Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CN0465

Zaak C-465/16 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2016 door Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 juni 2016 in zaak T-276/13, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad van de Europese Unie

OJ C 402, 31.10.2016, p. 21–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

31.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 402/21


Hogere voorziening ingesteld op 20 augustus 2016 door Raad van de Europese Unie tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 9 juni 2016 in zaak T-276/13, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-465/16 P)

(2016/C 402/23)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Boelaert, gemachtigde, N. Tuominen, advocaat)

Andere partijen in de procedure: Growth Energy, Renewable Fuels Association, Europese Commissie, ePURE, de Europese Producenten Unie van Hernieuwbare Ethanol

Conclusies

het arrest van het Gerecht van 9 juni 2016 in zaak T-276/13, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad van de Europese Unie, ter kennis gebracht van de Raad op 10 juni 2016, vernietigen;

het door Growth Energy en Renewable Fuels Association in eerste aanleg ingestelde beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening (1) verwerpen;

Growth Energy en Renewable Fuels Association verwijzen in de kosten van de Raad in beide instanties.

Subsidiair,

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak;

in het geval van terugverwijzing naar het Gerecht, de beslissing omtrent de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt de Raad om vernietiging van het bestreden arrest op de volgende gronden:

Het oordeel van het Gerecht inzake de ontvankelijkheid van het beroep en met name de conclusies van het Gerecht inzake verzoeksters’ rechtstreekse en individuele geraaktheid, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

a)

Ten eerste stelt het Gerecht zich op het standpunt dat, om vast te stellen of er sprake is van rechtstreekse geraaktheid, het voldoende is dat de vier VS- steekproefproducenten producenten van biodiesel zijn. Deze conclusie met betrekking tot de rechtstreekse geraaktheid is evenwel niet verenigbaar met vaste rechtspraak, die rechtstreekse geraaktheid op basis van louter economische gevolgen afwijst.

b)

Ten tweede is het onduidelijk hoe het enkele feit dat de VS-producenten hun bio-ethanol hebben verkocht aan binnenlandse handelaren/mengers en deze bio-ethanol vervolgens werd doorverkocht op de binnenlandse markt of door deze handelaren, vóór de heffing van rechten, in aanzienlijke hoeveelheden werd uitgevoerd naar de Unie, hun marktpositie wezenlijk zou beïnvloeden. Om aan te tonen dat hun marktpositie door de instelling van de rechten wezenlijk is beïnvloed, hadden verzoeksters op zijn minst het effect van de rechten op de omvang van de invoer in de Unie na de oplegging van de antidumpingrechten moeten vaststellen. Verzoeksters hebben in dit opzicht evenwel geen enkele informatie verstrekt en ook het bestreden arrest bevat geen enkele conclusie op dit punt. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de individuele geraaktheid-test en vormt tevens een motiveringsgebrek.

Wat de zaak ten principale betreft, heeft het Gerecht met betrekking tot de uitlegging van de basisverordening (2) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft het met betrekking tot het WTO-recht op twee punten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

a)

Ten eerste heeft het Gerecht de basisverordening onjuist uitgelegd, door te oordelen dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening zowel artikel 9.2 als artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst implementeert. Enerzijds gaat, zoals ook blijkt uit het de tekst van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, laatstgenoemde bepaling niet in op de kwestie van de steekproeftrekking. Anderzijds is artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst geïmplementeerd door artikel 17 en artikel 9, lid 6, van de basisverordening, en niet door artikel 9, lid 5, van deze verordening.

b)

Ten tweede heeft het Gerecht de term „leverancier” in artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist uitgelegd. Uit de logica en algemene opzet van artikel 9, lid 5, blijkt dat enkel een „bron [van waaruit] de invoer met dumping plaatsvindt en schade veroorzaakt” een leverancier kan zijn. Aangezien de VS-producenten echter geen exportprijs hadden, kon hen geen dumping worden verweten. Bijgevolg heeft het Gerecht, door hen aan te merken als „leveranciers”, in de zin van artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

c)

Ten derde heeft het Gerecht de term „niet praktisch mogelijk” in artikel 9, lid 5, van de basisverordening en artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst onjuist uitgelegd, door zich te baseren op een onjuiste uitlegging van artikel 9, lid 5, van de basisverordening in het licht van artikel 6.10 van de antidumpingovereenkomst, alsmede op het rapport van de Beroepsinstantie in de zaak EG — Bevestigingsmiddelen (3). Laatstgenoemd rapport gaat alleen in op artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst, zodat het onderzoek van deze instantie van de term „niet praktisch mogelijk” enkel betrekking heeft op de situatie en de behandeling waarin artikel 9.2 van de antidumpingovereenkomst voorziet voor exporteurs in landen zonder markteconomie. De Beroepsinstantie heeft derhalve geen uitlegging gegeven van de term „niet praktisch mogelijk” welke kan worden overgebracht op de onderhavige procedure, die geen betrekking heeft op exporteurs in landen zonder markteconomie.

Tot slot heeft het Gerecht feitelijk onjuiste conclusies getrokken toen het vaststelde dat de berekening van individuele rechten „praktisch mogelijk” was. Een situatie waarin de producenten van bio-ethanol geen uitvoerprijs, maar alleen een binnenlandse prijs hebben, maakt vaststelling van een individuele dumpingmarge onuitvoerbaar en onmogelijk en geeft de Commissie het recht om een voor het gehele land geldende dumpingmarge vast te stellen.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 157/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB 2013, L 49, blz. 10).

(2)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51).

(3)  Europese Gemeenschappen — Definitieve antidumpingmaatregelen inzake ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen uit China — AB-2011-2 — Rapport van de Beroepsinstantie, WT/DS397/AB/R („EG — Bevestigingsmiddelen, WT/DS397/AB/R”).


Top