EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CO0497

Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 2 maart 2017.
Strafzaak tegen Juraj Sokáč.
Verzoek van de Nejvyšší soud om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Drugsprecursoren – Verordening (EG) nr. 273/2004 – Artikel 2, onder a) – Begrip ‚geregistreerde stof’ – Uitsluiting van geneesmiddelen – Richtlijn 2001/83/EG – Artikel 1, punt 2 – Begrip ‚geneesmiddel’ – Geneesmiddel dat efedrine of pseudo-efedrine bevat – Verordening (EG) nr. 111/2005 – Artikel 2, onder a) – Begrip ‚geregistreerde stof’ – Bijlage – Opneming van geneesmiddelen die efedrine of pseudo-efedrine bevatten – Geen invloed op de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 273/2004.
Zaak C-497/16.

Digital reports (Court Reports - general)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:171

BESCHIKKING VAN HET HOF (Achtste kamer)

2 maart 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Drugsprecursoren — Verordening (EG) nr. 273/2004 — Artikel 2, onder a) — Begrip ‚geregistreerde stof’ — Uitsluiting van geneesmiddelen — Richtlijn 2001/83/EG — Artikel 1, punt 2 — Begrip ‚geneesmiddel’ — Geneesmiddel dat efedrine of pseudo-efedrine bevat — Verordening (EG) nr. 111/2005 — Artikel 2, onder a) — Begrip ‚geregistreerde stof’ — Bijlage — Opneming van geneesmiddelen die efedrine of pseudo-efedrine bevatten — Geen invloed op de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 273/2004”

In zaak C‑497/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië) bij beslissing van 25 augustus 2016, ingekomen bij het Hof op 16 september 2016, in de strafzaak tegen

Juraj Sokáč,

geeft HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Safjan en D. Šváby (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,

de navolgende

Beschikking

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder a), van verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PB 2004, L 47, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1258/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB 2013, L 330, blz. 21) (hierna: „verordening nr. 273/2004”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen Juraj Sokáč voor door hem gepleegde strafbare feiten inzake drugs.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2001/83

3

Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB 2004, L 136, blz. 34) (hierna: „richtlijn 2001/83”), bepaalt in artikel 1, punt 2, het volgende:

„Voor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

2)

geneesmiddel:

a)

elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of

b)

elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen”.

Verordening nr. 273/2004

4

Artikel 1 van verordening nr. 273/2004 bepaalt:

„Deze verordening stelt geharmoniseerde maatregelen vast voor het toezicht binnen de Unie op bepaalde stoffen die vaak voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen worden gebruikt, teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen.”

5

Artikel 2, onder a), van deze verordening definieert het begrip „geregistreerde stof” als „elke in bijlage I genoemde stof die kan worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, met inbegrip van mengsels en natuurproducten die dergelijke stoffen bevatten; uitgesloten zijn mengsels en natuurproducten die geregistreerde stoffen bevatten en die zodanig zijn vermengd dat de geregistreerde stoffen niet gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kunnen worden gebruikt of geëxtraheerd, geneesmiddelen als omschreven in artikel 1, punt 2, van richtlijn [2001/83] en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als omschreven in artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad [van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB 2001, L 311, blz. 1)]”.

6

Deze definitie is het gevolg van de wijziging van verordening nr. 273/2004 bij verordening nr. 1258/2013. Laatstgenoemde verordening is op 30 december 2013 in werking getreden. Overweging 4 van verordening nr. 1258/2013 luidt als volgt:

„Deze verordening verduidelijkt de definitie van een geregistreerde stof: in dit verband is de term ‚farmaceutisch preparaat’, afkomstig uit het op 19 december 1988 te Wenen aangenomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, geschrapt aangezien de desbetreffende terminologie uit de rechtshandelingen van de Unie die term dekt, te weten ‚geneesmiddelen’. Daarenboven is de term ‚andere preparaten’ geschrapt aangezien het een doublure is van de reeds in de definitie gebruikte term ‚mengsels’.”

