweerster dan ook uitsluitend in Roemenië verbleven, waar haar enige woonplaats is.” Uit de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de geoorloofdheid van het vertrek of het niet terugkeren van het kind niet in geschil is.

( 8 ) De verwijzende rechter heeft aangegeven dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen.

( 9 ) Zie over de details van de motivering, punt 61 van deze conclusie.

( 10 ) PB 2009, L 7, blz. 1.

( 11 ) Volgens artikel 76, derde alinea, van verordening nr. 4/2009 is deze verordening van toepassing sinds 18 juni 2011.

( 12 ) Dit voorstel om de vraag opnieuw te formuleren, is vergelijkbaar met de werkwijze van het Hof in het arrest van 15 februari 2017, W en V (C‑499/15, EU:C:2017:118, punten 4446 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 13 ) De hoofdvordering is op 22 mei 2007 bij de Tribunale di Teramo aanhangig gemaakt; deze heeft bij beslissing van 19 januari 2012 het onderzoek van de nog hangende vragen doorverwezen en daarover op 8 juli 2013 een niet-definitieve uitspraak gedaan.

( 14 ) Opgemerkt zij dat de verplichting om de volgorde waarin zaken aanhangig worden gemaakt in acht te nemen, ook in verordening nr. 4/2009 staat, in artikel 12, dat strenger is dan artikel 19 van verordening nr. 2201/2003 voor zover dit artikel 12 vereist dat in de procedures het onderwerp, de oorzaak en partijen alle drie dezelfde zijn. Hetzelfde is het geval bij de artikelen 17 van drie andere verordeningen, te weten verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107), verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PB 2016, L 183, blz. 1), en verordening (EU) 2016/1104 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (PB 2016, L 183, blz. 30). In deze laatste twee verordeningen wordt gepreciseerd dat ingeval de zaak wordt aangehouden wegens aanhangigheid „een aangezocht gerecht, op verzoek van een ander gerecht waarbij het geschil is aangebracht, onverwijld aan dit gerecht mee[deelt] op welke datum zij is aangezocht”. Artikel 29 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1) is in soortgelijke bewoordingen geformuleerd. Opgemerkt moet worden dat de regeling waarin artikel 33 van deze verordening voorziet bij aanhangigheid buiten Europa, die een grotere vernieuwing is, niet vergelijkbaar is.

( 15 ) Bij deze verordening is ingetrokken verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2000, L 160, blz. 19). Artikel 11, lid 2, van deze verordening voorzag alleen voor echtscheiding in voorwaarden die niet vereisten dat onderwerp, oorzaak en partijen alle drie dezelfde moeten zijn.

( 16 ) Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1998, C 27, blz. 1), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag.

( 17 ) Zie arrest van 6 oktober 2015, A (C‑489/14, EU:C:2015:654, punt 27).

( 18 ) Zie arrest van 6 oktober 2015, A (C‑489/14, EU:C:2015:654, punt 29).

( 19 ) Zie arrest van 6 oktober 2015, A (C‑489/14, EU:C:2015:654, punt 30).

( 20 ) Zie arrest van 6 oktober 2015, A (C‑489/14, EU:C:2015:654, punt 34). Deze uitlegging, geïnspireerd door die van artikel 27 van verordening nr. 44/2001, geldt ook voor de toepassing van artikel 19, lid 2, van verordening nr. 2201/2003. Dit maakt het mogelijk situaties op te lossen waarin de eerst aangezochte rechter zich niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over zijn bevoegdheid.

( 21 ) Zie arrest van 9 november 2010, Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 81). Op dit punt speelt het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken (EJN-civiel) een zeer belangrijke rol om de justitiële samenwerking eenvoudiger en sneller te laten verlopen wanneer deze aanhangigheidsregels of artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 van toepassing zijn.

( 22 ) Hetzelfde geldt voor artikel 27 van verordening nr. 44/2001, in tegenstelling tot de bepalingen die gelden bij samenhang (artikel 28 van deze verordening). Opgemerkt moet worden dat verordening nr. 2201/2003, net als de hieraan voorafgaande verordening nr. 1347/2000, geen bijzondere bepaling bevat over samenhang.

( 23 ) Zie arrest van 6 oktober 2015, A (C‑489/14, EU:C:2015:654, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 24 ) Zie arrest van 9 november 2010, Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 25 ) C‑489/14, EU:C:2015:654. Opgemerkt zij dat dit arrest is gewezen meer dan twee jaar na de definitieve beslissing van de Roemeense rechter die in het hoofdgeding aan de orde is. Op die datum was het autonome karakter van het begrip „aanhangigheid” evenwel reeds in verschillende arresten van het Hof vermeld.

