EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0647

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 31 mei 2018.
Adil Hassan tegen Préfet du Pas-de-Calais.
Verzoek van de Tribunal administratif de Lille om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat in een lidstaat is ingediend door een onderdaan van een derde land – Over- en terugnameprocedures – Artikel 26, lid 1 – Vaststelling en kennisgeving van het overdrachtsbesluit voordat de aangezochte lidstaat het verzoek tot terugname heeft aanvaard.
Zaak C-647/16.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2018:368

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

31 mei 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat in een lidstaat is ingediend door een onderdaan van een derde land – Over- en terugnameprocedures – Artikel 26, lid 1 – Vaststelling en kennisgeving van het overdrachtsbesluit voordat de aangezochte lidstaat het verzoek tot terugname heeft aanvaard”

In zaak C‑647/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal administratif de Lille (bestuursrechter in eerste aanleg Lille, Frankrijk) bij beslissing van 1 december 2016, ingekomen bij het Hof op 15 december 2016, in de procedure

Adil Hassan

tegen

Préfet du Pas-de-Calais,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, E. de Moustier en E. Armoet als gemachtigden,

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande als gemachtigde,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 december 2017,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 26, lid 1, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31; hierna: „Dublin III-verordening”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Adil Hassan, Iraaks staatsburger, en de préfet du Pas-de-Calais (prefect van Pas-de-Calais, Frankrijk) over de rechtmatigheid van het besluit tot overdracht van Hassan aan Duitsland.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening (EU) nr. 603/2013

3

Overweging 4 van verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB 2013, L 180, blz. 1) luidt als volgt:

„Voor de toepassing van [de Dublin III-verordening] is het noodzakelijk de identiteit vast te stellen van personen die om internationale bescherming verzoeken en van personen die in verband met de onrechtmatige overschrijding van de buitengrens van de Unie zijn aangehouden. Tevens is het met het oog op een doeltreffende toepassing van [de Dublin III-verordening], en met name van artikel 18, lid 1, onder b) en d), wenselijk elke lidstaat de mogelijkheid te bieden na te gaan of een onderdaan van een derde land of een staatloze die illegaal op zijn grondgebied verblijft, in een andere lidstaat om internationale bescherming heeft verzocht.”

4

Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 603/2013 bepaalt het volgende:

„Hierbij wordt een systeem, ‚Eurodac’ geheten, ingesteld dat tot doel heeft te helpen vaststellen welke lidstaat krachtens [de Dublin III-verordening] verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een lidstaat is ingediend en tevens de toepassing van [de Dublin III-verordening] te vergemakkelijken, zulks onder de in deze verordening vervatte voorwaarden.”

5

Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 603/2013 luidt:

„Elke lidstaat neemt onverwijld de vingerafdrukken van alle vingers van elke persoon van 14 jaar of ouder die om internationale bescherming verzoekt en zendt deze [...] zo spoedig mogelijk en uiterlijk 72 uur na de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 20, lid 2, van [de Dublin III-verordening] toe aan het centraal systeem.”

Dublin III-verordening

6

De overwegingen 4, 5, 9 en 19 van de Dublin III-verordening luiden:

„(4)

In de conclusies [van de Europese Raad, vastgesteld bij zijn bijzondere bijeenkomst van 15 en 16 oktober 1999 in] Tampere werd ook aangegeven dat het [gemeenschappelijk Europees asielstelsel] op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

(5)

Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen.

[...]

(9)

Gezien de resultaten van de verrichte evaluaties van de uitvoering van de instrumenten uit de eerste fase is het nu tijd om de uitgangspunten van verordening [(EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 50, blz. 1)] te bevestigen en tegelijkertijd de verbeteringen aan te brengen waarvan de ervaring heeft geleerd dat ze nodig zijn om het Dublinsysteem effectiever te maken en verzoekers uit hoofde van dat systeem beter te beschermen. [...]

[...]

(19)

Teneinde de rechten van de betrokkenen daadwerkelijk te beschermen, dienen, overeenkomstig met name de rechten die zijn erkend in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, juridische waarborgen te worden ingebouwd en dient een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen besluiten tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat te worden gewaarborgd. Teneinde de naleving van het internationale recht te waarborgen, dient een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten zowel betrekking te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen.”

7

Artikel 3 van de Dublin III-verordening, met als opschrift „Toegang tot de procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten behandelen elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is.”

8

Artikel 5 van die verordening bepaalt het volgende:

„1.   Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker. [...]

2.   Het persoonlijk onderhoud kan achterwege blijven indien de verzoeker:

[...]

b)

na de in artikel 4 bedoelde informatie te hebben ontvangen, reeds op andere wijze de informatie heeft verstrekt die relevant is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Lidstaten die het onderhoud achterwege laten, bieden de verzoeker de gelegenheid om alle verdere informatie te verstrekken die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, voordat er een besluit tot overdracht van de verzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 26, lid 1, wordt genomen.

3.   Het persoonlijk onderhoud vindt tijdig plaats en in elk geval voordat er een besluit tot overdracht van de verzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 26, lid 1, wordt genomen.

[...]”

