EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CC0021

Conclusie van advocaat-generaal M. Wathelet van 29 mei 2018.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:341

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. WATHELET

van 29 mei 2018 ( 1 )

Zaak C‑21/17

Catlin Europe SE

tegen

O. K. Trans Praha spol. s r. o.

[verzoek van de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EG) nr. 1896/2006 – Europese betalingsbevelprocedure – Kennisgeving van een betalingsbevel samen met het verzoek om een bevel – Ontbreken van een vertaling van het verzoek om een bevel – Uitvoerbaar verklaard Europees betalingsbevel – Verzoek tot heroverweging na het verstrijken van de verweertermijn”

1.

Met deze prejudiciële verwijzing verzoekt de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) het Hof om uitlegging van verordening (EG) nr. 1896/2006 ( 2 ) in het kader van een geding tussen twee vennootschappen (Catlin Europe SE en O. K. Trans Praha spol. s r. o.) inzake een Europese betalingsbevelprocedure.

I. Toepasselijke bepalingen

A.   Verordening nr. 1896/2006

2.

Zoals blijkt uit de overwegingen 1 en 2 van verordening nr. 1896/2006, moet de Europese Unie in het kader van de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is, maatregelen nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt en ertoe strekken de hinderpalen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures weg te nemen.

3.

Deze verordening heeft daarom, volgens de overwegingen 9 en 29 ervan, tot doel een snelle en uniforme procedure voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen in te stellen in de gehele Europese Unie.

4.

Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 luidt:

„Deze verordening heeft ten doel:

a)

de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren;

en

b)

het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid.”

5.

Artikel 2 van deze verordening bepaalt in lid 1 ervan:

„Deze verordening is, in grensoverschrijdende zaken, van toepassing in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. […]”

6.

Artikel 7 van dezelfde verordening bepaalt:

„1.   Het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend door middel van het standaardformulier A van bijlage I.

2.   Het verzoek vermeldt:

a)

naam en adres van de partijen en, in voorkomend geval, van hun vertegenwoordigers, alsmede de gegevens van het gerecht waarbij het verzoek wordt ingediend;

b)

het bedrag van de schuldvordering, met inbegrip van de hoofdsom en, in voorkomend geval, de rente, de contractuele boeten, en de kosten;

c)

ingeval rente over de schuldvordering wordt geëist, de rentevoet en de termijn waarvoor rente wordt gevorderd, tenzij volgens het recht van de lidstaat van oorsprong de hoofdsom automatisch met de wettelijke rente wordt vermeerderd;

d)

de grondslag van de rechtsvordering, waaronder een beschrijving van de elementen waarmee de schuldvordering en, in voorkomend geval, de geëiste rente worden gestaafd;

e)

een beschrijving van het bewijs tot staving van de schuldvordering;

f)

de gronden voor de rechterlijke bevoegdheid;

en

g)

het grensoverschrijdende karakter van de zaak in de zin van artikel 3.

[…]”

7.

Artikel 8 van verordening nr. 1896/2006 luidt:

„Het gerecht waarbij een verzoek om een Europees betalingsbevel is ingediend, onderzoekt zo spoedig mogelijk op basis van het aanvraagformulier of de in de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 gestelde eisen vervuld zijn en of de vordering gegrond lijkt. […]”

8.

Artikel 12 van deze verordening luidt als volgt:

„1.   Indien de in artikel 8 genoemde voorwaarden vervuld zijn, vaardigt het gerecht door middel van het standaardformulier E van bijlage V zo spoedig mogelijk en normaliter binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek een Europees betalingsbevel uit.

[…]

2.   Het Europees betalingsbevel wordt uitgevaardigd samen met een afschrift van het verzoekformulier. […]

3.   In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de volgende mogelijkheden heeft:

a)

het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen;

of

b)

verweer tegen het bevel aan te tekenen door bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen, dat binnen 30 dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht wordt verzonden.

4.   In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder ervan in kennis gesteld dat:

a)

het bevel uitsluitend op basis van de door de eiser verstrekte informatie is uitgevaardigd en niet door het gerecht is geverifieerd;

b)

het bevel uitvoerbaar wordt, tenzij overeenkomstig artikel 16 bij het gerecht een verweerschrift is ingediend;

c)

ingeval een verweerschrift wordt ingediend, de procedure voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong wordt voortgezet volgens het gewone burgerlijk procesrecht, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.

5.   Het gerecht draagt er zorg voor dat het betalingsbevel overeenkomstig het nationale recht aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht wordt volgens een methode die voldoet aan de minimumnormen van de artikelen 13, 14 en 15.”

9.

Artikel 16, leden 1 tot en met 3, van die verordening bepaalt:

„1.   De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen […]

2.   Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.

3.   In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.”

10.

Artikel 18 van dezelfde verordening luidt:

„1.   Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, met inachtneming van een redelijke tijdspanne met het oog op de aankomst van een verweerschrift, geen verweerschrift is ingediend, verklaart het gerecht van oorsprong het Europees betalingsbevel onverwijld uitvoerbaar door middel van het standaardformulier G van bijlage VII. Het gerecht van oorsprong verifieert de datum van betekening of kennisgeving.

[…]

3.   Het gerecht zendt het uitvoerbare Europees betalingsbevel aan de eiser.”

11.

Artikel 19 van verordening nr. 1896/2006 luidt als volgt:

„Het Europees betalingsbevel dat in de lidstaat van oorsprong uitvoerbaar is geworden, wordt in de andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd zonder dat een uitvoerbaarverklaring vereist is en zonder de mogelijkheid van verzet tegen de erkenning.”

12.

Artikel 20 van deze verordening, met het opschrift „Heroverweging in uitzonderingsgevallen”, bepaalt:

„1.   De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

i)

het betalingsbevel is op een van de in artikel 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht;

en

ii)

de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld, niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,

of

b)

de verweerder [heeft] de vordering niet […] kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld,

mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.

2.   Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2 gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.

3.   Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht.

Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.”

13.