7

Bijlage I bij verordening nr. 273/2004, ook in de oorspronkelijke versie daarvan, bevat de limitatieve lijst van „geregistreerde stoffen” in de zin van artikel 2, onder a), van die verordening, waarop, in categorie 1, efedrine en pseudo-efedrine zijn vermeld.

Verordening nr. 111/2005

8

Artikel 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren (PB 2005, L 22, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1259/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB 2013, L 330, blz. 30) (hierna: „verordening nr. 111/2005”) bepaalt:

„Deze verordening stelt voorschriften vast voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in bepaalde stoffen die veelvuldig worden gebruikt bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen [...] teneinde misbruik van deze stoffen te voorkomen; zij is van toepassing op de invoer, de uitvoer en op intermediaire activiteiten.”

9

Artikel 2, onder a), van deze verordening definieert het begrip „geregistreerde stof” als „elke in de bijlage genoemde stof die voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen kan worden gebruikt, met inbegrip van mengsels en natuurproducten die dergelijke stoffen bevatten maar met uitzondering van mengsels en natuurproducten die geregistreerde stoffen bevatten en die zodanig zijn vermengd dat de geregistreerde stoffen niet gemakkelijk met eenvoudige of economisch rendabele middelen kunnen worden gebruikt of geëxtraheerd, geneesmiddelen in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn [2001/83] en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als omschreven in artikel 1, punt 2, van richtlijn [2001/82], met uitzondering van in de bijlage genoemde geneesmiddelen en diergeneesmiddelen”.

10

Bijlage I bij verordening nr. 111/2005, ook in de oorspronkelijke versie daarvan, bevat de limitatieve lijst van „geregistreerde stoffen” in de zin van artikel 2, onder a), van die verordening, waarop, in categorie 1, efedrine en pseudo-efedrine zijn vermeld.

11

De overwegingen 2, 3 en 7 van verordening nr. 1259/2013 luiden als volgt:

„(2)

De handel in geneesmiddelen wordt in het kader van het bestaande EU-controlesysteem voor drugsprecursoren niet gecontroleerd aangezien geneesmiddelen tot nu toe niet onder de definitie van geregistreerde stoffen vielen.

(3)

In haar verslag wees de Commissie erop dat geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten, waren misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen buiten de Unie, ter vervanging van efedrine en pseudo-efedrine, die aan internationale controle zijn onderworpen. Zij beval daarom aan de controle te verscherpen op de internationale handel in geneesmiddelen die efedrine of pseudo-efedrine bevatten en die worden uitgevoerd uit of doorgevoerd door het douanegebied van de Unie, om te voorkomen dat zij worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen.

[...]

(7)

Geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik [...] die efedrine of pseudo-efedrine bevatten, dienen aan controle te worden onderworpen zonder dat de legale handel ervan wordt belemmerd. Daartoe dient een nieuwe categorie (categorie 4) toegevoegd te worden in de bijlage van verordening (EG) nr. 111/2005 waarin geneesmiddelen zijn opgenomen die bepaalde geregistreerde stoffen bevatten.”

12

Sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 1259/2013 bevat de bijlage bij verordening nr. 111/2005 een nieuwe categorie geregistreerde stoffen, namelijk categorie 4, welke ziet op „geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die efedrine of zouten daarvan bevatten” en „geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die pseudo-efedrine of zouten daarvan bevatten”.