9

Artikel 18 van deze verordening, met als opschrift „Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat”, bepaalt in lid 1:

„De verantwoordelijke lidstaat is verplicht:

a)

een verzoeker die zijn verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend, volgens de in de artikelen 21, 22 en 29 bepaalde voorwaarden over te nemen;

b)

een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen;

c)

een onderdaan van een derde land of een staatloze die zijn verzoek tijdens de behandeling heeft ingetrokken en die in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen;

d)

een onderdaan van een derde land of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.”

10

Artikel 19 van de Dublin III-verordening luidt als volgt:

„1.   Indien een lidstaat de verzoeker een verblijfstitel verstrekt, gaan de in artikel 18, lid 1, genoemde verplichtingen over op deze lidstaat.

2.   De in artikel 18, lid 1, gespecificeerde verplichtingen komen te vervallen indien de verantwoordelijke lidstaat, bij een verzoek tot over- of terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), kan aantonen dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten, tenzij hij houder is van een geldige verblijfstitel die door de verantwoordelijke lidstaat is afgegeven.

[...]

3.   De in artikel 18, lid 1, onder c) en d), genoemde verplichtingen komen te vervallen wanneer de verantwoordelijke lidstaat, bij een verzoek om terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), kan aantonen dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten op grond van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel dat is afgegeven na de intrekking of de afwijzing van het verzoek.

[...]”

11

Artikel 21, lid 1, eerste alinea, van deze verordening luidt:

„De lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, kan die andere lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 20, lid 2, om overname verzoeken.”

12

Artikel 22 van deze verordening bepaalt het volgende:

„1.   De lidstaat die om overname wordt verzocht, verricht de nodige naspeuringen en reageert op het verzoek tot overname van een verzoeker binnen twee maanden nadat hij het heeft ontvangen.

[...]

7.   Het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn van twee maanden en van de in lid 6 bedoelde termijn van een maand, staat gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.”

13

Artikel 24 van deze verordening luidt:

„1.   Wanneer een lidstaat op het grondgebied waarvan een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), zich zonder verblijfstitel ophoudt en waar er geen nieuw verzoek om internationale bescherming is ingediend, van oordeel is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig artikel 20, lid 5, en artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), kan hij die andere lidstaat verzoeken de betrokken persoon terug te nemen.

2.   Wanneer, in afwijking van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven [(PB 2008, L 348, blz. 98)], een lidstaat op het grondgebied waarvan een persoon zich zonder verblijfstitel ophoudt, besluit het Eurodac-systeem te raadplegen [...], wordt het verzoek tot terugname van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b) of c) van deze verordening, of van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), wiens verzoek om internationale bescherming niet bij definitieve beslissing is afgewezen, zo snel mogelijk ingediend, en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer [...]

[...]

5.   Het verzoek tot terugname van de persoon bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), wordt ingediend met behulp van een standaardformulier en gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen, als omschreven in de in artikel 22, lid 3, vermelde lijsten, en/of relevante elementen uit de verklaringen van de betrokkene, aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is.

[...]”

14

Artikel 25 van de Dublin III-verordening bepaalt het volgende:

„1.   De aangezochte lidstaat verifieert de gegevens en neemt een besluit over het terugnameverzoek, en wel zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk één maand na ontvangst van het verzoek. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt die termijn teruggebracht tot twee weken.

2.   Het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn van één maand of twee weken, staat gelijk met aanvaarding van het verzoek en houdt de verplichting in om de betrokken persoon terug te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.”

15

Artikel 26 van deze verordening, met als opschrift „Kennisgeving van een overdrachtsbesluit”, bepaalt:

„1.   Wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), stelt de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen. [...]

2.   Het in lid 1 bedoelde besluit bevat informatie over de beschikbare rechtsmiddelen, waaronder het recht om te verzoeken om opschortende werking, indien van toepassing, alsmede de termijnen om van de beschikbare rechtsmiddelen gebruik te maken; in het besluit wordt vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien de betrokkene zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden.

[...]”

16

Artikel 27 van die verordening, met als opschrift „Rechtsmiddelen”, luidt:

„1.   De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht.

2.   De lidstaten stellen een redelijke termijn vast waarbinnen de betrokkene zijn recht op het instellen van een daadwerkelijk rechtsmiddel overeenkomstig lid 1, kan uitoefenen.

3.   Voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen de lidstaten in hun nationale recht dat:

a)

het beroep of het bezwaar de betrokkene het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven, of

b)

de overdracht automatisch wordt opgeschort en dat dergelijke opschorting verstrijkt na een bepaalde redelijke termijn, binnen welke een rechterlijke instantie na nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het verzoek een beslissing heeft genomen of een beroep of bezwaar al dan niet opschortende werking heeft, of

c)

de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. De lidstaten zorgen ervoor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven. [...]

4.   De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten ambtshalve kunnen besluiten de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar.

[...]”

17

Artikel 28 van deze verordening, met als opschrift „Bewaring”, bepaalt het volgende:

„1.   De lidstaten houden niemand in bewaring om de enkele reden dat hij aan de bij deze verordening ingestelde procedure onderworpen is.