Artikel 27 van verordening nr. 1896/2006, met het opschrift „Verhouding tot verordening (EG) nr. 1348/2000”, preciseert:

„Deze verordening laat onverlet de toepassing van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken [PB 2000, L 160, blz. 37].”

14.

Overeenkomstig artikel 33, tweede alinea, van verordening nr. 1896/2006 is deze verordening van toepassing met ingang van 12 december 2008.

15.

Bijlage I bij deze verordening bevat formulier A „Verzoek om een Europees betalingsbevel”.

16.

Formulier E voor de uitvaardiging van een Europees betalingsbevel is opgenomen in bijlage V bij dezelfde verordening.

B.   Verordening nr. 1393/2007

17.

Teneinde de goede werking van de interne markt te verzekeren, heeft verordening nr. 1393/2007 ( 3 ), volgens overweging 2 ervan, tot doel om de doeltreffendheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures te verbeteren door invoering van het principe van een verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan.

18.

In de overwegingen 7 en 10 en tot en met 12 van deze verordening is met name vermeld:

„(7)

De verzending kan met het oog op de snelheid ervan langs elke passende weg geschieden, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan inzake de leesbaarheid en de betrouwbaarheid van het ontvangen stuk. De zorgvuldigheid van de verzending vereist dat het te verzenden stuk vergezeld gaat van een modelformulier dat moet worden ingevuld in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving geschiedt dan wel in een andere taal die door de betrokken lidstaat wordt aanvaard.

[…]

(10)

De mogelijkheid de betekening of kennisgeving van stukken te weigeren, moet tot buitengewone gevallen worden beperkt, teneinde de doeltreffendheid van de verordening te waarborgen.

(11)

Om de verzending en de betekening of kennisgeving van stukken tussen de lidstaten te vergemakkelijken, moeten de in de bijlagen bij deze verordening opgenomen modelformulieren worden gebruikt.

(12)

De ontvangende instantie moet degene voor wie het stuk is bestemd er door middel van het modelformulier schriftelijk van in kennis stellen dat hij het te betekenen of ter kennis te brengen stuk kan weigeren in ontvangst te nemen ofwel op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk, indien het niet is gesteld in een taal die hij begrijpt of in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving, binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden. Dit geldt ook voor de daaropvolgende betekening of kennisgeving nadat degene voor wie het stuk bestemd is, gebruik heeft gemaakt van zijn weigeringsrecht […]. De betekening of kennisgeving van een geweigerd stuk moet kunnen worden geregulariseerd door aan degene voor wie het stuk is bestemd betekening of kennisgeving te doen van een vertaling van het stuk.”

19.

Verordening nr. 1393/2007 is, volgens artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing in burgerlijke en in handelszaken waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar.

20.

Hoofdstuk II van verordening nr. 1393/2007 bevat bepalingen die voorzien in verschillende wijzen van verzending en betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken.

21.

In dit hoofdstuk is onder meer artikel 8 van die verordening, met het opschrift „Weigering van ontvangst van een stuk”, opgenomen, dat bepaalt:

„1.   De ontvangende instantie stelt degene voor wie het stuk is bestemd, door middel van het in bijlage II opgenomen modelformulier in kennis van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden, indien het niet is gesteld in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de volgende talen:

a)

een taal die degene voor wie het stuk bestemd is, begrijpt, of

b)

de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in de aangezochte lidstaat zijn, de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht.

2.   Indien de ontvangende instantie ervan op de hoogte is gesteld dat de persoon voor wie het stuk is bestemd dit overeenkomstig lid 1 weigert in ontvangst te nemen, stelt zij de verzendende instantie daarvan onmiddellijk door middel van het in artikel 10 bedoelde certificaat in kennis en zendt zij de aanvraag alsmede de stukken waarvan de vertaling wordt gevraagd terug.

3.   Indien degene voor wie het stuk is bestemd, overeenkomstig lid 1 heeft geweigerd het stuk in ontvangst te nemen, kan de betekening of kennisgeving van het stuk worden geregulariseerd door aan degene voor wie het stuk is bestemd overeenkomstig deze verordening betekening of kennisgeving te doen van het stuk vergezeld van een vertaling in een taal zoals bedoeld in lid 1. In dat geval is de datum van betekening of kennisgeving van het stuk die waarop de betekening of kennisgeving van het stuk vergezeld van de vertaling overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied. Wanneer de betekening of kennisgeving van een stuk overeenkomstig het recht van een lidstaat echter binnen een bepaalde termijn moet worden verricht, dan is de datum die ten aanzien van de aanvrager in aanmerking wordt genomen de datum van betekening of kennisgeving van het oorspronkelijke stuk, vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 2.

[…]”

22.

In het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier „Mededeling aan de geadresseerde inzake zijn recht om de ontvangst van een stuk te weigeren”, wordt ten behoeve van degene voor wie het stuk bestemd is het volgende vermeld:

„U kunt weigeren het stuk in ontvangst te nemen indien het niet gesteld is in of vergezeld gaat van een vertaling, ofwel in een taal die u begrijpt ofwel in de officiële taal/een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving.

Indien u dat recht wenst uit te oefenen, moet u onmiddellijk bij de betekening of kennisgeving van het stuk en rechtstreeks ten aanzien van de persoon die de betekening of kennisgeving verricht de ontvangst ervan weigeren of moet u het stuk binnen een week terugzenden naar het onderstaande adres en verklaren dat u de ontvangst ervan weigert.”

23.

Dat modelformulier bevat ook een „verklaring van de geadresseerde”, die door de geadresseerde bij weigering om het betrokken stuk in ontvangst te nemen moet worden ondertekend en als volgt luidt:

„Ik weiger de ontvangst van het hieraan gehechte stuk, omdat dit niet gesteld is in of vergezeld gaat van een vertaling, ofwel in een taal die ik begrijp ofwel in de officiële taal/een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving.”

24.

