EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CA0369

Zaak C-369/17: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — Shajin Ahmed/Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Grenzen, asiel en immigratie — Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus — Richtlijn 2011/95/EU — Artikel 17 — Uitsluiting van de subsidiairebeschermingsstatus — Gronden — Veroordeling voor een ernstig misdrijf — Bepaling van de ernst aan de hand van de naar nationaal recht op het misdrijf gestelde straf — Toelaatbaarheid — Vereiste dat een individuele beoordeling plaatsvindt)

OJ C 408, 12.11.2018, p. 25–26 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

12.11.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 408/25


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 13 september 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — Shajin Ahmed/Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

(Zaak C-369/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Grenzen, asiel en immigratie - Vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus - Richtlijn 2011/95/EU - Artikel 17 - Uitsluiting van de subsidiairebeschermingsstatus - Gronden - Veroordeling voor een ernstig misdrijf - Bepaling van de ernst aan de hand van de naar nationaal recht op het misdrijf gestelde straf - Toelaatbaarheid - Vereiste dat een individuele beoordeling plaatsvindt))

(2018/C 408/32)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Shajin Ahmed

Verwerende partij: Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal

Dictum

Artikel 17, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan de persoon die aanspraak maakt op subsidiaire bescherming, uitsluitend op basis van de straf die overeenkomstig het recht van die lidstaat op een specifiek misdrijf is gesteld, wordt geacht „een ernstig misdrijf” te hebben gepleegd in de zin van deze bepaling, waardoor hij kan worden uitgesloten van die bescherming. Het bevoegde nationale bestuursorgaan dat, of de bevoegde nationale rechterlijke instantie die beslist op het verzoek om subsidiaire bescherming dient bij de beoordeling van de ernst van het desbetreffende misdrijf een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval uit te voeren.


(1)  PB C 293 van 4.9.2017.


Top