2.   Wanneer er een significant risico op onderduiken van een persoon bestaat, mogen de lidstaten de betrokken persoon in bewaring houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling en, enkel voor zover bewaring evenredig is, en wanneer andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

3.   De bewaring duurt zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd.

Wanneer een persoon op grond van dit artikel in bewaring wordt gehouden, duurt de termijn voor het indienen van een overname- of terugnameverzoek niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek. De lidstaat die de procedure uit hoofde van deze verordening uitvoert, vraagt in dergelijke gevallen om een spoedig antwoord. Dit antwoord wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van het overname- of terugnameverzoek. Het zonder antwoord laten verstrijken van de termijn van twee weken staat gelijk met aanvaarding van het verzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen of terug te nemen en te voorzien in een passende aankomstregeling.

[...]”

18

In artikel 29, leden 1 en 2, van de Dublin III-verordening is het volgende bepaald:

„1.   De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.

[...]

2.   Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.”

Verordening (EG) nr. 1560/2003

19

Artikel 4 van verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 222, blz. 3, hierna: „uitvoeringsverordening”), met als opschrift „Behandeling van een terugnameverzoek”, bepaalt het volgende:

„Wanneer een terugnameverzoek is gebaseerd op gegevens die door de centrale eenheid van Eurodac zijn verstrekt [...], erkent de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid, tenzij uit zijn onderzoek blijkt dat zijn verantwoordelijkheid krachtens de bepalingen van artikel [20, lid 5, tweede alinea, of artikel 19, lid 1, 2 of 3, van de Dublin III-verordening] heeft opgehouden te bestaan. Het feit dat de verantwoordelijkheid krachtens deze bepalingen heeft opgehouden te bestaan, mag alleen worden ingeroepen op grond van feitelijke bewijzen of uitvoerige en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker.”

20

Artikel 6 van de uitvoeringsverordening, met als opschrift „Positief antwoord”, luidt:

„Wanneer de aangezochte lidstaat erkent verantwoordelijk te zijn, wordt dit feit, onder opgave van de bepaling van [de Dublin III-verordening] op grond waarvan, vermeld in het antwoord, dat nuttige aanwijzingen omvat voor de latere organisatie van de overdracht, zoals met name de gegevens van de dienst of de persoon waarmee contact kan worden opgenomen.”

Frans recht

21

Artikel L. 512‑1, punt III, eerste alinea, van de code de l’entrée et du séjour des étrangers et du droit d’asile (Frans wetboek betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen en betreffende het asielrecht; hierna: „Ceseda”) bepaalt het volgende:

„In geval van bewaring op grond van artikel L. 551‑1, kan een vreemdeling de president van de Tribunal administratif binnen 48 uur na de kennisgeving verzoeken om nietigverklaring van de verplichting om het Franse grondgebied te verlaten, van de beslissing tot weigering van een termijn voor vrijwillig vertrek, van de beslissing waarbij het land van bestemming wordt vermeld en van de beslissing waarbij hem wordt verboden naar het Franse grondgebied terug te keren of zich op het Franse grondgebied te begeven, indien bij de beslissing tot bewaring van deze beslissingen kennisgeving wordt gedaan. [...]”

22

Artikel L. 551‑1, eerste alinea, van deze wet luidt als volgt:

„In de gevallen bedoeld in artikel L. 561‑2, punten 1 tot en met 7, kan de vreemdeling die geen effectieve waarborgen biedt dat hij zich opnieuw zal melden, ter voorkoming van het in artikel L. 511‑1, II, punt 3, genoemde risico, voor de duur van achtenveertig uur door de bestuurlijke instantie in bewaring worden gehouden [...].”

23

Artikel L. 561‑2, punt I, van die wet bepaalt:

„De bestuurlijke instantie kan de vreemdeling die het Franse grondgebied niet onmiddellijk kan verlaten, maar wiens verwijdering redelijkerwijs valt te verwachten, onder huisarrest plaatsen wanneer deze vreemdeling:

1.

moet worden overgeleverd aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de Europese Unie [...] of jegens hem een overdrachtsbesluit op grond van artikel L. 742‑3 is vastgesteld;

[...]

7.

nadat hij onder huisarrest is geplaatst op grond van de punten 1 tot en met 6 van dit artikel of in bestuurlijke bewaring is geplaatst [...], de verwijderingsmaatregel niet heeft opgevolgd, of – als hij dit wel heeft gedaan – daarna naar Frankrijk is teruggekeerd, terwijl die maatregel nog steeds uitvoerbaar is.

[...]”

24

In hoofdstuk II van boek VII van de Ceseda, met als opschrift „Procedure tot vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek”, bepaalt artikel L. 742‑1, eerste alinea, met als opschrift „Recht op asiel”, het volgende:

„Wanneer de behandeling van een asielverzoek volgens de bestuurlijke autoriteit behoort tot de bevoegdheid van een andere staat die zij wil aanzoeken, heeft de vreemdeling het recht om op het Franse grondgebied te blijven tot aan het einde van de procedure tot vaststelling van de voor de behandeling van zijn verzoek verantwoordelijke staat en, in voorkomend geval, tot hij daadwerkelijk aan deze staat wordt overgedragen. [...]”

25

Artikel L. 742‑3 van die wet luidt als volgt:

„Onverminderd de tweede alinea van artikel L. 742‑1, kan de vreemdeling wiens asielverzoek door een andere staat moet worden behandeld, aan de voor deze behandeling verantwoordelijke staat worden overgedragen.

Elk overdrachtsbesluit wordt in een schriftelijk besluit door de bestuurlijke autoriteit gemotiveerd.