Tot slot vermeldt genoemd modelformulier dat geadresseerde in dat geval dient aan te geven welke officiële taal of officiële talen van de Unie hij begrijpt.

25.

Artikel 25 van verordening nr. 1393/2007 luidt:

„1.   Verordening (EG) nr. 1348/2000 wordt ingetrokken met ingang van de datum vanaf welke de onderhavige verordening van toepassing is.

2.   Elke verwijzing naar de ingetrokken verordening wordt gelezen als een verwijzing naar de onderhavige verordening […]”

26.

Overeenkomstig artikel 26, tweede alinea, van verordening nr. 1393/2007, is deze verordening van toepassing met ingang van 13 november 2008.

II. Hoofdgeding en prejudiciële vraag

27.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat O.K. Trans Praha, een vennootschap naar Tsjechisch recht, bij de Okresní soud Praha – západ (rechter voor het district Praag-West, Tsjechië) een verzoek om een Europees betalingsbevel heeft ingediend tegen Catlin Innsbruck GmbH, gevestigd in Oostenrijk. Tijdens de procedure is Catlin Innsbruck gefuseerd met een andere vennootschap van het Catlin-concern, Catlin Europe, waarvan de zetel zich in Keulen (Duitsland) bevindt. Catlin Europe is in het hoofdgeding in de rechten getreden van Catlin Innsbruck.

28.

De Okresní soud Praha – západ heeft dit verzoek toegewezen door op 1 augustus 2012 het gevraagde Europese betalingsbevel uit te vaardigen.

29.

Dit bevel is aan Catlin Europe ter kennis gebracht op 3 augustus 2012 en is uitvoerbaar geworden op 3 september 2012.

30.

Op 21 december 2012, dus na het verstrijken van de verweertermijn van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, heeft Catlin Europe krachtens artikel 20, lid 2, van die verordening een verzoek tot heroverweging van genoemd bevel ingediend.

31.

Ter ondersteuning van dit verzoek heeft Catlin Europe aangevoerd dat zij, in strijd met artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, niet door middel van het standaardformulier in bijlage II bij deze verordening in kennis was gesteld van haar recht om te weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen wanneer het niet vergezeld ging van een vertaling.

32.

In casu was namelijk het afschrift van het aanvraagformulier voor een betalingsbevel, dat overeenkomstig de voorschriften van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bij het betalingsbevel van 1 augustus 2012 was gevoegd, uitsluitend opgesteld in het Tsjechisch, zonder vergezeld te gaan van een vertaling in het Duits.

33.

In dit verband is Catlin Europe van mening dat het haar door dit ontbreken van een vertaling van het aanvraagformulier voor een betalingsbevel onmogelijk is gemaakt om het stuk waarmee de procedure was ingeleid te begrijpen, hetgeen een uitzonderlijke omstandigheid vormt in de zin van artikel 20, lid 2, van die verordening die de heroverweging van het bevel op grond van deze bepaling rechtvaardigt.

34.

Dit verzoek tot een heroverweging is door de Okresní soud Praha – západ echter afgewezen bij beslissing van 8 april 2013, welke beslissing op 17 juni 2013 in hoger beroep is bevestigd door de Krajský soud v Praze (regionale rechter te Praag, Tsjechië).

35.

Volgens deze rechter was het Europese betalingsbevel naar behoren ter kennis van Catlin Europe gebracht, overeenkomstig de eisen van artikel 14 van verordening nr. 1896/2006. Bovendien kon het feit dat aan degene voor wie het stuk bestemd was, niet was meegedeeld dat hij op grond van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 kon weigeren het ter kennis gebrachte stuk in ontvangst te nemen, het bevel niet ongeldig maken of de heroverweging ervan rechtvaardigen, omdat verordening nr. 1896/2006 niet in een dergelijk gevolg voorziet.

36.

Catlin Europe heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Nejvyšší soud.

37.

Deze rechter vraagt zich af of de niet-naleving, in de voor hem dienende zaak, van de voorschriften van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, de heroverweging van het bevel als voorzien in artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 rechtvaardigt.

38.

Laatstgenoemde verordening bevat met name geen enkel voorschrift over de taal waarin het verzoek om een betalingsbevel aan de verweerder moet wordt betekend of ter kennis gebracht. Bovendien bevat verordening nr. 1896/2006, anders dan verordening nr. 1393/2007, specifieke regels die zijn gebaseerd op het gebruik van de standaardformulieren die zijn opgenomen in de bijlagen bij die verordening en hoofdzakelijk moeten worden ingevuld met behulp van vooraf vastgestelde numerieke codes. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of een zuiver formele procedurefout als die welke door Catlin Europe wordt aangevoerd, haar rechten van verweer schendt.

39.

Daarop heeft de Nejvyšší soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dient artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 […] aldus te worden uitgelegd dat het verzuim om degene voor wie het stuk bestemd is, in kennis te stellen van het feit dat hij kan weigeren het stuk waarvan betekening of kennisgeving moet worden verricht, in ontvangst te nemen, als bepaald in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 […], de verweerder (degene voor wie het stuk bestemd is) het recht geeft om te verzoeken om heroverweging van het Europese betalingsbevel, overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 […]?”

III. Analyse

A.   Samenvatting van de argumenten van partijen

40.

Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door O. K. Trans Praha, de Griekse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering, alsmede door de Europese Commissie. Een mondelinge behandeling is niet gevraagd, noch door het Hof georganiseerd.

41.

O. K. Trans Praha is van mening dat er in casu geen sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die een heroverweging van het Europees betalingsbevel op grond van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 rechtvaardigt.

42.

De onderhavige Europese betalingsbevelprocedure is immers voorafgegaan door drie andere procedures van hetzelfde soort en Catlin Europe heeft in het kader van die drie procedures telkens verweer aangetekend, hetgeen aantoont dat zij op de hoogte was van de mogelijkheden om zich te verweren. Het ontbreken van informatie over de mogelijkheid om te weigeren de zending in ontvangst te nemen, heeft dus geen enkele invloed gehad op haar rechten van verweer.

43.