Tsjechisch recht

13

§ 283, lid 1, van het Tsjechisch wetboek van strafrecht bepaalt:

„Eenieder die, zonder toestemming, verdovende middelen of psychotrope stoffen, preparaten die verdovende middelen of psychotrope stoffen bevatten, precursoren of giftige stoffen, vervaardigt, invoert, uitvoert, vervoert, aanbiedt, de aanbieding ervan vergemakkelijkt, verkoopt of deze aan een ander aanbiedt of namens een ander bezit, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van een tot vijf jaar of een geldboete.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14

Bij beslissing van 20 augustus 2015 heeft de Obvodní soud pro Prahu 7 (rechter voor de stad Praag, stadsdeel 7, Tsjechië) Sokáč schuldig bevonden, ten eerste, aan een delict omdat hij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van een besluit van de nationale autoriteiten en tegen de tenuitvoerlegging van een uitzetting, alsmede, ten tweede, aan misdrijven, omdat hij illegaal verdovende middelen, psychotrope stoffen en giftige stoffen had vervaardigd en transacties in verband daarmee had verricht, in de zin van het Tsjechisch wetboek van strafrecht. Hij is derhalve veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en uitwijzing uit het grondgebied van de Tsjechische Republiek voor een periode van vier jaar. Als maatregel zijn ook 120 tabletten van het geneesmiddel Nurofen Stopgrip, die in zijn bezit waren, in beslag genomen.

15

Na de taalkundige analyse van de definitie van „geregistreerde stof” in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004, heeft de Obvodní soud pro Prahu 7 overwogen dat „geneesmiddelen” in de zin van richtlijn 2001/83, voor zover zij een „geregistreerde stof” in de zin van deze bepaling bevatten drugsprecursoren zijn. Deze rechter heeft zich daartoe gebaseerd op verordening nr. 111/2005, die geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten, uitdrukkelijk binnen de werkingssfeer ervan brengt. Hij leidt eruit af dat het begrip „geregistreerde stof” in de zin van verordening nr. 273/2004 eveneens aldus moet worden uitgelegd dat het met name ziet op geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten, hoewel de bijlage bij deze verordening, waarin de lijst met geregistreerde stoffen is opgenomen, niet uitdrukkelijk en als zodanig deze geneesmiddelen noemt.

16

Bij beslissing van 15 oktober 2015 heeft de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië) de beslissing van de Obvodní soud pro Prahu 7 herzien, ten eerste, voor zover deze laatste beslissing betrekking heeft op het schuldig bevinden van Sokáč aan illegale vervaardiging van en transacties met verdovende middelen, psychotrope stoffen en giftige stoffen, en, ten tweede, wat betreft het deel van het dictum dat betrekking heeft op de straf en de maatregel. Hij heeft echter jegens Sokáč dezelfde straffen uitgesproken als de Obvodní soud pro Prahu 7, op basis van dezelfde bepalingen van het wetboek van strafrecht als die welke door laatstgenoemde rechter waren toegepast.

17

Sokáč heeft tegen de beslissing van de Městský soud v Praze beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter, de Nejvyšší soud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Tsjechië), waarbij hij in het bijzonder betoogt dat het product waarop de maatregel betrekking heeft, het geneesmiddel Nurofen Stopgrip dat pseudo-efedrine bevat, geen drugsprecursor in de zin van verordening nr. 273/2004 is, en van de werkingssfeer van deze verordening is uitgesloten. De Městský soud v Praze heeft zich dus ten onrechte op deze verordening gebaseerd om Sokáč schuldig te verklaren aan het houden van een drugsprecursor.

18

In dit verband merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de werkingssfeer van verordening nr. 111/2005 verschilt van die van verordening nr. 273/2004 en ten tweede dat verordening nr. 111/2005 weliswaar in een uitzondering voorziet voor geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten, maar dat deze uitzondering ontbreekt in verordening nr. 273/2004.

19

Bovendien stelt de verwijzende rechter vast dat uit de verschillende versies van artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004 in de Slowaakse, Duitse, Engelse en Poolse taal niet volgt dat geneesmiddelen die een dergelijke stof bevatten, als „drugsprecursoren” in de zin van deze verordening kunnen worden gekwalificeerd.