Dit besluit wordt aan de betrokkene betekend. Het vermeldt de rechtsmiddelen en de beroepstermijnen en het recht om zijn consulaat, een raadsman of een persoon naar keuze te verwittigen of te doen verwittigen. [...]”

26

Artikel L. 742‑4, punt I, van de Ceseda, bepaalt het volgende:

„De vreemdeling jegens wie een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel L. 742‑3 is vastgesteld kan binnen vijftien dagen na de kennisgeving van dit besluit de president van de Tribunal administratif verzoeken om nietigverklaring ervan.

De president of de daartoe door hem aangewezen magistraat [...] beslist binnen vijftien dagen nadat hij is aangezocht.

[...]”

27

Artikel L. 742‑5 van deze wet luidt:

„De artikelen L. 551‑1 en L. 561‑2 zijn van toepassing op de vreemdeling jegens wie een overdrachtsbesluit is vastgesteld, zodra van dat besluit kennisgeving is gedaan.

Het overdrachtsbesluit kan noch vóór het verstrijken van een termijn van vijftien dagen of, indien met het overdrachtsbesluit van een op grond van artikel L. 551‑1 genomen besluit tot bewaring of een op grond van artikel L. 561‑2 genomen besluit tot plaatsing onder huisarrest kennisgeving is gedaan, vóór het verstrijken van een termijn van achtenveertig uur, noch vóór de uitspraak van de Tribunal administratif indien deze is aangezocht, ambtshalve ten uitvoer worden gelegd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

28

Adil Hassan is op 26 november 2016 door de lucht- en grenspolitie van het departement Pas-de-Calais (Frankrijk) aangehouden in het beperkt toegankelijke gebied van de terminal van de haven van Calais (Frankrijk). Bij onderzoek door deze diensten in het Eurodac-systeem bleek dat de Duitse autoriteiten op 7 november en 14 december 2015 zijn vingerafdrukken hadden afgenomen en dat hij op dat moment in Duitsland om internationale bescherming had gevraagd, zonder evenwel in Frankrijk een dergelijk verzoek in te dienen.

29

Nog op dag van die aanhouding en die raadpleging van het Eurodac-systeem heeft de préfet du Pas-de-Calais bij de Duitse autoriteiten ten aanzien van Hassan een terugnameverzoek ingediend en heeft hij tegelijkertijd besloten hem aan Duitsland over te dragen en hem in administratieve bewaring te houden. Hassan is op dezelfde datum van dit besluit in kennis gesteld.

30

Hassan heeft de maatregel tot administratieve bewaring betwist bij de juge des libertés et de la détention du tribunal de grande instance de Lille (rechter van de vrijheden en detentie bij de rechtbank Lille, Frankrijk) op grondslag van artikel L. 512‑1, punt III, van de Ceseda. Bij beslissing van 29 november 2016 heeft deze rechter gelast deze maatregel in te trekken.

31

Hassan heeft daarnaast bij de Tribunal administratif de Lille (bestuursrechter in eerste aanleg Lille, Frankrijk) een beroep met opschortende werking ingesteld tegen het besluit van 26 november 2016, voor zover daarbij zijn overdracht aan Duitsland wordt gelast.

32

In het kader van dit beroep heeft Hassan met name aangevoerd dat dit besluit strijdig is met artikel 26 van de Dublin III-verordening, omdat het is vastgesteld en hem ter kennis is gebracht nog vóór de aangezochte lidstaat, in casu de Bondsrepubliek Duitsland, expliciet of impliciet heeft geantwoord op het terugnameverzoek van de Franse autoriteiten.

33

De préfet du Pas-de-Calais stelt op zijn beurt dat noch dit artikel 26, noch enige andere bepaling van nationaal recht eraan in de weg staat dat hij vanaf het moment van bewaring een overdrachtsbesluit vaststelt en dit ter kennis brengt van de betrokkene, die beschikt over de rechtsmiddelen waarin is voorzien in artikel 27 van de Dublin III-verordening. Overeenkomstig het nationale recht zou hij voor de bewaring van Hassan zelfs verplicht zijn geweest eerst een overdrachtsbesluit vast te stellen, zonder het antwoord van de aangezochte lidstaat af te wachten. In ieder geval zou de overdracht niet kunnen worden uitgevoerd zolang de aangezochte lidstaat het terugnameverzoek ten aanzien van betrokkene niet heeft aanvaard.

34

In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de préfet du Pas-de-Calais voor de administratieve bewaring van Hassan geen overdrachtsbesluit had hoeven vaststellen, aangezien een dergelijke bewaring is geregeld in artikel 28 van de Dublin III-verordening, dat rechtstreekse werking heeft. De verwijzende rechter erkent evenwel dat het nationale recht waarop de préfet zich beroept voor het vaststellen van dat overdrachtsbesluit niet verbood dat een dergelijk besluit tegelijkertijd met het besluit tot bewaring werd vastgesteld. Deze rechter wenst aldus te vernemen of een dergelijke bestuurlijke praktijk verenigbaar is met artikel 26 van de Dublin III-verordening.