( 26 ) Punt 33 van dit arrest. Deze gevallen worden ook aangeduid als „quasi-aanhangigheid” of „oneigenlijke aanhangigheid”. Die laatste term wordt gebruikt door A. Borrás in het toelichtend verslag over het verdrag, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken (PB 1998, C 221, blz. 27, in het bijzonder punt 54). Deze toelichting gaat over artikel 11 van verordening nr. 1347/2000, dat in wezen in een vereenvoudigde vorm is overgenomen in artikel 19 van verordening nr. 2201/2003, doordat hierin alleen is vereist dat vorderingen tot echtscheiding, nietigverklaring van het huwelijk of scheiding van tafel en bed tussen dezelfde partijen worden ingesteld, waarbij het niet van belang is in welke hoedanigheid zij procederen.

( 27 ) Zie in die zin Gaudemet-Tallon, H., „Divorce – Divorce prononcé en France – Introduction – Compétence des tribunaux français – Particularités de l’instance”, JurisClasseur – Droit international, LexisNexis, Parijs, maart 2017, aflevering 547‑10, in het bijzonder punt 135.

( 28 ) Zie over de uitlegging van deze begrippen, arrest van 9 november 2010, Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punten 67 en 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ter verduidelijking ook arrest van 22 december 2010, Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829, punten 68 en 69).

( 29 ) Hetzelfde geldt wanneer overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, op initiatief van een van beide rechters, aan de bevoegdheid van de rechter die beter in staat is om de zaak te behandelen, voorrang wordt gegeven.

( 30 ) Zie wat betreft het belang van deze toetsing aangaande de ouderlijke verantwoordelijkheid en de motivering van beslissingen ter zake, arresten van 15 juli 2010, Purrucker (C‑256/09, EU:C:2010:437, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 februari 2017, W en V (C‑499/15, EU:C:2017:118, punten 51 en 54). Wat betreft de verplichting om in iedere fase van de procedure te toetsen, zou een vergelijking kunnen worden gemaakt met het arrest van 12 november 2014, L (C‑656/13, EU:C:2014:2364, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en met de thans nog hangende zaak IQ (C‑478/17), waarin het gaat over de voorwaarden voor toepassing van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003. Zie de conclusie van advocaat-generaal Wathelet in deze zaak (C‑478/17, EU:C:2018:552).

( 31 ) Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 veronderstelt de prorogatie van rechtsmacht dat de bevoegdheid van de Italiaanse rechter niet door de moeder wordt betwist (zie punt 23 van deze conclusie) en dat door deze Italiaanse rechter is getoetst dat zijn bevoegdheid in het belang van het kind is [zie naar analogie arrest van 1 oktober 2014, E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punt 44)]. Een vergelijking kan worden getrokken met de beschikking van de president van het Hof van 16 januari 2018, PM (C‑604/17, niet gepubliceerd, EU:C:2018:10, punten 2729), en arrest van 19 april 2018, Saponaro en Xylina (C‑565/16, EU:C:2018:265, punten 23, 24 en 33‑35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 32 ) Zie de voetnoten 25 en 26 van deze conclusie.

( 33 ) De gevolgen van het uitspreken van de beslissing tot scheiding van tafel en bed lijken niet te zijn besproken, hoewel na die datum twee beslissingen in Roemenië zijn gegeven, te weten het vonnis van 3 december 2012 en het arrest van 12 juni 2013, waarbij het door Liberato ingestelde hoger beroep is verworpen.

( 34 ) Volgens artikel 12, lid 2, onder a), van verordening nr. 2201/2003 eindigt namelijk de prorogatie van rechtsmacht zodra de beslissing tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft gekregen. Bovendien zijn, zoals het Hof in het arrest van 28 juni 2018, HR (C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak), met betrekking tot de uitlegging van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2201/2003, heeft opgemerkt, „[v]olgens de Uniewetgever [...] de dicht bij de gewone verblijfplaats van het kind gelegen gerechten [...] over het algemeen het best geplaatst om te beoordelen wat in zijn belang is”.

( 35 ) Het Hof heeft zich niet uitdrukkelijk uitgesproken over de toepassing van deze bepaling. Zie in dezelfde zin conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak IQ (C‑478/17, EU:C:2018:552, punt 45). Deze uitlegging zou kunnen voortvloeien uit het commentaar van Pataut, É., en Gallant, E., „Article 12: Prorogation of jurisdiction”, in Magnus, U., en Mankowski, P., European Commentaries on Private International Law, Brussels IIbis Regulation, deel IV, Sellier European Law Publishers, Otto Schmidt, Keulen, 2017, punt 41 (blz. 160). Dit geval wordt niet behandeld door Joubert, N., „Autorité parentale – Conflits de juridictions”, JurisClasseur – Droit international, LexisNexis, Parijs, maart 2009, aflevering 549‑20, in het bijzonder punt 44.