20

In deze omstandigheden heeft de Nejvyšší soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Kunnen geneesmiddelen zoals omschreven in richtlijn [2001/83], die ‚geregistreerde stoffen’ bevatten zoals opgenomen in [verordening nr. 273/2004], op grond van artikel 2, onder a), van die verordening worden geacht uitgesloten te zijn van de werkingssfeer ervan, overeenkomstig de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het [arrest van 5 februari 2015, M. e.a. (C‑627/13 en C‑2/14, EU:C:2015:59)], zelfs nadat die bepaling bij verordening nr. 1258/2013 is gewijzigd en gelet op het feit dat artikel 2, onder a), van [verordening nr. 111/2005], geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten binnen de werkingssfeer van verordening nr. 111/2005 brengt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of „geneesmiddelen” in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83, die „geregistreerde stoffen” in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004, zoals efedrine en pseudo-efedrine, bevatten, van de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening zijn uitgesloten na de inwerkingtreding van de verordeningen nr. 1258/2013 en nr. 1259/2013.

22

Volgens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer een gestelde prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

23

Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.

24

Het Hof is reeds nader ingegaan op de reikwijdte van het begrip „geregistreerde stof” in de zin van de verordeningen nr. 273/2004 en nr. 111/2005, in hun respectieve oorspronkelijke versies. Het Hof heeft overwogen dat deze verordeningen een identieke definitie van dit begrip bevatten en heeft geoordeeld dat „geneesmiddelen” in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83, die een stof genoemd in bijlage I bij verordening nr. 273/2004 bevatten, waren uitgesloten van het begrip „geregistreerde stof” in de zin van artikel 2, onder a), van respectievelijk de verordeningen nr. 273/2004 en nr. 11/2005 (zie in die zin arrest van 5 februari 2015, M. e.a., C‑627/13 en C‑2/14, EU:C:2015:59, punten 63 en 67).

25

De definitie van het begrip „geregistreerde stoffen” in artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004, en in artikel 2, onder a), van verordening nr. 111/2005, vloeit voort uit wijzigingen van deze bepalingen bij respectievelijk verordening nr. 1258/2013 en verordening nr. 1259/2013.

26

Deze wijzigingen zijn in wezen de volgende. Ten eerste is verduidelijkt dat „geregistreerde stoffen” stoffen zijn die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen. Ten tweede zijn sindsdien ook „geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik” in de zin van richtlijn 2001/82 van de definitie uitgesloten. Ten derde zijn in het bijzonder de stoffen „farmaceutische preparaten” en „andere preparaten” geschrapt van de stoffen die van de werkingssfeer van deze definitie zijn uitgesloten, voor zover zij al binnen het begrip „geneesmiddelen” vielen of dat er sprake was van een doublure van de reeds in de definitie gebruikte term „mengels”. Ten vierde heeft de Uniewetgever de volgorde veranderd van de verschillende producten die van het begrip „geregistreerde stoffen” zijn uitgesloten.

27

Wat echter meer in het bijzonder verordening nr. 111/2005 betreft, sluit artikel 2, onder a), ervan, na de wijziging van die verordening bij verordening nr. 1259/2013, net als verordening nr. 273/2004, „geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als omschreven in artikel 1, punt 2, van richtlijn [2001/82]” weliswaar uit, maar dit geldt „met uitzondering van in de bijlage genoemde geneesmiddelen en diergeneesmiddelen”. De in de bijlage bij verordening nr. 111/2005 opgenomen lijst van geregistreerde stoffen is tevens aangevuld met een nieuwe categorie 4, waarop „geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die efedrine of zouten daarvan bevatten” en „geneesmiddelen en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die pseudo-efedrine of zouten daarvan bevatten”, zijn opgenomen.

28

Uit de voorgaande overwegingen volgt dat wat betreft de definitie van het begrip „geregistreerde stof” in artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004, waarvan de oorspronkelijke versie reeds uitdrukkelijk „geneesmiddelen zoals gedefinieerd in richtlijn [2001/83]” uitsloot, de wijziging bij verordening nr. 1258/2013 van deze bepaling dit begrip louter beoogde te verduidelijken, zoals blijkt uit overweging 4 van laatstgenoemde verordening, en dat deze wijziging geenszins meebracht dat op enigerlei wijze afbreuk werd gedaan aan deze uitsluiting van „geneesmiddelen” van de werkingssfeer van deze definitie.