35

De verwijzende rechter benadrukt dat de nationale rechterlijke instanties over dit onderwerp verdeeld zijn en legt daarbij uit dat sommige bestuursrechters van oordeel zijn dat een overdrachtsbesluit kan worden vastgesteld en aan de betrokken persoon kan worden medegedeeld voordat de aangezochte lidstaat heeft geantwoord, terwijl andere rechters oordelen dat de verzoekende lidstaat de uitkomst van de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat dient af te wachten, zoals is voorzien in de artikelen 20 tot en met 25 van de Dublin III-verordening, alvorens een dergelijk besluit vast te stellen en hiervan kennisgeving te doen.

36

Volgens de verwijzende rechter zelf pleiten zowel de letterlijke lezing van de verschillende taalversies van artikel 26 van de Dublin III-verordening als de teleologische uitlegging van die bepaling en van die bepalingen tegen de achtergrond waarvan zij moet worden gelezen voor die tweede uitlegging, hetgeen het onderzoek van de voorbereidende werkzaamheden van de Dublin III-verordening overigens bevestigt.

37

Hij stelt niettemin dat de vaststelling en de kennisgeving van een overdrachtsbesluit vóór het antwoord van de aangezochte lidstaat de betrokken persoon niet beletten dit besluit met succes te betwisten bij de bevoegde rechter in het kader van een beroep met opschortende werking, overeenkomstig artikel 27 van de Dublin III-verordening. Mocht blijken dat de aangezochte lidstaat niet verantwoordelijk is tegen de achtergrond van de bij de verordening vastgestelde criteria, dan zou het overdrachtsbesluit nietig kunnen worden verklaard.

38

In die omstandigheden heeft de Tribunal administratif de Lille de behandeling van het verzoekschrift van Hassan geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staat het bepaalde in artikel 26 van [de Dublin III-verordening] eraan in de weg dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die een andere lidstaat die hij beschouwt als de verantwoordelijke staat overeenkomstig de in [deze] verordening vastgestelde criteria heeft verzocht om over- of terugname van een onderdaan van een derde land of van een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog niet definitief is beslist, of van een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, [onder] c) of d), van [deze] verordening, een overdrachtsbesluit nemen en dit ter kennis brengen van de betrokkene alvorens de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met deze over- of terugname?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

39

Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaat die bij een andere lidstaat die hij beschouwt als verantwoordelijk voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde criteria een verzoek heeft ingediend tot overname of terugname van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, van die verordening, een overdrachtsbesluit vaststelt en die persoon daarvan kennis geeft voordat de aangezochte lidstaat expliciet of impliciet met dat verzoek heeft ingestemd.

40

Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, de ontstaansgeschiedenis, alsmede de context en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten van 20 december 2017, Acacia en D’Amato, C‑397/16 en C‑435/16, EU:C:2017:992, punt 31, en 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punt 44en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Wat allereerst de bewoordingen van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening betreft, luidt deze bepaling in dit verband dat wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), van die verordening, de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis stelt van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen.

42

Uit de tekst zelf van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening volgt aldus – en dit, zoals ook de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 35 van zijn conclusie, in bijna alle taalversies – dat de kennisgeving van een overdrachtsbesluit aan de betrokkene slechts kan plaatsvinden indien en, bijgevolg, nadat de aangezochte lidstaat positief heeft gereageerd op het verzoek tot over- of terugname of, in voorkomend geval, na verstrijking van de termijn waarbinnen de aangezochte lidstaat op dat verzoek moet antwoorden, waarbij het niet geven van een antwoord overeenkomstig artikel 22, lid 7, en artikel 25, lid 2, van de Dublin III-verordening gelijkstaat met aanvaarding van een dergelijk verzoek.

43

De bewoordingen zelf van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening onderstrepen dus dat de Uniewetgever een precieze procedurele volgorde heeft vastgesteld tussen de aanvaarding van het verzoek tot over- of terugname door de aangezochte lidstaat en de kennisgeving van het overdrachtsbesluit aan de betrokkene.

44

Wat vervolgens de ontstaansgeschiedenis van dit artikel 26, lid 1, betreft, zij opgemerkt – zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 36 van zijn conclusie – dat het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (COM/2008/0820 definitief), aangaande de herschikking van verordening nr. 343/2003 en dat heeft geleid tot vaststelling van de Dublin III-verordening, bepaalde dat meer duidelijkheid moest worden geschapen over de procedure van kennisgeving van het overdrachtsbesluit aan de betrokkene, zodat deze het recht om een rechtsmiddel in te stellen beter kon uitoefenen.

45

Zoals blijkt uit de motivering van dat voorstel voor een verordening moesten die preciseringen vooral gaan over het moment, de vorm en de inhoud van de kennisgeving van de overdrachtsbesluiten. Artikel 25, lid 1, van dat voorstel – het huidige artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening – dat die verduidelijkingen bevatte is in dat opzicht tijdens de wetgevingsprocedure niet wezenlijk gewijzigd.

46

Bijgevolg blijkt uit de tekst zelf van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening, gelezen in het licht van de ontstaansgeschiedenis van die bepaling, dat de betrokkene pas in kennis kan worden gestelde van een overdrachtsbesluit nadat de aangezochte lidstaat impliciet of expliciet met diens overname of terugname heeft ingestemd (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, A.S., C‑490/16, EU:C:2017:585, punt 33).

47

Deze uitlegging wordt bevestigd door de algemene opzet van de Dublin III-verordening.