( 36 ) Deze analyse is te vergelijken met die welke uiteen is gezet in de arresten van 1 oktober 2014, E. (C‑436/13, EU:C:2014:2246, punten 4547 en 49), en 15 februari 2017, W en V (C‑499/15, EU:C:2017:118, punten 51 en 52).

( 37 ) Mijns inziens moet uit de door de laatste Italiaanse rechter gegeven beslissing duidelijk blijken dat deze rechter uitspraak doet nadat hij de prorogatie van zijn bevoegdheid die na het aanhangig maken in 2007 bij de eerste Italiaanse rechter is aanvaard, heeft getoetst vanuit het oogpunt van het belang van het kind.

( 38 ) Voor de vordering betreffende de onderhoudsverplichting is immers vereist dat partijen dezelfde zijn. Met betrekking tot de vordering inzake de huwelijksband heeft de Italiaanse rechter een definitieve beslissing gegeven.

( 39 ) C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829.

( 40 ) Zie de punten 68 en 69 van dit arrest.

( 41 ) Zie punt 70 van dit arrest.

( 42 ) C‑497/10 PPU, EU:C:2010:829.

( 43 ) Zie over het feit dat een echtscheidingsbeslissing niet onverenigbaar is met een beslissing tot scheiding van tafel en bed, het in voetnoot 26 aangehaalde toelichtend verslag van A. Borrás, in het bijzonder punt 71.

( 44 ) Hetzelfde geldt voor de onderhoudsverplichting. Artikel 34, punt 1, en artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001 zijn van toepassing.

( 45 ) De litigieuze beslissing was gegeven door de eerst aangezochte rechter. Het geding betrof de woonplaats van het kind en bijgevolg de bevoegdheid van deze rechter, en het feit dat deze rechter uitspraak zou hebben gedaan zonder zich aan de verplichtingen van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003 te houden.

( 46 ) C‑681/13, EU:C:2015:471 (punten 4042 en 44).

( 47 ) Punt 35 van het arrest P.

( 48 ) Punt 36 van het arrest P. Heel recent heeft het Hof in het arrest van 15 februari 2017, W en V (C‑499/15, EU:C:2017:118, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), eraan herinnerd dat het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen de „hoeksteen voor de totstandbrenging van een werkelijke justitiële ruimte” is, welke formulering voortvloeit uit overweging 2 van verordening nr. 2201/2003.

( 49 ) Dit verbod staat in de meeste verordeningen, aangezien het onlosmakelijk verbonden is aan het beginsel van wederzijds vertrouwen. Zie met name artikel 45, lid 3, van verordening nr. 1215/2012 en de artikelen 39 van de verordeningen 2016/1103 en 2016/1104. Volgens het Hof is er sprake van een fundamenteel beginsel; zie arrest van 28 maart 2000, Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164, punt 31).

( 50 ) Zie punt 42 van het arrest P.

( 51 ) Door deze verwijzing verschilt de formulering van dit artikel van artikel 35, lid 3, van verordening nr. 44/2001, dat algemene bewoordingen gebruikt: „[...] de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst [mag] niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, punt 1.”

( 52 ) Zie punt 45 van het arrest P.

( 53 ) Zie arrest van 28 juni 2018, HR (C‑512/17, EU:C:2018:513, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 54 ) Zie punt 46 van het arrest P, waarin herinnerd wordt aan een vaste regel ontleend aan het verbod om de juistheid van een beslissing te onderzoeken (zie met name artikel 36 en artikel 45, lid 2, van verordening nr. 44/2001, alsmede artikel 26 van verordening nr. 2201/2003).

( 55 ) Uitdrukking die is gebruikt in de arresten van 16 juli 2009, Hadadi (C‑168/08, EU:C:2009:474, punt 56), en 9 oktober 2014, C (C‑376/14 PPU, EU:C:2014:2268, punt 37).

( 56 ) Zie bijvoorbeeld het arrest P en het arrest van 15 februari 2017, W en V (C‑499/15, EU:C:2017:118). Zie ook opmerkingen van Joubert, N., „La résidence de l’enfant du divorce face à la demande de modification de la décision relative à la garde et aux aliments”, Revue critique de droit international privé, Dalloz, Parijs, 2018, blz. 138‑142, en in het bijzonder punt 9 (blz. 140 en 141).

( 57 ) Gelet op het belang van zowel deze kwestie als die welke in het arrest P is opgelost, zou de suggestie kunnen worden gedaan om bij de herziening van verordening nr. 2201/2003 een voorstel over dit artikel 24 toe te voegen. Opgemerkt zij dat geen wijziging over de bevoegdheidsregels in het oorspronkelijke ontwerp is ingediend, te weten het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering [COM(2016) 411 final], noch in de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 januari 2018 over dit voorstel, beschikbaar op http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P8-TA-2018‑0017+0+DOC+XML+V0//NL. Zie over de laatste stand van zaken in de discussie bij de Raad van de Europese Unie over dit ontwerp, Bulletin Quotidien Europe nr. 12033, Agence Europe, 5 juni 2018, blz. 2.