29

Uit de bewoordingen van artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004 volgt dan ook zonder twijfel dat „geneesmiddelen” in de zin van richtlijn 2001/83, zoals het Hof reeds ten aanzien van de oorspronkelijke versie van verordening nr. 273/2004 heeft geoordeeld in het arrest van 5 februari 2015, M. e.a. (C‑627/13 en C‑2/14, EU:C:2015:59), als zodanig zijn uitgesloten van het begrip „geregistreerde stof” als gedefinieerd in dat artikel 2, onder a).

30

Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het feit dat in verordening nr. 1259/2013 geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten, onder het begrip „geregistreerde stof” als bepaald in artikel 2, onder a), van verordening nr. 111/2005 zijn gebracht.

31

In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat, zoals de Nejvyšší soud terecht heeft opgemerkt, de respectieve werkingssfeer van de verordeningen nr. 273/2004 en nr. 111/2005 verschillend is.

32

Weliswaar hebben beide verordeningen tot doel te voorkomen dat stoffen die vaak worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, worden misbruikt, maar uit artikel 1 van verordening nr. 273/2004 blijkt dat deze verordening geharmoniseerde maatregelen vaststelt voor het toezicht op deze stoffen tussen de lidstaten, terwijl artikel 1 van verordening nr. 111/2005 bepaalt dat voorschriften worden vastgesteld voor het toezicht op de handel van deze stoffen tussen de Unie en derde landen.

33

Uit de overwegingen 2, 3, en 7 van verordening nr. 1259/2013 volgt dat tot aan de inwerkingtreding ervan, geneesmiddelen niet onder de definitie van „geregistreerde stof” in de zin van verordening nr. 111/2005 vielen, zodat zij niet waren onderworpen aan de door laatstgenoemde verordening ingestelde controle van de internationale handel. De Uniewetgever had de bedoeling om, middels de wijzigingen van verordening nr. 111/2005 bij verordening nr. 1259/2013, de controle aan te scherpen van geneesmiddelen die efedrine of pseudo-efedrine bevatten en die vanaf het douanegebied van de Unie worden uitgevoerd of via dat gebied worden doorgevoerd, zonder dat de legale handel ervan wordt belemmerd, om te voorkomen dat zij worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, aangezien geneesmiddelen die deze twee stoffen bevatten worden misbruikt voor de illegale vervaardiging van drugs buiten de Unie (zie in die zin arrest van 5 februari 2015, M. e.a., C‑627/13 en C‑2/14, EU:C:2015:59, punten 64 en 65).

34

De wijziging van verordening nr. 111/2005 bij verordening nr. 1259/2013 heeft derhalve geen invloed op de uitlegging van artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004, op grond waarvan alle „geneesmiddelen” in de zin van richtlijn 2001/83, waaronder geneesmiddelen die efedrine en pseudo-efedrine bevatten, van het begrip „geregistreerde stof” in de zin van artikel 2, onder a), zijn uitgesloten.

35

Uit een en ander volgt dat op de prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat „geneesmiddelen” in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83, die bestaan uit „geregistreerde stoffen” in de zin van artikel 2, onder a), van verordening nr. 273/2004, zoals efedrine en pseudo-efedrine, buiten de werkingssfeer van laatstgenoemde verordening blijven vallen na de inwerkingtreding van verordeningen nr. 1258/2013 en nr. 1259/2013.

Kosten

36

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

 

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

 

„Geneesmiddelen” in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, die bestaan uit „geregistreerde stoffen” in de zin van artikel 2, onder a), van verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1258/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, zoals efedrine en pseudo-efedrine, blijven buiten de werkingssfeer van verordening nr. 273/2004 vallen na de inwerkingtreding van verordening nr. 1258/2013 en van verordening (EU) nr. 1259/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.

Top