48

In dit verband zij opgemerkt dat artikel 26 van de Dublin III-verordening is opgenomen in hoofdstuk VI ervan, met als opschrift „Over- en terugnameprocedures”, dat bepalingen bevat die de opeenvolgende stappen uiteenzetten alsook een reeks dwingende termijnen die bijdragen aan de bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming (zie in die zin arrest van 25 oktober 2017, Shiri, C‑201/16, EU:C:2017:805, punt 39en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49

Deze over- en terugnameprocedures dienen verplicht te worden gevolgd overeenkomstig de regels die zijn genoemd in met name hoofdstuk VI (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Mengesteab, C‑670/16, EU:C:2017:587, punt 49en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

Aldus blijkt uit de delen II en III van hoofdstuk VI van de Dublin III-verordening inzake de procedures voor overnameverzoeken en terugnameverzoeken, dat de verzoekende lidstaat in eerste instantie een andere lidstaat naargelang van het geval kan verzoeken om overname of terugname van de betrokkene overeenkomstig het bepaalde in respectievelijk artikel 21, lid 1, artikel 23, lid 1, en artikel 24, lid 1, van die verordening.

51

In tweede instantie dient de aangezochte lidstaat, overeenkomstig artikel 22, lid 1, of – naargelang van het geval – artikel 25, lid 1, van de Dublin III-verordening, de nodige naspeuringen te verrichten om vast te stellen of hij verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming in het licht van de criteria die zijn neergelegd in hoofdstuk III van die verordening en bijgevolg binnen de in de bepalingen gestelde termijnen een besluit te nemen over het overname- of terugnameverzoek.

52

Bijgevolg kan de aangezochte lidstaat pas nadat hij die naspeuringen heeft verricht over het overname- of terugnameverzoek besluiten en de verzoekende lidstaat antwoorden. In dit verband geldt een instemmend antwoord als een beginselaanvaarding van de overdracht van de betrokkene. Deze aanvaarding wordt in het algemeen gevolgd door de uitvoering van de overdracht overeenkomstig de bepalingen van artikel 29 van de Dublin III-verordening (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, A.S., C‑490/16, EU:C:2017:585, punt 50).

53

Artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening, dat samen met artikel 27 van deze verordening, aangaande rechtsmiddelen, deel uitmaakt van deel IV, met als opschrift „Procedurele waarborgen”, van hoofdstuk VI van die verordening, beoogt aldus, door de verzoekende lidstaat te verplichten de betrokkene in kennis te stellen van het overdrachtsbesluit, de rechten van die persoon beter te beschermen door te verzekeren dat hem, wanneer de lidstaten die betrokken zijn bij de overname of terugname in beginsel met de overdracht hebben ingestemd, alle redenen die ten grondslag liggen aan de beslissing worden medegedeeld zodat hij deze beslissing in voorkomend geval bij de bevoegde rechter kan betwisten en om opschorting van de uitvoering ervan kan vragen.

54

De algemene opzet van de Dublin III-verordening pleit derhalve ook voor een uitlegging van artikel 26, lid 1, van die verordening volgens welke de betrokkene pas in kennis mag worden gesteld van een overdrachtsbesluit nadat de aangezochte lidstaat heeft aanvaard die persoon over te nemen of terug te nemen.

55

Hetzelfde geldt voor de doelstelling die door de Dublin III-verordening wordt nagestreefd, in tegenstelling tot hetgeen de Europese Commissie lijkt te menen.

56

In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de Dublin III-verordening volgens vaste rechtspraak van het Hof tot doel heeft een duidelijke en hanteerbare methode vast te stellen op basis van objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria, waarmee snel kan worden bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen, en daarbij, overeenkomstig overweging 19 van die verordening, een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen besluiten tot overdracht wordt gewaarborgd (zie in die zin arresten van 7 juni 2016, Ghezelbash, C‑63/15, EU:C:2016:409, punt 42, en van 25 oktober 2017, Shiri, C‑201/16, EU:C:2017:805, punten 31 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57

Bovendien heeft het Hof reeds verduidelijkt dat het niet de bedoeling van de wetgever van de Unie is geweest, de rechtsbescherming van de verzoekers om internationale bescherming op te offeren aan dat vereiste tot snelle afhandeling (zie in die zin arresten van 7 juni 2016, Ghezelbash, C‑63/15, EU:C:2016:409, punt 57, en van 13 september 2017, Khir Amayry, C‑60/16, EU:C:2017:675, punt 65).

58

Wat betreft de doeltreffende rechterlijke bescherming die met name wordt gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, blijkt uit artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. Een dergelijk rechtsmiddel, waarvan de omvang niet beperkt kan worden uitgelegd, dient zowel betrekking te hebben op de toepassing van diezelfde verordening – aangaande zowel de toepassing van de in hoofdstuk III genoemde criteria als de eerbiediging van de procedurele waarborgen waarin met name in hoofdstuk IV is voorzien – als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat waaraan de verzoeker wordt overgedragen (zie in die zin arresten van 26 juli 2017, A.S., C‑490/16, EU:C:2017:585, punten 2628; van 26 juli 2017, Mengesteab, C‑670/16, EU:C:2017:587, punten 43, 47 en 48, en van 25 oktober 2017, Shiri, C‑201/16, EU:C:2017:805, punten 36 en 37).