De omstandigheid dat in de onderhavige procedure geen verweer is aangetekend, is te wijten aan een fout van een werknemer van Catlin Europe, welke onderneming deze fout thans tracht te herstellen door een poging om een heroverweging te laten verrichten.

44.

De Griekse regering merkt op dat de verordeningen nrs. 1896/2006 en 1393/2007 tot doel hebben een juist evenwicht te waarborgen tussen de belangen van de verzoeker en die van de verweerder, door het streven naar een doelmatige en snelle verzending van processtukken en het vereiste dat een passende bescherming moet worden gewaarborgd van de rechten van verweer van degene voor wie die stukken bestemd zijn, op elkaar af te stemmen.

45.

Voorts is het vaste rechtspraak dat de ontvangende instantie die een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk betekent of ter kennis brengt van degene voor wie het bestemd is, krachtens verordening nr. 1393/2007 in alle gevallen verplicht is om bij dat stuk het modelformulier van bijlage II bij deze verordening te voegen, teneinde die persoon erop te wijzen dat hij het recht heeft te weigeren dat stuk in ontvangst te nemen indien het niet is opgesteld of vertaald in een taal die hij kent of geacht wordt te begrijpen. ( 4 )

46.

Bijgevolg mag de uitlegging van de mogelijkheid van heroverweging van het Europees betalingsbevel in uitzonderlijke gevallen als bedoeld in artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, geen afbreuk doen aan de rechten van verweer van degene voor wie een dergelijk bevel bestemd is.

47.

Het is evenwel duidelijk dat de rechten van verweer worden geschonden wanneer de verweerder door het ontbreken van een adequate vertaling niet in staat is de inhoud van het verzoek om een betalingsbevel en derhalve de tegen hem ingestelde vordering te begrijpen, omdat hij in die omstandigheden niet goed geïnformeerd kan beslissen of hij verweer tegen het verzoek moet aantekenen of het juist niet moet betwisten.

48.

Derhalve moet volgens de Griekse regering worden aangenomen dat het verzuim om degene voor wie een Europees betalingsbevel bestemd is, mee te delen dat hij kan weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen omdat het niet is opgesteld of vertaald in een van de talen als bedoeld in artikel 8 van verordening nr. 1393/2007, een uitzonderingsgeval in de zin van artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 vormt en bijgevolg een heroverweging op grond van deze bepaling rechtvaardigt.

49.

Volgens de Italiaanse regering geeft het feit dat aan de geadresseerde geen informatie is verstrekt over de mogelijkheid om te weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk dat niet is opgesteld in de taal van de geadresseerde of in een taal die hij kent, in ontvangst te nemen, die partij daarentegen geen recht om krachtens artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken.

50.

Een dergelijk vormgebrek leidt derhalve niet tot nietigheid van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk, noch tot nietigheid van de betekeningsprocedure. Die procedure moet enkel worden geregulariseerd door toezending van het modelformulier van bijlage II van verordening nr. 1393/2007 aan de betrokken partij, zodat de termijn van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 voor het indienen van een verweerschrift pas begint te lopen vanaf die regularisatie. Bijgevolg is in casu niet voldaan aan de voorafgaande voorwaarde voor toepassing van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, te weten dat de verweerder het bewijs levert dat de aangevoerde omstandigheid hem heeft verhinderd binnen de gestelde termijn een verweerschrift in te dienen.

51.

Bovendien beantwoordt de onregelmatige betekening of kennisgeving wegens het verzuim om aan de geadresseerde mee te delen dat hij kan weigeren het stuk in ontvangst te nemen, aan geen van de in dat artikel 20 bedoelde omstandigheden die heroverweging rechtvaardigen.

52.

De Oostenrijkse regering komt tot dezelfde uitkomst als de Italiaanse regering, maar op basis van een gedeeltelijk andere redenering: verordening nr. 1896/2006 bevat weliswaar een aantal bepalingen die betrekking hebben op de betekening en de kennisgeving van het Europees betalingsbevel aan de verweerder, maar regelt niet in welke taal de betekening of kennisgeving moet plaatsvinden.

53.

Niettemin moet over niet door deze verordening geregelde kwesties op het gebied van betekening of kennisgeving overeenkomstig verordening nr. 1393/2007 worden beslist.

54.

Hieruit volgt dat het Europese betalingsbevel overeenkomstig artikel 8 van laatstgenoemde verordening samen met een vertaling moet worden betekend of ter kennis gebracht of, indien die vertaling ontbreekt, dat aan de verweerder moet worden meegedeeld dat hij het recht heeft om te weigeren het stuk in ontvangst te nemen.

55.

Het is volgens de Oostenrijkse regering echter niet duidelijk of een vertaling van het afschrift van het verzoek om een bevel in bepaalde gevallen ook wordt of kan worden verlangd.

56.

Overeenkomstig artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 moet het Europese betalingsbevel worden uitgevaardigd samen met een afschrift van het verzoek om een bevel.

57.

Enerzijds heeft dit verzoek de vorm van een formulier waarop de verzoeker alleen verschillende vakjes hoeft aan te vinken, zodat de verweerder de inhoud ervan gemakkelijk kan begrijpen door tegelijkertijd het in zijn taal opgestelde en gepubliceerde formulier door te nemen.

58.

Anderzijds is het niet uitgesloten dat het verzoek ook belangrijke toelichtingen bevat in de vorm van geschreven tekst.

59.

In dit laatste geval en wanneer aan de geadresseerde niet is meegedeeld dat hij het recht heeft om te weigeren het stuk in ontvangst te nemen terwijl dit stuk niet is opgesteld in een taal die hij begrijpt, moet worden vastgesteld of de betekening of kennisgeving geldig is.

60.

In dit verband zou kunnen worden gesteld ofwel dat dit niet het geval is, zodat de termijn voor het indienen van een verweerschrift nog niet is aangevangen, ofwel dat artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 naar analogie moet worden toegepast.

61.

