This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62016TN0433
Case T-433/16: Action brought on 3 August 2016 — Pometon v Commission
Zaak T-433/16: Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — Pometon/Commissie
Zaak T-433/16: Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — Pometon/Commissie
PB C 371 van 10.10.2016, pp. 17–18
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
10.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 371/17 |
Beroep ingesteld op 3 augustus 2016 — Pometon/Commissie
(Zaak T-433/16)
(2016/C 371/20)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Pometon SpA (Martellago, Italië) (vertegenwoordigers: E. Fabrizi, V. Veneziano en A. Molinaro, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
primair, het bestreden besluit nietig te verklaren; |
|
— |
subsidiair, de aan Pometon opgelegde boete nietig te verklaren of te verminderen; |
|
— |
verweerster te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die eventueel voor verzoekster zijn opgekomen in de loop van de procedure tot uitvoering van het bestreden besluit, alsook tot terugbetaling van alle andere kosten van verzoekster tot uitvoering van dit bestreden besluit; |
|
— |
verweerster hoe dan ook te verwijzen in de kosten en in alle andere kosten die voor verzoekster zijn opgekomen in de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep wordt opgekomen tegen besluit C(2016) 3121 definitief van de Commissie van 25 mei 2016 (zaak AT.39792 — Steel Abrasives), betreffende een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (hierna: „bestreden besluit”).
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
|
1. |
Het eerste middel is ontleend aan schending van het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter, het beginsel van het vermoeden van onschuld en het recht van verweer, doordat verweerster in het kader van het jegens Ervin Industries Inc. en Ervin Amasteel, Winoa SA en WHA Holding SAS, Metalltechnik Schmidt GmbH & Co. KG en Eisenwerk Würth GmbH (hierna: „belanghebbenden”) vastgestelde besluit C(2014) 2074 definitief van 2 april 2014 („schikkingsbesluit”) bepaalde vermeende gedragingen van Pometon in aanmerking heeft genomen, waardoor het bestreden besluit is vastgesteld zonder dat het standpunt van Pometon en het door haar ontwikkelde betoog naar behoren en onpartijdig is onderzocht.
|
|
2. |
Het tweede middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering, schending van het recht van verweer en van de beginselen betreffende de verdeling van bewijslast, doordat is geoordeeld dat verzoekster betrokken was bij een vermeende regeling waaraan zij in feite niet heeft deelgenomen.
|
|
3. |
Het derde middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, beoordelingsfouten, ontoereikend onderzoek en een kennelijk onlogische redenering, doordat verweerster heeft geoordeeld dat de aan Pometon verweten gedraging een beperking van de mededinging had opgeleverd. |
|
4. |
Het vierde middel is ontleend aan schending en onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende motivering en ontoereikend onderzoek, schending van de beginselen betreffende de verdeling van de bewijslast met betrekking tot de duur van verzoeksters beweerde deelneming aan de gestelde inbreuk, en bijgevolg schending van de artikelen 23, lid 2, en 25, leden 1 en 5, van verordening nr. 1/2003 (1), alsook schending van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de Commissie verzoekster een geldboete heeft opgelegd hoewel de daartoe gestelde termijn was verstreken.
|
|
5. |
Het vijfde middel is ontleend aan volstrekt ontoereikende motivering, schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling betreffende de vaststelling van de krachtens artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 opgelegde geldboeten, wat de aanpassing van het basisbedrag ervan volgens punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten betreft.
|
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Voor de EER relevante tekst) (PB 2003, L 1, blz. 1).