59

Als werd aanvaard dat de betrokkene in kennis kan worden gesteld van een overdrachtsbesluit voordat de aangezochte lidstaat heeft geantwoord op het verzoek tot overname of terugname, zou hieruit kunnen volgen dat die persoon ter betwisting van dat besluit beroep zou moeten instellen binnen een termijn die verstrijkt op het moment dat de aangezochte lidstaat wordt geacht zijn antwoord te geven, of zelfs – zoals in de zaak in het hoofdgeding – voordat dat antwoord er is, daar overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de Dublin III-verordening de lidstaten de termijn dienen vast te stellen waarbinnen de betrokkene zijn recht op het instellen van een daadwerkelijk rechtsmiddel kan uitoefenen, waarbij die bepaling als enige verplichting oplegt dat die termijn redelijk is.

60

In die omstandigheden zou de betrokkene in voorkomend geval preventief, zelfs voordat de aangezochte lidstaat op het verzoek tot overname of terugname van de betrokkene heeft geantwoord, zijn gedwongen op grond van artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening een rechtsmiddel in te stellen tegen het overdrachtsbesluit in de vorm van een beroep of een bezwaar. Overigens heeft het Hof reeds geoordeeld dat, uit principe, van een dergelijk beroep of bezwaar slechts sprake kan zijn in een situatie waarin de aangezochte lidstaat met dat verzoek heeft ingestemd (zie naar analogie arrest van 26 juli 2017, Mengesteab, C‑670/16, EU:C:2017:587, punt 60).

61

Daarnaast zou, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 46 tot en met 48 van zijn conclusie, de draagwijdte van het daadwerkelijke rechtsmiddel dat wordt bedoeld in artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening, kunnen worden beperkt, aangezien een overdrachtsbesluit dat is vastgesteld en waarvan kennisgeving is gedaan aan de betrokkene voordat de aangezochte lidstaat heeft geantwoord op het verzoek tot overname of terugname, slechts kan worden gebaseerd op door de verzoekende lidstaat verzamelde bewijzen en aanwijzingen en niet op die welke afkomstig zijn van de aangezochte lidstaat, zoals de datum van het antwoord op het verzoek tot overname of terugname of de inhoud van de motivering die heeft geleid tot het aanvaarden van dat verzoek wanneer zijn antwoord expliciet is.

62

Zoals de advocaat-generaal ook in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet worden benadrukt dat dergelijke van de aangezochte lidstaat afkomstige elementen van bijzonder belang zijn in het kader van de beroepen of bezwaren die zijn ingesteld tegen een overdrachtsbesluit dat is vastgesteld na een overnameverzoek, daar de aangezochte lidstaat uitvoerig zijn verantwoordelijkheid moet onderzoeken met betrekking tot de criteria van de Dublin III-verordening en ook rekening moet houden met informatie die de verzoekende lidstaat niet noodzakelijkerwijs kent (zie in die zin arrest van 7 juni 2016, Ghezelbash, C‑63/15, EU:C:2016:409, punt 43).

63

Er zij ook aan herinnerd dat de aangezochte lidstaat ertoe kan worden gebracht – zelfs ingeval van een Eurodac-treffer – om negatief te reageren op een verzoek tot overname of terugname wanneer hij met name van oordeel is dat hij niet langer verantwoordelijk is uit hoofde van artikel 19 of artikel 20, lid 5, tweede alinea, van de Dublin III-verordening, zoals tevens wordt bevestigd door artikel 4 van de uitvoeringsverordening, en de asielzoeker de mogelijkheid moet hebben zich in het kader van zijn rechtsmiddel op een dergelijke omstandigheid te beroepen (zie in dit verband arrest van 7 juni 2016, Karim, C‑155/15, EU:C:2016:410, punten 26 en 27).

64

Wat daarnaast de in punt 33 van dit arrest aangehaalde omstandigheid betreft dat in een situatie zoals in het hoofdgeding de uitvoering van een overdrachtsbesluit zou worden opgeschort totdat de aangezochte lidstaat heeft geantwoord, volstaat de opmerking dat in geen enkele bepaling van de Dublin III-verordening in een dergelijke opschorting is voorzien. De regels met betrekking tot de schorsende werking van de rechtsmiddelen – genoemd in artikel 27, leden 3 en 4, van die verordening – zien op de mogelijkheid tot opschorting van het overdrachtsbesluit voor de duur van het instellen van het beroep of bezwaar tot ten laatste de uitkomst van dat beroep of bezwaar, zonder dat het instellen ervan noodzakelijkerwijs de opschorting van het overdrachtsbesluit met zich meebrengt (zie in die zin arresten van 13 september 2017, Khir Amayry, C‑60/16, EU:C:2017:675, punten 64 en 68, en 25 januari 2018, Hasan, C‑360/16, EU:C:2018:35, punt 38).

65

Aldus zou het aanvaarden dat de kennisgeving van een dergelijk besluit in de zin van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening kan voorafgaan aan het antwoord van de aangezochte lidstaat, in rechtsordes waarin, in tegenstelling tot die waarvan sprake is in het hoofdgeding, niet is voorzien in de opschorting van een dergelijk besluit vóór dat antwoord, erop neerkomen dat de betrokkene wordt blootgesteld aan het risico van een overdracht naar die lidstaat zelfs voordat die er in beginsel mee heeft ingestemd.