Daarentegen kan de toepassing van lid 2 van dit artikel niet worden aanvaard voor een dergelijk vormgebrek. Deze bepaling heeft immers enkel betrekking op de situatie waarin het Europese betalingsbevel wegens een materiële fout ten onrechte is toegekend. In het hoofdgeding is het bevel echter terecht toegekend en is de eventuele, zuiver formele, fout pas in een later stadium van de procedure gemaakt, te weten bij de betekening of kennisgeving aan de verweerder.

62.

De Commissie is van mening dat de twee procedurefouten die volgens Catlin Europe in casu de betekening of kennisgeving van het Europese betalingsbevel aantasten – te weten het feit dat, ten eerste, het afschrift van het aan het bevel ten grondslag liggende verzoek waarvan dit bevel vergezeld moet gaan, niet was opgesteld in een taal die de geadresseerde begrijpt, noch in de officiële taal of een van de officiële talen van de aangezochte lidstaat en, ten tweede, niet aan verweerster was meegedeeld dat zij overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 1393/2007 het recht had om te weigeren het betrokken stuk in ontvangst te nemen – geen uitzonderlijke omstandigheden kunnen vormen die heroverweging van het bevel op grond van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 rechtvaardigen.

63.

Elke andere uitlegging strookt niet met de doelstelling van de Europese betalingsbevelprocedure.

64.

In dit verband heeft verordening nr. 1896/2006 tot doel de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken.

65.

De procedure wordt gekenmerkt door het bestaan van een aanvraagformulier dat bij de verordening is gevoegd en in alle officiële talen van de Unie is gepubliceerd. Het standaardformulier moet worden ingevuld aan de hand van in alle taalversies identieke numerieke codes, zodat de verweerder in staat is te begrijpen dat een procedure tegen hem is ingeleid, wat het precieze voorwerp van het verzoek is, en de redenen waarom er een geldvordering is ingesteld.

66.

De verweerder wordt voorts in kennis gesteld van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen tegen het bevel.

67.

Bovendien is het recht om een verzoek tot heroverweging van het bevel in te dienen, beperkt tot gevallen die worden gekenmerkt door uitzonderlijke omstandigheden, hetgeen betekent dat de verweerder niet nogmaals de mogelijkheid heeft om verweer te voeren.

68.

Dit kan volgens de Commissie hoe dan ook gemakkelijk worden verholpen door de verwerende partij de vertaling van het verzoek om een bevel toe te zenden.

B.   Beoordeling

69.

De verwijzende rechter wenst ten eerste te vernemen of de verordeningen nrs. 1896/2006 en 1393/2007 aldus moeten worden uitgelegd dat bij de betekening of kennisgeving van een Europees betalingsbevel aan een op het grondgebied van een andere lidstaat verblijvende verweerder, in een situatie waarin het verzoek om een bevel niet is opgesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in hetzij een taal die hij begrijpt, hetzij in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of, indien er in die lidstaat verschillende officiële talen zijn, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht, degene voor wie het stuk bestemd is naar behoren in kennis moet worden gesteld van zijn recht om te weigeren het stuk in ontvangst te nemen, door middel van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier.

70.

De verwijzende rechter wenst ten tweede te vernemen wat de gevolgen zijn indien in strijd met artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 wordt verzuimd om degene voor wie het stuk bestemd is, in kennis te stellen van zijn recht om te weigeren het te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen en, meer in het bijzonder, of een dergelijke omstandigheid een verzoek tot heroverweging van het Europees betalingsbevel krachtens artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 rechtvaardigt.

1. Eerste deel – toepasselijkheid van de voorschriften van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 overeenkomstig de voorschriften van verordening nr. 1896/2006

a) Rechtspraak van het Hof

71.

Ik verwijs voornamelijk naar het arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, met name de punten 50‑56 en de aldaar aangehaalde rechtspraak), waarin deze problematiek reeds uitvoerig is behandeld in het licht van verordening nr. 1393/2007.

72.

Zijn eerdere rechtspraak ( 5 ) bevestigend, heeft het Hof in punt 50 van genoemd arrest herhaald dat de in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 vervatte mogelijkheid om te weigeren het betrokken stuk in ontvangst te nemen, een recht vormt van degene voor wie dat stuk bestemd is.

73.

Het bevestigt daarin ook dat het recht om te weigeren een te betekenen of ter kennis te brengen stuk in ontvangst te nemen, voortvloeit uit de noodzaak om de rechten van verdediging van degene voor wie het stuk bestemd is, te beschermen in overeenstemming met de eisen van een eerlijk proces, die zijn verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ( 6 ) Hoewel verordening nr. 1393/2007 in de eerste plaats beoogt de doelmatigheid en snelheid van gerechtelijke procedures te verbeteren en een goede rechtsbedeling te verzekeren, heeft het Hof namelijk geoordeeld dat bij het nastreven van die doelstellingen op geen enkele wijze afbreuk mag worden gedaan aan de daadwerkelijke eerbiediging van de rechten van verdediging van degenen voor wie de betrokken stukken bestemd zijn. ( 7 )

74.

Er dient dus niet alleen op te worden toegezien dat degene voor wie een stuk bestemd is, dat stuk daadwerkelijk ontvangt, maar ook dat hij in staat wordt gesteld de betekenis en reikwijdte van de in het buitenland tegen hem ingestelde vordering te vernemen en effectief en volledig te begrijpen, zodat hij in de lidstaat van herkomst zijn rechten daadwerkelijk kan doen gelden. ( 8 )

75.

Wil het in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 genoemde recht de ermee beoogde effecten daadwerkelijk sorteren, dan is het noodzakelijk dat aan degene voor wie het stuk bestemd is, vooraf en schriftelijk naar behoren wordt meegedeeld dat hij dat recht heeft. ( 9 )

76.

In het door verordening nr. 1393/2007 ingevoerde stelsel wordt die informatie aan deze persoon verstrekt door middel van het in bijlage II bij die verordening opgenomen modelformulier. ( 10 )

77.