( 58 ) Zie voetnoot 51 van deze conclusie.

( 59 ) Zie de punten 35‑39 van dit arrest en arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471), aangehaald in de punten 37 en 39 van het arrest P, hetgeen het mogelijk maakt om bij de onderhoudsverplichting welke beheerst wordt door verordening nr. 44/2001, dezelfde oplossing te aanvaarden.

( 60 ) Zie als recent voorbeeld wat betreft verordening nr. 44/2001, arrest van 25 mei 2016, Meroni (C‑559/14, EU:C:2016:349, punten 3842 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 61 ) Zie punt 39 van het arrest P. Zie ook punt 93 van deze conclusie.

( 62 ) Zie punt 53 van het arrest P.

( 63 ) Zie de arresten van 28 maart 2000, Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164), en 2 april 2009, Gambazzi (C‑394/07, EU:C:2009:219), in vergelijking met het arrest van 25 mei 2016, Meroni (C‑559/14, EU:C:2016:349).

( 64 ) Zie als voorbeeld van vertragingstactieken die profijt trekken van de gelijkstelling van scheiding van tafel en bed met echtscheiding en van de vertraging bij de behandeling van de vordering tot echtscheiding als gevolg van de aanhangigheid, Bonomi, A., „La compétence internationale en matière de divorce, quelques suggestions pour une (improbable) révision du règlement Bruxelles II bis”, Revue critique de droit international privé, Dalloz, Parijs, 2017, blz. 511‑534, in het bijzonder blz. 528‑530 [onder a)] en de verwijzing, in voetnoot 80, naar het commentaar van Mankowski, P., „Article 19: Lis pendens and dependent actions”, in Magnus, U., en Mankowski, P., op. cit., punt 37 (blz. 249 en 250).

( 65 ) Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 40).

( 66 ) Deze uitlegging moet worden bezien in samenhang met de beslissingen die het Hof reeds heeft gegeven over verordening nr. 4/2009, die sinds 18 juni 2011 voor onderhoudsverplichtingen geldt.

( 67 ) Zie punt 50 van deze conclusie.

( 68 ) Zie op dit punt de zeer interessante voorstellen van Niboyet, M.‑L., en de Geouffre de la Pradelle, G., Droit international privé, 6e druk, Librairie générale de droit et de jurisprudence, Collection „Manuels”, Parijs, 2017, punten 621 en 622 (blz. 424‑426).

( 69 ) Zie als voorbeeld met betrekking tot de door het Hof gestelde grenzen voor het geven van uitstel van een beslissing ingeval de eerst aangezochte rechter niet reageert, arrest van 9 november 2010, Purrucker (C‑296/10, EU:C:2010:665, punten 8284). Zie ook in het ontwerp van de Raad voor een herziening van verordening nr. 2201/2003, aangehaald in voetnoot 57 van deze conclusie, een uitgesprokener betoog over dit beginsel.

( 70 ) Vastgesteld moet worden dat in casu wat betreft de vorderingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichting ten aanzien van een kind, dat in februari 2006 is geboren en sinds oktober 2006 in Roemenië woont, de procedure in Italië sinds elf jaar aanhangig is (na het aanhangig maken in mei 2007 is de eerste beslissing ten gronde in juli 2013 gegeven na een verwijzing in januari 2012) en dat het geding betrekking heeft op de erkenning van de in Roemenië gegeven beslissing die sinds vijf jaar (12 juni 2013) definitief is.

( 71 ) Zie over de algemene beginselen bij toepassing van artikel 15 van verordening nr. 2201/2003, met name arrest van 27 oktober 2016, D. (C‑428/15, EU:C:2016:819, punt 43).

( 72 ) Te vergelijken met punt 44 van het arrest van 28 maart 2000, Krombach (C‑7/98, EU:C:2000:164), dat luidt dat „een beroep op de openbare-ordeclausule toelaatbaar moet worden geacht in de uitzonderlijke gevallen waarin de in de wettelijke regeling van de staat van herkomst en in het Executieverdrag [van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag] zelf neergelegde waarborgen niet hebben volstaan om de verweerder te beschermen tegen een kennelijke schending van zijn recht om zich voor de rechter van de staat van herkomst te verdedigen, zoals dat door het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden] is erkend”, en met het arrest van 25 mei 2016, Meroni (C‑559/14, EU:C:2016:349, punten 4446 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 73 ) Zie arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 55).

( 74 ) Zie arrest van 25 mei 2016, Meroni (C‑559/14, EU:C:2016:349, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Top