66

Voor zover de Dublin III-verordening tot doel heeft, zoals in herinnering is gebracht in punt 56 van dit arrest, een duidelijke en hanteerbare methode vast te stellen om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, kan overigens niet worden aanvaard dat de uitlegging van artikel 26, lid 1, van die verordening, waarmee de wetgever heeft beoogd de rechten van de betrokkene beter te beschermen, kan verschillen naargelang de regelgeving van de lidstaten die zijn betrokken bij de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.

67

Volgens deze logica kan de moeilijkheid met betrekking tot het feit dat het Franse recht niet zou toestaan dat de betrokkene in administratieve bewaring wordt gehouden voordat hij in kennis is gesteld van het overdrachtsbesluit – welke moeilijkheid zoals de verwijzende rechter bevestigt uitsluitend voortvloeit uit het nationale recht – niet afdoen aan de uitlegging van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening zoals gegeven in punt 46 van dit arrest. Overigens volgt duidelijk uit artikel 28, leden 2 en 3, van deze verordening dat de lidstaten bevoegd zijn om de betrokkenen in bewaring te houden zelfs voordat de aangezochte lidstaat om overname of terugname is verzocht, wanneer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan en de kennisgeving van het overdrachtsbesluit aldus geen noodzakelijke voorwaarde voor een dergelijke bewaring vormt (zie in die zin arresten van 15 maart 2017, Al Chodor, C‑528/15, EU:C:2017:213, punt 25, en 13 september 2017, Khir Amayry, C‑60/16, EU:C:2017:675, punten 2527, 30 en 31).

68

Aldus pleit het doel van de Dublin III-verordening ook voor de uitlegging in punt 47 van dit arrest in plaats van haar juist te weerleggen.

69

Daarnaast hebben de vragen van de verwijzende rechter niet alleen betrekking op het tijdstip van de kennisgeving van het overdrachtsbesluit, maar ook op het tijdstip waarop dat besluit moet worden vastgesteld.

70

In dit verband is het juist dat de tekst van artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening verwijst naar de kennisgeving van het overdrachtsbesluit en niet naar de vaststelling ervan. Artikel 5, lid 2, onder b), en artikel 5, lid 3, van die verordening, die respectievelijk de voorwaarden geven waaronder de lidstaat die nagaat welke lidstaat verantwoordelijk is, het onderhoud met de verzoeker achterwege kan laten en het tijdstip geven waarop dat moet plaatsvinden, vermelden evenwel dat een dergelijk onderhoud of enige andere mogelijkheid voor de verzoeker om relevante informatie te verstrekken moeten plaatsvinden voordat het overdrachtsbesluit overeenkomstig dat artikel 26, lid 1, wordt vastgesteld.

71

Daarnaast zij opgemerkt dat volgens artikel 26, lid 2, eerste alinea, van de Dublin III-verordening, het overdrachtsbesluit informatie moet bevatten over de beschikbare rechtsmiddelen, waaronder het recht om te verzoeken om opschortende werking, indien van toepassing, alsmede de termijnen om van de beschikbare rechtsmiddelen gebruik te maken; in het besluit wordt vermeld binnen welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien de betrokkene zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden.

72

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 44 van zijn conclusie, hangt dergelijke informatie af van zowel het tijdstip waarop de aangezochte lidstaat op het verzoek tot overname of terugname antwoordt als van de inhoud van dat antwoord, overeenkomstig de in artikel 6 van de uitvoeringsverordening vastgestelde wijzen wanneer het een uitdrukkelijk antwoord betreft.

73

In ieder geval kan een overdrachtsbesluit niet aan de betrokkene worden tegengeworpen voordat hij daarvan in kennis is gesteld, waarbij het tijdstip waarop de kennisgeving moet plaatsvinden – zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen – nauwkeurig is omschreven in artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening. Hieruit volgt dat de vaststelling van een dergelijk besluit vóór het antwoord van de aangezochte lidstaat, zelfs al vindt de kennisgeving ervan pas na dat antwoord plaats, niet kan bijdragen aan de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen en ook niet aan de doelstelling om een doeltreffende rechterlijke bescherming van de rechten van die persoon te waarborgen, aangezien de instelling van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit noodzakelijkerwijs na kennisgeving ervan gebeurt (zie in dit verband arrest van 26 juli 2017, A.S., C‑490/16, EU:C:2017:585, punt 54).

74

In deze omstandigheden staat artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening tevens in de weg aan de vaststelling van een overdrachtsbesluit voordat de aangezochte lidstaat expliciet of impliciet op het over- of terugnameverzoek heeft geantwoord.

75

Uit het voorgaande volgt dat artikel 26, lid 1, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaat die bij een andere lidstaat die hij beschouwt als verantwoordelijk voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde criteria een verzoek heeft ingediend tot overname of terugname van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, van die verordening, een overdrachtsbesluit vaststelt en die persoon daarvan in kennis stelt voordat de aangezochte lidstaat expliciet of impliciet met dat verzoek heeft ingestemd.

Kosten

76

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 26, lid 1, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de lidstaat die bij een andere lidstaat die hij beschouwt als verantwoordelijk voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde criteria een verzoek heeft ingediend tot overname of terugname van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, van die verordening, een overdrachtsbesluit vaststelt en die persoon daarvan in kennis stelt voordat de aangezochte lidstaat expliciet of impliciet met dat verzoek heeft ingestemd.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top