Wat de reikwijdte betreft die aan dit modelformulier moet worden toegekend, heeft het Hof reeds geoordeeld dat verordening nr. 1393/2007 niet voorziet in enige uitzondering op het gebruik van dat formulier. ( 11 )

78.

Uit die overweging en uit de doelstelling die met het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier wordt nagestreefd, zoals omschreven in de punten 75 en 76 van deze conclusie, heeft het Hof afgeleid dat de ontvangende instantie verplicht is om, in alle omstandigheden en zonder dat zij daarbij over enige beoordelingsmarge beschikt, degene voor wie een stuk bestemd is, mee te delen dat hij het recht heeft te weigeren dat stuk in ontvangst te nemen, en dat zij daartoe stelselmatig gebruik dient te maken van genoemd modelformulier. ( 12 )

b) Toepassing op het onderhavige geval

79.

In de onderhavige zaak rijst de vraag of de bovenstaande overwegingen ook moeten ook gelden in het kader van verordening nr. 1896/2006.

80.

Zoals de Oostenrijkse regering heeft opgemerkt, moet over kwesties op het gebied van betekening of kennisgeving die niet door deze verordening worden geregeld, overeenkomstig verordening nr. 1393/2007 worden beslist. Artikel 27 van verordening nr. 1896/2006 bepaalt immers expliciet dat deze verordening de toepassing van verordening nr. 1348/2000, waarvoor verordening nr. 1393/2007 in de plaats is gekomen, onverlet laat. Bovendien moet, volgens artikel 25, lid 2, van laatstgenoemde verordening, elke verwijzing naar verordening nr. 1348/2000 worden gelezen als een verwijzing naar verordening nr. 1393/2007.

81.

Het is duidelijk dat in het onderhavige geval het verzoek om een bevel, dat het stuk vormt waarmee de procedure tot uitvaardiging van het Europees betalingsbevel wordt ingeleid, moet worden aangemerkt als „stuk” in de zin van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007.

82.

Zoals de Oostenrijkse regering opmerkt, bepaalt artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 uitdrukkelijk dat het Europese betalingsbevel wordt uitgevaardigd samen met een afschrift van het verzoekformulier ( 13 ), zodat de betekening of kennisgeving van het bevel aan de verweerder vergezeld moet gaan van die van het verzoek. In casu heeft een dergelijke dubbele betekening of kennisgeving plaatsgevonden.

83.

Derhalve zijn de voorschriften van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 niet alleen van toepassing op de betekening of kennisgeving van het bevel zelf, maar ook op die van het verzoek om een bevel. Bijgevolg moet elk van beide stukken aan de geadresseerde ervan worden betekend of ter kennis gebracht in een taal die hij geacht wordt te begrijpen, in de zin van dat artikel 8, lid 1, en indien dit niet het geval is, moet de betekening of kennisgeving vergezeld gaan van het in bijlage II van deze verordening opgenomen modelformulier dat de betrokkene in kennis stelt van zijn recht om te weigeren het betrokken stuk in ontvangst te nemen.

84.

Deze conclusie geldt temeer daar de bij verordening nr. 1896/2006 ingestelde Europese betalingsbevelprocedure geen procedure op tegenspraak is, in die zin dat de nationale rechter uitspraak doet louter op basis van het door de verzoeker ingediende verzoek, zelfs zonder dat de verweerder in kennis wordt gesteld van het bestaan van een procedure tegen hem.

85.

De verweerder heeft dus pas in het stadium van de betekening of kennisgeving de mogelijkheid om kennis te nemen van het bestaan en van de inhoud van het verzoek. De eerbiediging van de rechten van verweer die artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 beoogt te beschermen, is in deze context dus bijzonder belangrijk.

86.

De omstandigheid dat het verzoek om een bevel overeenkomstig verordening nr. 1896/2006 wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier waarvan het model is opgenomen in bijlage I bij die verordening, is in dit opzicht niet relevant.

87.

Ook al kan een groot aantal vakken van dit modelformulier worden ingevuld met behulp van vooraf vastgestelde codes, die bijgevolg gemakkelijk te begrijpen zijn omdat de toelichtingen bij die codes in alle officiële talen van de Unie zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, neemt dit immers niet weg dat dit modelformulier de verzoeker tevens verplicht om, zoals blijkt uit artikel 7, lid 2, onder d) en e), van die verordening, een nadere beschrijving te geven van de concrete omstandigheden die als grondslag van de vordering worden aangevoerd en van het bewijs dat het verzoek staaft. De verweerder moet hiervan kennis kunnen nemen in een taal die hij geacht wordt te beheersen, teneinde de betekenis en reikwijdte van de in het buitenland tegen hem ingeleide procedure daadwerkelijk en volledig te begrijpen en, indien nodig, zijn verweer voor te bereiden.

88.

Geconcludeerd moet worden dat zowel voor de betekening of kennisgeving van het Europese betalingsbevel als voor de daarmee gepaard gaande betekening of kennisgeving van het verzoek om een bevel geldt dat het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier verplicht en stelselmatig moet worden gebruikt.

2. Tweede deel – welke gevolgen heeft de niet-inachtneming van genoemde verplichting?

a) Rechtspraak van het Hof

89.

Om te beginnen zegt artikel 8 van verordening nr. 1393/2007, zoals de Commissie heeft opgemerkt, niets over de rechtsgevolgen van het verzuim om degene voor wie een stuk bestemd is, mee te delen dat hij het recht heeft om de inontvangstneming ervan te weigeren. Uit geen enkele bepaling van die verordening blijkt dat een dergelijk verzuim leidt tot de nietigheid van de betekenings- of kennisgevingsprocedure.

90.

In een zaak waarin het stuk niet was opgesteld in een officiële taal van de aangezochte lidstaat of in een taal van de lidstaat van oorsprong die de geadresseerde begreep, heeft het Hof geoordeeld dat de verzender deze procedurefout kon herstellen door de verweerder de vereiste vertaling toe te zenden. ( 14 )

91.

Ik verwijs voorts nogmaals naar het arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157), met name de punten 57 en 58 ervan.

92.

Punt 57 van dat arrest luidt: „Wanneer de ontvangende instantie die het betrokken stuk moet betekenen of ter kennis brengen van de in een andere lidstaat verblijvende geadresseerde ervan, het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier niet bij het stuk heeft gevoegd, kan […] dit ontbreken noch tot nietigheid van het te betekenen of ter kennis te brengen stuk, noch tot nietigheid van de betekenings- of kennisgevingsprocedure leiden, aangezien een dergelijk gevolg onverenigbaar zou zijn met de doelstelling van deze verordening, namelijk te voorzien in een rechtstreekse, snelle en doeltreffende wijze van verzending tussen de lidstaten van stukken in burgerlijke en in handelszaken” (cursivering van mij).

93.

Daarentegen moet volgens punt 58 ervan, „[a]angezien de toezending van voornoemd modelformulier […] een wezenlijk vormvoorschrift is dat tot doel heeft de rechten van verdediging van de geadresseerde van het stuk te waarborgen, […] het ontbreken daarvan door de ontvangende instantie worden hersteld overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1393/2007. Deze instantie dient de geadresseerde onverwijld mee te delen dat hij het recht heeft de inontvangstneming van dat stuk te weigeren, door hem overeenkomstig artikel 8, lid 1, van deze verordening, datzelfde modelformulier toe te zenden” (cursivering van mij).

b) Toepassing op het onderhavige geval

94.

Om identieke redenen als die welke in de punten 79 tot en met 88 van deze conclusie zijn vermeld, moeten mijns inziens dezelfde regels, naar analogie, kennelijk ook gelden voor betekeningen of kennisgevingen van stukken in het kader van verordening nr. 1896/2006.

95.

Zoals het Hof heeft geoordeeld, kan de rechter die van de zaak kennisneemt, pas nadat de geadresseerde in kennis is gesteld van zijn recht om te weigeren het stuk in ontvangst te nemen en van dat recht gebruik heeft gemaakt, nagaan of die weigering gerechtvaardigd was. ( 15 )

96.

In een geval als het onderhavige, waarin de betekening of kennisgeving aan de verweerder van het verzoek om een betalingsbevel dat in een andere taal is opgesteld dan de talen die worden bedoeld in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, niet vergezeld is gegaan van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen modelformulier, moeten bijgevolg dat verzuim en het hieruit voortvloeiende verzuim om degene voor wie het stuk bestemd is in kennis te stellen van zijn recht om de inontvangstneming van dat stuk te weigeren, zo spoedig mogelijk en overeenkomstig de bepalingen van deze verordening worden hersteld door toezending van dat modelformulier aan de verweerder.

97.

Overigens blijkt uit de rechtspraak dat wanneer er sprake is van een onregelmatige betekening of kennisgeving als die in de onderhavige zaak, het Europese betalingsbevel niet op rechtsgeldige wijze uitvoerbaar is geworden en de voor de verweerder geldende termijn voor indiening van een verweerschrift geen aanvang heeft genomen. ( 16 )

98.

Bijgevolg is de kwestie van heroverweging van het Europees betalingsbevel krachtens artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, zoals door de verwijzende rechter opgeworpen, niet aan de orde.

99.

Het vormgebrek dat de betekening of kennisgeving van het verzoek om een betalingsbevel aantast, kan namelijk alleen worden beoordeeld als een kwestie die aan de fase van de heroverweging voorafgaat: de heroverweging vooronderstelt immers dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift is verstreken, terwijl die termijn, als gevolg van de procedurele onregelmatigheid die de betekening of de kennisgeving aantast, zelfs nog geen aanvang heeft genomen.

100.

Bovendien heeft het Hof met betrekking tot genoemde bepaling ten eerste reeds geoordeeld dat die bepaling noodzakelijkerwijs strikt moet worden uitgelegd, aangezien het de bedoeling van de Uniewetgever was het gebruik van de heroverwegingsprocedure te beperken. ( 17 ) Ten tweede vooronderstelt een dergelijke procedure dat er sprake is van omstandigheden die ofwel „buitengewoon” zijn in de zin van artikel 20, lid 1 ( 18 ), ofwel „uitzonderlijk” in de zin van artikel 20, lid 2 ( 19 ). Ten derde zijn deze gevallen limitatief opgesomd in dit artikel en „[kan] het ontbreken van een betekening of kennisgeving niet tot [de erin bedoelde] situaties […] worden gerekend”. ( 20 ) Ten vierde mag de mogelijkheid van heroverweging van het bevel, nadat dit uitvoerbaar is geworden en de termijn voor het indienen van een verweerschrift is verstreken, niet ertoe leiden dat de verweerder nogmaals de mogelijkheid krijgt om verweer te voeren tegen de vordering. ( 21 )

101.

Tegen deze achtergrond kunnen de procedurefouten waarop door verweerster is gewezen, anders dan de Griekse regering betoogt, mijns inziens geen heroverweging van het Europese betalingsbevel rechtvaardigen op grond van omstandigheden als bedoeld in artikel 20 van verordening nr. 1896/2006. ( 22 )

102.

Meer bepaald noemt artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, waarover de verwijzende rechter het Hof raadpleegt, twee gronden voor heroverweging van het betalingsbevel. De eerste is dat het betalingsbevel kennelijk ten onrechte is uitgevaardigd, gelet op de voorschriften van deze verordening. De tweede is dat andere uitzonderlijke omstandigheden een heroverweging rechtvaardigen.

103.

Ten aanzien van de eerste grond moet worden vastgesteld dat de verwijzingsbeschikking, zoals de Commissie heeft opgemerkt, geen gegevens bevat waaruit blijkt dat het Europese betalingsbevel kennelijk ten onrechte is uitgevaardigd. Het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd overeenkomstig de door de verordening gestelde vereisten. De procedurefout die voortvloeit uit het feit dat de kennisgeving van het stuk niet in overeenstemming met verordening nr. 1393/2007 is verricht, kan worden hersteld door de gevraagde vertaling aan verweerster toe te sturen, zoals aangegeven in de punten 90 tot en met 93 van deze conclusie.

104.

Met betrekking tot de tweede grond moet worden beoordeeld of een heroverweging van het Europese betalingsbevel in casu kan worden gerechtvaardigd door andere uitzonderlijke omstandigheden.

105.

Ik denk (net als de Commissie) dat dergelijke uitzonderlijke omstandigheden ofwel procedurefouten kunnen zijn, ofwel fouten die te maken hebben met de kenmerken zelf van de geldvordering die het voorwerp van het betalingsbevel is. Aangezien het Hof heeft geoordeeld dat artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 strikt moet worden uitgelegd, kan er niet voor om het even welke procedurefout een heroverweging van het betalingsbevel plaatsvinden. Om als uitzonderlijke omstandigheid te kunnen gelden, moet die procedurefout een rechtstreekse invloed hebben op het recht van verweer van de verweerder, te weten, in de onderhavige zaak, op zijn recht om overeenkomstig artikel 16 van die verordening een verweerschrift in te dienen tegen het betalingsbevel.

106.

Zoals de Italiaanse regering heeft opgemerkt, pleit overigens juist het feit dat er geen bepaling is op grond waarvan het stuk of de betekening nietig is als gevolg van het verzuim om de geadresseerde in kennis te stellen van het feit dat hij het stuk kan weigeren, ervoor dat de onregelmatigheid kan worden geregulariseerd. Zoals gezegd kan de onregelmatigheid van de betekening wegens het verzuim om het te betekenen stuk op te stellen in een taal die de geadresseerde kent of begrijpt, worden geregulariseerd door de geadresseerde alsnog onverwijld een afschrift van het vertaalde stuk toe te zenden, zonder dat zijn recht om een verweerschrift in te dienen op enigerlei wijze wordt beperkt.

107.

Dit betekent ook dat de onregelmatigheid van de betekening wegens het verzuim om de geadresseerde in kennis te stellen van de mogelijkheid om de betekening te weigeren, op zichzelf niet leidt tot de nietigheid van de betekening, maar uitsluitend tot uitstel, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van verordening nr. 1393/2007 ( 23 ), van de dies a quo van de termijn voor het indienen van een verweerschrift in de zin van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1896/2006.

IV. Conclusie

108.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) gestelde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:

„–

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure en verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‚de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, moeten aldus worden uitgelegd dat bij de betekening of kennisgeving van een Europees betalingsbevel aan een in een op het grondgebied van een andere lidstaat verblijvende verweerder, in een situatie waarin het verzoek om een bevel niet is opgesteld in of vergezeld gaat van een vertaling in hetzij een taal die hij begrijpt, hetzij in de officiële taal van de lidstaat van tenuitvoerlegging of, indien er in die lidstaat verschillende officiële talen zijn, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving moet worden verricht, degene voor wie het stuk bestemd is naar behoren in kennis moet worden gesteld van zijn recht om te weigeren het stuk in ontvangst te nemen, door middel van het in bijlage II bij verordening nr. 1393/2007 opgenomen modelformulier.

Overeenkomstig de bepalingen van laatstgenoemde verordening kan de procedure, indien niet aan dit vormvereiste is voldaan, worden geregulariseerd door toezending van het in bijlage II bij deze verordening opgenomen formulier aan de betrokkene.

Zolang de procedurele onregelmatigheid die de betekening of kennisgeving van het betalingsbevel samen met het verzoek om een bevel aantast, voortduurt, wordt dit bevel niet uitvoerbaar en vangt de voor de verweerder geldende termijn om een verweerschrift in te dienen niet aan.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1).

( 3 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening nr. 1348/2000 (PB 2007, L 324, blz. 79).

( 4 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson, C‑354/15, EU:C:2017:157.

( 5 ) Te weten het arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punt 49). Zie ook mijn conclusie in die zaak (EU:C:2015:33), waarin ik deze materie specifiek heb behandeld, en beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 61).

( 6 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 51). Zie in die zin ook beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 73).

( 7 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 51). Zie in die zin ook arrest van 16 september 2015, Alpha Bank Cyprus (C‑519/13, EU:C:2015:603, punten 30 en 31), en beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punten 48 en 49).

( 8 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 9 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 10 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 11 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 55en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 12 ) Zie arrest van 2 maart 2017, Henderson (C‑354/15, EU:C:2017:157, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 13 ) Deze verplichting vloeit voort uit het feit dat de verweerder op deze basis de informatie moet kunnen krijgen die hem in staat stelt te beslissen om al dan niet een verweerschrift in te dienen (overweging 13 van verordening nr. 1896/2006).

( 14 ) Zie arrest van 8 november 2005, Leffler (C‑443/03, EU:C:2005:665, punten 38 en 53).

( 15 ) Zie beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat S.L. (C‑384/14, EU:C:2016:316, punten 62 en 89).

( 16 ) Zie, naar analogie, arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen (C‑119/13 en C‑120/13, EU:C:2014:2144, punten 4143 en 48).

( 17 ) Zie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium (C‑245/14, EU:C:2015:715, punt 31).

( 18 ) Zie beschikking van 21 maart 2013, Novontech-Zala (C‑324/12, EU:C:2013:205, punten 2025).

( 19 ) Zie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium (C‑245/14, EU:C:2015:715, punten 2930).

( 20 ) Arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen (C‑119/13 en C‑120/13, EU:C:2014:2144, punt 44).

( 21 ) Zie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium (C‑245/14, EU:C:2015:715, punt 48).

( 22 ) Ik merk op dat dit standpunt ook wordt verdedigd door O. K. Trans Praha, door de Italiaanse en de Oostenrijkse regering en door de Commissie.

( 23 ) Dat bepaalt dat „de datum van betekening of kennisgeving van het stuk [de datum is] waarop de betekening of kennisgeving van het stuk vergezeld van de vertaling overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat is geschied”.

Top